25/06/2017
door Peter
Geen reacties

25.06.17 -Volker Braun

Samen met Peter Hacks en Heiner Müller kun je Volker Braun beschouwen als een opvolger van Bertolt Brecht. Zoals de twee anderen heeft hij vooral voor het theater gewerkt, en zoals de twee anderen is hij links en progressief gebleven. Dat geldt natuurlijk voor de een al wat meer dan voor de ander, maar grosso modo klopt het wel. Alle drie komen ze bv. uit de DDR, en ze hebben dat nooit verloochend en hebben nooit meegedaan met de DDR-bashing in de Nazinachfolgestaat BRD. En toch waren ze alle drie ook in de DDR zelf al lastposten, die het regelmatig aan de stok kregen met het regime.

Dat spreekt allemaal voor hen. Vanzelfsprekend.

Alle drie waren c.q. zijn ze ook dichters, ook al is hun lyrisch oeuvre het smalste deel binnen hun werk. Maar wellicht wel het belangrijkste ook. Van Peter Hacks, die al vele jaren overleden is, verschenen al lang geleden Die Gedichte. En ook van Heiner Müller zijn enkele jaren geleden al verzamelde gedichten verschenen in een wetenschappelijke editie. Ook hij is al ettelijke jaren dood, nog in het vorige millennium zelfs.

Volker Braun leeft nog; hij is ongeveer tien jaar jonger dan zijn beide kompanen. En hij publiceert nog, ook gedichten, alhoewel dat er niet veel zijn. Zijn recentste bundel is Handbibliothek der Unbehausten, neue Gedichte (Suhrkamp Verlag, Berlin, 2016); de vorige bundel ligt alweer tien jaar achter ons.

De bundel bevat vier (of vijf) afdelingen, waarin het persoonlijke weliswaar niet afwezig is, maar toch weinig naar voren komt in vergelijking met de actualiteit. De oorzaak daarvan is wellicht al af te lezen aan het eerste korte gedicht, dat ‘Bestimmung’ heet:

“Ja, mein Sehnen geht ins Ferne
Wo ich heitre Dinge treibe.
Doch bestimmen mich die Sterne
Dass ich fest am Boden bleibe.
Und so gern ich mich erhebe
Zieht mich eine Last nach unten
Eingenäht in mein Gewebe
Hat sie ihren Ort gefunden.” (p.7)

Het is de aloude kloof tussen ideaal en werkelijkheid die hier als het ware opgeroepen wordt. Bij Schiller komt die al expliciet voor, en waarschijnlijk ook al voor hem. Bij Braun slaat de tegenstelling vooral op het politieke, zo dunkt me. Dat blijkt bv. uit twee nogal dubbelzinnige Chinagedichten. De dichter kwam meerdere malen in China naar aanleiding van literaire symposia e.d.m. Maar hij zal ook de politieke situatie aldaar en de discussies omtrent de aard van het regime wel volgen. Het eerste gedicht eindigt aldus:

“Im Teehaus sitz ich, blickend in die Menge.
Der Zugang kurvenreich: und das Gedränge!
Der Wahre Weg, ihr geht ihn, Söhne Maos;
Die grosse Ordnung und das grosse Chaos.” (p. 14)

Het dubbelzinnige zit vooreerst in de hoofdletter aan ‘Wahre’. Die wijst nl. op een zekere ironie, om niet te zeggen sarcasme. Daar komt dan nog het laatste vers bij, waarin twee elkaar normaal gezien uitsluitende begrippen bij elkaar worden gezet. Ik moest daarbij denken aan een boek over hogere wiskunde dat ik recent even zag en dat heette: From Calculus to Chaos: An Introduction to Dynamics. Natuurlijk is dat puur toeval, de kans dat Braun dat boek in gedachten had is zo goed als nihil.  Maar het wijst er wel op dat de combinatie van orde en chaos helemaal zo vreemd niet is. Ook in een geordende economie treedt nu en dan chaos op, het is enkel wanneer de orde, de planning zo strikt en stringent en allesoverheersend wordt, dat er echte chaos kan ontstaan zoals bij het verdwijnen van de Sovjet-Unie. Beide begrippen vormen een dialectische eenheid in klassiek marxistisch-hegeliaanse zin.

Daar komt nog bij dat wanneer je het gedicht voorleest, je ook het volgende kunt horen: ‘der Ware Weg’. Hetgeen dan mogelijk kritiek inhoudt op de gevolgde ‘ware weg’. En hier moet ik dan even aan Stalin denken, die in het begin van de jaren vijftig een boekje publiceerde over de economische problemen van de USSR, en met name over de waardewet i.v.m. productie van waren in die socialistische economie. Daarover werd (en wordt) in communistische milieus erg gediscussieerd. Het is goed mogelijk dat we hier een echo .van opvangen, temeer daar in het volgend, lange gedicht, dat niet zonder reden ‘Chimerika’ (pp. 15-17) heet, die ‘ware’ weg toch wel iets duidelijker op de korrel wordt genomen – voor zover dat in een gedicht mogelijk is natuurlijk. Zo zijn daar bv. de ‘Sonderwirtschaftszonen’, waarin ‘Die Dialektik fickt die Logik, ungezügelt’.

Zo is dat, zou je kunnen zeggen.

Maar wellicht zijn er ook andere mogelijkheden.

De tweede afdeling begint met een mooi prozagedicht, dat ‘Steinbrech’ heet:

“Wovon nährt sich dieses demütige Kraut. Welches karge Mehl aus Tau malmt es beharrlich. Aus beinahe nichts sintert es sein festes Grün. Es kost den Felsen und überwächst ihn mit hartem Fleisch. Stetig, strotzend dürftig kämpft es ums Leben und darbt wie Hoffnung, und dorrt. Und öffnet den Stein.” (p. 31)

Het ontbreken van vraagtekens na de eerste twee zinnen wijst erop dat het eerder uitroepen van verwondering zijn dan wel echte vragen. En het ongebruikelijke werkwoord ‘sintern’, dat eigenlijk niet past bij een natuurlijk gebeuren, omdat het enkel gebruikt wordt i.v.m. het bakken van disparate en eigenlijk niet versmeltbare elementen, die door die verwarming toch gaan samenklitten, duidt op een vreemd procedé. O.a. porselein wordt op die manier gemaakt. Maar het hele, korte gedichtje is natuurlijk een ‘objective correlativ’ in de zin van Eliot; m.a.w.: eigenlijk gaat het helemaal niet om dat plantje, maar om een maatschappelijk proces, dat soms ‘revolutie’ genoemd wordt, en daarmee is dan een langdurig proces bedoeld, dat uiteindelijk uitmondt in fundamentele maatschappelijke veranderingen (in tegenstelling met een ‘revolte’ bv. die eerder een kortdurend proces is, een plotselinge eruptie die even snel weer in elkaar zakt als de spreekwoordelijke soufflé).

De idee achter dit korte gedichtje komt volledig overeen met een van de ideeën uit een van de bekendste en mooiste gedichten van Brecht zelf, nl. de „Legende von der Entstehung des Buches Tao Te King auf dem Weg des Laotse in die Emigration“, alleen gaat het daar over water (het cursief is van mij):

 4
“Doch am vierten Tag im Felsgesteine
Hat ein Zöllner ihm den Weg verwehrt:
„Kostbarkeiten zu verzollen?“ – „Keine.“
Und der Knabe, der den Ochsen führte, sprach: “Er hat gelehrt.“
Und so war auch das erklärt.

5
Doch der Mann in einer heitren Regung
Fragte noch: „Hat er was rausgekriegt?“
Sprach der Knabe: „Daß das weiche Wasser in Bewegung
Mit der Zeit den harten Stein besiegt.
Du verstehst, das Harte unterliegt.“

6
Daß er nicht das letzte Tageslicht verlöre
Trieb der Knabe nun den Ochsen an
Und die drei verschwanden schon um eine schwarze Föhre
Da kam plötzlich Fahrt in unsern Mann
Und er schrie: „He, du! Halt an!

7
Was ist das mit diesem Wasser, Alter?“
Hielt der Alte: „Interessiert es dich?“
Sprach der Mann: „Ich bin nur Zollverwalter
Doch wer wen besiegt, das interessiert auch mich.
Wenn du’s weißt, dann sprich!”

Zelfs in de eerste afdeling kan Brecht heel in de verte aanwezig zijn geweest; hij ging er immers vanuit dat het de tweede keer, in China, beter zou lukken dan de eerste keer, in de Sovjet-Unie. Misschien heeft hij wel gelijk gehad.

Ook verder in de bundel is Brecht trouwens manifest aanwezig, zeker in de laatste afdeling, ‘Anhang: Zeitgeist 2’, waarin sommige gedichten door hun titel alleen al direct naar Brecht verwijzen (‘Inbesitznahme der grossen Rolltreppe durch die Medelliner Slumbewohner am 27. Dezember 2011’) zonder een parodie te zijn, enkel een min of meer ironische pastiche; maar in die afdeling is het vooral de stijl die zeer Brechtiaans aandoet, het is de vrij-ritmische stijl die Brecht toepaste in zijn Svendborger Gedichte, met name in de afdeling ‘Chroniken’ daarin.

Eén keer wordt hij ook met name genoemd, samen met een hele reeks anderen overigens in een humoristische scène, die eerst in een grootwarenhuis speelt:

Unbelehrt von Zeit und Züchtigungen
Ich hatte ja den Glauben nicht gefunden
Im Kaufhaus, wo es nichts gab was es nicht gab
Wers glaubt wird selig ! “Ward je einer frei hier
Durch fremde oder eigne Leistung? Nein.”
Nicht bremsten wir, so quasselnd, unsre Schritte
Und lachend kurvten wir durch al die Schatten
Brecht und Eisler, Cremer, Busch
Und Heise, Bloch sowie sein Schüler Teller
Bahro und Biermann (als er jung gewesen)
Und Fühmann, Dresen, die ernst grinsend grüssten.” (pp. 36-37)

Overigens is heel deze tweede afdeling van een sterke maatschappijkritische geest vervuld, ook al wordt dat zoals daarnet nooit op een pamflettaire wijze verwoord, maar steeds afstandelijk en van licht tot scherp spottend (zoals met Biermann daarnet). Er wordt zo verwezen naar ‘Chichen Itza’ (p.40), waar het ‘fukuyamisch’ toegaat, en in een ander gedicht wordt een regengod (oder war es ein Ölgötze) gelijkgesteld met de ‘GROSSEN PINKLER samt seinen kollateralen Bewandtnissen’ (p. 41), waarmee natuurlijk Bush bedoeld wordt.

Een mooi en aansprekend voorbeeld van Brauns maatschappijkritiek is het gedicht ‘Die Leguane’, waarin de twee strofen ogenschijnlijk totaal los van elkaar staan, maar het aan de lezer is om het (toch wel voor de hand liggende) verband te leggen:

“Sie liegen lässig in den grauen Trümmern
Der Tempelreste, welche sie nicht kümmern.
Während nur ab und zu ein Auge klappt!
Steingrau der Leib und kantig wie die Steine
So stemmt sich das auf seine flinken Beine
Zu dem Geschäft, das nach den Mücken schnappt.

Wir Leguane, kommende Geschlechter
Gelagert in den mürben Kassenhallen
Wir sehn die Banken stumm zusammenfallen.
Nicht einmal Zorn, nicht einmal ein Gelächter.
Was ist die Zeit, die Macht? sie ist vermodert
Während des neuen Tages Sonne lodert.” (p. 48)

Of: alleen wij leguanen zullen uiteindelijk overblijven. Of dat als een positief of negatief statement gezien moet worden blijkt niet echt.

De derde afdeling heet ‘La traboule’, en dat zijn in Lyon de gangen en steegjes, die meermaals door de huizen in het centrum van die stad heenlopen, dus niet enkel ertussen. De hele afdeling bevat reisgedichten, impressies over plaatsen waar de dichter geweest is (buiten de plekken die al eerder genoemd werden, al dan niet i.v.m. reizen). Laat me één voorbeeld geven, dat echter niet typisch is voor de hele reeks; ik kies het uit wegens het humoristische aspect dat zo duidelijk zelden voorkomt in Brauns poëzie:

“DER NACKTSTRAND

Glutlasten auf dem Nacken! fettgecremt
Im übrigen naturbelassen
Bräunt sich das samt zu allgemeinen Rassen
Im Landstrich, wo man sich nicht schämt.
Hier herrscht die Gleichheit in Gestalt der Blöse.
Ihr Zeichen Schwanz entweder oder Möse.
Doch nur die Schönheit ist ganz frei lebendig
Mein kleines Ding die reinen Qualen leidet
Denn wie beim Pferd logiert es innewendig.
Im Paradies, gewiss, geht man nicht unbekleidet.”

(Vitte, Hiddensee) (p.70)

De vierde en laatste (of voorlaatste, naargelang men de ‘Anhang’ meerekent of niet) afdeling is een lang gedicht dat ‘Wilderness’ heet, en dat geschreven werd in de aard van Pound (die er ook met name in genoemd wordt), of wellicht van die andere DDR-dichter Erich Arendt.  Tien afdelingen telt het gedicht en de actualiteit is er weer helemaal in aanwezig, maar deze keer op zeer disparate manier; zoals bij Pound inderdaad worden vele elementen uit de werkelijkheid het gedicht binnengebracht en met elkaar verbonden in wat toch amper een synthese mag heten. De migranten aan de Middellandse zeekusten worden genoemd (‘Kadaver, Kadaver, eingerollt/In die krachende Plane der Brandung.’ – p.78), en in het derde deel wordt iets genoemd dat eigenlijk nu pas in de actualiteit aanwezig is, of beter misschien: sinds Trump president werd van de VS: “…das Getwitter entlädt sich, die Medienwolke/Fakten gefickt Fiktionen abgefackelt/Eine Brandrodung der Zugang zur Wirklichkeit/…” (p. 79); het is in dit deel dat Pound genoemd wordt, én zijn bekende usura-gedicht. Het vierde deel is psychoanalytisch van aard, er wordt zowel naar Freud als naar Gottfried Benn verwezen, maar zonder dat die namen ook effectief vallen. Ook naar Goya wordt meermaals indirect verwezen (de slaap van de rede), en de zesde afdeling draagt als titel ‘Utoya Utopia’, terwijl het gedicht eindigt met een verwijzing naar de ontdekking van het Higgs-deeltje.

Je zou deze vierde afdeling in de traditie van het barokke begrip van de ‘discordia concors’ kunnen plaatsen, en wellicht is dat ook aangewezen (zeker eerder dan in die andere traditie, van de ‘concordia discors’), maar het grote merendeel van de in dit niet voor niets ‘Wilderness’ genoemde gedicht duiden eigenlijk dezelfde negatieve richting aan, van een maatschappij op de rand van het uit elkaar vallen, die zich met haast en spoed naar de afgrond rept. Van veel tegenstellingen is dus geen sprake, maar natuurlijk wel van vele niet noodzakelijkerwijze verwante zaken, die enkel gemeen hebben dat ze tot de actualiteit van het eerste kwart van de 21ste eeuw behoren.

