20/02/2017
door Peter
Geen reacties

20.02.17 – Van Wiertz naar Delphine

Sinds wanneer ik juist naar het Wiertzmuseum in Elsene wou, weet ik niet meer, maar het zal toch wel enkele decennia zijn. Het is er nooit van gekomen, door toeval, tijdsgebrek, vergetelheid enzoverder enzovoort. Maar afgelopen vrijdag is het dan toch gebeurd, plots, in een halve opwelling – zoals wel vaker geschiedt, ook bij andere gelegenheden. Waarom Wiertz? Ik weet het niet. Enkele van de schilderijen die in zijn museum hangen, kende ik wel, van afbeeldingen. Dat ik een werk van hem ooit echt gezien zou hebben, kan ik me niet herinneren. Een groot museum is het niet: één grote zaal en daarachter nog twee kleinere kamers.

Eerste verrassing: de toegang was gratis. Bij mijn weten nooit meegemaakt. Omdat het gebouw er een beetje verwaarloosd uitziet? Omdat Antoine Wiertz zo’n illustere onbekende is? Dat laatste zal wel niet het geval zijn.

In de grote zaal vallen onmiddellijk de reusachtige formaten van vele schilderijen op. Die hebben meestal mythologische en/of religieuze onderwerpen, zoals de aanval van de hel tegen de hemel, of de strijd tussen Grieken en Trojanen over het lijk van Patroclos. Deze schilderijen bevatten zoveel wervelingen en bewegingen dat ze mij direct aan de barok deden denken. En naar het schijnt was het ook de bedoeling van Wiertz minstens in zijn afmetingen Rubens te evenaren. Wat dat betreft is hij meer dan geslaagd, want van Rubens zijn mij zo’n afmetingen niet bekend. En ook de thematiek is niet zo eenzijdig bij Rubens, die daarenboven ook nog eens technisch een veel betere schilder was. Hoe dat ook zij, voor dat soort schilderijen sta je even paf; en dan ga je alras naar de andere, de kleinere, waarvan sommige ook veel bekender zijn, vooral degene die rechtstreeks aansluiten bij het gothic aspect van de romantiek. Een dat mij sterk treft is bv. de afbeelding van een  geguillotineerd hoofd. Op zichzelf iets dat wel vaker geschilderd werd, bv. door Géricault; maar opvallend in het schilderij van Wiertz lijkt me het venster waardoor drie nieuwsgierigen met een mengsel van afschuw en genoegen naar het hoofd loeren. Een vorm van voyeurisme, die bij publieke terechtstellingen veel voorkwam, maar bij mijn weten niet zo duidelijk in schildersbeeld werd gebracht.

Antoine Wiertz – Geguillotineerd Hoofd, 1855


Een ander bekender voorbeeld dat zo typisch is voor de zwarte romantiek is de verzameling doodskisten, waarbij uit eentje ervan een hand naar buiten steekt, alsof de persoon in kwestie nog zou leven. Misschien is dat schilderij een voorbeeld geweest voor het grafmonument van de Belgische dichter Rodenbach, op Père Lachaise? Maar het thema hing natuurlijk in de lucht toen.

Antoine Wierts, De overhaaste begrafenis, 1854, foto Wiertz Museum, Brussel

Grafmonument van de Belgische dichter Rodenbach op Père Lachaise


En vandaar wandelden we dan naar het museum van Elsene, waar we een overzichtstentoonstelling van Delphine Boël verwachtten, en nog een klein zaaltje wellicht met werken van Pierre & Gilles.

Het tegendeel bleek het geval te zijn.

Delphine had één zaaltje ter beschikking, dat wel goed gevuld was zonder overladen te zijn. Diana vond het allemaal maar banaal, terwijl het mij gewoon niet aansprak. De kleuren deden soms aan Niki denken, maar de geschreven/geschilderde spreuken leken me eerder de ontboezemingen van een bakvis dan iets anders. Terwijl dat ene opvallende beeld van een dame die geketend was aan een Vlaamse en Waalse vlag dan weer veel te uitdrukkelijk  de boodschap uitdroeg, hetgeen mij aan socialistisch realisme doet denken (wat het, op de uitdrukkelijkheid na, natuurlijk niet is).

Nee, dan Pierre & Gilles!

Die hebben we voor het eerste gezien enkele jaren geleden in het Orsay in Parijs, waar ze tussen vele anderen hingen op een tentoonstelling over het mannelijke lichaam. In Elsene was het een ruime overzichtstentoonstelling, die enkele decennia omspande. Kitsch, was het eerste dat we toen, in Parijs dachten. En ook nu weer. Maar door het kitscherige karakter zo duidelijk in de verf te zetten, is het gewoon een eigen stijl van beiden geworden. De meeste toeschouwers liepen voortdurend rond met een glimlach op het gezicht, wij niet uitgezonderd. En dat zegt toch wel iets, denk ik.

Hun werk is ook totaal anders dan dat van de Amerikaan Jeff Koons, die ook voortdurend met kitsch in verband wordt gebracht. Ook daarvan zagen we enkele jaren geleden in het Centre Pompidou een tentoonstelling. Maar daar werd niet gelachen, op geen enkele manier. Mij alvast sprak dat totaal niet aan, het was banaal en o zo typisch Amerikaans oppervlakkig. Dat is alleszins niet het geval met Pierre & Gilles.

Hun techniek alleen al maakt hen een beetje uitzonderlijk. Alle werken die er hingen waren foto’s, die dan bewerkt werden, beschilderd meestal. Je krijgt dus fotoschilderijen, waarbij ook de foto’s zelf al in scene zijn gezet; het zijn dus geen al dan niet professionele kiekjes. De personen die je ziet zijn dus fotografisch echt, maar staan meestal in een meer of minder onwerkelijk decor. Ze zijn herkenbaar maar totaal vervreemd ook. Dat valt uiteraard het meest op bij publieke figuren, zoals het volgende:

Dat is Madonna. En als ik die hier overneem is dat geen toeval. Vaak zijn de weinige vrouwen die op de fotoschilderijen voorkomen op een of andere manier verwant aan de iconografie van de Heilige Maagd, meer dan op bovenstaand voorbeeld. Maar vrouwen zijn de uitzondering, de afbeeldingen zijn bijna altijd die van mooie jonge goden, jongemannen dus, en vaak naakt of half naakt. Bijna alle fotoschilderijen zijn dus erotisch, en vaak zelfs direct seksueel geladen. Twee voorbeelden:

Gerard Reve zou niet geweten hebben waar hij het had, en in deze tentoonstelling zeker een uur lang hebben rondgelopen met een stijve van jewelste. Al zijn thema’s zijn namelijk aanwezig bij Pierre & Gilles, van de Mariaverering tot de bondage, en natuurlijk de vele meedogenloze jongens. Je zou bijna denken dat het illustraties zijn bij het werk van Reve. Maar het zou me verwonderen als de twee ooit van Reve gehoord zouden hebben. Blijkbaar bestaat er een algemene homo-iconografie.

Kaders van schilderijen zijn meestal neutraal, maar ook dat is totaal anders bij Pierre & Gilles; de kaders maken integraal deel uit van het fotoschilderij, met dezelfde kleuren (meestal pastelkleuren – zoals in het rococo), hetzelfde thema enz.

Onderstaand voorbeeld bv. is duidelijk: het kader neemt over en varieert het thema van de tijger waar de man zijn voet op zet; en ook de gordijnen passen er natuurlijk perfect bij:

Afbeeldingsresultaat voor pierre & gilles

Er is in de secundaire literatuur veel gepalaverd over wat kitsch is en wat niet; wat schilderkunst betreft, ken ik die discussies niet, maar ik ga ervan uit dat ze daar nog vaker zijn voorgekomen dan in de literatuur, waar het dan over het verwante begrip ‘trivialliteratur’ of pulp of dergelijke meer gaat.

