23.03.17 – Een homo-auteur?

| Geen reacties

Enkele jaren geleden kreeg ik een boekje in handen van de Haarlemse antiquaar A.G. van der Steur: Gedenkt mij bij de tijden van weleer. Het openbare en verborgen leven van de Haarlemse advocaat en dichter Lodewijk Ali Cohen (1895-1970) (Haarlem, 2012, in eigen beheer). Het boekje bevat een levensschets, waarop een heuse biografie gebaseerd zou kunnen worden. Het legt vooral de nadruk op het openbare leven van Cohen, in al zijn aspecten. Het verborgen leven betreft dan de homoseksualiteit van Cohen.

Ik had nog nooit van die man gehoord. Misschien dat ik in een van de grote bloemlezingen ooit iets van hem gelezen had, maar daar was dan niets van blijven hangen. Het oeuvre is daarenboven wel erg klein: twee dichtbundels in de jaren twintig van de vorige eeuw, een roman in de jaren dertig, en heel veel later nog een postume uitgave bij Sub Signo Libelli met enkele inderdaad homo-erotische gedichten, die niet eerder gepubliceerd waren. Ook het boekje van Van der Steur bevat trouwens heel wat eerder onuitgegeven gedichten.

Nadat ik het bovenstaande geschreven had, heb ik toch maar even nagekeken hoe dat zit met die bloemlezingen. Tot mijn verbazing komt hij niet voor in Van Vriesland/Warren en evenmin in de dikke Komrij. Twee maal verbazingwekkend, denk ik, zeker bij Komrij, die toch een belijdend homo was. Waar hij wel in voorkomt met twee gedichten is de eerste bloemlezing homopoëzie in het Nederlands: Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen, reeds daterend uit 1979 en samengesteld door Hans Hafkamp. De twee gekozen gedichten zijn mijns inziens niet typisch homoseksueel.

Maar bon, confrontatie met een onbekende auteur maakt mij natuurlijk altijd nieuwsgierig. Altijd bereid om nieuwe schrijvers en dichters te ontdekken, goed wetende dat volledigheid daarin wel onbereikbaar is.

De twee enige dichtbundels van Cohen, Reflexen uit 1925 en Suggesties uit 1930 waren tamelijk gemakkelijk te vinden. De eerste bevat enkel sonnetten, de tweede is heel wat gevarieerder, maar bevat toch geen vrije verzen of zelfs maar aanzetten daartoe. Ik vind de kwaliteit van de gedichten over het algemeen niet slecht, maar dan ook weer niet zo goed als bv. die van een Nijhoff. Goede middelmaat, laten we zeggen. Een beetje zoals die andere homodichter, Willem de Mérode, die echter veel meer gepubliceerd heeft.

Kun je er een homoseksuele thematiek in aantreffen? Met goeie wil is het mogelijk hier of daar een dergelijk motief te detecteren, maar dan toch alleen omdat je weet dat de schrijver homofiel was. Daarzonder (en zelfs daarmee) zijn andere interpretaties evenzeer mogelijk. Hetgeen trouwens aan de kwaliteit niets af of bijdoet. De enige echt expliciete gedichten terzake vinden we in het kleine bibliofiele bundeltje Verzen dat in 2012 werd samengesteld door dezelfde antiquaar van der Steur (die de literaire nalatenschap van Cohen beheert – vandaar).

De enige roman van L. Ali Cohen, Eros in Reykjavik (Querido, Amsterdam, 1931) was veel moeilijker te vinden. Maar na enkele jaren zoeken dook er toch eentje op, in zeer slechte staat: quasi losse katernen. Eerst laten inbinden dus, en dan pas lezen. Het lijkt me wel vreemd dat dit boek zo moeilijk te vinden is. Het is weliswaar eveneens een bibliofiele uitgave, maar dan toch in 340 exemplaren, hetgeen betekent dat het veel gemakkelijker dan in werkelijkheid te vinden had moeten zijn. Het is gedrukt op nog steeds zeer mooi en aangenaam Pannenkoek, in de bekende letter van Van Krimpen en in twee kleuren.

Dit kun je evenmin een homoseksuele roman noemen als de twee reguliere bundels van Cohen. Er is één passage die expliciet naar homofilie verwijst, nl. het einde van hoofdstuk drie; en verder nog één passage die veel onrechtstreekser en implicieter is. Mijns inziens is dat niet genoeg om van een homo-erotische roman te spreken, temeer daar beide passages van de verteller afkomstig zijn, die in deze roman alwetend is.