‘Wilderness’ is daarmee zowel inhoudelijk als stilistisch een buitenbeentje. Vooral stilistisch. Het merendeel van de gedichten in deze bundel zijn geschreven in klassieke verzen (jambisch of trocheïsch) en rijmen zelfs. Maar Braun wisselt wel af wat de toon betreft, die nu eens speels, dan weer ernstig, of bitter, of persoonlijk kan zijn. En af en toe gebruikt hij dus ook andere, vrije versvormen (ik heb het al aangeduid) en twee maal komt een prozagedicht voor. Ook wat de lengte betreft varieert de dichter voortdurend: sommige gedichten tellen slechts enkele verzen, andere hebben enkele pagina’s nodig.

Als dichter spreekt Braun mij in elk geval aan, zijn overige werk ken ik niet. Maar dat is ook het geval voor zijn beide dode kompanen (Müller en Hacks), die eveneens goede dichters waren. Ook op het gebied van de literatuur heeft de DDR veel voortreffelijke figuren voortgebracht.

Foto‘s (C)
http://www.peter-hacks -gesellschaft.de/fotogalerie.html
http://www.heinermueller.de/en/leben.php
http://www.weidener-literaturtage.de/autoren/seiten/braun.htm

23/06/2017
door Peter
Geen reacties

23.06.17 – Celan am Meer

Waarschijnlijk ben ik een van de eersten, zoal niet dé eerste geweest om in het Nederlands een lang artikel te publiceren over Paul Celan. Het heette gewoon ‘De thematiek van Paul Celan’ en moet verschenen zijn in de eerste helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw in het Tijdschrift van de VUB. Zelf heb ik daar geen exemplaar meer van. En ik herinner me er ook zo veel niet meer van.

Maar wat ik me nog herinner is het feit dat ik met de laatste gedichten (die van Schneepart bv.) veel moeite had om ze te begrijpen; dus koos ik – koos ik? – voor de gemakkelijkheidsoplossing en stelde dat die poëzie zo hermetisch was dat ze niet meer geduid kon worden.

Onzin natuurlijk, want het kwam er in de praktijk gewoon op neer dat ik ze niet begreep.

Inmiddels zijn we zowat vijftig jaar verder en weet ik wel hoe dat kwam. Er kwamen heel wat geologische termen voor in die late poëzie, en van geologie had ik geen kaas gegeten. Ik wist dat het een vak was, en dat zal wel alles zijn geweest. Nochtans kwamen er ook bekende geologische begrippen in voor, die me op weg hadden moeten helpen. Maar vooral: ook in eerdere bundels van Celan kwamen dergelijke termen voor, en die vond ik dan wel begrijpelijk blijkbaar.

Nou ja, si jeunesse savait…

Helmut Böttiger heeft enkele decennia geleden al een boek gepubliceerd dat Orte Paul Celans heette, en waarin hij de weg van Czernowitz naar Parijs volgde. Nu is daar de tweede versie (de eerste verscheen tien jaar geleden al) op gevolgd van Celan am Meer (Wallstein Verlag, Göttingen, 2017), waarin hij de sporen van Celan volgt in Bretagne, waar die met zijn vrouw vanaf de jaren zestig vaak verbleef.

Het boek is geen wetenschappelijk academisch essay (er is bv. geen notenapparaat en geen bibliografie), maar een eigen creatieve bijdrage tot zowel een deel van de biografie van Celan als tot een beter begrip van de verhouding tussen biografische feiten en poëzie. De poëzie die Böttiger daarbij gebruikt komt grotendeels uit de scharnierbundel Die Niemandsrose, waarin enkele ‘klassiekers’ van Celan voorkomen.

Maar er staat ook een afdeling in met gedichten die gesitueerd kunnen worden in de jaren zestig en in Bretagne, met name in het kleine dorpje Trébabu en de omgeving daarvan. Opvallendst: wanneer je deze tekst leest, blijkt dat er van hermetisme amper nog sprake is. Vaak zijn de gedichten bijna letterlijke beschrijvingen van wat Celan gezien heeft of moet hebben, bv. een bepaalde menhir, of een bepaald kasteel in Kermorvan, waar boven de deur staat: ‘Servir Dieu est régner’. Wanneer je het gedicht in kwestie leest, weet je niet waar dat op slaat; je kunt wel een interpretatie wagen natuurlijk, maar waar het citaat letterlijk vandaan komt is niet duidelijk  (Servire Deo Regnare Est). Wel het ‘kannitverstan’ enkele verzen verder, dat uit Hebel afkomstig is.

En zo geeft Böttiger nog vele voorbeelden van gedichten die eigenlijk zeer eenvoudig en direct zijn; misschien is enige kennis van Bretagne nodig om tot de werkelijke kern ervan door te dringen, maar wanneer je bv. ‘Le Menhir’ leest, dan zie je de dichter gewoon naar een groter wordende steen in het Bretonse landschap toelopen. En dat is een gemakkelijk voorbeeld, maar het geldt eveneens voor moeilijkere voorbeelden, die Böttiger geeft.

Zonder van de hak op de tak te springen volgt Böttiger wel een bepaalde route, zijn boek is ook een eigen reisverslag, naar een landschap enerzijds, en naar de weerslag ervan in gedichten anderzijds. Maar het is ook een essay over een leven, of toch over bepaalde gedeelten ervan, vooral dan de verhouding van de dichter met zijn vrouw en met Ingeborg Bachmann. Zeer summier, dat wel, maar ook hier weet hij het essentiële te vatten, zowel uit het leven als uit de poëzie. De reizen en het verblijf in Bretagne waren natuurlijk geen toeval: Celan had rust nodig, en die kon hij daar, ver weg van de drukte van Parijs, aan de ongerepte kust vinden.

Zo is ook het gedicht ‘Nachmittag mit Zirkus und Zitadelle’ bijna letterlijk terug te voeren tot een gebeurtenis uit 1961 in Brest, waar Celan met vrouw en zoon een circusvoorstelling bijwoonde (die zoon werd later circusartiest). Je kunt als je dat weet veel beter de associaties volgen die het gedicht vervolmaken. In dat gedicht wordt ook voor het eerst de grote betekenis duidelijk die Mandelstam had voor Celan. Ook daar gaat Böttiger op in.

Maar niet enkel de drukte van Parijs. Böttiger weet goed weer te geven hoe ook de beide belangrijkste vrouwen in Celans leven in de Bretagne-gedichten aanwezig zijn, Gisèle op de eerste plaats. En de tweespalt die dat teweeg bracht; en hoe Celan eigenlijk een vrouwenversierder was, want naast die twee waren er ook nog (vele?) andere. Het is wachten op een volledige, gedetailleerde biografie van de dichter om over dat alles het fijne te weten te komen.

Of Böttiger die biografie zal schrijven weet ik niet. Wel is een volgend boek van hem al voor augustus e.k. aangekondigd. Dat zal over de verhouding met Bachmann handelen, en zal zodoende ook slechts een deelbiografie zijn.

Nee, het hoeven geen academische geschriften te zijn. Dit boek is een miniatuur van hoe je gedichten moet lezen, zeker moeilijke gedichten als die van Celan. Ofschoon ik Celan al ken van mijn zeventiende of zestiende, leer ik toch telkens weer bij wanneer ik goede boeken over hem en zijn werk lees. En dit is een goed boek; het eist niet al te veel voorafgaande kennis, is goed en boeiend geschreven, is allesbehalve technisch, maar wel vol empathie. Kortom: aan te bevelen, zowel voor mensen die Celan nog niet of amper kennen, als voor ouwe rotten in dat werk.

17/06/2017
door Peter
Geen reacties

A pas aveugles de par le monde – Leïb Rochmann

Na 1945, na de ergste genocide in de geschiedenis van de mensheid tot dan toe, na de judeocide van de nazi’s dus, werden daarover heel veel gedichten geschreven, hoe zou het anders kunnen!? En n’en déplaise Adorno, die dat enigszins verboden had.

Er bestaat een schitterende bloemlezing uit die poëzie, voor zover ze geschreven werd in het Duits: Heinz Seydel (Hg.): Welch Wort in die Kälte gerufen, Die Judenverfolgung des Dritten Reiches im deutschen Gedicht (Im Verlag der Nation, Berlin, 1968). Het is een kanjer van meer dan vijfhonderd bladzijden en het is duidelijk dat de samensteller ook, zoal niet op de eerste plaats, naar kwaliteit gekeken heeft. Die samensteller werd overigens door de uitgeverij verscheidene jaren vrijgesteld om de wereld af te reizen op zoek naar gedichten. Zodoende heeft hij als eerste bepaalde dichters ontdekt en in het Duits taalgebied bekend gemaakt.

Alhoewel, ‘het Duitse taalgebied’ is niet helemaal juist. De bloemlezing verscheen in de DDR en werd in de BRD gewoon doodgezwegen, tot op de dag van vandaag toe. Antiquarisch is het boek wel nog te vinden.

De zo bekende ‘Todesfuge’ van Paul Celan was dus allesbehalve het eerste of enige gedicht rond deze problematiek.

Ook wat het proza betreft zijn er vele, vele boeken rond de Jodenvervolging geschreven en uitgegeven. Denken we in het Nederlands maar aan Marga Minco, Jona Oberski, G.L. Durlacher en vele anderen, ook bv. het beklemmende De ondergang van de familie Boslowits van Van het Reve, toen die nog schrijven kon. Laat me van de buitenlandse schrijvers slechts één enkele noemen, tevens een van de beste en alleszins een van de vroegste: Riders in the Chariot van de latere Australische Nobelprijswinnaar Patrick White.

Ik heb uiteraard niet alle romans of verhalen over het onderwerp gelezen, anders zou ik er wel enkele jaren zoet mee zijn geweest, en ik varieer nu eenmaal zeer graag, ook in mijn lectuur. Maar de door mij gelezen boeken hebben één ding gemeen: het zijn grotendeels klassieke verhalen, het een al beter verteld of geschreven dan het andere, waarbij steeds het verhaal van éen of enkele gevallen uitgewerkt wordt, dat dan exemplarisch is voor alle andere slachtoffers. Want hoe moet je een collectieve moordpartij, die een genocide toch is, anders weergeven, vertellen of suggereren?!

En toch kan dat blijkbaar. En dat gebeurt in de roman van Leïb Rochman: A pas aveugles de par le monde (Editions Denoel, Paris, 2012 = folio 5679). De roman werd oorspronkelijk in het Jiddisch geschreven en gepubliceerd (Mit blinde trit iber der erd). Voor zover ik kon nagaan werd hij tot nog toe enkel in het Frans vertaald, er is zelfs geen vertaling in het Engels te vinden. Jiddisch is natuurlijk een kleine taal, die waarschijnlijk zelfs door de meeste joden niet meer gesproken of gelezen wordt. Alhoewel, denk ik terwijl ik dit schrijf, een van de meest terechte Nobelprijswinnaars, Isaac Bashevis Singer, schreef bij mijn weten ook nog in het Jiddisch. Hoe dit ook zij, A pas aveugles de par le monde verscheen al in 1968, in hetzelfde jaar dus als voornoemde poëziebloemlezing, zodat ook die eerste Franse vertaling al behoorlijk laat komt.

Zeker wanneer je er rekening mee houdt dat dit boek literair gezien enig is in zijn soort en als een heus meesterwerk beschouwd kan worden, dat wat mijn strikt persoonlijke mening betreft, als negende mag prijken op het lijstje waar ik het in een van de vorige bijdragen over had. En dat is gemeend. Ook al besef ik dat ook hier vermoedelijk geen consensus over zal kunnen worden bereikt, waarschijnlijk opnieuw wegens niet ter zake doende politieke redenen. Soit. Over naar het boek.

Het boek telt negen hoofdstukken van heel ongelijke lengte, die in zes gevallen genoemd zijn naar een Europese stad waar het ‘verhaal’ of een gedeelte ervan zich afspeelt. Het eerste hoofdstuk, dat als een introductie beschouwd kan worden, speelt zich af op een niet nader genoemde plaats, een soort spookstad met daarin zowel een kerkhof als een woning waarin de protagonist vroeger, vóór de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden waarover het boek zal gaan, blijkbaar gewoond heeft. Bij zijn terugkeer blijkt het huis door anderen bewoond te zijn. In hoeverre dit autobiografisch is, weet ik niet, want ik ken het leven van de auteur niet. Wel weet ik dat hij levend uit de kampen terug gekomen is, en dat veel van die teruggekeerden met dergelijke en aanverwante feiten geconfronteerd werden. Stelen en roven, en van elke gelegenheid misbruik maken om zich andermans goed toe te eigenen is nu eenmaal des mensen.

Dat eerste hoofdstuk heet ‘Le revenant’, vandaar dat ik ‘terugkeer’ daarnet vet zette. Letterlijk duidt dat Franse woord natuurlijk op iemand die terugkeert, maar zoals enkele films of TV-series recent hebben aangetoond, heeft het een veel specifiekere betekenis: het duidt een ziel van een dode aan, een geest die terugkeert, al dan niet in een nieuw vleselijk omhulsel. En zo komt dit eerste hoofdstuk ook over: als een vermenging van werkelijkheid en droom, waarbij je amper kunt uitmaken wat echt is en wat niet. Maar dat heeft eigenlijk ook weinig belang; de kern van wat zich afspeelt wordt later in het boek door de schrijver zelf aangeduid:

“Ils entendirent que le vieillard était un vieillard depuis toujours. Sa vieillesse avait précédé les Plaines. Il habite des villes qui n’existent plus, entouré d’habitants dont la trace ne se trouve qu’en lui. Il a traversé les Plaines et rejoint le lointain commencement. Telle une roue, il tourne dans les rues, lentement, les yeux au sol, sans voir les hommes d’aujourd’hui. Il sait qu’ils vont et viennent dans ce qui est sa mémoire.” (p. 656)

Dat zal trouwens het hele boek door gebeuren: werkelijkheid en droom (en die droom is niet zo maar een droom: in het merendeel van de gevallen zijn het zware nachtmerries) lopen voortdurend door elkaar heen; dat gebeurt tot en met het laatste hoofdstuk, maar wel heeft een ontwikkeling plaats doorheen het boek in die zin dat de werkelijkheid langzaamaan opnieuw de overhand neemt, het realiteitsprincipe zou je ook kunnen stellen. Je weet dus ook niet echt of het begrip van de ‘revenant’ letterlijk genomen moet worden of figuurlijk. Waarschijnlijk allebei, maar op de eerste plaats figuurlijk: het is een metafoor voor een mens die lichamelijk nog bestaat, maar wiens ziel vermoord werd; maar ook voor de velen die lichamelijk niet meer bestaan, maar die geen laatste rustplaats gevonden hebben, geen graf. In het judaïsme is zo’n rustplaats uiterst belangrijk, want anders krijgt de afgestorvene geen rust en zal zijn ziel blijven ronddwalen. Dat is ook wat het hele boek door gesuggereerd wordt: de sterke symbiose tussen de overlevenden en de gestorvenen; waarbij deze laatsten als het ware bezit nemen van de eersten om zich toch om hen te bekommeren.