Het werk van Pierre& Gilles is bij uitstek geschikt om de grenzen van dat en aanverwante begrippen te verkennen. En eveneens een begrip als ‘pornografie’ trouwens. Is het hierboven afgebeelde een pornografisch beeld? Volgens mij niet, ondanks de duidelijke erectie. Die mijns inziens niet bedoeld is om lust op te wekken, ook al kan dat uiteraard wel gebeuren. Pierre & Gilles hebben een zeer eigen en individuele picturale wereld geschapen, waar je enerzijds met plezier naar kijkt, en die anderzijds vragen oproept en dus doet nadenken. En dat zijn twee zaken die kunst, onder welke vorm dan ook, altijd moet doen. Het werk van Koons en van Boël doet dat, wat mij betreft toch, niet.

Er is een mooie catalogus, waar alle tentoongestelde werken in zijn afgebeeld, en waarin enkele interviews met de makers zijn opgenomen, waarin o.a. wordt ingegaan op het fenomeen ‘kitsch’.

13/02/2017
door Peter
Geen reacties

12.02.17 – De Russen komen! De Russen komen!

Stel u voor: het kleine Kempische dorpje Meensel-Kiezegem. Misschien zijn er nog mensen in leven aldaar die in het verzet zaten. Die worden nu aangehouden en in de nor gedraaid wegens oorlogsmisdaden gepleegd in de periode 1940-1944. Terzelfdertijd worden Robert Verbelen en zijn bende in ere hersteld en er wordt beslist om jaarlijks een optocht te houden om de bevrijding door Verbelen c.s. te herdenken.

Idioot? Krankzinnig?

Het is gewoon wat Vassili Kononov na de ‘bevrijding’ van de Sovjet-Unie overkwam, toen Letland opnieuw een onafhankelijke republiek werd en bijltjesdag dus aangebroken was. De man was een geëerde partizaan geweest, die in de Sovjet-Unie samen met anderen ten voorbeeld werd gesteld, en die ook de nodige medailles en andere officiële eerbetuigingen gekregen had. En dan werd hij aangehouden en veroordeeld. Zelfs het Europese Hof voor de zgn. rechten van de mens vond dat arrest juist. Weten we ook wat we van dat hof moeten denken.

En tezelfdertijd is er in Riga, de hoofdstad van Letland, elk jaar een optocht om de plaatselijke SS-ers te gedenken, die als ‘bevrijders’ doorgaan voortaan.

Ik zie die van de Zwarte Partij hun lippen al aflikken en kwijlen als de honden van Pavlov bij zoveel rechtvaardigheid!

Europa zal niet reageren, daar hebben ze nog steeds liever Hitler, Mussolini of Franco dan iemand die al is het maar een heel klein stukje ‘links’ is. Op dit geval hebben ze ook niet gereageerd, en enig protest tegen de jaarlijkse opmars van de SS (en vooral hun jeugdige aanhangers en opvolgers) in Riga heb ik nooit ergens gehoord (behalve bij Die Linke in Duitsland, maar wanneer die binnenkort wellicht mee in een regering kunnen stappen, zal het ook snel voorbij zijn met dat soort standpunten).

Dat is grosso modo de inhoud van het eerste deel van een boek van Robert Charvin: Faut-il détester la Russie? Vers une nouvelle guerre froide. (Investig’Action, Bruxelles, 2016). Geen goed gekozen, wervende titel, vind ik, maar kom, dat is bijkomstig en komt bij deze uitgever wel vaker voor. Maar de titel is anderszins achterhaald, vind ik. Die koude oorlog is er al opnieuw sinds de dronken marionet van het Westen het Kremlin heeft moeten verlaten en Putin orde op zaken heeft gesteld. Het is zelfs al een heuse warme oorlog geworden, met name in Oekraïne, en gelet op de toenemende omsingeling van Rusland en de duidelijke oorlogsvoorbereidingen van de NAVO, zal het niet al te lang meer duren of het wordt een heel hete oorlog. Een zender Gleiwitz is snel gevonden.

Daarvoor moeten eerst de geesten rijp worden gemaakt via propaganda, én daarnaast moeten ook juridische barrières worden afgebroken; het voornoemde hof werkt daar vlijtig aan mee, want een dergelijke uitspraak goedkeuren komt volgens de auteur (en ik denk dat ik hem daarin wel mag volgen) neer op het in vraag stellen en zelfs al afbreken van alle principes die aan de basis lagen van het Nürnbergtribunaal en die door dat tribunaal uitgewerkt werden. Het is niet het enige voorbeeld waarin in goede Orwelliaanse zin Newspeak tot wet verheven wordt, en wit zwart wordt en omgekeerd.

Dat eerste hoofdstuk is overigens maar éen breed uitgewerkt voorbeeld van wat in het tweede deel synthetischer aan bod komt: ‘Le procès de la Résistance’. Dat proces is inderdaad in geheel Europa al een hele tijd bezig, en het geval Kononov is enkel maar een typevoorbeeld ervan. Vooral in het Oosten van Europa wordt afgerekend uiteraard, en wie daarbij aan de rechtse zet komt is van minder belang: van de obscurantistische katholieken in Polen tot effenaffe nazi’s in Oekraïne, het is allemaal bruikbaar, zeker als het tegen Rusland gaat.

Want na het individuele geval en de inbedding daarvan in een brede Europawijde stroming, behandelt de auteur in zijn derde deel de eigenlijke vraag van zijn titel.

Maar dat vraagstuk wordt ruimer en breder en gedetailleerder behandeld in een ander boek, van een andere geleerde (Charvin was hoogleraar internationaal recht): Hannes Hofbauer: Feindbild Russland, Geschichte einer Dämonisierung (Promedia Verlag, Wien, 2016). Hofbauer studeerde economische en sociale geschiedenis. Zijn veel uitgebreidere boek gaat dan ook vooral in op die aspecten. En hij vertrekt al vanaf het begin van de Russische geschiedenis, ergens in de vijftiende eeuw, om te eindigen op de dag van vandaag. Het is dus ook gewoon een geschiedenis van de verhouding van Rusland c.q. de Sovjet-Unie met het Westen.

En dat was geen fraaie geschiedenis.

Het boek, dat ook zeer goed gedocumenteerd is, bevestigt eigenlijk wat ik al heel lang dacht, voor wat betreft de twintigste eeuw op eigen lectuur van vele bronnen (niet enkel pro-sovjetbronnen) en voor voordien alleen maar op vermoedens. Die dan blijkbaar juist blijken te zijn. Op geen enkel ogenblik in de twee afgelopen eeuwen is Rusland, onder welke vorm het ook optrad, een bedreiging geweest voor het Westen, wel integendeel. Rusland heeft altijd geprobeerd zich te beschermen en te verdedigen, maar is daar blijkbaar zelden echt goed in geweest, want ze hebben meer van de hen opgedrongen veldslagen verloren dan gewonnen. Dat begon al met Napoleon en enkele decennia later de Krim-oorlog. Ook in de eerste wereldoorlog waren ze vanaf het begin eigenlijk eerder de verliezende partij (Tannenberg bv. dat tot op de dag van vandaag in bepaalde Duitse kringen verheerlijkt wordt), net zoals in de tweede. Enkel de uitgebreidheid van het territorium, het onuitputtelijke achterland dus, en de koude winters, samen met vele toevalligheden, en de politieke intelligentie van bepaalde leiders hebben ervoor gezorgd dat ze uiteindelijk toch altijd bij de winnaars terecht kwamen.

Enkel de koude oorlog hebben ze dus in eerste instantie verloren.

Die geschiedenis wordt tamelijk kort weergegeven, in enkele hoofdstukken slechts; het overgrote deel van het boek gaat over de periode na 1990, dus na het uiteen vallen van de Sovjet-Unie. Hoe naïef politici kunnen zijn, weet ik niet, maar in elk geval is het zo dat Gorbatsjov van een ongelooflijke naïviteit geweest moet zijn: hij geloofde de bewering van zijn overwinnaars dat ze de Navo nooit zouden uitbreiden tot aan de Russische grenzen. Tenzij er toch iets anders aan de hand geweest zou zijn natuurlijk, en hij de Sovjet-Unie welbewust heeft uitgeleverd aan de Navo. Wat dat betreft was de dronkenman duidelijker: die gaf ook toe een marionet van het Westen te zijn.

