22/08/2016
door Peter
2 reacties

22.08.16 – Walschap

Als ik goed gekeken heb, zijn op dit ogenblik nog twee boeken van Gerard Walschap in de reguliere boekhandel: een niet al te beste roman uit de nalatenschap, en een soort omnibus. In een taalgemeenschap waar langs beide zijden cultuurbarbaren het voor het zeggen hebben, verwondert dat uiteraard niet. Walschap is trouwens de enige niet: van sommige van zijn tijdgenoten is geen enkele titel meer leverbaar. En in geen enkel geval heeft dat iets te maken met de al dan niet aanwezige kwaliteit van het werk in kwestie, enkel en alleen met de barbarencultuurpolitiek.

walschapDaarom alleen al zijn sommige initiatieven zeer prijzenswaardig, zoals de pas verschenen Walschapreader: Kris Humbeek, Valerie Rousseau, Maksim Marissen, Maxime van Steen (Eds.): De mens, ge kunt gij daar niet aan uit; Gerard Walschap, een becommentarieerde bloemlezing (Uitgeverij Acco, Leuven, 2016). Het boek is expliciet bedoeld voor leerlingen en studenten. Het feit dat het bij Acco uitgegeven is, wijst daar al op. Maar dat roept bij mij ook al onmiddellijk een vraag op: Acco geeft normalerwijze enkel uit op kosten van de auteur, waren er dan geen reguliere uitgevers bereid om dit, of een ander boek van of rond Walschap uit te geven?

Hoe dat ook zij, in vijf hoofdstukken weten de auteurs

(de auteurs? ik heb de sterke indruk dat de verbindende tekst enkel door Kris Humbeek geschreven werd; de aanwezigheid van treinen doorheen de tekst wijst daar onweerlegbaar op; Humbeek heeft iets met treinen, en ik verwacht eigenlijk nog wel eens een boek van hem over de trein in de Nederlandse letteren)

aan de hand van goed gekozen fragmenten het gehele werk van Walschap grondig te schetsen, met sterke nadruk op zowel de evolutie binnen dat werk als op datgene wat op een steeds houterige manier daarin hetzelfde gebleven is, op het eind op een echt verkrampte manier.

Iedereen die zich ooit met zijn werk heeft bezig gehouden weet dat de jonge tiener die Walschap was, pastoor wou worden, missionaris met name om het goede woord te verspreiden bij iedereen in de derde wereld (zo zou men dat pas veel later gaan noemen) die daar nog geen kennis van had. Priester-missionaris is hij uiteindelijk niet geworden, maar profetisch verspreider van de Waarheid wel degelijk, tot op het einde zelfs. Dat aspect vooral weten de auteurs zeer sterk naar voren te brengen. Het is wellicht ook een van de belangrijkste aspecten van de persoon Walschap en van zijn werk en, zo vermoed ik, een van de redenen waarom zijn werk nu eigenlijk niet meer echt zal aanslaan. Ik vrees dat de goed bedoelde poging van Humbeek c.s. daar niets aan zal veranderen.

Wat mij eigenlijk verbaast, is hoe lang Walschap nog officieel katholiek is gebleven; in mijn herinnering was het daarmee afgelopen na Adelaïde, maar dat klopt dus langs geen kanten: tot aan de oorlog zeker, en misschien zelfs nog iets later. De vrijzinnige Walschap treedt in elke geval pas op na die oorlog, met name in het socialistische Nieuw Vlaams Tijdschrift, dat dan begint te verschijnen. Je kunt dus stellen dat Walschap twintig jaar lang een katholiek schrijver geweest is.