De auteur moet een religieus man zijn, dat blijkt niet enkel uit het hele boek en meer bepaald uit bepaalde passages en gegevens (zie later) maar ook uit het feit dat hij soms letterlijk joodse rituele teksten citeert (vb. pp. 233,528, 677, 781 e.v.). De auteur was afkomstig uit een religieus chassidisch gezin, en zelf heeft hij als jongeman ook talmoedlessen gevolgd. Hij was dus goed op de hoogte van het judaïsme, zoals trouwens zo veel van zijn landgenoten: hij was afkomstig uit een kleine stad ten oosten van Warschau, en dus ook vlakbij Lodz, waar in die vooroorlogse tijd meer joden dan anderen woonden. De traditie waarin hij dus geplaatst moet worden is die van het zgn. oostjodendom, net zoals Bashevis Singer overigens, in wiens boeken die traditie tot in het detail bestudeerd kan worden.

Overigens is de auteur zelf een overlevende; hoe dat gebeurde vertelt hij in een ander van zijn drie boeken: Journal 1943-1944 (Editions Calmann-Lévy, Paris, 2017), waarin hij zijn onderduikperiode bij Poolse boeren bijhoudt. Aan de grote concentratiekampen is hij dus ontsnapt, maar die persoonlijk meegemaakt te hebben is uiteraard niet nodig om erover te kunnen schrijven. Het zal de lezer opgevallen zijn dat in vorig citaat sprake is van ‘les Plaines’ – steeds met een hoofdletter. Dat gebeurt het hele boek door, en het spreekt vanzelf dat daarmee de hele moordmachinerie van de nazi’s bedoeld wordt. In het boek zelf worden twee kampen vermeld, maar bijkomstig: Bergen-Belsen en Auschwitz. Ook de gebruikelijke woorden voor de judeocide worden door de auteur niet gebruikt: hij heeft het over ‘l’Anéantissement’ – eveneens met een hoofdletter. Daarmee wordt die vernietiging en wat ermee samenhangt toch nog in een mythisch-religieuze context geplaatst, maar zonder dat er sprake is van enig offer of zoenoffer – waar het gebruikelijke woord op doelt.

Het tweede hoofdstuk heet ‘Lodz’. Was in het eerste hoofdstuk een verteller aan het woord, die weliswaar veel empathie vertoonde maar toch op de achtergrond bleef, hier is vanaf het begin sprake van een ‘ik’ en een ‘wij’; wie die ‘wij’ is, is zonder meer duidelijk: de slachtoffers als geheel, dood of levend; de ‘ik’ is moeilijker te plaatsen. Het eerste hoofdstuk introduceerde een zekere ‘S.’, die je als hoofdpersoon zou kunnen beschouwen, als een dergelijke term in een dergelijk boek enige betekenis zou hebben. Maar feit is dat die S. het hele boek door terugkomt, en omdat later blijkt dat hij ook de schrijver is van het boek, mag je er misschien vanuit gaan dat hij gewoon afwisselt tussen het klassiek vertelde verhaal – in de hij-vorm dus – en het ik-verhaal. Waarschijnlijk heeft het met betrokkenheid en afstand te maken en met de afwisseling van beide.

In dat tweede hoofdstuk treden ook twee nieuwe figuren op, die eveneens tot op het einde van het boek zullen blijven: Leibl en zijn vriendin Estherkè. De naam ‘Leibl’ is meestal een familienaam, maar komt ook als voornaam voor; dat is hier blijkbaar het geval. Of de voornaam van de auteur daarmee verwant is, is mogelijk, maar met zekerheid heb ik daaromtrent niets kunnen vinden. Er is in elk geval een klankverwantschap. En wat meer is: in de loop van het boek krijg je meermaals de indruk dat Leibl en S. inwisselbaar zijn, dat zij in zekere zin samenvallen. Door hun gemeenschappelijk lot is dat natuurlijk ook zo – zoals alle slachtoffers samenvallen in het Slachtoffer.

Meer nog dan de ongenoemde stad uit het eerste hoofdstuk hebben we hier met een spookstad te doen, waarin nu eens massa’s spoken verdwaasd ronddolen, dan weer enkele individuele zombie-achtigen meer op de voorgrond worden geplaatst. De algemene sfeer blijft er een van totale verdwazing en vervreemding, zoals waarschijnlijk niet anders kan na een ramp van die omvang, waaraan de protagonisten blijkbaar ontsnapt zijn. Duisternis en angst overheersen, en vaak ook een oorverdovende stilte, die door merg en been dringt. Totaal beklemmend is de atmosfeer; ik kan mij geen boek voor de geest halen waar iets dergelijks op zo’n beklijvende manier wordt opgeroepen. En het mogen dan wel nachtmerrieachtige scènes zijn, de schrijver weet ze zo concreet te maken dat je ze ‘ziet’.

Overigens is Lodz als eerste hoofdstuk over een concrete stad uiteraard geen toeval. Lodz of Litzmannstadt zoals de moffen het noemden had na Warschau het grootste ghetto van Europa, dat het langst bestond; de joden werden er ‘tewerk’gesteld en uitgebuit tot op het bot, waarna ze verkast werden naar een van de plaatsen met de welbekende sonore namen. Het hoofdstuk zit natuurlijk vol reminiscenties aan dat alles, te veel om hier gedetailleerd na te gaan.

Lodz 1946

Het volgende, korte hoofdstuk heet ‘Lausanne’ en speelt zich dus in Zwitserland af (zoals later het zesde hoofdstuk). Het is natuurlijk opvallend dat niet minder dan twee van de ‘steden’hoofdstukken in Zwitserland spelen. Een verklaring daarvoor wordt niet echt gegeven, en ook zuiver politiek wordt niets gezegd. Concrete politieke zaken vermijdt de auteur, ook al is zijn roman natuurlijk ook een door en door politieke roman. De rol van Zwitserland in de tweede wereldoorlog was, laten we eufemistisch blijven, niet echt fraai. Joden werd de toegang grotendeels geweigerd (tenzij ze poen hadden natuurlijk, wat voor de meesten van hen niet het geval was), maar dat was ook in België en misschien meer nog in het hardvochtige Nederland van Colijn het geval.

Het hoofdstuk begint weer als een ik-verhaal, maar in de loop van de tekst wordt die ik nu eens een ‘wij’, dan weer de gewone verteller; in dat laatste geval treedt S. weer expliciet op. In het begin weet je niet wie aan het woord is, of wat er gebeurd is sinds we (de lezers) Lodz verlaten hebben; we maken een avondje mee in Lausanne, dat een beetje doet denken aan een avond bij The Great Gatsby: een volledig mondain gebeuren dus, bij een familie die al lang uitgeweken was uit de oostjoodse gebieden.

Dit hoofdstuk toont ook de tamelijk losse structuur aan van het boek als geheel, hetgeen tot uiting komt in het losse verband tussen de hoofdstukken. Een echte plot is niet voorhanden en, zoals gezegd, ook S. en Leibl zijn inwisselbaar, niet alleen onderling maar ook met anderen. Hoe het verband toch gelegd wordt zie je op de eerste bladzijde van het hoofdstuk, wanneer de oude heer de ik een vraag stelt:

“- Ah oui, vous dites qu’ils les ont exterminés, tous les juifs de notre ville – il devait bien y avoir une raison pour cela?…” (p. 247)

Die vraag verwijst ten eerste naar wat duidelijk het hoofdthema van het boek is – de vernietiging van de joden en de gevolgen daarvan, de uitwerking daarvan op de betroffenen en betrokkenen – maar wijst ook al vooruit naar het volgende, eerder metafysische hoofdstuk (zie later). Maar daarna dus de gezellige mondaine avond. Tot een van de familieleden – de echtgenoot van Annette, kennis van de ik, een vrouw die verder in het boek amper nog voorkomt – sterft waar het ‘verhaal’ zich afspeelt en de ik de begrafenis bijwoont. Op dat ogenblik treden de visioenen weer op, die voor angst en beklemming zorgen: het is alsof hele massa’s van overlevenden zich bij de begrafenisstoet aansluiten, de meesten eveneens uit Lodz afkomstig. De ik gaat ervan uit dat zij de lokale bevolking bedriegen door te doen alsof zij geen joden zijn; de ik heeft duidelijk angst om als jood herkend te worden; wellicht dat de evocatie van de massa daaruit voortkomt. De feitelijke begrafenis vloeit samen met zware herinneringen en nachtmerries zoals in de vorige hoofdstukken voortdurend gebeurde:

“Je fermai aussitôt les yeux pour ne pas voir. Au-dessus de la tombe, le corps de la plus jeune de mes soeurs flottait dans son apesanteur. Elle n’avait pas vingt ans. Sa nudité frissonnante me déchirait. Elle est partie dans sa pureté, sans connaître la main d’un homme sur elle. Elle avait roulé dans l’abîme intacte. Un cri me nouait la gorge, un cri pour toutes nos soeurs disparues sans avoir connu la caresse d’une main, sans avoir connu l’amour.

J’aurais voulu déchiqueter mon propre corps. Elles parties, je ne suis qu’un squelette sans chair, pour toujours.” (p. 279)

En vlak daarop neemt de verteller het weer over om in de derde persoon over S. verder te vertellen. Het lijkt er dus sterk op dat S. eigenlijk de verteller is, maar die soms afstand neemt soms direct in de eerste persoon (enkelvoud of meervoud: elk slachtoffer is immers zowel een individu als deel van een groep) spreekt; het verschil heeft waarschijnlijk (ook) met de mate van emotionaliteit te maken, ook al proberen zowel de ik als de verteller zich in te houden; de overwegende stijl is die van de detectie, de vaststelling. Op de lezer heeft dat waarschijnlijk de sterkste emotionele uitwerking.

Je zou dit kunnen beschouwen als een overgangshoofdstuk; hierna komen drie lange hoofdstukken, wellicht de fundamenteelste van de hele roman; waarna er opnieuw een overgangshoofdstuk of scharnierhoofdstuk komt om dan uiteindelijk af te sluiten. Overigens komen er in het derde boek van Rochman, de verhalenbundel Le Déluge (Editions Buchet-Chastel, Paris, 2017) verhalen voor die respectievelijk de titel ‘L’enterrement’ en ‘La peur’ dragen. Het thema hield hem dus wel bezig, waarbij de begrafenis natuurlijk eerder anekdotisch is (maar toch: de dood is erbij betrokken), terwijl de angst een grondtoon, een basso continuo van het hele boek uitmaakt.

Het eerste van die drie belangrijkste hoofdstukken speelt zich af in Amsterdam: ‘Le proces d’Amsterdam’ heet het, en diegenen die een beetje thuis zijn in de wereld van het jodendom en met name in de filosofische kant daarvan, zullen wellicht denken aan het proces, gevolgd door de banvloek waarmee hij uit de joodse gemeenschap gestoten werd, van Baruch de Spinoza. Vandaar ook dat het proces plaatsvindt in de oude Portugese synagoge van Amsterdam. Explicieter is de verwijzing aan het begin van dit hoofdstuk naar de wandelende jood: “C’était la première fois que je me trouvais ici, mais je me savais condamné à errer de pays en pays.” (p. 283) Dat is de tweede rechtstreekse verwijzing naar die mythe, en een derde treedt later op, expliciet deze keer: “Ce vieillard était le Juif éternel, celui qui contenait le monde entier, celui dont les membres se détachaient tout en le laissant indemne. Il poursuit son chemin.” (p. 676) Ook in ogenschijnlijk onbelangrijke details komt dat terug, bv. in de laatste constituent van het lange citaat hierboven (‘pour toujours’); dergelijke constituenten die op de eeuwigheid van een bepaald lot wijzen komen het hele boek door voor, maar steeds onopvallend.

Ahasverus – Hans Schwaiger

Dat is misschien een beetje vreemd. Immers, die mythe is duidelijk christelijk van oorsprong, en zeker niet joods. Ahasverus (niet bij naam genoemd door Rochman) wordt door Christus gestraft om ten eeuwigen dage rond te dolen; als zodanig is hij voor de christenen slechts een metafoor voor de joden als geheel, want zij zijn immers schuldig aan de dood van Christus. Ik kan me moeilijk voorstellen dat een religieus geïnspireerde joodse schrijver als Rochman de kern van dit verhaal zou aanvaarden. Maar als we verder zien dat in de tweede helft van de roman de joden als gemeenschap op een opvallende wijze worden gesteld tegenover wat ‘les Nations’ genoemd wordt (te vertalen als ‘de volkeren’, in aansluiting bij Genesis waar de joden uitverkoren worden onder de volkeren), dan begrijpen we dat de auteur die christelijke mythe op een andere, typisch joodse manier lijkt te duiden. Ik kom daar nog op terug.

Hoe dat ook zij, het begin van het hoofdstuk duidt aan waarover het gaat, zeker wanneer Spinoza letterlijk als afvallige beschouwd wordt, die dus zelf de banden met het jodendom zou hebben doorgesneden. Dat klopt historisch natuurlijk slechts heel ten dele. Maar de auteur wil de nadruk leggen enerzijds op de eenheid van de geloofsgemeenschap, die niet verbroken mag worden, en anderzijds op de aard van die gemeenschap. Ook het belang dat het hele boek door gehecht wordt aan (fysieke) liefde, en het voortzetten van het geslacht, aan kinderen, duidt op de relevantie daarvan.

Maar het proces zelf sluit dus aan bij het proces rond Spinoza in die zin dat het enerzijds een proces is dat naar de schuld en de onschuld vraagt (zoals al voorzien in het begincitaat uit het vorige hoofdstuk), en anderzijds en vooral naar de aard van het jodendom, vandaar ook: “Les membres du Tribunal siègent éternellement sur la tribune. Eternels sont leurs squelettes. Seuls les visages changent.” (pp. 327-328) Het is dus ook geen echt tribunaal, maar wel een metafysisch tribunaal en proces waarin, naar aanleiding van de gebeurtenissen op de Vlakten, gezocht wordt naar een waarom, de vraag wordt gesteld of en zo ja in hoeverre de slachtoffers zelf schuld zouden kunnen hebben, waaruit die schuld dan bestaat (bv. waarom hebben ze zich niet verzet?), en of er wellicht wraak genomen moet worden, en zo ja op welke wijze. Zoals het bij een metafysisch tribunaal voor de hand ligt komen er geen vaststaande antwoorden, noch van de ondervraagde getuigen en/of slachtoffers, noch van het tribunaal zelf uiteraard.