Heel veel hoofdstukken handelen over problemen die in verband daarmee staan, en die overigens nog steeds actueel zijn: in het algemeen over de zgn. gekleurde ‘revoluties’, die – je kunt het niet vaak genoeg herhalen, helemaal geen revoluties waren, maar door het westen aangestoken (met geld en als het moet ook met wapens) opstanden met maar één enkel doel: de betrokken staten losmaken van Rusland. Vooral in het geval van Oekraïne ligt dat voor de hand door het economische belang van dat land, vooral op landbouwgebied (vanouds de graanschuur van Europa), en het is dus normaal dat daar een heel hoofdstuk aan gewijd wordt , dat overigens teruggaat tot de burgeroorlog van vlak na de eerste wereldoorlog en de latere collaboratie met de Duitsers.

Nee, de oorlog is nog lang niet voorbij. Daar niet, dat is zonder meer duidelijk. Maar hier evenmin.

In elk hoofdstuk, dus niet enkel als het over de Oekraïne gaat, legt de auteur sterk de nadruk op de economische en strategische belangen die spelen. En de geostrategische, die met het begrip Eurazië te maken hebben, en de overheersing van wat sinds 1904 als het ‘heartland’ daarvan gezien wordt: Rusland. Wie Rusland beheerst, beheerst de wereld. Vandaar het belang dat Napoleon en Hitler (maar veel meer nog de krachten achter hen) daaraan hechtten en hechten. Ik dacht dat die theorie afkomstig was van de fascistoïde Poolse raadgever van meerdere Amerikaanse presidenten, Brzeziński, maar de theorie is dus al veel ouder.

Dat is eigenlijk de kern van dit boek: graven naar wat er werkelijk achter de feiten zit, of die nu al dan niet propagandistisch verkleurd en verwrongen zijn. En dat is niet meer of niet minder dan de wereldheerschappij, net zoals bij Napoleon en Hitler. In die zin klopt het trouwens volkomen dat de USA politiek gezien de opvolgers van de nazi’s zijn. Weinigen zagen dat vlak na en zelfs nog tijdens de oorlog. Een van hen (die in Hofbauers boek overigens niet voorkomt) was Bertolt Brecht in éen van zijn Kriegsfibel (een boek dat iedereen zou moeten lezen):

Juni 1944 – De Amerikanen landen in Noord-Frankrijk

In jener Juni-Früh nah bei Cherbourg
Stieg aus dem Meer der Mann aus Maine und trat
Laut Meldung gen den Mann an von der Ruhr
Doch war es gen den Mann von Stalingrad.

Hofbauer stelt aan de hand van uitgebreide documentatie, die zowel boeken, kranten als internetbronnen omvat, de zaken in een licht dat alleszins zeer sterk afwijkt van wat we in onze ‘pers’ lezen. Hij gaat op dat Ruslandbeeld van onze westerse propaganda eigenlijk niet echt diep in; enkel de flagrantse voorbeelden worden aangehaald, en dan worden ze weerlegd door feiten vanuit controleerbare bronnen, niet door tegenpropaganda, door tegenleugens. Natuurlijk is het nog ingewikkelder en nog genuanceerder dan in het boek geschetst wordt of dan ik hier in kort bestek kan nabauwen. Putin en zijn omgeving worden bv. niet gespaard; ook zij behoren grotendeels tot een graaicultuur die de hele wereld in zijn greep heeft. En dat wordt met zoveel woorden gezegd. Je kunt dus niet zeggen dat de auteur zich pro het Russische regime opstelt. Dat maakt hem uiteraard alleen maar geloofwaardiger.

Maar aan dat andere feit zal dat niets afdoen: de propaganda tegen Rusland druipt van de televisieschermen en van de krantenbladzijden alhier, en die propaganda is nu reeds een oorlogspropaganda. Die oorlog met Rusland zal er komen, de vraag is enkel hoe en wanneer. En de Russen zullen wel slim genoeg zijn om Trump niet te betrouwen: als de vos de passie preekt, boer let op je ganzen.

Sovjet-Russische Partizanen

Doch als wir vor das rote Moskau kamen
Stand vor uns Volk von Acker und Betrieb
Und es besiegte uns in aller Völker Namen
Auch jenes Volks, das sich das deutsche schrieb.

13/02/2017
door Peter
Geen reacties

10.02.17 – Oek de Jong

Oek de Jong is op de eerste plaats de auteur van vier schitterende romans, die evenzeer negentiende-eeuws klassiek als hedendaags zijn. Ze doen me denken aan de romans van Flaubert, vandaar die verwijzing naar de negentiende eeuw. De auteur is er grotendeels in afwezig, d.w.z. dat hij niet direct optreedt, en de problematiek heeft meer te maken met persoonlijke zaken van de protagonisten dan met gangbare natuurwetenschappelijke theorieën (zoals bij Zola) of met de evocatie van maatschappelijke problemen (Balzac). En ze zijn schitterend geschreven en vormgegeven, eveneens net zoals bij Flaubert. Maar ik verkies ze boven die van Flaubert, omdat ze toch nog inleving mogelijk maken, en toen ik Flaubert las had ik de indruk dat dit aspect grotendeels afwezig was, dat hij zijn figuren veel meer nog van buiten uit bekeek, zoals een entomoloog zijn insecten.

Vier romans is uiteraard weinig voor een auteur die al publiceert sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Maar dat heeft te maken met de ambachtelijke ingesteldheid van de auteur (die ook de ingesteldheid van Flaubert was), die zijn boeken schrijft en herschrijft en herschrijft…tot ze een definitieve vorm gevonden hebben, die echter ook niet perfect is, het Werk is immers nooit af.

Daarover schrijft de Jong o.a. in het eerste opstel, ‘De weg van de schrijver’, uit zijn nieuwste bundeling: Het visioen aan de binnenbaai (Uitgeverij Augustus/Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2016). Hij noemt het een bundeling van ‘autobiografische verhalen en essays’, maar dat klopt niet: verhalen bevatten fictie, en voor zover ik kan beoordelen komt in geen enkel van de hier verzamelde teksten fictie aan bod. Essays en beschouwingen zijn het, maar niet van academische aard, niet overladen dus met voetnoten e.d.m., en zeker niet geschreven met de afstandelijke focus van de academicus.

Integendeel, eerder betrokken en altijd persoonlijk; het zijn creatieve essays, die naadloos aansluiten bij de rest van de Jongs oeuvre, zowel bij zijn romans, als bij zijn echte verhalen en andere essays. Want behalve die vier romans, die de kern van zijn werk uitmaken, heeft de Jong nog veel meer gepubliceerd en geschreven. En ook dat is telkens van een hoge kwaliteit geweest, net zoals dit nieuwe boek trouwens, waarin de auteur het niet enkel over het ontstaan van zijn eerste roman heeft (in het reeds vermelde eerste opstel), maar ook over het werk en het leven van collegae schrijvers, die hij al dan niet persoonlijk van nabij gekend heeft.

Dat laatste is het geval met Frans Kellendonk, waaraan het laatste opstel van de bundel, ‘Twee eenlingen, over mijn vriendschap met Frans Kellendonk’ gewijd is. Het is een stuk dat me typisch lijkt voor de Jong: doorheen de anekdotiek van een vriendschap graaft hij dieper, legt hij verbanden met het werk van Kellendonk, en hoe zijn ziekte (aids, waaraan hij ook stierf) in zijn werk terecht is gekomen, hoe dat werk geworteld is in het rooms katholicisme uit Kellendonks jeugd – zaken dus die al bekend waren, maar hier op een persoonlijke, soms intimistische wijze opnieuw te berde worden gebracht. Ik heb het werk van Kellendonk enkele decennia geleden wel gelezen, maar de lectuur van dit stuk heeft mij ertoe gebracht dat nog eens tevoorschijn te halen en er een beetje in te lezen. En wellicht ook de veel later uitgegeven brieven van Kellendonk eens te gaan lezen (egodocumenten lees ik nog steeds het liefst).