Veel heeft het hem niet opgebracht, want vanaf dat zonet genoemde boek, kreeg hij hoe langer hoe meer tegenwind van katholieke zijde; ofschoon de werken uit de jaren dertig eigenlijk zeer goed te vergelijken vallen met die Greene in Engeland of, meer nog, François Mauriac in Frankrijk – ook twee uitgesproken katholieke schrijvers. Terloops wijzen de auteurs wel naar buitenlandse tijdgenoten, maar mijns inziens doen ze dat niet voldoende. Maar misschien hadden ze dan expliciet moeten toegeven dat Walschap meestal de mindere was van zijn buitenlandse confraters? Maar dat gold voor quasi alle Vlaamse schrijvers – op hier en daar een uitzondering (eigenlijk enkel Van Ostaijen, ook als prozaïst) na.

Zeker in de eerste twee hoofdstukken publiceren de auteurs wel wat teksten die niet zo gemakkelijk meer toegankelijk zijn, met name uit tijdschriften. Zowel uit die teksten zelf als uit de commentaar erbij komt een beeld naar voren van een Vlaanderen waar de enige en ware moederkerk inderdaad nog in het midden stond. Eigenlijk heeft dat geduurd tot in de jaren zestig en ik heb dat Vlaanderen nog even meegemaakt. Ik betreur dat niet, maar verlang er evenmin op enige manier naar terug. Die Vergangenheit ist klar vorbei.

Om daar in de jaren dertig al uit weg te breken moest je een grote mate van koppigheid hebben en vooral, vrees ik, de zekerheid in het bezit te zijn van de, of minstens toch van een grote Waarheid. Die waarheid werd hoe langer hoe meer een sciëntistisch rationalisme, dat mijns inziens wel een beetje een late Vlaamse navolging is van het positivisme van Comte. Positief was het werk van Walschap trouwens ook in de dagdagelijkse betekenis van dat woord: Walschap kende geen pessimisme, de mensheid was op weg naar een stralende toekomst, en om daar te geraken moesten enkel nog een paar kleine weerstanden opgeruimd worden; dat alles was enkel een kwestie van gezond verstand.

Maar daar zijn we al aangeland bij de late Walschap, die van de jaren zestig en zeventig.

Voordien was er nog een oorlog geweest, waar Walschap dan uiteindelijk wel ongehavend uit gekomen is, maar die hem toch de roep van een collaborateur heeft gebracht, voor korte tijd en zonder veel praktische gevolgen (hij had tenslotte toch al een breed netwerk in allerlei milieus). Ik denk dat de auteurs gelijk hebben wanneer ze stellen dat Walschap niet echt een collaborateur was, ook al werd hij tot inspecteur van de bibliotheken benoemd tijdens de bezetting, en ook al werkte hij mee aan collaborerende ‘culturele’ bladen. De auteurs hadden misschien op het reuzegrote verschil moeten wijzen tussen de Militärverwaltung in België en Noord-Frankrijk, en de veel en veel ergere Zivilverwaltung in bezet Nederland.

Bron: Letterenhuis, Antwerpen

Bron: Letterenhuis, Antwerpen

Hoe dat ook zij, de auteurs maken wel regelmatig een vergelijking tussen het werk van Walschap en dat van Filip de Pillecijn. Deze laatste wordt systematisch een ‘nationaal-socialist’ genoemd, wat mijns inziens evenmin juist is. Ook in die bewering herkennen we duidelijk standpunten van Kris Humbeek. Ik denk niet dat de collaboratie van de Pillecijn heel veel verder ging dan die van Walschap. Misschien zou je kunnen stellen dat Walschap pas na de oorlog een echte collaborateur geworden is, met name in de hem door verzetskringen en andere progressieven niet in dank afgenomen roman Wit en Zwart, waarin hij de échte collaboratie, met name die aan het oostfront, gewoon vergoelijkt. Maar hoeven we zo lang te wachten? In 1938 verscheen de roman Houtekiet – unaniem beschouwd als Walschaps belangrijkste roman, een meesterwerk – en op geen enkel ogenblik trekken Humbeek c.s. de voor de hand liggende (en in 1938 door alle critici opgemerkte) vergelijking met Knut Hamsuns Hoe het groeide, al verschenen in 1917 en drie jaar later bekroond met de Nobelprijs. Hamsun ontpopte zich als de belangrijkste Noorse collaborateur met de nazi’s, en de ideologische basis daarvoor was in die Nobelprijsroman al te vinden; diezelfde tendens was identiek aanwezig in de roman van Walschap.