Staalgravure van J.H. Rennefeld (1832–77), naar een verdwenen schilderij (ca. 1865) van Maurits Leon (1838–65), getiteld ‘Spinoza voor zijne regters’

Stilistisch sluit dit hoofdstuk soms aan bij de vorige, maar vaker wijkt het ervan af in die zin dat er inderdaad een vraag-en-antwoord-spel optreedt zoals bij een echt tribunaal. Ook dat werkt nogal beklemmend, temeer daar het mij sterk doet denken aan een opvoering van Die Ermittlung van Peter Weiss. Of mijn herinnering me bedriegt of niet zou ik niet kunnen zeggen, maar mij staat alleszins voor dat dat stuk werd opgevoerd in halve duisternis, en dat de protagonisten vaak onherkenbaar waren, geen gezicht toonden; ook daar ging het uiteraard over schuld en onschuld, maar niet op de eerste plaats in metafysische zin (dat ook), maar eerder letterlijk. En de opbouw is natuurlijk totaal anders.

Een andere stilistische eigenaardigheid in dit hoofdstuk is het filmische karakter ervan, zodat het soms zelfs aan een draaiboek doet denken, zeker wanneer ook een ‘metteur en scène’ letterlijk optreedt en de zaak in handen neemt. Het is de enige plaats in het boek (pp. 365-376) waarin dit filmische aspect expliciet naar voren komt; maar, zoals reeds gezegd, de auteur schrijft ook elders vaak zeer concreet en in elk geval beschrijvend, een beetje zoals een camera, die de zaken van buitenaf ziet. Maar dat is uiteraard niet altijd het geval, ook het innerlijke van de personages wordt geëvoceerd, direct of indirect.

Het vijfde hoofdstuk speelt zich in Offenbach af en heet ook zo. Ook hier vindt een proces plaats, maar nog vreemder dan in het vorige hoofdstuk, een surrealistisch proces zou je bijna kunnen zeggen. En aan de andere kant is het een hoofdstuk dat aan het mystieke grenst.

Vermits de auteur Rochman uit een chassidisch milieu afkomstig is, staat het vast dat hij op de hoogte zal geweest zijn van de joodse mystiek, die immers vooral in die kringen leefde. Meer bepaald in de kabbalah hebben de letters (het aleph-beth, in het boek afgedrukt trouwens, in dit hoofdstuk, op pagina 451) een meer dan gewone betekenis, ze hangen nauw samen met de schepping en met God zelf; immers, zo kunnen we leren uit de geschriften van Gershom Scholem daarover: elk woord valt samen met de naam God in de joodse mystieke taaltheorie. En woorden bestaan uit letters, en woorden worden samengebracht in boeken.

In Offenbach zou een groot gebouw van IG-Farben staan, en daarin zouden de gestolen joodse boeken zijn ondergebracht. Dat is het gegeven van dit hoofdstuk. Historisch gezien zou je dan eerder aan Frankfurt-am-Main moeten denken, waar de hoofdzetel van IG-Farben was in een reusachtig gebouw, dat nu gebruikt wordt door de Goethe-universiteit aldaar. Maar een roman is natuurlijk geen geschiedenis. De keuze van Offenbach mag voor mij een beetje duister blijven, de firma die met name genoemd wordt is welbekend: ze waren niet enkel de producenten van Zyklon B, ze hadden ook afdelingen in kampen, met name in Auschwitz, waar ze vrolijk gebruik maakten van de door de politieke overheid aangeleverde slaven. O.a. de bekende Italiaanse schrijver Primo Levi, die chemicus van opleiding was, werkte aldaar in de Buna-Werke, die een onderafdeling van IG-Farben was. Na de oorlog is er een IG-Farben-proces geweest, waar enkelen tot zeer lichte straffen veroordeeld werden (maximum 8 jaar), waarvan ze maar een zeer klein deel moesten uitzitten, daarna keerden ze gewoon terug naar hun raden van bestuur.

Joodse slavenarbeid in de Auschwitz-Monowitz Buna-Werke

De boeken waarover sprake worden bewaard in “des caisses pareilles à des cerceuils” (p. 389) en worden door de auteur volkomen gepersonifieerd. In een cultuur zoals de joodse, waarin ook buiten de mystiek om het boek een zeer grote rol speelt, is het boek, zeker het religieuze boek, inderdaad bijna een levend iets, met een eigen persoonlijkheid, een eigen geest. Boekenliefhebbers, zelfs van atheïstische huize kunnen daar uiteraard goed inkomen. Het judaïsme is trouwens het eerste en oudste van de ‘religies van het boek’. Dat werd nog belangrijker voor hen door hun verbanning na de vernietiging van de tweede tempel in het jaar 70 door Vespanianus en zijn zoon Titus; heel de eigenheid van het judaïsme hing vanaf dan niet meer af van een plaats – die was er immers niet meer – maar van de mensen en het Boek (waaronder niet enkel de Thora valt, maar ook de afgeleiden: Mishna, Talmoed…), waar die zich ook mochten bevinden.

Vermits de boeken levende wezens zijn, hebben zij ook dezelfde gevoelens als hun bekende of onbekende auteurs en kan men ook hen tot de orde roepen, voor een tribunaal dagen zelfs:

“On allait convoquer les oeuvres qui avaient prédit les Plaines. On ne savait par qui commencer. Toutes attendaient, clouées à leur place. Même les ouvrages scientifiques dans les caves dressaient l’oreille. Dans les livres fermés, les feuilles tremblaient de peur.” (p. 444)

Een oplossing biedt dat niet, dat kan ook niet, al was het maar omdat we met een symbolisch proces te maken hebben, net zoals in het vorige hoofdstuk. Ook hier is de diepere bedoeling het zoeken naar zin en betekenis: “Depuis des heures, plongés en eux-mêmes, ils n’ont pas encore trouvé le Sens. Seule la culpabilité plane, de plus en plus lourde.” (p. 394) Dat geldt zowel voor oudere boeken als voor modernere en hedendaagse boeken, zelfs voor een boek dat zichzelf zo veel mogelijk wil verbergen en wegkruipen om toch maar niet opgemerkt te worden; het gaat dan over “les livres en yiddish sur les Exterminations. Mon opuscule se dissimule au plus profond pour ne pas être remarqué.” (p.394) Het is duidelijk dat de auteur het hier op een licht ironische wijze over zijn eigen boek heeft, dat immers ook in het Jiddisch geschreven werd en ook over de uitroeiingen handelt. Later, in een volgend hoofdstuk zal hij dat nog explicieter en duidelijker doen.

Hier plaatst hij zijn eigen boek vooral in een historische context, in een traditie van boeken over hetzelfde onderwerp; hij doet dat via de figuur van Dr. Scheter, die in het IG-Farbengebouw bewaker en/of bibliothecaris is; hij somt een hele reeks werken op, en daarbij ook “mon livre en yiddish, et d’autres encore sur notre anéantissement à partir de 1942” (p. 403) De schrijver Rochman heeft lang aan deze roman gewerkt, en het kan niet anders dan dat hem af en toe de moed in de schoenen gezakt zal zijn, niet enkel door het onderwerp en de herinneringen en voorstellingen die daarbij naar boven kwamen, maar ook door de inspanning van het schrijven zelf van een boek dat ondanks zijn lengte nog zeer geconcentreerd is, waarin details vaak naar het hoofdonderwerp moeten wijzen en waarin, ondanks de schijn van het tegendeel, toch alles met alles samenhangt, en er zelfs een chronologische lijn aanwezig is. Uit volgende passage kunnen we ook een beetje wanhoop aflezen met betrekking tot het boek:

“Mon livre à moi sentait aussi la douleur le paralyser. Il était sur le point de s’effondrer. Ses forces déclinantes le tiraient vers la terre. Comme tous les livres en yiddish, il ne ferait plus partie du compte. Il lui fallait boire ce fiel jusqu’à la dernière goutte.

Les livres en yiddish gisaient maintenant les ailes pendantes, comme un vol d’oiseaux abattus. De temps en temps, ils souhaitaient se mêler aux autres, mais n’y parvenaient pas. Leurs ailes ne se soulevaient pas. Etendus sur le sol, ils frissonnaient. Leurs propres paroles se brouillaient devant leurs yeux. Ils ne parvenaient pas à garder les paupières ouvertes. Ils sentaient que le poison en eux ne se dissoudrait jamais, qu’il ruisellerait et fermenterait en eux pour toujours.” (p. 443)

Belangrijk lijkt me de suggestie van een angsttrauma, dat bij alle overlevenden aanwezig moet zijn geweest. In de korte passage hierboven wordt het overgebracht op een boek, maar elders, later in het boek, wordt het niet meer overgedragen op iets of iemand, maar direct uitgesproken:

“Il aspirait à rester au fond de l’éternité. C’était à elle qu’il appartenait. Sa tête n’avait émergé que pour un bref instant, quand sa mère lui avait donné le jour. Il n’était resté dans ce monde qu’un moment, comme nous tous, nous tous qui essayons de nous enfouir dans les couches les plus profondes de la terre. Disparaître. Retourner au sein de l’éternité. Il savait bien que le non-être antérieur et le non-être ultérieur étaient notre éternité. Notre tête n’émergeait que pour pousser le cri du monde. Nous ouvrions grandes nos bouches pour pousser ce cri assourdissant. (pp.597-598)

En even verder:

“Plus tard, l’éternité continuera sur la terre sans lui. Nous allons disparaître, pour l’éternité, comme l’animal et la volaille que nous dévorons.” (p.839)

Freud zou hier, nogal eenzijdig, een uiting in kunnen zien van een doodswens, van het thanatos-principe dus; dat kan, want ook het tegendeel, de libido als wens om zichzelf voort te zetten, komt in het boek regelmatig, maar niet zo genoemd en ook zonder verwijzing naar Freud, terug. Beide hangen natuurlijk samen, vormen een symbiotische eenheid; maar in het boek valt dit aspect direct op, waarschijnlijk omdat het veel minder vaak voorkomt en uitdrukkelijker verwoord wordt. Gelet op het hoofdonderwerp van het boek lijkt me dat de wens om te verdwijnen minstens begrijpelijk is. Ook de angst in verband met zijn boek is in die context te zien: het boek geeft het leven verder, maar ook dat dreigt te verdwijnen.

Ook al is die in strijd met het religieuze uitgangspunt van de verteller/auteur, want het judaïsme verwerpt zelfmoord – zoals de twee andere monotheïsmen overigens. Filosofisch gezien lijken de twee laatstvermelde passages uitingen te zijn van een zeker nihilisme, dat trouwens ook in de poëzie van Paul Celan regelmatig terugkomt (‘ein Nichts waren wir/sind wir/werden wir bleiben’). Men kan zich afvragen waarom de auteur voor het Jiddisch heeft gekozen om zijn boek te schrijven, temeer daar hij in Jeruzalem leefde, waar het Jiddisch ook al een minderheidstaal was, die langzaamaan helemaal dreigde vervangen te worden door het Ivriet. Maar niet alleen zal het de moedertaal van de auteur geweest zijn, het is ook wellicht de beste manier om loyaal te blijven aan afkomst, verdwenen vrienden en verwanten, en om in de vorm van een roman een kaddish te spreken. Want dat is deze roman ook natuurlijk.

Het zesde hoofdstuk is het langste van het hele boek. Het speelt zich weer in Zwitserland af, en heet ‘Leysin – Le mont des Prodiges’. Leysin was tot in de jaren vijftig een kuuroord in Zwitserland, waar mensen verpleegd werden die aan TBC leden. De titel wijst enerzijds op de bergen natuurlijk, en anderzijds op de helende werking van de omgeving en de zuivere lucht. Men zal zich herinneren dat in Zwitserland vele van die kuuroorden aanwezig waren; een van de bekendste is Davos, en dan doel ik niet op jaarlijkse bijeenkomsten aldaar van economische en politieke maffia’s, maar op het feit dat Thomas Manns roman Der Zauberberg zich daar in een sanatorium afspeelt. Ofschoon Rochman daar niet uitdrukkelijk naar verwijst, lijkt het me voor de hand te liggen dat de lezer daaraan denkt: de basisgegevens lopen immers volkomen parallel: een reeks zieken komen daarheen om te herstellen, en zij praten met elkaar over allerlei zaken. Meer ‘plot’ is er dus eigenlijk niet, noch bij Mann noch bij Rochman. De kern ligt elders.

Leysin. Sanatorium neuchâtelois “Beau Site”.

In het herstel met name, dat al zeer snel wordt aangekondigd wanneer de twee terugkerende figuren uit het boek, S. en Leibl ontdaan worden van hun ‘carapace de plâtre’. Van Leibl hadden we eerder al vernomen dat hij daarin gewikkeld was, van S. werd dat voorheen niet expliciet gezegd. Ook dit wijst er weer op dat beide figuren – hoofdfiguren kun je moeilijk zeggen, vermits er geen verhaal is waarin ze als zodanig optreden; het enige is dat ze het hele boek door voorkomen – onderling inwisselbaar zijn. Maar ook weer niet. Net zoals de ik die hier ook regelmatig overneemt. Ook hij droeg zo’n lichaamsplaaster: “Il ne sait pas qu’en ce jour où il essaie de s’élever, je me trouve déjà dans la grande salle, dans un lit contre le mur. Moi aussi, on m’a emmené ici. On me portait d’hôpital en hôpital dans ma coque de plâtre.” (p. 703)

Misschien (mede) vanwege de lengte heeft in dit hoofdstuk de meeste afwisseling plaats. De auteur springt niet van de hak op de tak, maar wel van de ene persoon naar de andere, en volgt de mate waarin en de manier waarop ze zich van het ervaren leed herstellen. S. en Leibl komen daarbij regelmatig terug, zij zijn als het ware de vaste personen, maar daarnaast treden een hele rist andere personen op, die voorheen soms al voorkwamen – al was het maar in éen zin of paragraaf – maar die hier dus verder gevolgd worden in hun lotgevallen, in hun herstel. Waarbij steeds weer minstens gesuggereerd wordt hoe in de overlevenden ook de overledenen verder bestaan. Dat lijkt me de kern te zijn, niet enkel van dit hoofdstuk maar van het hele boek; het is de diepe samenhang ervan en de ideële structuur. In deze passage bv. komt dat wel tot uiting:

“Mais son inquiétude ne portait pas tant sur la partie manquante que sur celle qui était venue se greffer pendant les années passées dans les Plaines (het gaat over lichaamsdelen – PB). Le vide prenait en eux un sens nouveau, invisible, un sens qu’aucun autre être ne possède. Il le désigna comme le ‘sens de la comparaison et de l’association’. Chaque nouvelle personne rencontrée évoque quelqu’un d’autre qui existait avant elle, qui avait sa voix, sa démarche, sa mimique. Les malades veulent donner à cet inconnu le nom du prédécesseur qu’ils lui attribuent. Ils considèrent cette personne comme condamnée au destin de ce prédécesseur; selon eux, on ne peut rien faire pour lui épargner ce sort. Tout est prédestiné. Ils se tiennent tous au milieu, entre les vivants et les morts.” (p.663)

In zekere zin lijkt het wel een passage uit Calvijn! Maar het is wel een passage die door andere gedeeltelijk wordt tegengesproken; ik heb het al gezegd: zeker vanaf dit hoofdstuk treedt een ander, belangrijk motief op: kinderen en latere generaties, d.i. het voortzetten niet zozeer van de soort, maar van het joodse deel van de soort. Voorheen was daar amper sprake van. En dat heeft te maken met de specifieke rol van de joden in de wereldgeschiedenis, rol die zelden echt expliciet uitgesproken wordt, maar die wel duidelijk wordt bv. wanneer S. nadenkt over de verhouding tussen de joden en ‘les Nations’. Het is een dubbelzinnige relatie, die soms een ware symbiose is; je kunt er de eenheid van tegendelen van Heraclitos in zien, maar evenzeer de coincidentia oppositorum uit de (godsdienst)filosofie. Vooral dit laatste doet de relatie ook aansluiten bij de algemene mystiek, waar de joodse uiteraard maar een onderdeel van is. Op de bladzijden 632-633 wordt daar dieper op ingegaan; eigenlijk zou ik ze helemaal moeten citeren, maar ik beperk me tot enkele passages:

“Il comprenait désormais pourquoi les Nations ne voulaient pas accepter les Juifs parmi elles. Les Juifs leur ôtaient tout repos. Ils leur rappelaient que l’homme devait se surveiller sans trêve pour ne pas trébucher. Au contact des Juifs, on comprenait que la Bible n’était pas un livre parmi d’autres, mais un joug quotidien. Tant qu’il y a des Juifs, Dieu n’est pas momifié entre les vieilles pages. Il est le gardien de l’homme.