Een ander lang stuk is gewijd aan Maria Dermoût – waarvan ik nooit een letter gelezen heb. Haar oeuvre is niet zo groot, één boekdeel. Ook hier is de Jong erin geslaagd mij ertoe te bewegen dat oeuvre toch eens te gaan lezen. Of het er ook effectief van gaat komen, weet ik niet; er is zoveel dat ik nog lezen moet (en herlezen). Maar dat de Jong erin slaagt de lust en nieuwsgierigheid te wekken, bewijst mijns inziens dat hij inderdaad gedreven en overtuigend schrijft.

Toch is dat niet altijd het geval. Zo schrijft hij ook een lang opstel over een andere vriend, Arie Visser, ook al lang overleden ondertussen. Die schreef blijkbaar vooral poëzie, maar ik heb er nooit iets van gelezen (tenzij wellicht in bloemlezingen, en dan is hij me niet opgevallen); de Jong citeert veel uit zijn gedichten, maar hier overtuigt hij me niet. Was de vriendschap sterker dan het kritisch vermogen?

De andere stukken zijn meestal veel korter dan deze drie grotere stukken; de onderwerpen ervan zijn literair, soms over één enkel gedicht, bv. over ‘Zeezicht’ van Jellema, ook over stijl, bv. een stuk over seks in proza. Ik ben eveneens van oordeel dat je een goeie schrijver kunt herkennen aan expliciete sekspassages; de meesten vallen daarbij door de mand, volgens mij ook Reve. Maar de Jong gaat het eerder over de ontwikkelingen terzake, van helemaal omfloerst naar totaal expliciet. Dat laatste vereist een stilistisch kunnen dat je echt maar heel zelden tegenkomt.

Er zijn ook nog stukken over fotografie, schilderkunst, mystiek en nog wel wat. Vervelen doe je je zeker niet met dit boek; naast de schrijfkunst van de auteur staat ook de afwisseling in de onderwerpen daar garant voor. Zoals dat al eerder het geval was in vroegere gelijkaardige publicaties van de Jong, vooral misschien Brief aan een jonge Atlas van alweer vijf jaren geleden.

04/02/2017
door Peter
Geen reacties

27.01.17 – Van Speijk

Van Speijk?

Weinigen zullen nog weten wie die man geweest is en wat hij betekend heeft. In België al zeker niet, want hij behoorde tot de ‘vijand’; maar ook in Nederland waarschijnlijk enkel nog hier en daar een hoogleraar in de geschiedenis met focus op de negentiende eeuw. Bij de Nederlandse marine is er nog altijd een schip dat de naam Van Speijk draagt – wettelijk voorgeschreven sinds de eerste helft van de negentiende eeuw – maar zelfs de matrozen daarop zullen het waarschijnlijk amper weten.

Toch werd hij in zijn tijd op dezelfde hoogte gesteld als Tromp (nee, niet Trump) en de Ruyter. Een eeuw lang werd hij bewierookt, bijna aanbeden soms, aan generaties schoolkinderen ten voorbeeld gesteld om na te volgen. Enkel na de jaren dertig verdween hij uit het gezicht – toen waren er andere, veel ergere katten dan ‘het muitziek rot der Belgen’ te geselen.

Waar en wanneer ikzelf de naam ben tegengekomen zou ik niet meer weten. Waarschijnlijk wel via de poëzie. Ik heb nl. al lang de gewoonte ook 19de-eeuwse (en nog vroegere trouwens) dichters te lezen, en waarschijnlijk kom je dan vroeg of laat onvermijdelijk onze van Speijk tegen.

Ronald Prud’homme van Reine is gespecialiseerd in de geschiedenis van de 17de eeuw, en met name de maritieme geschiedenis. Op zijn naam staan biografieën van Tromp, Piet Hein, en een boek over de moord op de gebroeders de Witt (de moord op Fortuin was niet de eerste politieke moord in de Nederlandse geschiedenis). En sinds verleden jaar ligt voor van hem: Liever niet de lucht in; de omstreden zelfmoordaanslag van Jan Carel van Speijk (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 2016). Vooral de ondertitel duidt al aan waarom van Speijk niet meer dat voorbeeld kan zijn dat hij zo lang was: nu zijn het immers onze vijanden die dat wapen gebruiken. Dus is het maar best te vergeten dat wij dergelijke daden ook eens de hemel in geprezen hebben.

Na een inleiding over methode en voorgangers behandelt Reine in een eerste hoofdstuk het leven van van Speijk, het korte leven, zelfs voor die tijd: van 1802 tot 1831. Hij kwam uit armoedige omstandigheden, zo zeer zelfs dat hij naar een Amsterdams weeshuis werd gebracht. Daar kreeg hij wel de kans om een beetje te studeren voor de marine, waar hij – zoals de meeste van zijn generatiegenoten – op zeer jonge leeftijd begon, om zich op te werken tot baas van een kanonneerboot. Van Reine heeft dat leven minutieus weten te schetsen, aan de hand van alle authentieke bronnen, en dat zijn er ongebruikelijk veel; zo zijn bv. bijna alle brieven bewaard die van Speijk aan de weinige overgebleven familieleden schreef, zowel vanuit de Oost, waar hij eerst verbleef, als uit België waar zijn leven ‘roemvol’ eindigde op 5 februari 1831. Uit die brieven komt blijkbaar een man naar voren die vaak aan zware depressies leed. En in de Oost handelde hij soms op het roekeloze af, hetgeen ook in verband kan staan met depressiviteit.

Het derde hoofdstuk gaat iets dieper in op de opdracht die van Speijk – en met hem anderen, op andere schepen – kreeg om naar Antwerpen te trekken naar aanleiding van de Belgische opstand van 1830. En het vierde hoofdstuk behandelt dan het feit waarmee van Speijk beroemd geworden is in de annalen van de Nederlandse geschiedenis: het feit dat hij voor de kade van Antwerpen zijn schip doelbewust liet ontploffen, met allen die er nog op waren, en, zoals blijkt, zonder aan die mensen enige toestemming te vragen. Het was dus eigenlijk een zelfmoordaanslag zoals vandaag, met zoveel mogelijk slachtoffers, en een maximum aan materiële en menselijke schade.

Het tweede hoofdstuk gaat niet over van Speijk zelf, maar over de rechtstreekse baas van van Speijk, een zekere Jan Coenraad Koopman. Dat is uiteraard geen toeval, want deze Koopman was de eerste verantwoordelijke voor het ontstaan van de mythe over van Speijk. Niet enkel had deze Koopman zelf iets te verbergen (zijn vader was eveneens bij de marine geweest, maar had zich als een lafaard gedragen; de zoon deed er alles aan om dat feit in de doofpot te houden, en zichzelf beter te maken dan zijn vader en dan hijzelf in feite was; laf was hij weliswaar niet, maar psychologische compensatiewensen beheersten hem wel grondig, zo blijkt), maar daarenboven had hij zeer snel door dat mogelijke roem van van Speijk en zijn tot ‘heldendaad’ opgeschroefde aanslag ook op hem zou afstralen en alleen maar gunstig voor hem zou kunnen uitdraaien.

En zo is het dan ook gegaan.

Ontploffing van het schip bij Antwerpen, 5 februari 1831

Heel het boek van van Reine kun je als een deconstructie van de mythe van Speijk beschouwen en ook als meer en belangrijker dan dat: als een ontmaskering tout court, op de eerste plaats natuurlijk van dit éne geval van ‘heldenmoed’, maar daardoor ook van alle andere dergelijke gevallen. Daar is al op de eerste plaats de depressieve aard van van Speijk; iets dergelijks kom je op de een of andere manier (meestal onder de vorm van een vaak extreem laag zelfbeeld) ook bij hedendaagse zelfmoordaanslagplegers tegen. In de officiële rapporten uit die tijd kwam dat aspect uiteraard niet aan bod. Maar dat kon ook moeilijk anders: Freud moest nog geboren worden.