Een ontgoocheling is de lectuur van deze roman niet geweest, maar dan enkel omdat ik bij welke lectuur dan ook wél nieuwsgierig ben, maar tezelfdertijd geen enkele verwachting koester. De Eros van de titel is een schip dat in Reykjavik aangemeerd ligt, en waarop een feest plaatsheeft. De protagonisten van de verschillende hoofdstukken ontmoeten elkaar daar op een zeer oppervlakkige wijze, zou je kunnen zeggen. Het is inderdaad alsof de personen in dit boek als schimmen naast elkaar lopen, elkaar even zeer vluchtig raken en zich dan weer verder spoeden.

Een intrige, een fabel kent het boek ook niet. Men zal opmerken dat dit in vele modernistische romans het geval is; inderdaad, maar hier lijkt het me niet zo bedoeld te zijn. Het lijkt meer op een vorm van onkunde. En wellicht heeft de auteur zelf wel ingezien dat hij niet uit het romanciershout gesneden was, en is het  (mede) daarom bij deze éne roman gebleven. Maar het is evengoed mogelijk dat hij zijn carrière als advocaat voor heeft laten gaan; de Haan in Nederland en Eekhoud in België hadden laten zien welke de mogelijke gevolgen waren wanneer je expliciet over homoseksualiteit schreef in die tijd.

Het eerste hoofdstuk heeft een danser als hoofdpersoon, die in een depressie geraakt is en daardoor, zij het onder begeleiding, een beetje op de dool. Je kunt in deze figuur heel gemakkelijk de toen wereldberoemde danser Nijinsky, de topfiguur van Diaghilevs Les Ballets Russes herkennen; in het boek heet hij Leo Fanar. Beiden hadden een verhouding, en zodoende is er natuurlijk wel een verwijzing naar homofilie, zij het weer erg onrechtstreeks. Elk van de daaropvolgende hoofdstukken schetst dan kort het leven van een andere figuur; op die manier krijg je als het ware een synopsis van wat onder de handen van een échte romancier een heuse grote roman zou zijn geworden. Nu krijg je enkel brokstukken met zeer weinig verband ertussen; maar die wel aantonen dat de schrijver talent had. Voor kortere prozastukken waarschijnlijk.

Wat me meer verwondert is het feit dat hij ook als dichter niet verder heeft gedaan. Er zijn na zijn twee bundels inderdaad nog hier en daar losse gedichten van hem verschenen, ook tijdens de oorlog toen hij ondergedoken zat, en later opgepakt werd en naar Westerbork en Theresienstadt verkast. Hij overleefde. Op de website van het NIOD in Amsterdam kan men gemakkelijk verscheidene van zijn expliciete verzetsgedichten terugvinden, die mijns inziens nooit ergens gepubliceerd werden. Maar na 1930 kwam dus geen bundel meer. Behalve het reeds genoemde, lang na zijn dood in amper 50 exemplaren gepubliceerde Verzen, waaruit ik één gedicht wil overschrijven, het is een titelloos sonnet, en wel degelijk expliciet wat de homoseksuele thematiek betreft:

Hij liet zich zoenen in een donkre steeg
En voelde zich omvatten op de tast…
Zijn waardigheid viel van hem als een last,
Nu, dacht hij, o…mijn lichaam het loopt leeg –

Het was alsof het leven even zweeg,
In drie seconden was ’t heelal te gast
Terwijl het zaad ziedende werd verbrast
En ’t duister lichtend in hem over – neeg.

Hoe oer-oud heeft de geile roep gegild
Van ’t bloed dat werd gewekt tot wanhoopsdaad
der diepste krachten, eindeloos verspild…

Steeds dat verlangen te vergaan in gloed,
Voorbij de grenzen van elk goed en kwaad
Waar hij zich als een offer geven moet –

Opvallend lijken mij de vaak erg negatieve tonen (verbrassen, verspillen, duister, wanhoop…); dat duidt erop dat de auteur van dit gedicht zijn homoseksualiteit alleszins niet positief ervoer. Wat op zijn beurt dan weer te maken heeft met de maatschappelijke context.

Hoe dan ook, ik ben van oordeel dat er best een derde bundel van Lodewijk Ali Cohen mag verschijnen, met alles wat los gepubliceerd werd en wat in de archieven en handschriften nog aan waardevols aanwezig is.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


15 + vier =