(…)

Il se demanda s’il ne devrait pas essayer d’écrire l’histoire des Juifs : les Juifs qui allèrent parmi les Nations, comme témoins de l’existence de Dieu sur terre. Ils ne veulent plus de ces témoins. C’est pourquoi ils cherchent à les anéantir.

Mais aussitôt, il se dit que le témoin devait demeurer pour l’éternité. Sans témoin, la Création perdait son futur. En nous exterminant, ils s’exterminent eux-mêmes. Le miracle de notre survie est aussi leur miracle à eux.

(…)

La différence entre les Juifs et les Nations est peut-être encore plus grande : tandis que les Nations vivent toujours dans le présent, au jour le jour, coupées de leur passé et de leur futur, nous, nous vivons avec Dieu, chaque jour dans le temps de l’Histoire. Les événements de chaque instant sont pour nous les maillons d’une chaîne qui commence dans un passé immémorial, et se terminera le Jour des Jours. Les Juifs sont le peuple du monde. Un peuple qui trace son chemin dans l’Histoire. Les secousses de l’Histoire résonnent dans chaque battement de notre coeur, de notre enfance à notre disparition, du moment où nous confions notre maillon de la chaîne à la génération suivante, à nos enfants.” (Cursief is van mij)

Volgens mij is dit alles de werkelijke kern van het boek, en die is duidelijk op de eerste plaats van religieuze aard, daar wijzen sommige kleine details al op: of ‘geschiedenis’ met een hoofdletter geschreven wordt (gebeurt heel vaak, zie ook pp. 573, 775, 826 en partim) of niet. Het is maar één van de vele aspecten van deze roman, die breder bestudeerd kunnen worden. Temeer daar ook het schrijven zelf daarmee samenhangt. Zoals in het vorige wordt nl. ook in dit hoofdstuk het eigen werk, i.c. onderhavige roman zelf gethematiseerd.

Dat is uiteraard een procedé dat in het modernisme heel veel voorkomt, soms op een erg plezierige manier (zoals in Niebla van Miguel de Unamuno, waarin de hoofdpersoon twijfelt of hij nou zelfmoord zal plegen of niet, en ten einde raad maar bij de schrijver gaat aankloppen voor raad); soms op een zeer ernstige manier (bv. in het hoofdwerk van Louis-Paul Boon, waar die vraagstelling bijna existentiële vormen aanneemt). Zo vind je ook andere vormen van modernistische romanschriftuur terug in A pas aveugles de par le monde, maar het valt op dat geen enkele techniek systematisch gebruikt wordt: de schrijver varieert zeer sterk, wat bij een roman zonder plot wel een beetje aangewezen is, lijkt me. Anders kan de verveling alras toeslaan. Wat mij betreft gebeurt dat in dit boek nooit. Maar ik ben allicht geen doorsneelezer.

In deze zelfreflecterende bladzijden zegt de auteur ook expliciet waarom hij bepaalde keuzes heeft gemaakt, bv. over het Jiddisch als schrijftaal:

“Il saisit le sens de son écriture dans la langue yiddish abolie. Il fixe ainsi leur existence disparue en même temps que leur dernier cri. Il ne leur donne pas des mots pour découvrir leurs mystères, ce sont les linceuls dans lesquels il ensevelit leurs vie qui n’ont pas encore reçu de sépulture selon le rite d’Israël.” (p. 673)

Een prachtig beeld, vind ik, dit laatste. (Overigens het gebruik van het woord ‘Israël’ in deze passage duidt niet de staat van die naam aan, maar wel de geloofsgemeenschap van de joden – een beetje zoals de Oemma in de islam – zoals dat vóór 1948, toen die staat ontstond, altijd het geval was.) Nou valt het met dat Jiddisch nog wel mee: hier in Antwerpen wordt het nog dagelijks gesproken, en elders in de wereld evenzeer. Ook literatuur in die taal zal nog wel bestaan (op Singer heb ik al gewezen) en ik geloof zelfs dat er aan bepaalde Duitse universiteiten opnieuw leergangen Jiddisch worden georganiseerd (maar die bestaan natuurlijk al veel langer voor Latijn en Grieks). Verder over de taal en de mensen:

“Il dialoguait avec la langue. Il la prenait avec amour, n’en faisant qu’une avec les assassinés des Plaines. Il entendait en lui leurs halètements, sentait sur sa peau leur haleine, puis il mourait parfois avec eux. Leur mélodie l’éveillait de nouveau. Ils l’acceuillaient dans leur corps, dans ses recoins les plus cachés. Ils se faisaient femme et se donnaient à lui.

(…)

Si tout venait à s’effondrer, à se fissurer, que les générations futures trouvent ces pages, les dernières.” (pp.673-675)

Tenslotte komt in dit hoofdstuk nog een laatste belangrijk thema voor, dat later even terug wordt opgenomen, dan weer in direct verband met het boek. Het thema sluit aan bij sommige vorige hoofdstukken, met name met die twee waarin sprake is van een proces, waarin gezocht wordt naar de zin van de gebeurtenissen (een eufemisme dat ook door de auteur zelf gebruikt wordt, ook ‘les Plaines’ waar die gebeurtenissen zich hebben afgespeeld kan als een eufemisme beschouwd worden – én als een metafoor uiteraard). Persoonlijk vind ik de consequenties van deze passages eigenlijk vreselijk, omdat ze die gebeurtenissen aanvaarden en aanvaardbaar maken. Maar wellicht kan het niet anders. Een eerste voorbeeld:

“Et soudain, il éprouva un sentiment de gratitude et de grâce d’avoir assisté à tout cela. C’était un privilège incommensurable d’être né avant, de connaître cette ère inouïe, de regarder Dieu dans ses actes insensés. Plus tard, il aurait été trop tard. Il n’aurait pas connu la quitessence divine.” (p.699)

En:

“S. joignait sa voix aux autres; il acceptait le joug, comme tous, le joug du règne de Son Nom, le joug du Dieu juif.” (p.824)

Of dit, een soort variant op het Stockholm-syndroom zou je kunnen zeggen, het definitieve antwoord is blijft in het midden. Iedereen weet ondertussen wel dat een schrijver nooit samenvalt met een of meerdere van zijn personages, ja dat zelfs onderscheid gemaakt moet worden tussen een schrijver en de burger die hij ook is, los van zijn gebeurlijke personages. Die uitspraken kunnen dus niet op het konto van de schrijver geplaatst worden, zelfs niet op dat van het personage S., want daarvan wordt verderop in het boek expliciet gezegd dat hij twijfelt, dat hij uiteindelijk iets anders als resultaat krijgt dan hij wou: “S. se rendit compte qu’au lieu d’écrire un livre d’Histoire sur son peuple, il était en train d’écrire un livre sur lui-même. Il est détourné par sa propre douleur et les doutes qui se sont abattus sur lui.” (p.840 – cursief van mij) Vandaar ook dat hij letterlijk en figuurlijk amper nog iets kan doen buiten ijsberen: “Il se leva brusquement. Il faisait les cent pas, il marchait entre la nuit et le jour.” (p.841)

Die laatste constituent duidt ook al een beetje aan waar het boek uiteindelijk mee zal eindigen. Dit zesde hoofdstuk kan beschouwd worden als een langzame opgang naar een onzeker licht, maar de overlevende blijft heen en weer geslingerd tussen de duisternis waarin hij terechtkwam en het schaarse licht waarnaar hij op zoek is. Op het einde van het boek zal er nog een ander (mogelijk of zeker?) antwoord geformuleerd worden, maar ook dat zal in een eerder religieuze context geplaatst worden (of: politiek-religieuze context, weer zoals in de islam).

Maar eerst komt er nog een hoofdstuk zeven, dat ditmaal niet naar een bestaande stad genoemd is, maar ‘La ville des délires’ heet. Het is terzelfdertijd het kortste hoofdstuk van het hele boek, op het allerlaatste na. Het is weer een overgangshoofdstukje, zoals voorheen het derde, dat in Lausanne speelde.

Ook hier weer is het verband met de rest van het boek onduidelijk, zeker aan de oppervlakte: we hebben te maken met een man die bloemen bestelt en erop staat dat het meisje ze persoonlijk zal brengen. Enkel een zinnetje aan het begin van het hoofdstuk legt een direct verband: “Combien de temps c’est écoulé depuis que nous avons été exterminés? “(p. 735) Het klinkt bijna alsof die uitroeiing een feit is en degene die aan het woord is, een ‘revenant’ is, een dolende verdwaalde ziel op zoek naar rust. De ik kan ook inderdaad zo beschouwd worden: “De petits vers rampent sur moi et piquent mon corps nu sous l’armure d’acier, comme jadis dans ma coque de plâtre.” (p. 738). Daarna volgen enkele bladzijden die duidelijk in een veel poëtischer stijl geschreven zijn; de paragrafen zijn zeer kort, niet meer dan een zin vaak, en het geheel is zeer poëtisch, op een bijbelse manier, meer bepaald doen ze denken aan de klaagzangen van Jeremias. Maar ze drukken meer uit dan enkel klachten: ook de angst is er weer (‘il me faut m’enfuir’), en hij is soms een bewaker soms een bewaakte, en hij bevindt zich in een strijdwagen. Het geheel bestaat dus weer uit een mengeling van werkelijkheid en nachtmerrieachtige dromen. Zo brengt ook het bloemenmeisje de bloemen en speelt piano, wat een eerder idyllische indruk maakt, maar haar vader blijkt dan zijn bewaker geweest te zijn.

Zo is ook hier het verband dus wel duidelijk, maar zoals eerder is het een thematisch verband, niet een op het gebied van de plot (die er niet is) of het verhaal. Op het einde van het hoofdstuk vertrekt hij met de strijdwagen.

Die onherroepelijk doet denken aan Rome en de Romeinse tijd. En het voorlaatste hoofdstuk speelt zich dan ook af in Rome, en heet ook zo. Dat kan vreemd lijken in dezelfde zin als het gebruik van het christelijke motief van de wandelende jood. Rome wordt immers vooral zo al niet uitsluitend geassocieerd met het christendom in zijn katholieke versie. Maar datzelfde christendom is natuurlijk wel rechtstreeks uit het jodendom voortgekomen (zie de discussies over besnijdenis in de brieven van Paulus en in Handelingen); en de catacomben bv. worden als een van de kenmerkendste christelijke verschijnselen in Rome gezien. Maar er waren ook joodse catacomben die, als ik me niet vergis, eveneens bezocht kunnen worden.

Joodse Catacomben in Rome

Waarom Rome gekozen werd als laatste stad in de roman zegt de auteur zelf helemaal op het einde ervan. Daarin komt ook een zeer scherpe tegenstelling tot uiting tussen ‘hen’ en ‘wij’: ‘wij’ zijn de joden, ‘zij’ (of ‘hen’) vooreerst de Romeinen maar dan ook de christenen, zeg maar kortom: de gojim, ook al wordt dit woord hier niet gebruikt:

“Il regardait cette masse qui fourmillait dans les rues de la ville et se disait que les Nations, dans leurs Etats, ont le privilège de rester d’éternels enfants, de détruire, d’anéantir et de rester innocentes. Nous, nous portons le joug de la mémoire, nous souvenant de tous nos actes, accomplis et non accomplis. Le sourire d’enfant nous a été ôté. C’était d’ici qu’ils avaient envoyé leurs légions en Judée. Ils nous ont vaincus et, captifs, nous ont amenés ici. Ce n’était pas nous qui étions venus les assiéger dans leur ville. Ce n’était pas nous qui gardions prisonnier leur Messie. C’était eux qui gardaient notre Messie enchaîné depuis deux mille ans ici.” (pp. 845-846)

In het licht van politieke gebeurtenissen van vandaag de dag is dat wel een beetje een verbijsterende uitspraak. Waarvan ik me afvraag in hoeverre die overeenkomt met de mening van Rochman zelf. Het blijft natuurlijk een roman, en dus valt een figuur daarin nooit samen met de auteur van het boek, zelfs niet als deze laatste dat zou beweren. Het wij-zij-denken dat ook in deze passage voorkomt, wordt vandaag de dag langs alle kanten aangevallen. Nochtans is in bepaalde politieke en historische omstandigheden een dergelijk denken vanzelfsprekend en zelfs nodig. Maar vooral de redenering in de laatste zinnetjes is opvallend: het is nl. mutatis mutandis exact die rechtvaardiging die ook vele islamitische zelfmoordenaars en moordenaars hier in het westen voor hun daden geven.