Misschien nog belangrijker dan dat zijn de gewone leugens: de Nederlandse vlag op het schip zou bedreigd geweest zijn door een grote groep ‘oproerlingen’, en om die vlag te beschermen en te redden zou van Speijk zichzelf, zijn schip en zijn maats de lucht in hebben geblazen. Aan de hand van minutieus bij elkaar gezochte documenten uit die tijd, weet van Reine aan te tonen dat daar reuzegrote vraagtekens bij geplaatst kunnen worden, en dat er niet veel meer dan een vijftal Belgen op het schip aanwezig waren, die daarenboven nog vredelievende bedoelingen hadden. In veel van de naar aanleiding van die gebeurtenissen geschreven ‘poëzie’ komen trouwens verwijzingen naar die vlag voor.

Behalve de suïcidale aard en neigingen van van Speijk zelf, was er dus geen enkele reden om dat schip te laten ontploffen. Zoals eveneens het geval was met het germanwingstoestel dat in 2015 door een depressieve piloot gecrasht werd.

Gedenkplaat van Van Speijk bij de vuurtoren van Egmond aan Zee

In een volgend hoofdstuk gaat van Reine nog in op het verdere leven van de initiator van de mythe, Koopman, maar vooral op de manier waarop in België en Nederland gereageerd werd op de zelfmoordaanslag van van Speijk. In België eerder onderkoeld, maar in Nederland werden alle boeien losgeslagen en raakte iedereen op drift, tot het koninklijk huis toe. De resten van van Speijk – een tors waarvan enkele tekeningen opgenomen zijn in het boek – werden naar Nederland overgebracht en officieel bijgezet in de Nieuwe Kerk in Amsterdam; daar kan de grafsteen tot op vandaag bekeken worden. Er werden ook her en daar gedenktekens neergezet, maar de dood van van Speijk gaf vooral aanleiding tot een bijna niet opdrogende stroom van literaire ‘uitboezemingen’, het ene nog pathetischer dan het andere. Het volstaat om er slechts enkele te lezen, en daarna het deelhoofdstuk dat van Reine eraan wijdt, om zich af te vragen van waar dat vooroordeel toch komt dat Nederlanders nuchtere en bezadigde mensen zouden zijn! Hier blijkt in elk geval het bijna absolute tegendeel. In het Letterkundig Woordenboek van Ter Laan komt overigens een begrip voor, “citadelpoëzie”, waarvan later of voorheen waarschijnlijk niemand meer gehoord heeft. Die naam komt van de ‘citadel’ van Antwerpen, die toen, in 1831 nog bezet werd door Nederlandse troepen o.l.v. generaal Chassé, die overigens niet veel later vandaar verjaagd werd. Ook van Speijk zelf komt in dat woordenboek nog voor (het dateert, dacht ik, van vlak na de tweede wereldoorlog).

Het achtste en laatste hoofdstuk gaat in op het voortleven van van Speijk. Van Reine stelt dan wel dat dit snel verminderde, maar enerzijds kan dat niet anders na de bijna ziekelijk te noemen euforie in het jaar na van Speijks aanslag, en anderzijds is het toch zo dat er tot in de dertiger jaren van de twintigste eeuw herdenkingen bleven plaatsvinden, en dat tot voor kort het in Nederlandse maritieme kringen eigenlijk ‘not done’ was om vraagtekens te zetten bij het beeld van van Speijk. Ik volg de nogal gespecialiseerde literatuur over dat alles uiteraard niet, maar ik krijg wel de indruk dat dit boek het eerste is dat echt en grondig komaf maakt met de mythe van Speijk. En, zoals gezegd, er is in die marine een schip dat van Speijk heet, en dat zal zo wel blijven zolang die marine bestaat.

Het boek eindigt uiteraard met voetnoten en vooral een uitgebreide bibliografie, waaruit blijkt dat van Reine zijn werk zeer grondig gedaan heeft – zoals je van een historicus overigens mag verwachten. Daarenboven schrijft hij ook nog vlot, zodat zijn boek het tegendeel is van droge gort, die je bij specialisten op allerlei gebied te vaak aantreft.

Ik eindig dit stukje met twee gedichten over van Speijk. Het ene is van een volbloedromanticus (meer nog zo dan Bilderdijk, denk ik), nl. Adriaan van der Hoop Jr.  Het andere is van Adam Simons, in die tijd eveneens een bekende dichtersfiguur. Ze verschillen in weinig of niets van het overgrote deel van de andere gedichten die aan de ‘held’ gewijd werden, op twee na wellicht: er is enerzijds een langer gedicht van Jacob van Lennep, waarin de muzen en andere goden op de Olympos optreden en de ‘zaak’ bediscussiëren. En anderzijds publiceerde dezelfde van der Hoop ettelijke jaren later nog een lang episch-lyrisch gedicht over het geval, een heus boekwerk dat Winterfantazy heet, en waarvan ik het bestaan niet kende. Misschien dat ik het daar later nog eens over zal hebben. Eén zaak vind ik wel spijtig: dat er blijkbaar nooit een bloemlezing verscheen met van Speijk-gedichten; of, meer uitgebreid, over de Belgische opstand; in die laatste bloemlezing zou trouwens ook het merendeel van de gedichten uit het Noorden passen, want Belgische gedichten daarover zijn mij in het Nederlands niet bekend.

Maar nu dus twee van de kortere gedichten. Eerst dat van Adam Simons, uit zijn boek Over ’t kasteel van Antwerpen (te Utrecht, bij J. Altheer, MDCCCXXXI):

Bij de uitvaart
van
J.C.J VAN SPEIJK,
Scheepsbevelhebber,
voor
Antwerpen.
den 5den Febr. 1831.

Nog brult de leeuw, schoon overmand,
Nog scheurt zijn ijz’ren klaauw en tand,
Wat stout hem durft genaken!
Nog houdt hij onvermoeid de wacht,
En toont, wie met hem spot, zijn kracht,
Dat dien de ribben kraken!

Geketend en rondom benard,
Rigt hij zich op, te lang gesard!
Hij springt, – zijn kluisters breken;
Zijn wrevel schoont geen’ euvelmoed,
En ’t oog, waarin de gramschap woedt,
Dreigt, schrikklijk zich te wreken.

Laat af, laat af! – – neen, ’t is te laat!
Geen jammerklagt, of rouwkreet baat,
Zie ’t bloed zijn manen verwen;
De bliksem uit zijne oogen schiet,
De donder zijner stem gebiedt,
Dat ze allen met hem sterven!

Daar scheurt en sleurt hij ongetemd,
Wat, onder klaauw en tand geklemd,
Den doodsnik geeft en spartelt;
De schedel, die in splinters spat,
En arm en been, zoo rood beklad,
Getuigen, hoe hij martelt!

Al stort hij ook bij de and’ren neêr,
Die wraak verheft zijn moed en eer;
Heel ’t woud wil daarvan wagen!
Zijn romp vervaart nog, waar hij ligt,
Een vreeslijk beeld van ’t strengst gerigt,
Wat ooit onze oogen zagen!

Zoo staat gij voor ons, ed’le Speijk!
Wie is, in Neêrland, u gelijk!
Geen grootkruis mag u loonen,
Geen eermetaal, geen klatergoud;
Gij hadt uw lot aan Hem vertrouwd,
Die u alleen kan kroonen.

Gansch Nederland, in trouw vermaard,
Bewondert uwe hemelvaart,
Daar gij ’t aan God gaat klagen:
Wat onregt doet en hoog verraad,
Der Vorsten vreeze en eigenbaat,
Die voor ’t gerigt hen dagen!

Ach! waarom niet voorheen geslecht
De gruwelstad, in de asch gelegd,
Eer ze u, ô held der helden!
het leven kostte en veler bloed?
Wij wreken u, zoo ’t zwaard weêr woedt,
Al zou ’t ons allen gelden!

Zoo ooit, aan dat verwenschte strand,
Weêr Hollands vlag wordt aangerand,
Dan stuwe uw schim de baren!
Het hoog getij verzwelg’ den grond,
En doe dan, in dien jongsten stond,
De stad ten afgrond varen!