Deze overweging wordt gemaakt nadat S. en een nieuwe figuur, Reizl (naam die evenwel wonderwel trekt op de al bekende Leibl) uit de catacomben ontsnapt zijn (p. 844). Een heel groot deel van dit hoofdstuk speelt zich inderdaad af in de catacomben, en dat moet mijns inziens zowel metaforisch als psychologisch geduid worden, maar zeker niet letterlijk. In het oude Romeinse rijk werd in de catacomben geleefd, gestorven en begraven door mensen die vervolgd werden; en gelet op de gebeurtenissen spreekt het vanzelf dat de joden in Europa zich vervolgd voelen, veel meer nog dan vroeger het geval was. Heel de volksnationalistische beweging die het zionisme is, komt uit dat gevoel van vervolging voort, toentertijd, op het einde van de negentiende eeuw vooral in Rusland met z’n pogroms. Het is moeilijk aan die vervolgingsangst, aan die catacomben in de geest te ontsnappen; ja, het gebeurt zelfs dat sommigen “creusent des tunnels pour retourner dans les Plaines.” (p. 768)

Een tweede opvallende gebeurtenis in Rome – en die eveneens metaforisch geduid moet worden – is het afschieten van duiven op een bepaald ogenblik van het jaar. Maar dat gebeurde ook letterlijk, tot ergens in de jaren vijftig (de sport die ‘kleiduifschieten’ heet is daarvan afgeleid). Het spreekt vanzelf dat de vervolgden zich met die duiven zullen identificeren en nog meer geneigd zullen zijn zich af te zonderen en te verbergen. De vervolging is a.h.w. in Rome begonnen onder Vespasianus en vooral zijn zoon Titus; in Rome is nog steeds de triomfboog van Titus aanwezig, met daarop onder meer scènes uit de  belegering en onderwerping van Jeruzalem, mét de vernietiging van de tempel in 70. Het is een doorn in het oog van de protagonisten van de roman en er wordt zelfs gesuggereerd de zuil op te blazen. Maar ook de andere vervolgers, de hedendaagsen vind je in Rome terug:

“En ces jours, les touristes affluaient à Rome – touristes du Nord, des vallées rhénanes, de Bavière, de Prusse et d’Autriche. Depuis longtemps déjà, les gardiens des Plaines avaient quitté leur uniforme. (…) Lorsqu’on les questionnait sur les Plaines de la mort qu’ils avaient établies pour arracher les âmes des hommes, ils ne répondaient pas. Ils étaient fatigués de leur labeur quotidien. Il n’était plus temps d’y penser. La paix régnait depuis longtemps. Le monde allait de l’avant. Les portes entre les pays d’Europe étaient grandes ouvertes. Les frontières étaient ouvertes. Les peuples avaient rappelé leurs acteurs et avaient exigé des théâtres. On y montra l’homme marchant à pas aveugles de par le monde.” (p. 842 – vet van mij)

Zo is ook de titel nog eens verklaard (een eerste keer gebeurde dat op pagina 441), maar wat vooral opvalt is de directheid waarmee de daders genoemd worden: het zijn Duitsers. En de schrijver gaat verder, sarcastisch deze keer:

“Les poètes de Hesse, de Silésie, de Saxe, entonnaient de nouveaux chants à la mélancolie de leurs routes au crépuscules. La nuit, leur sommeil était léger et paisible. Les Plaines s’éloignaient. Elles ne hantaient même pas leurs rêves.”

Om dan voor het eerst zeer direct te vervolgen:

“Et moi, l’écrivain de ces lignes, je voyais les Académies d’Europe attribuer les prix les plus prestigieux à leurs poètes, leurs penseurs, leurs compositeurs et leurs peintres.” (p.843 – cursief van mij)

Wellicht klinkt hier ook een beetje persoonlijke verbittering in door. Temeer daar die schrijver in dit hoofdstuk ook gewag maakt van wat negationisme is, de verloochening van de judeocide, of de bewering dat het hun eigen schuld is: “Ils disent que les Plaines de la mort sont une invention pure et simple. Ils n’y étaient pas. La preuve, ils sonts vivants.” (p.789) Ook hier kun je aan Paul Celan denken, die waarschijnlijk aan vervolgingsgedachten gestorven is – onrechtstreeks dan, want van gedachten ga je uiteraard niet dood. Maar ze kunnen wel helpen.

In dit hoofdstuk treden ook bij tijd en wijle ‘Eveilleurs’ op – een soort profeten of wachters, waarop verder niet diep wordt ingegaan. Maar het zijn wel zij die de kern van het zionisme uitspreken: de staat die vandaag de dag bestaat onder de naam van een volledige geloofsgemeenschap (en waarvan, dat voeg ik eraan toe, de helft of meer niet bij die staat hoort of wil horen): “Nous allons libérer le pays de nos ancêtres” (p.807), zo heet het. Want daar is blijkbaar de kern van het jodendom te zoeken: “Ils ne savent pas que nous portons en nous l’esprit divin qui nous garde toujours jeune. Notre essence ne change pas. Elle vient du mont Sinaï.” (p. 807 – cursief van mij).

Wat ik zo-even cursiveerde is de kern van elk volksnationalisme, zowel dat van de islamo-nazi Erdogan, als van de ‘democraat’ de Wever, als van het nazisme en het zionisme. Uit dat essentie-denken worden dan in de politiek vaak de meest weerzinwekkende dingen afgeleid.

Maar nogmaals: figuren in een roman zijn niet noodzakelijkerwijze de spreekbuis van hun auteur. En zelfs als het wel zo is, dan zegt dat uiteraard nog helemaal niets over de kwaliteit van die roman. Maar wat in elk geval opvalt, is de directheid waarmee in dit hoofdstuk politieke motieven aangesneden worden. Dat past uiteraard volkomen in het geheel van de roman, die bij uitstek ook een politieke roman is, maar dan eerder in overdrachtelijke zin, als bekommernis om de wereld, de mensheid, de polis kortom. Het zijn de actuele en rechtstreekse politieke uitspraken die opvallen in dit hoofdstuk, omdat ze in de vorige hoofdstukken veel minder, of zelfs helemaal niet voorkwamen.

Welnu, het negende en allerlaatste hoofdstuk, weer zeer kort, als een soort coda eigenlijk van het geheel, is nog duidelijker en directer, want dit hoofdstuk is een loflied op de kern van het zionisme (het streven naar een joodse staat) en de verwezenlijking ervan. Maar daartoe wordt even nog terug gegrepen naar het oude Rome: “Judée est tombée./Ils sont encerclés./D’ici, ils ne sortiront plus./Les restes des insurgés ont été amenés à Rome pour être exterminés.” (p. 849). Waarna het lange wachten begint: “Ils attendent./Ils attendent ainsi depuis l’an 73. Et les Romains, dehors, attendent. Nous sommes en l’an 1948. Cela fait 1875 ans qu’ils attendent.” (p. 849-850)

Duidelijker kan het wel niet, want 1948 is natuurlijk het jaar waarin de vermeende Judenstaat van Herzl gesticht werd. De volgende bladzijden zijn dan een evocatie van de zgn. ‘wet op de terugkeer’ die stelt dat elke jood waar ook ter wereld die staat als zijn vaderland mag beschouwen en ernaar terug kan keren. Ook de overledenen.

Wanneer je dit boek (en andere over hetzelfde thema) gelezen hebt, dan begrijp je natuurlijk beter wat de zionisten bezielt, zeker na de laatste wereldoorlog. Maar dat belet mij niet van er afstand van te nemen en te blijven nemen. De lectuur van de grote roman van Rebatet heeft van mij geen fascist gemaakt, maar heeft er wel voor gezorgd dat ik de psyche van zo iemand beter doorgrond; en Boons grote roman heeft net zomin een nihilist van mij gemaakt; waarschijnlijk was ik dat al, alleen wist ik het nog niet.

1948 en de oprichting van de jodenstaat betekent voor mij éen ding: het definitieve en officiële einde van het tijdperk waarin joden (enkel) slachtoffers waren. Voortaan zouden ze ook daders zijn. Waarmee terzelfdertijd het ultieme bewijs geleverd was dat ze in niets, maar dan ook in helemaal niets verschillen van andere mensen – in welke onzin die ook mogen geloven.

En daarmee heb ik ook gezegd dat ik de politieke ultima ratio van dit boek verwerp. Maar dat betekent eigenlijk niets, want dat doe ik met vele, vele boeken. Literariteit heeft geen uitstaans met politiek, of, in het algemeen, met het onderwerp van een stuk literatuur, maar wel met de uitwerking ervan, de manier waarop het verwoord wordt. En wat dat betreft heeft Leïb Rochman gewoon een meesterwerk geschreven.

000

Dit stuk is al veel langer geworden dan de doorsneestukken die ik hier schrijf. En toch heb ik de indruk dat ik amper iets gezegd heb over dit boek, dat ik thema’s en motieven slechts heel even heb kunnen aanraken. En dat is ook zo. Het boek is zo rijk dat je alle aspecten die ik heb vermeld kunt uitdiepen; zoals bij andere meesterwerken uit de romanliteratuur (Musil, Joyce…) vergt dit boek, wanneer je het helemaal wil doorgronden een voortgezette studie. Nemen we alleen maar het joodse karakter, de verwijzingen naar het judaïsme en de joodse geschiedenis: daarover alleen al zou je een artikel kunnen schrijven dat veel langer zou zijn dan dit. Of neem het stilistische aspect, waarover ik eigenlijk zeer weinig heb gezegd. Ik heb de indruk dat de auteur tot op het microniveau weet wat hij schrijft, dat tot en met de kleinste beelden en uitspraken vaak dubbele betekenissen hebben én in verband staan met de basisthematiek. Zoiets vergt natuurlijk een doorgedreven stilistische studie.

Er is nog een reden waarom ik dat niet kan. Nemen we de titel van het laatste hoofdstuk, ‘Le jour du dénombrement’. In dat laatste woord zitten zowel ‘nom’ als ‘nombre’ verborgen, twee van de belangrijkste sleutelbegrippen in de joodse mystiek, met name de kabbalah. Mààr: waren die verwijzingen er ook in de oorspronkelijke versie? Want laten we niet vergeten dat ik een vertaling gelezen heb. En zodoende kan dat doodgewoon toeval zijn, in die zin dat de vertaling dan voor een keer een beetje meer zou zeggen dan het origineel. Ik ken geen Jiddisch, en wanneer bij gedichten bv. de tekst in ons alfabet afgedrukt wordt (waarom men voor een Germaanse taal het Hebreeuwse aleph-beth gebruikt, begrijp ik niet; ik vind het even onzinnig als het gebruik van Arabische schrifttekens voor een indogermaanse taal als het Farsi) mét uiteraard een vertaling erbij, dan kan ik het wel lezen. Maar hele romans is voor mij ondoenbaar.

Dat stelt uiteraard een probleem. De auteur heeft uitdrukkelijk voor het Jiddisch gekozen, dat blijkt uit de tekst (ik heb een betreffende passage geciteerd) en het gaat dus niet op dat te betreuren. Het heeft wel gevolgen natuurlijk: door die taal te kiezen, kies je eigenlijk als lezers een kleine religieuze minderheid uit, waarvan men zich kan afvragen hoevelen zo’n moeilijk en rijk boek effectief zullen lezen. En buiten die kleine kring zullen er niet echt veel mensen zijn die het Jiddisch voldoende beheersen om dit boek goed te kunnen lezen. Toch maar: ik vind dat jammer.

Ook de zeer sterke cohesie van het geheel moet nader onderzocht worden; die is uiteraard vooral thematisch, waarbij de vernietiging van de joden en de gevolgen daarvan het vanzelfsprekende hoofdthema is. Maar daarbinnen komen andere, ondergeschikte thema’s voor, maar die wel nauw samenhangen met het hoofdthema. En het geheel wordt dan geschraagd door een hele rist motieven die binnen die thema’s optreden en het hele boek door terugkomen, soms bijna als leitmotieven. Dat alles is trouwens sterk verweven met de stilistische middelen; zo zou het optreden van verschuivingen en overgangen (van werkelijkheid naar nachtmerrie en terug bv.) bestudeerd kunnen worden.

Kortom: zoals alle boeken die ik in een vorige bijdrage in een lijstje heb opgesomd, kan ook dit aanleiding worden tot grondige, diepgravende studies over alle opgesomde en niet opgesomde vlakken. En er kunnen uiteraard ook vergelijkingen worden gemaakt. Maar één zaak is zeker: A pas aveugles de par le monde behoort tot dat kleine kransje van bijna absolute meesterwerken in de twintigste-eeuwse romanliteratuur, en het wordt wellicht tijd dat iemand dat gaat inzien.

Ook in Nederland bv. dat meestal toch van zo’n enorm schuldgevoel blijkt geeft als het over joden gaat. En terecht wellicht, want nergens werden er procentueel zoveel weggevoerd als daar – behalve in Polen dan, maar dat is vanouds nog katholieker dan de paus. Zou echt geen enkele Nederlandse uitgever het bestaan van dit boek kennen? En opdracht kunnen en/of willen geven om het te vertalen? Dan wordt het verdomme wel tijd. Op één na zijn immers alle in voornoemd lijstje opgesomde boeken al in het Nederlands vertaald.

Werk aan de winkel dus. Hoe schuldig ze zich ook (nog) mogen voelen, een reden om maar vlug Jiddisch te leren is dat niet. Maar uitgevers moeten toch vertalers uit het Jiddisch kennen? Of zou die taal al zo zeer in onbruik zijn geraakt, dat in heel Nederland niemand ze nog beheerst? Lijkt me onwaarschijnlijk.

Maar misschien zou het gemakkelijker zijn te beginnen met een vertaling van Le Déluge, het derde boek van Rochman, zoals gezegd een verhalenbundel. Wellicht is die toegankelijker dan deze grote roman, en kan de vertaling van die bundel als een soort aperitief dienen; de hoofdschotel, zijnde A pas aveugles de par le monde volgt dan naderhand. De verhalenbundel is even goed als de roman, maar uiteraard beknopter en synthetischer. En het werk van Rochman is zo belangrijk dat mijns inziens enkel een grote uitgever in aanmerking kan komen om hem te vertalen en uit te geven. Niet dat ik iets tegen kleine uitgevers (ik denk bv. aan Vassalluci, als die nog bestaat, of aan Amphora) heb, integendeel; maar hier hebben we echt met wereldliteratuur te maken van een niveau dat enkel te vergelijken valt met de namen die ik in de loop van mijn opstel genoemd heb. En dan komen enkel de grote uitgevers in aanmerking.

10/06/2017
door Peter
Geen reacties

10.06.17 – Lijstjes

Een ‘canon’ zoals die na ampele beraadslaging en veel discussie een tijd geleden werd opgesteld voor de Nederlandse letteren is eigenlijk niet veel meer dan een officieel leeslijstje.

Iedere verstokte lezer heeft wellicht ooit wel zo’n lijstje of lijstjes voor zichzelf opgesteld en, als het een ‘nog-te-lezen’-lijstje betrof zich er niet aan gehouden. Ik neem aan dat ik dat zelf ook gedaan heb, maar ik herinner me er niets meer van. Het belang van dergelijke lijstjes is dan ook zo goed als nihil.

Dat geldt eveneens voor het belang van het laatste dergelijke lijstje dat ik een hele tijd geleden al heb opgesteld – in mijn hoofd, zonder het ooit op papier te zetten.

Een lijstje was dat met alle romans die ik als de allerbelangrijkste van de twintigste eeuw beschouw.

Ik kwam niet eens aan tien titels, wat toch wel heel weinig is. Met sommige van die titels zullen de meesten het wel eens zijn: die hoort erbij, zonder verdere discussie en zonder commentaar. Maar van andere is dat helemaal niet zo zeker. Ik zal ze eens opsommen.

  1. A la recherche du temps perdu. Eigenlijk spreekt het vanzelf dat dit het eerste moet zijn (chronologisch), het is één van die waarover iedereen het eens is. Het munt uit door de stijl (de lange, meanderende zinnen), het trage ritme en de psychologische diepgang.
  2. Twee boeken van Joyce natuurlijk (de enige die er twee op het lijstje heeft staan): Ulysses en Finnegans Wake. Hier zijn vooral structuur en taal in het oog springend.
  3. Robert Musil en zijn Der Mann ohne Eigenschaften is de vierde. Ook hier weer speelt de stijl een belangrijke rol, de volgehouden ironie namelijk. Maar ook het maatschappelijke aspect speelt een belangrijke rol.
  4. Dat is ook het geval in de vijfde: Der Tod des Vergil van Hermann Broch.
  5. De zesde roman van mijn lijstje zal waarschijnlijk door iedereen geweigerd worden: het is nl. Les deux étendards van Lucien Rebatet. Wegens de figuur van de schrijver uiteraard, maar wellicht ook omdat het formeel een door en door klassieke, bijna 19de-eeuwse roman is. Maar nooit en nergens werden de destructiviteit en de haat die zo eigen zijn aan het fascisme zo sterk weergegeven.
  6. Rond dezelfde tijd verscheen (het eerste deel van) Boons De Kapellekensbaan/Zomer te Ter-Muren. Ook hier valt de sterke osmose op tussen een totaal nieuwe vorm en een sterke maatschappelijke betrokkenheid. Het cruciale (voor de twintigste eeuw) probleem van het nihilisme is hier expliciet aanwezig (veel implicieter ook bij Broch en Rebatet).
  7. Tenslotte zou ik er nog de Danziger Trilogie (Die Blechtrommel/Katz und Maus/Hundejahre) van Günter Grass opzetten (maar van Grass zou je er bijna het hele romanwerk op kunnen zetten, bv. ook het even meesterlijke Ein weites Feld). Ook hier weer: de manier van vertellen naast de maatschappelijke betrokkenheid.

Klik voor een vergroting

Wat hebben die acht boeken nou gemeen? Waarom plaats ik die op de lijst en geen andere?

Op het eerste zicht hebben ze enkel de grote omvang gemeen, die in bijna alle gevallen naar de duizend bladzijden loopt, of die overschrijdt. Maar dat is op zich natuurlijk helemaal geen criterium. Maar het wijst wel ergens op: deze schrijvers zijn niet over één nacht ijs gegaan, ze hebben er decennialang, vaak een leven lang (en in het geval van Musil zonder het te kunnen beëindigen) aan gewerkt, geschaafd, gevijld enz. Nog op formeel vlak leidt dat er wel toe dat de lectuur van al deze boeken enkel een langzame, bedachtzame lectuur kan zijn; het ritme van de boeken is bijna altijd traag (enkel bij Grass is dat iets minder het geval, ook al dwingt zijn zeer eigen stijl je ook wel om zeker in het begin langzamer te lezen): de auteur wenst a.h.w. dat de lezer grondig kennis neemt van wat hij te zeggen heeft, dat hij erbij nadenkt, dat hij het niet tot zich neemt als het zoveelste commerciële massaproduct.

Wat de boeken ook allemaal gemeen hebben: ze kennen amper een plot. Uiteraard is er een verhaaltje, maar dat is meestal zo summier en zo nietszeggend dat het bijna niet eens de kapstok kan zijn, of het geraamte waar dan kleren c.q. vlees aan gehangen moet worden. Rebatet: drie adolescenten in een soort vage driehoeksverhouding; Boon: een groep mensen die samenkomen om over een roman en over de wereld te praten; Joyce 2: een dronkaard die opgebaard ligt, maar nog blijkt te leven en dronkenmansnachtmerries heeft. En voor de overige geldt dat evenzeer. Die kleine en op zichzelf onbetekenende plot zou vaak trouwens goed vervangen kunnen worden door een andere, die dan even onbetekenend zou zijn.

Waardoor munten ze dan wel uit?

Door de bredere inhoud op de eerste plaats. Daarmee bedoel ik dat ze allemaal verschillende zaken met elkaar in verband brengen, verbanden leggen tussen verschillende denkcategorieën, verschillende disciplines ook, dat ze kortom veel, veel dieper graven dan zelfs de beste andere romans, die dan ofwel tot politieke (of: geëngageerde) romans bestempeld worden, of tot psychologische, of tot sociologische…; of ze beperken zich tot een verhaal, boeiend verteld wellicht, maar toch. De bovenstaande romans zijn dat allemaal tezamen en meestal nog in verhevigde mate. De discussies in Boon gaan werkelijk tot op het bot, het socialisme en alle waarden van de burgerij worden zozeer met de scalpel (of met het scheermes van Ockham) bewerkt tot er niets meer overblijft dan een maatschappelijk failliet dat enkel nog in een nihilistische oorlog kan uitmonden. Rebatet neemt de metafysica en de christelijke godsdienst op de korrel met een dergelijke allesomvattende vernietigingsdrang dat je er koud en bang van wordt. Broch laat zijn Vergilius bijna zijn hoofdwerk, de Aeneïs verbranden, en hoewel impliciet, de overeenkomsten tussen de tijd van Augustus en de nazitijd liggen voor de hand; en wat heeft literatuur dan nog te betekenen? Niets toch.

Klik voor een vergroting

Daarbij komt nog dat de schrijvers alle aspecten van het mens-zijn in hun werk betrekken, en dat de figuren die ze scheppen tot een zeer breed spectrum behoren, waardoor ze inderdaad die aspecten kunnen weergeven; bij Boon blijkt dat al uit de persoonlijkheden van de protagonisten die samen komen, en die niet énkel afsplitsingen zijn van de auteur. De protagonisten van Musil zijn dan weer figuren die helemaal door een bad van ironie zijn gegaan, en vaak zichzelf niet eens meer au sérieux nemen. Terwijl hij anderzijds in de figuur van Moosbrugger al de uitvoerders van de politiek van de nazi’s voorgetekend heeft. En wellicht heeft niemand vorige eeuw al de kamers van het ik zo diep en grondig en tot in de kleinste hoekjes onderzocht als Marcel Proust. En wat Joyce met de taal deed – een van de belangrijkste kenmerken van de mens is zijn taal en taalgebruik – hoef ik niet meer te zeggen.

De diepe band tussen de maatschappij van de schrijver en het werk dat hij voortbrengt is misschien wel het belangrijkste. Enkel bij Proust komt dat veel minder voor, en dan eerder onrechtstreeks, wat wellicht te wijten is aan het feit dat hij nog met één been in de 19de eeuw stond. Maar op psychologisch vlak gaat hij even ver en even diep als de anderen; je zou kunnen zeggen dat de wereld, de maatschappij, de politiek hem nog niet echt heeft aangeraakt, in elk geval niet zo als bij degenen die na hem komen (ook Joyce beschouw ik als een schrijver in wiens werk de politiek een grote rol speelt, ook al lijkt dat niet zo; politiek definieer ik hier als: betrokkenheid vertonend bij de polis, d.i. de gemeenschap).

En last but not least, ik heb het al aangegeven: de stijl, de structuur, de opbouw. Rebatet is de enige die als vorm gekozen heeft voor die van een klassieke bildungsroman, bij alle anderen vind je het hele gamma van het stilistische modernisme terug, bij de ene al iets uitdrukkelijker dan bij de ander natuurlijk. Het opvallendst hier is natuurlijk Finnegans Wake, omdat hier de taal zelf ontwricht wordt; maar zelfs dit verregaandste literair-stilistische experiment is volkomen in overeenstemming met de inhoud: de dromen van een stomdronken persoon; en het sluit daarenboven aan bij de maatschappelijke werkelijkheid die, toen Joyce z’n boek schreef, eveneens hoe langer hoe erger ontwricht werd (iets dat we mutatis mutandis nu weer meemaken).

Opvallend: behalve Grass heeft geen enkele van de genoemde auteurs de Nobelprijs voor literatuur gekregen.

Acht titels heb ik dus op mijn lijstje staan. Die vormen wat mij betreft de absolute literaire top van de twintigste eeuw. Het is natuurlijk mijn lijstje, maar ik denk toch dat van die acht er een vijftal ook op andere zouden moeten voorkomen, of op de canon tout court.

Maar aan tien ben ik dus toen niet gekomen. En ook nu nog niet. D.w.z. tot voor kort.

 

07/06/2017
door Peter
Geen reacties

07.06.17 – Hanny Michaelis

Hanny Michaelis kende ik enkel als dichteres van een klein maar fijn oeuvre; een minor poet, waarbij je in gedachten moet houden dat die kwalificatie nooit een kwalitatieve appreciatie inhoudt.

Proza van haar was me niet bekend.

Maar dat is er nu wel: Lenteloos voorjaar, oorlogsdagboek 1940-1941 (Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2016). Het is het eerste deel van een uitgebreid dagboek, waarvan het tweede deel (dat ik nog niet las) dit jaar verscheen onder de titel De wereld waar ik buiten sta, oorlogsdagboek 1942-1945 (Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2017).

Dat het een sensatie zou zijn, klopt natuurlijk niet, dat is reclamepraat van de uitgever. Maar een verrassing is het wel degelijk, vooreerst omdat het een min of meer realistisch beeld schetst van het dagelijkse leven in die eerste oorlogsjaren, en dan geschreven door iemand van joodse afkomst; voor haar was dat blijkbaar geen enkel probleem, omdat ze niet gelovig (meer?) was, maar voor de moffen was dat natuurlijk iets anders.

Die moffen zijn natuurlijk in het dagboek aanwezig, maar voor een boek van bijna duizend bladzijden toch opvallend weinig, vind ik. De maatregelen tegen de joden worden wel vermeld natuurlijk, en soms maakt ze zich daar behoorlijk boos over, maar het lijkt meestal toch dat het haar amper raakt, alsof ze ernaast leeft, of erboven staat. Nochtans zijn die eerste maatregelen niet min: op de eerste plaats worden de joodse leraren van de scholen verwijderd; in haar geval treft dat de bekende historicus Jacques Presser, een van haar beste leraren aan het Vossius Gymnasium. En vooral het verbod om bibliotheken (en andere openbare inrichtingen zoals zwembaden e.d.m.) te bezoeken moeten voor iemand die veel en graag las zwaar zijn aangekomen. Maar zij had ‘Arische’ kennissen die ze voor haar gingen uitlenen; klachten daarover zijn er dus (?) amper.

Dit eerste deel omspant slechts de eerste twee jaren van de oorlog, en valt samen met haar laatste twee jaren aan het Vossius, waar ze nog in 1941 eindexamen doet; en slaagt natuurlijk. Het is dus het dagboek van een meisje van 17/18 jaar; enkel op het einde, in de maand december van 1941 wordt ze 19.

Het kan niet anders of je merkt dat natuurlijk. Het overgrote deel gaat over haar verliefdheden, vooral op haar klasgenoot Eldert, en op haar leraar Nederlands, de dichter Binnendijk. Het is hij ook die boeken voor haar leent in de bibliotheek wanneer ze dat zelf niet meer mag. Op dat ogenblik is ze al afgestudeerd, maar ze houdt nog contact met twee of drie van haar leraren; Binnendijk en Presser zijn daarvan de belangrijkste. De eerste werd na de oorlog hoofd van de dienst kunstzaken van de stad Amsterdam en zal als zodanig wel een goed woordje voor haar hebben gedaan, want ook zij ging daar na oorlog en onderduik werken.

Je zou denken dat zo’n omvangrijk dagboek dat vooral over verliefdheden en andere jongemeisjeszaken handelt langdradig en vervelend moet zijn. Maar dat heb ik alleszins geenszins ervaren; en dat heeft waarschijnlijk te maken met de vlotte verteltrant van Michaelis. Haar stijl is nu eens onderhoudend, dan weer scherp van observatie, zeer adequaat voor de verschillende onderwerpen, en over het algemeen veel beter en afwisselender dan je van iemand van die leeftijd zou verwachten. Dat maakt de lectuur ervan aangenaam.

Maar eveneens de afwisseling, die er duidelijk ook wel is, zorgt daarvoor. Naast de weergave van gesprekken met ‘harts’vriendin Greetje en anderen valt de grote belezenheid van Michaelis op, en het feit dat zij probeerde de contemporaine literatuur werkelijk op de voet te volgen, o.a. in Forum en De Vrije Bladen. Maar nog opmerkelijker zijn haar opmerkingen en kritieken op wat ze leest: die getuigen van een kritische ingesteldheid die je evenmin van die leeftijd verwacht. En die opmerkingen zijn daarenboven zo raak en juist geformuleerd, dat ze eigenlijk al had kunnen recenseren in de een of andere krant. Als critica had ze natuurlijk een goed voorbeeld: de scherpe kritieken van du Perron behoren tot de boeken die ze het liefst en het vaakst las.

Opvallend daarbij: ze wist zeer goed te detecteren dat Achterberg van die hele generatie die in de jaren dertig debuteerde, de belangrijkste zou worden. Haar eigen leraar, Binnendijk, vond ze bijv. niet zo goed.

Opvallend is ook dat ze niet minder dan vier talen las (en dan hou ik geen rekening met Latijn en Grieks); het onderwijs moet in die tijd toch wel enorm goed zijn geweest, als je alleen maar ziet wat ze moesten vertalen uit de klassieke talen. Je kunt het natuurlijk niet echt gedetailleerd meer nagaan, maar als ik deze verslagen over schooldagen, over lessen en leraren en de daarbij horende lectuur lees, dan vrees ik toch dat er inderdaad sprake is van verloedering van het onderwijssysteem, zowel in Nederland als in België. Veel ervaring daarin heb ik niet, maar het feit dat ik dat ene jaar dat ik Duits gaf aan een atheneum van de inspectie géén grammatica mocht geven (in de twee hoogste jaren), spreekt toch wel boekdelen, denk ik.

Hanny Michaelis was enig kind van een vader die blijkbaar een beetje een bohémien was en weinig geld in het laatje bracht, en van een moeder die nogal streng was en die uit het dagboek een beetje verbitterd naar voren komt. De beschrijvingen van het leven thuis, met de ouders, zijn erg levendig, betrokken zowel als afstandelijk. Vreemd lijkt me dat ze het vaak over “het ouderpaar” heeft; natuurlijk probeert elk kind afstand te nemen van de ouders, maar ik heb de indruk dat ze het met de vaderfiguur beter kan vinden dan met de moeder. Dat hij ook veel las en daarenboven piano speelde zal ook wel een rol hebben gespeeld. En ook de identificatie met oudere mannen (vaderfiguren) als Binnendijk, Vestdijk, de doden van negentienhonderdveertig wijst daarop. Een verwante vrouwelijke figuur duikt in dit eerste deel niet op.