‘Martelen’ had in die tijd een afwijkende, bredere betekenis dan vandaag; en de stad in de laatste twee strofen is uiteraard Antwerpen.  En nu dat van Adriaan van der Hoop Jr. Het verscheen als een afzonderlijke plaquette:

 

Klinkt overdierbre cijthersnaren;
Ruischt lieflijk in dit Tempelchoor!
Vlam outergloed met heldren gloor!
Omkrans u ’t hoofd met gouden blaren,
ô Neêrlands Maagd! wat roem, wat eer,
Straalt uit een nacht van ramp u tegen!
Hoe praalt de aloude grootheid wêer,
Met dierbaar Hollandsch bloed verkregen;
Wat pronkt er in uw gloriekroon
Op nieuws een parel rein en schoon!

Door oudheids neevlenwaas omtogen;
Door ’t Bardenlied met glans bedeeld,
Blonk lang der vaadren gloriebeeld,
Gelijk een fabelvond in de oogen.
Wel liet bij ’t staren op hun deugd
Het oog een stroom van tranen vloeien;
Wel deed een nooitgekende vreugd
Het Hollandsch hart op ’t zaligst gloeien,
Bij ’t lezen van hun heldendâan;
Maar, ach! die grootheid was vergaan!

Heil u, Van Speyk! uw moedig sneven,
Uw fier vergoten heldenbloed,
Getuigt van Hollands leeuwenmoed,
En heeft onns de adel weergegeven.
Neen, ’t is geen fabel, voorgeslacht!
’t Is onverganklijke, eeuwge waarheid,
’t Verhaal van Nêerlands moed en kracht;
Dat toont uw zoon met middagklaarheid;
Dat toont Van Speyk, zoo rein als groot,
Door ’t sterven van den martlaarsdood!

Geef Nêerlands jonglingschap! uw boezem
In heilge lofgezangen lucht;
Zie, hoe een schoone hemelvrucht,
Ontbloeit uit d’afgestormde bloesem!
Die vrucht heet trouw aan plicht en eed:
Treed met die vrucht Gods zetel nader,
En zweer: wij zijn ter dood gereed,
Voor Holland en voor Hollands Vader:
Bepaal o God! ons stervensuur;
En vaardig vind ons ’t solfervuur.

Waait vrolijk heilge Oranje vanen!
Waai vrolijk Hollands schoone vlag!
Uw grootheid praalt in vollen dag,
En schittert aan de hemelbanen,
Als op het spieglend veld van ’t meir.
Europa! stem nu cijthertoonen;
Buig voor de gloriekrans u neer,
Die ’t hoofd van onzen held zal kroonen;
Breng lof en schatting aan Van Speyk!
Waar vindt ge een held dien held gelijk?

Juich, Amsterdam, gij kroon der steden,
Der helden wieg en bakermat!
Bij d’onwaardeerbren glorieschat,
Geschonken door het grijs Verleden,
Doet wêer een schittrend keurgesteent
Uw roem met nieuwen luister gloren,
Die volgende eeuwen luister leent;
Juich, in uw muur werd hij geboren,
Die Hollands vlag zijn roem hergeeft,
En door zijn sterven eeuwig leeft!

Vliedt, Belgen! Hollands oorlogs standert;
Ducht Hollands onverwinbren leeuw!
Te midden van uw roofgeschreeuw,
Heeft niets zijn fieren aart veranderd:
Vergrijpt u niet aan ’t edel dier,
Dat d’ouden erfgrond blijft bewaken:
Verschriklijk zou het gramschapsvier,
Zijn breedgeschonkte borst doen blaken,
En woeden op de helsche kracht,
Die naar zijn val en schande tracht.

Gelijk de boor aan Scheldes stranden,
Toen Hollands wimpel werd gesmet,
Het Belgisch moordschuim heeft verplet;
Bij ’t dondrend buskruitvuur ontbranden;
Zoo sleurt hij in het uur der nood,
Wen hulp en redding zijn verloren,
Zijn eerbelagers in den dood,
Als offers, die zijn wraak behooren;
En brult, wijl ’t bloed zijn wonde ontvliedt:
De tuinleeuw sneeft; maar buigt zich niet!

Klink loflied, klink met hooger toonen,
En zet alom de ziel in gloed,
Door ’t zingen van den heldenmoed,
Van ’t pronkjuweel van Nêerlands zonen!
Juich land, dat zulke helden teelt!
Al lacht geen Zuiderzon u tegen,
De hemel heeft u rijk bedeeld
Met meer dan aardsche gunst en zegen;
Met glorie die haar glans verspreidt,
Tot aan den grens der Eeuwigheid!

Der Eeuwigheid? – Ja, wen de jaren
Bij ’t nadrend eind van ruimte en tijd,
En ’t woelen van den slopensstrijd,
Als ijdle schimmen henenvaren,
Met al hun schoonheid, al hun glans;
Dan blinkt nog aan de azuren boogen,
Vóór ’t jongste zonlicht rijst ten trans,
Met diamanten schrift in de oogen:
Wat ook de tijd vernietigd heeft,
De heldenroem van Holland leeft!

‘Sic!’, is het enige dat je daarover kan zeggen.

23/01/2017
door Peter
Geen reacties

23.01.2017 – Kaaiman Koen Meulenaere

Er komen hier wel nog kranten in huis maar die lezen doe ik zelden of nooit. Enkel Diana doet dat; zo besteedt zij quasi de hele zaterdag aan het lezen van kranten (die dag zijn ze natuurlijk dikker), en daarbij hoort soms ook De Tijd, het blad van de Vlaamse kapitalisten.

Zodoende kreeg zij ook het door die krant uitgegeven boekje van Koen Meulenaere, Het jaar van de Kaaiman 2016 in handen, waarin een aantal cursiefjes van Meulenaere uit dat afgelopen jaar verzameld werden.

Dat boekje heb ik wel gelezen.

Die columns verschillen zeer van die van Boon, Carmiggelt, Alain, waar ik het gisteren even over had. En dat verschil ligt volledig in de onderwerpen én in de stijl.

Meulenaere’s stukjes gaan quasi alleen over politiek en politieke, of beter gezegd: publieke figuren, al dan niet met naam en toenaam genoemd, maar vaker niet, zo is mijn indruk; hij lijkt me liever toch wel erg doorzichtige omschrijvingen, parafrases enzovoort te gebruiken, en steeds op een satirische manier: of wat te denken van ‘de kreeft van Oostende’ voor de inderdaad nogal rood aangelopen Tommelein.

Dat heeft zijn voordelen en zijn nadelen. Het grootste nadeel is het gebonden zijn aan de aktualiteit. Elk boontje werd gevolgd door verklarende notities, maar dat zijn er niet veel, en zelfs die weinige lijken me vaak eerder overbodig. Op de eerste plaats natuurlijk omdat ikzelf het jaar 1970 geleefd heb, en omdat ik een tamelijk goed geheugen heb, en me altijd voor alles en nog wat heb geïnteresseerd. De cursiefjes van Meulenaere behoeven nu uiteraard nog geen aantekeningen. Alhoewel, zou iedereen zich nog herinneren wat er in januari van vorig jaar gebeurd is? Ik zou het betwijfelen. De protagonisten zelf natuurlijk zijn er nog altijd: Peeters en Beek(e), en vader en zoon Tobback (steevast Pa Back en Baby Back genoemd – naar Papa Doc en Baby Dock, zo veronderstel ik), en Betteke (dat is Homans). En diegene natuurlijk die systematisch ‘de leider’ genoemd wordt.

Dat is uiteraard ironie.

Ironie is de ene stijlfiguur die Meulenaere voortdurend in bijna al zijn stukjes hanteert, en eerlijk gezegd doet hij dat helemaal niet slecht. Slechts heel af en toe wordt hij iets scherper en neigt hij naar sarcasme. Dan doet hij denken aan Brasillach in Je suis partout. Alleen was die laatste altijd sarcastisch en dus altijd veel scherper.

Ironie dus, en wel van de oppervlakkigste (gewoon het tegendeel zeggen van wat je bedoelt) tot de subtielste vorm van ironie; tot die laatste vorm behoort mijns inziens het spreken over ‘de leider’. Die vorm van ironie komt erop neer dat je een bewering doet waar je tezelfdertijd voor honderd procent achter staat, én voor honderd procent niét achter staat.

Hoe kan dat nou?, zal men wellicht vragen. Dat is toch onmogelijk, je kunt toch niet iets tezelfdertijd menen en niet menen.

Toch wel, dat kan zelfs heel goed. maar dat is dan een proces dat zich voor minstens een zeer groot deel op onderbewust niveau afspeelt, en het duidt een innerlijke verscheurdheid aan waar, in dit geval de schrijver nog geen oplossing voor ziet. Degene die denkt dat ik leuter raad ik aan eens het volgende erg instructieve boekje te lezen van Frank Stringfellow Jr.: The meaning of irony, a psychoanalytic investigation (State University of New York Press, Albany, 1994 – of het nog te krijgen is, weet ik niet). “At the unconscious level, the ironist is trying to have it both ways.” (p. 19), zo stelt Stringfellow het onder andere. Dat betekent overigens helemaal niet dat Meulenaere noodzakelijkerwijze psychische problemen zou hebben – ik hoop voor hem alleszins van niet -, het betekent enkel dat hijzelf niet goed weet waarschijnlijk welke standpunten hij in politicis moet innemen. En dat pleit eigenlijk wel voor de auteur.

Maar dat betekent evenmin dat er geen politieke richting, of denkwijze te bespeuren valt in deze columns. En die lijkt me duidelijk rechts en liberaal te zijn. Voor Meulenaere is Bart de Wever, die soms ook met zijn naam genoemd wordt, inderdaad de Leider. Laten we niet vergeten dat toen hij na zijn verkiezingsoverwinning op het balkon van het Antwerpse stadhuis ging verschijnen, in de coulissen iemand inderdaad ‘de leider’ aankondigde. Iedereen is dat blijkbaar vergeten. Maar dat mag natuurlijk niet; de reminiscentie aan de historische Leider van het VNV, Staf de Clercq, is immers veel te groot. Wanneer je dus Bart de Wever wel degelijk als Leider beschouwt, maar tezelfdertijd beseft dat verwijzingen naar het VNV uit den boze zijn, dàn, op dat eigenste ogenblik treedt die subtiele vorm van ironie op.

Ironie is overigens nooit ofte nimmer onschuldig. Het is geen toeval dat de giftigste pijlen naar de sossen afgeschoten worden, ik gaf hiervoor reeds een voorbeeld over vader en zoon Tobback; maar het hele boekje staat er vol van, en vaak valt de ironie trouwens gewoon weg in die stukjes, en wordt de auteur ernstig. Zo is er bv. een stukje waarvan bijna elke paragraaf begint met ‘de cumulerende burgemeester van…’. Alsof liberalen en zwarten niet zouden cumuleren. Behalve Homans, die wordt aangepakt wegens haar geval van openbare dronkenschap, valt het trouwens op dat enkel sossen en in mindere mate christen-democraten (Peeters met name) ervan langs krijgen, liberalen en zwarten zijn grotendeels immuun voor de al dan niet ironische aanvallen van Meulenaere. Zijn boekje wordt natuurlijk niet voor niets uitgegeven met steun van Katoen Natie (lees: Fernand Huts).

Trouwens, Homans wordt vergeleken met Demir (Stalina in het Russisch), en die laatste komt er veel beter uit dan de eerste – die inderdaad niet de snuggerste van de klas lijkt. En Demir is veel hardvochtiger, harder, genadelozer etc. waarschijnlijk dan vele andere zwarten. Die keuze is dus zonder enige ironie wel duidelijk. Er schuilt wellicht een extreem conservatief katholiek ventje in Meulenaere, wie weet.

Nee, ondanks het feit dat zijn columns vlot leesbaar zijn, onschuldig zijn ze alles behalve.

22/01/2017
door Peter
Geen reacties

22.01.17 – Boontjes

In 1988 verscheen het eerste deel (1959-1960) van wat gemelijk ‘de boontjes’ genoemd wordt, dat zijn de dagelijkse stukjes, vandaag columns genoemd, die door Louis-Paul Boon in het Gentse dagblad Vooruit – waar hij vaste medewerker was – gepubliceerd werden.

Zelf heb ik dat dagblad nooit gekocht, ben er evenmin op geabonneerd geweest, maar ik heb het wel enkele jaren lang gelezen, omdat de Studiekring Vrij Onderzoek er een abonnement op had. Ik spreek nu over enkele jaren in de eerste helft van de jaren zeventig; de stukjes van Boon stonden er dus nog in, maar ik herinner me daar helemaal niets van; ook al was ik erg geïnteresseerd in Boon, want ik schreef in diezelfde jaren mijn licentiaatsverhandeling over zijn werk.

Louis Paul Boon in 1967

Zeven of acht delen ervan zijn na 1988 bij uitgeverij Houtekiet in Antwerpen verschenen, toen was het gedaan en voorbij. De Vlaamse cultuurbarbarenregering had er, via het Vlaams Fonds voor de Letteren, geen geld meer voor over. Met de huidige minister van oncultuur is het natuurlijk niet anders, die is waarschijnlijk enkel in bier geïnteresseerd (maar waarbij je je waarschijnlijk wel moet afvragen waarom Gatz zijn baan als bierpromotor liet staan? kon hij het niet aan? niet goed genoeg? om minister te worden, en zeker minister van cultuur ben je natuurlijk altijd goed genoeg, zeker vandaag de dag met een zwart-blauwe regering: je hoeft enkel maar subsidies te schrappen).

Maar vele jaren daarna is de reeks dan toch verdergezet, zonder steun van de Vlaamse onregering, maar wel met die van de Stad Aalst en de provincie Oost-Vlaanderen. Chapeau voor hen, en hopelijk zullen ze ook de zeven delen die nog komen moeten blijven steunen.

Sommigen (het letterenfonds bv.) zullen opwerpen: is dat dan zo’n grote literatuur, die stukjes van Boon!? Natuurlijk niet, maar daar gaat het ook niet om. Boon behoort tot de grootste schrijvers van de tweede helft van de vorige eeuw, en minstens één van zijn boeken (De Kapellekensbaan/Zomer te Ter-Muren) is effenaf wereldklasse en moet geplaatst worden naast de grote werken van Joyce, Musil, Broch et tutti quanti. Daarom alleen al verdient Boon geen verzameld werk, maar eigenlijk een volledig werk. En de ‘boontjes’ horen daarbij, niet enkel wegens de onnavolgbare eigen stijl van Boon, maar ook omdat je het werk aan bepaalde andere boeken van hem erin kunt volgen, een beetje toch.

Verder zijn de onderwerpen eerder banaal, in het zonet verschenen deel Boontjes 1970 (Uitgeverij Roelants v/h De Oude Mol en Stichting Isengrimus, 2016) komen bv. heel wat stukjes voor over Vlaamse gerechten. Waarschijnlijk was hij bezig met het voorbereiden en samenstellen van het boek dat een of twee jaar later zou verschijnen als Eten op zijn Vlaams.

Jos Muijres heeft ook dit deel samengesteld, en van aantekeningen en een nawoord voorzien. Net zoals in de twee vorige delen valt ook hier op, aldus de samensteller, dat de grote wereldproblemen grotendeels afwezig zijn; wat opgeroepen wordt is het dagelijkse leven van gewone Vlaamse mensen in een gewone Vlaamse provinciestad. Ook dat was een impliciet verwijt vanuit het letterenfonds (waar blijkbaar enkel maar blinden, doven en stommen huizen, die dan ook nog eens heel of half analfabeet zijn). Maar de vraag die zich stelt is: kan het anders bij dit genre? Mijns inziens niet. Op één bladzijde kun je geen grote problemen behandelen, je moet je beperken. En dan komt het eigenlijk neer op de manier waarop. En zoals Boon een groot romancier was, zo was hij evenzeer een goed stukjesschrijver; zijn cursiefjes zijn zeker te vergelijken met die van Simon Carmiggelt, waarvan nog steeds regelmatig boeken met stukjes verschijnen, ook al is hij al jaren dood.