Hanny Michaelis in 1946

Zelf ziet ze dat blijkbaar niet in, wat verwondert want ze is goed op de hoogte van Freud en probeert diens leer ook een beetje toe te passen in haar eigen omgeving. Ook dat is niet echt typisch voor een meisje van die leeftijd. De zelfanalyses daarentegen wellicht wel. Iedere tiener van die leeftijd is nog op zoek naar zichzelf en probeert zijn of haar plaats te bepalen in de wereld van dichtbij en van verder af. Ook seksualiteit speelt daarbij uiteraard een belangrijke rol; ze is nog maagd, maar droomt wel veel over jongens, mannen en ‘het’. In ’t algemeen valt trouwens op hoe veel ze droomt, en hoe ze die dromen ook probeert te analyseren. Bij ‘seksualiteit’ moet ik even glimlachen, want er komen in het dagboek enkele bladzijden voor over een ‘bezigheid’ waarvoor ze zich schaamt, waar ze zich ook schuldig om voelt, maar waar ze niet aan kan weerstaan. Blijkbaar gebeurt het telkens weer. Ze heeft het over masturbatie uiteraard, maar schrijft er zo omzwachteld over, en zonder ook maar iets direct bij naam te noemen, dat het nu zeer vreemd overkomt. Blijkbaar was dat toen zowat een absoluut taboe.

Het heet dan wel een ‘oorlogsdagboek’, maar ik denk dat die ondertitel van de uitgever afkomstig is. Want het is veel meer het dagboek van een ontwikkeling tot volwassene, van de plaatsbepaling van een uiterst intelligente tiener dan iets anders. Natuurlijk is de oorlog aanwezig (af en toe, het hele dagboek door wordt gewag gemaakt van bombardementen) maar het lijkt bijna alsof die totaal geen invloed heeft op het innerlijke leven van de schrijfster (op het uiterlijke natuurlijk wel, en dat zal in het tweede deel nog wel sterker worden). Die innerlijke ontwikkeling overheerst overgroot de invloed van de buitenwereld. Misschien wordt die gewoon buitengesloten, maar dat wordt dan niet expliciet gezegd, zodat het dan een onbewust proces zal zijn.

Tenslotte heeft ze ook zelf literaire plannen: ze schrijft gedichten, die ze ook aan anderen laat lezen, bv. aan Binnendijk. Kritiek en commentaar neemt ze wel ter harte, maar houdt er enkel rekening mee als ze het er grondig mee eens is. Uit gesprekken met Binnendijk blijkt bv. dat ze nog schrijft vanuit het ‘gevoel’ en Binnendijk brengt haar bij dat poëzie niet met gevoelens maar met woorden gemaakt wordt. Zoiets blijft haar bij en als ze het begrepen heeft, zal ze er ook rekening mee houden. Enkele gedichten uit deze tijd zijn nog in haar debuutbundel terecht gekomen, maar hoeveel dat er zijn weet ik niet.

De kritische zin over haar lectuur geldt evenzeer haar eigen beginnend werk, én trouwens haar persoonlijkheid. Wat dat laatste betreft valt het onmiddellijk op hoe scherp en ongenadig ze voor zichzelf kan zijn; ze veracht in zekere zin haar eigen dweepzucht maar geeft er toch telkens weer aan toe. Dat geldt ook voor andere zaken; je zou bijna van een zekere verscheurdheid kunnen spreken, ware het niet dat me dat normaal lijkt voor adolescenten die boven de middelmaat uitsteken.

Als lezer is er niets beklemmends aan dit dagboek zelf, d.w.z. aan de blote tekst. Op de achtergrond is weliswaar een oorlog bezig, maar de protagoniste lijkt zich dat dus amper aan te trekken, en iedereen lijkt het vooroorlogse leven gewoon verder te zetten, als vanouds en alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Zelfs de razzia’s tegen joden in andere delen van Amsterdam, of de beroemde februaristaking worden wel genoemd, maar alsof het zich in een verre, een andere wereld afspeelt. Er worden zang- en muziekavonden georganiseerd, er wordt gezwommen, gediscussieerd, gestudeerd enz. Alles lijkt doodgewoon verder te gaan op enkele ongemakken na, die na de oorlog wel weer zouden verdwijnen.

Het écht beklemmende ligt in één feit: wij weten hoe het verder is gegaan, de schrijfster en haar omgeving wisten dat niet.

16/05/2017
door Peter
Geen reacties

16.05.17 – Tegen de christenen

Zo wordt het werk meestal genoemd dat geschreven werd door een Romeinse filosoof uit de tweede eeuw, de tijd van Marcus Aurelius ongeveer.

We kennen het werk slechts onrechtstreeks, via de ‘weerlegging’ ervan door de kerkvader Origines in diens Contra Celsum. De huidige titel is waarschijnlijk ook van Origines afkomstig, want oorspronkelijk heette het ‘het ware woord’ of zo; Celsus schreef in het Grieks.

Het boekje telt, zoals het terug werd samengesteld aan de hand van Origines’ voormeld geschrift (die het quasi in z’n geheel citeert voor en na) amper een honderdtal bladzijden. Het is interessant omdat het de houding van geleerde Romeinen weergeeft ten opzichte van iets dat toen, in de tweede eeuw nog niet eens een bedreiging vormde voor Rome en het Keizerschap.

Inhoudelijk brengt het voor de huidige tijd uiteraard niets nieuws; de inwendige tegenstrijdigheden, de effenaffe idiotie soms van de christelijke dogma’s en geloofsbeginselen worden summier uiteen gezet. Maar dat alles is in de eeuwen daarna wel voortdurend herhaald en uitgebreid, het best misschien nog wel in Le Testament van l’Abbé Meslier, op het einde van de zeventiende eeuw.

Ik las: Celse: Contre les chrétiens (Editions Sillage, Paris, 2017 – eerste druk uit 2014). Valt het u ook op, lieve lezer: ‘contre les chrétiens’, en niet ‘contre le christianisme’. Toen ik in de jaren vijftig jong was, hielden mijn ouders het stamlokaal van wat toen nog zonder problemen de ‘liberale partij’ heette. En de belangrijkste vijanden waren…de katholieken inderdaad, niet het katholicisme.

Stel je nou eens voor dat er een boek zou verschijnen dat ‘tegen de moslims’ of ‘tegen de joden’ zou heten. Ik hoef echt geen tekening te maken bij de mogelijke en zelfs zekere reacties daarop, op de eerste plaats natuurlijk bij degenen die niet kunnen lezen en/of van het boek in kwestie enkel de titel gezien zouden hebben.

Hoe komt dat? Volgens mij is de verklaring eenvoudig (maar ik hou me voor bijkomende of andere verklaringen aanbevolen): de joden zijn in West-Europa een soort heilige koeien geworden, nadat de nazi’s geprobeerd hebben hen uit te roeien; het christendom daarentegen is in datzelfde West-Europa (Polen ligt in Oost-Europa) zo goed als dood, zeker na de schandalen van de afgelopen jaren; je zou er enkel nog medelijden mee hebben. Maar in datzelfde West-Europa is de islam minstens sinds de jaren zestig in opkomst en dreigt het gewoon over te nemen van het christendom.

En omdat nooit iemand gehoord heeft van christianofobie (nee, heeft niets met Christiane te maken) is het ook geen probleem om ‘tegen de christenen’ op het kaft van een boek te schrijven. Judeofobie komt al iets vaker voor, maar islamofobie is gewoonweg een halsmisdaad geworden in West-Europa: wanneer je dat bent, ben je terzelfdertijd fascist, racist, volksverbonden communitarist, reactionaire fielt enzoverder enzovoort. Dat raakt natuurlijk mijn kouwe kleren niet.

En toch wordt het tijd, hoog tijd dat ook dergelijke boeken gepubliceerd worden tegen de moslims en hun islam. En dan bedoel ik niet de pamfletten uit verdachte hoek, of de dikke geleerde turven voor andere geleerde dames en heren, maar toegankelijke vulgariserende werken, die wel door en door kritisch (en dus ipso facto beledigend) zijn voor de islam en haar aanhangers.

Maar illusies maak ik me niet, nooit meer. Om met de ook al veel te vroeg gestorven Komrij te eindigen:

“Zo langzamerhand zijn we allemaal al vertrouwder geworden met de twaalfde imam dan met de onbevlekte ontvangenis, de Ramadan zegt ons al meer dan Pinksteren en we zijn oneindig veel nieuwsgieriger naar de uitspraken van de conferentie van de sunnitische ulema (sic – PB) in Islamabad dan naar die van de conferentie van de katholieke bisschoppen in Noordwijkerhout. Op een ochtend zullen we wakker worden en allemaal Ali heten.” (Gerrit Komrij: Dit helse moeras, Querido, Amsterdam, 1988 3de druk, p. 18 – cursief van Komrij).

15/05/2017
door Peter
Geen reacties

15.05.17 – Kun je het fascisme herkennen?

Volgens Umberto Eco wel degelijk. Een al wat oudere tekst van hem werd afzonderlijk uitgebracht onder de titel Reconnaître le fascisme (Editions Grasset, Paris, 2017). Maar er zijn toch wel wat vragen bij te stellen.

Het boekje begint met jeugdherinneringen van Eco, die de tijd van Mussolini nog bewust heeft meegemaakt. En het eindigt daarmee. Tussendoor trekt de auteur eerst enkele conclusies over wat hij toen beleefde, conclusies wat betreft de veelvormigheid van het fascisme, en de vele innerlijke tegenstrijdigheden erin. Want fascisme is inderdaad een globale term, waaronder zowel het nationaal-socialisme van de Duitsers, als het katholieke fascisme van Franco als het ‘socialistische’ fascisme van Mussolini alsmede nog vele andere vormen van hetzelfde vallen.

Maar volgens de auteur hebben ze toch wel bepaalde kenmerken gemeen, en dat is het deel van het boekje waar de titel naar verwijst: in veertien punten probeert Eco te vatten wat het fascisme herkenbaar maakt. En hij zegt expliciet dat het detecteren van één enkel kenmerk al voldoende is om van fascisme te kunnen spreken:

“Mais il suffit qu’une seule d’entre elles soit présente pour faire coaguler une nébuleuse fasciste.” (p. 34)

Het eerste dat opvalt is dat hij weinig tot niets te zeggen heeft over de sociale en economische politiek van het fascisme, dat hij nooit zegt voor wie de fascisten nu optreden, wie hun bazen zijn. De veertien punten zijn grotendeels formele/formalistische punten, die je ook elders dan bij fascisten vinden kunt. De kern, het belangrijkste is dus gewoon weg, verdwenen, wordt niet of amper genoemd. Maar laten we die veertien punten even van dichterbij bekijken.

Het eerste en dus in Eco’s ogen waarschijnlijk het belangrijkste punt is de cultus van de traditie. Nou ben ikzelf lid van een vereniging die de Traditie (mét hoofdletter a.u.b.) hoog in het vaandel schrijft; als dat in mijn ogen een fascistische vereniging zou zijn, was ik er al lang weg. Maar in mijn ogen is ze enkel conservatief, waar ik niets op tegen heb op voorwaarde dat wel gezegd wordt wat dan bewaard moet worden. Maar ik geef toe: er zijn duidelijke raakvlakken tussen conservatisme en fascisme. Iemand als Bolkestein of vroeger Churchill lijken me voorbeelden daarvan te zijn.

De afkeuring en weigering van het zgn. modernisme zou een volgend punt zijn. Maar wat is dat: ‘modernisme’ ? ‘Blut und Boden’ was inderdaad een antimodernistische slogan, maar ondertussen was dat Duitsland van Hitler op technisch vlak bv. zéér modernistisch. En was Marinetti geen fascist?

Het wantrouwen tegen intellectuelen past daar natuurlijk bij, evenals de angst voor het verschil, voor het anders-zijn. Dat alles komt tot uiting in het nationalisme. Maar ook hier weer een vaststelling: inderdaad, alle fascismen waren nationalistisch. Maar zijn alle nationalismen daarom ook fascistisch? Wanneer je naar de praktijk kijkt (Front National, Alternative für Deutschland, Nieuw-Vlaamse Alliantie, Lega Nord…) zou je het wel denken, maar toch denk ik dat het niet helemaal klopt.

Het beroep op de middenklassen is mijns inziens iets dat tot het historische fascisme behoort, en dat vandaag veel minder naar voren treedt. Ook de oorlog en het geweld zijn tot nader order niet meer echt aanwezig, tenzij bij echte randgroeperingen, die misschien wel een vijver kunnen zijn, waarin de échte machthebbers zullen kunnen vissen wanneer ze het nodig achten: zie Oekraïne en de rol van Pravy Sektor, dat inderdaad een fascistische groepering is in de klassieke betekenis (SA en/of SS). Daarin zijn ook de haat tegen zwakkeren, het zgn. heroïsme van de leden van de eigen groep én de doodscultus manifest aanwezig. Zoals bij de moslimzelfmoordenaars en -moordenaars. Wat Eco niet zegt.

Pravy Sektor

Het laatste punt is het gebruik van ‘novlangue’ (newspeak); maar dat kom je echt waar bij alle politiekers tegen, van alle gezindten; zijn dat dan allemaal fascisten? Ze zullen er alle wel hier of daar iets mee gemeen hebben, dat wel, weinig of iets meer, maar als je Eco’s uitgangspunt aanneemt zijn dus alle partijen fascistische partijen.

Onzin natuurlijk.

Eco is blijven steken in het beeld dat hij in zijn eigen jeugd van het fascisme heeft meegekregen. Maar dat klopt langs geen kanten meer. Om te weten waar het zich vandaag situeert moet je naar de inhoud kijken. Het klassieke fascisme moest de macht van de extremistische groepen van het financiekapitaal in stand houden, met burgeroorlog als het moest. Maar de middelen om de bevolking te beïnvloeden zijnheden ten dage zo uitgebreid geworden dat bruut geweld echt niet meer nodig is (voorlopig). In de kranten die ze lezen, op de teevee waar ze naar kijken, overal zie je niks anders dan pure brute propaganda. Inderdaad newspeak, volledig. En de Tanghe’s, de Yves Desmetten enzoverder zijn er zich niet eens zelf van bewust dat ze pure propagandisten zijn van het bestaande systeem. Zelfs geleerdere idioten als Boudry, een van de papegaaien van Gwendolyn, beseffen dat waarschijnlijk niet eens.

Enkele verschillen. Het fascisme van vroeger was volledig antidemocratisch en wou het parlementaire stelsel helemaal om zeep helpen. Het hedendaagse fascisme heeft ingezien dat een parlement toch niks te zeggen heeft en omarmt de democratie dus – tot ze eronder stikt waarschijnlijk. Het vroegere fascisme was ‘socialistisch’, dat van vandaag is liberaal op een extreme en soms zelfs extremistische manier (bij de bigotte aanhangers van de Chicago school). Het vroegere fascisme was grotendeels ‘revolutionair’, dat van vandaag eerder conservatief, maar is wel gewiekst genoeg om daar geen punt van te maken. Het belangrijkste is datgene waar Eco het nooit over heeft: ervoor zorgen dat alle programmapunten van het financiekapitaal (en ander kapitaal) onverkort en zo degelijk mogelijk worden uitgevoerd.

Daarmee kan iedereen zelf wel zien waar het fascisme van vandaag zich situeert. Het is nog steeds even gevaarlijk, en wanneer het echt met tegenstand geconfronteerd zal worden, zal het ook niet aarzelen om Breendonk opnieuw open te doen.