Maar zelfs de Franse rationalistische filosoof Alain is vooral beroemd geworden met zijn eigen versie van columns, die hij Propos noemde; in wezen verschillen ze qua onderwerpen niet heel veel van Boon en Carmiggelt, alleen zijn die laatsten veel volkser. Alain schrijft weliswaar eveneens op een eerder eenvoudige en toegankelijke manier, voor een breed publiek van krantenlezers dus, maar zijn onderwerpen zijn toch gevarieerder.

Van Alains Propos verschenen niet minder dan twee Pléiadedelen. Maar Frankrijk is dan ook een cultuurnatie.

21/01/2017
door Peter
Geen reacties

21.01.17 – Etienne trekt ten strijde!

Over God van Etienne Vermeersch (Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2016) lijkt me een vrij bizar boek. Vermeersch trekt daarin immers ten strijde tegen iets of iemand waarin hij op geen enkele manier gelooft.

“Waarom doe je dat dan, begot?”, is de eerste vraag die zich dan aan mij opdringt.

Want zij die op welke manier dan ook in een God geloven, zullen dat blijven doen, en de anderen zijn al overtuigd. Dat de rationalist Vermeersch zichzelf zou willen overtuigen, geloof ik niet. Ook al is het natuurlijk zo, dat zulke overtuigingsprocessen zich grotendeels op een on- en onderbewust niveau afspelen (categorieën overigens waar Vermeersch waarschijnlijk evenmin in gelooft – hij is niet voor niets lid van de Vlaamse club van sceptici).

Wanneer je een boek schrijft over God, waarover schrijf je dan een boek? Die vraag lijkt me crucialer dan andere vragen, en waarschijnlijk ziet ook de auteur zelf dat in, want na enkele inleidende beschouwingen over zijn eigen levensweg en over cognitieve dissonantie, zegt hij heel duidelijk en expliciet wat hij onder ‘God’ verstaat en waartegen hij dus ten strijde trekt. Vermeersch weet hoe hij een probleem moet aanpakken, analyseren, argumenteren en tot aan de conclusie ontwikkelen.

Eigenlijk is het erg jammer dat Vermeersch van psychoanalyse e.d.m. waarschijnlijk helemaal niets moet hebben. Want zijn tweede hoofdstuk, over die cognitieve dissonantie dus, stelt wel pertinente zaken vast, maar weet ze niet te verklaren. Dat kun je enkel wanneer je ervan uitgaat dat het geloof zoals dat in de drie monotheïstische godsdiensten voorkomt, een vorm van geestesziekte is. Freud zelf ging er nog van uit dat het collectieve neuroses waren. Zelf ben ik er vast van overtuigd dat het om collectieve psychosen gaat, met alle potentiële én werkelijke gevolgen vandien. Je kunt dat al detecteren uit de basis zelf van de drie godsdiensten: ze steunen allemaal op het gedrag van een krankzinnige (hij hoort stemmen, die hem zeggen dat hij zijn zoon moet vermoorden, dan stemmen die hem zeggen dat niet te doen – vergelijk met wat in het hoofd van een Kim de Gelder alhier gebeurde) die Abraham of Ibrahim genoemd wordt.

Daarvan had Vermeersch moeten vertrekken.

In plaats daarvan vertrekt hij van een kinderachtige definitie van wat hij onder de christelijke God verstaat: alwijs, alwetend, almachtig, algoed…enzoverder enzovoort. M.a.w.: het sprookje waarmee iedereen hier (van mijn leeftijd toch) opgegroeid is, dat iedereen quasi met de paplepel heeft binnengekregen.

Waarschijnlijk zul je zelfs in de universitaire faculteiten in de katholieke en protestantse theologie hard moeten zoeken om nog iemand te vinden die daarin gelooft. De ouwe theodicee-koeien die Vermeersch daarbij uit de gracht haalt, zullen hem niets helpen, want het taaie vlees daarvan is al eeuwen lang zo doorgekauwd en nog eens doorgekauwd, dat er echt niets meer uit te halen valt dat al niet eerder gezegd is. Dat geldt overigens ook voor de rest van de ‘argumenten’ die Vermeersch aandraagt.

Hoe komt dat dan?

De enige oorzaak die ik zie is het feit dat het woord ‘God’ een totaal leeg woord is, meer nog zo dan de abstracta (voorbeelden: alle woorden die op -isme eindigen, vrijheid, verantwoordelijkheid et tutti quanti), waarvan de betekenis sterk kan variëren, maar toch altijd binnen bepaalde grenzen. Het woord God kent geen grenzen, omdat het geen enkele vaste betekenis heeft. Het is inderdaad een leeg woord, betekenis-loos.

Het komt er dus op aan dat woord een betekenis te geven, het lege vat te vullen. En daarbij heb je een quasi absolute vrijheid. Je kunt het inderdaad invullen zoals Vermeersch doet, maar op die manier maak je het wel heel gemakkelijk voor jezelf. Immers: het beeld van God zoals Vermeersch dat schetst is wel het beeld dat het gemakkelijkst te weerleggen valt. Feuerbach heeft dat enkele eeuwen geleden al gedaan in zijn nog steeds leesbare Das Wesen des Christentums. Er zijn wel beelden die moeilijker te weerleggen zijn, Vermeersch weet dat natuurlijk ook. Maar het komt wel steeds op hetzelfde neer: welke invulling je ook geeft aan het woord ‘God’, het is en blijft een arbitraire invulling, waar steeds een andere, nieuwe invulling tegenover gesteld kan worden. En er is geen enkel criterium om te bepalen of, en zo ja welke invulling de juiste, of de meest juiste zou zijn.

Elk spreken over iets als ‘God’ is totaal zinloos, zoals elke poging om het bestaan ervan te bewijzen, zeker de mathematische ‘bewijzen’. Want je weet nooit wat je wil bewijzen (hoe iemand als Gödel zo veel tijd heeft benut om mathematische godsbewijzen te formuleren, begrijp ik dus helemaal niet; het moet van dezelfde orde zijn als Vermeersch: ze kunnen zich niet van het jeugdige Vaderbeeld (de geïncarneerde almacht voor het kleine kind) losmaken.

Het ‘afsluitend nawoord’ van het boek is wat mij betreft wel interessanter: daarin overloopt de auteur een reeks auteurs die zich van ver of van nabij met het ‘probleem’ hebben beziggehouden. Velen ervan kende ik niet, of toch niet als mensen die zich ook hiermee bezighielden. En deze slotbeschouwing eindigt met een stukje over de islam en de koran. Vermeersch zou beter een min of meer wetenschappelijk boek daarover geschreven hebben. Want daar is inderdaad wel nood aan. En dan niet op de manier van van Rooy vader en zoon. Vermeersch is bij mijn weten de enige die het levenswerk van Deschner vermeldt, het tiendelige Kriminalgeschichte des Christentums. Voor zijn leven heeft Deschner daarbij nooit moeten vrezen. Maar stel u eens een moslim voor die een tiendelige Kriminalgeschichte des islam gaat schrijven en publiceren, en dat hoeft dan niet eens in een islamitische land te gebeuren, laat hij of zij dat hier doen, in een min of meer gelaïciseerd Europa. Hoe lang zou die in leven blijven, denkt u?! Inderdaad.

In zijn slotbeschouwing tenslotte stelt de auteur dat het vooral de combinatie van het geloof in één God plus het geloof in een hiernamaals is, dat het succes verklaart van de drie godsdiensten. Vermoedelijk klopt dat wel. Maar dat betekent waarschijnlijk ook dat het zinloos is om ertegen te strijden, dat de Dawkinsen en Vermeerschen van deze wereld hun tijd verdoen door a.h.w. met een vliegenmepper God te willen doodslaan. Het zal nooit volledig lukken. De geschiedenis van het Westen, van Europa dan, bewijst dat er maar één optie is om God grotendeels te doen verdwijnen: steeds toenemende materiële welvaart en zekerheid voor het grootst aantal mensen (rekening houdend natuurlijk met de natuurlijke grenzen aan die groei), dan houden ze zich vanzelf niet meer bezig met zoiets. En de weinige psychotici die het wel nog doen, moeten dan maar opgesloten worden als ze gevaarlijk worden.

Want godsdienst moet eindelijk en eigenlijk erkend worden als wat het is: een geestesziekte.