Maar deze laatste zal vast en zeker wel wat voorzichtiger geweest zijn. En inderdaad rationalistischer ingesteld dan Hamsun en dan zijn eigen hoofdpersoon (waar trouwens inderdaad een rationelere Nard Baert tegenover staat). In dit verband vind ik het wel onheus Walschap te verwijten dat hij nooit geschreven heeft over de judeocide. Is dat een verplichting? En door wie opgelegd? Wat mij betreft kiest een schrijver nog altijd vrij zijn onderwerpen.

Een tweede probleem in dit verband is het ‘racisme’ van Walschap; ook hier wordt vergeleken met De Pillecijn, met name met diens roman De soldaat Johan. Volgens de auteurs zou daarin een essentialistische en biologische opvatting aanwezig zijn met betrekking tot de begrippen ‘volk’ en/of ras. En bij Walschap zou dat niet het geval zijn, zo wordt meer dan eens gesteld. Zouden de auteurs dat zelf geloven? Temeer daar het begrip ‘racisme’ toch wel heel wat breder is dan het zuiver biologische (vaak te breed wat mij betreft, maar dat is een andere zaak). Vandaar dat het mij moeite kost in een simpel zinnetje als ‘Walschap is zoals we intussen weten geen racist.’ (vet van mij) géén ironie te zien. Het lijkt me te veel op het bekende ‘Brutus is an honorable man’.

Maar bon, echt belangrijk is dat voor mij niet; maar de puntjes mogen wel op de ‘i’ worden gezet. Eén voorbeeld slechts: in De culturele repressie worden Chinezen systematisch ‘rijstkakkers’ genoemd. Géén racisme?

Het langste hoofdstuk is het laatste, over het late werk van Walschap. Bij bijna alle schrijvers is het late werk het zwakste werk (er zijn uitzonderingen uiteraard, vaak eerder bij dichters dan bij prozaschrijvers) en dat geldt ook voor Walschap. In dat laatste werk is hij inderdaad totaal vastgeroest in zijn vooruitgangsideologie, die daardoor alleen al met de Verlichting niets meer te maken heeft. De auteurs weten op die manier ook zeer goed de (mogelijke?) grenzen aan die Verlichting vast te stellen, en het gebeurt daarbij slechts uiterst zelden dat ze de neiging hebben (meer ook niet) om te vervallen in een cultuurrelativisme, dat alles gelijkschakelt. De Verlichting heeft mijns inziens zaken voortgebracht die op de een of andere manier toegepast universeel (zouden moeten) zijn.

Het boek eindigt met een conclusie die de titel ‘Wat als?’ draagt. Die conclusie bestaat enkel uit vragen, twee grote bladzijden met kleine letter lang. Op zich is dat al schitterend natuurlijk, maar in deze context duidt het op de scherpste wijze aan waar de grenzen liggen van het vooruitgangsdenken van Walschap c.s.; het duidt aan waar dat denken gebonden is aan de tijd waarin het werkte, en hoe sterk de wereld veranderd is sinds Walschaps dood in 1989 (niet eens zo lang geleden, gisteren eigenlijk), en hoe die veranderingen ervoor zorgen dat (dezelfde of andere) problemen anders benaderd moeten worden, duidt eigenlijk vooral aan hoe tijdsgebonden het hele werk van Walschap eigenlijk was. Dat geldt natuurlijk voor alle schrijvers in meerdere of mindere mate.

Maar voor Walschap, zo lijkt het wel, toch in meerdere mate. Maar om daar zeker van te zijn, zou je een vergelijkende studie moeten maken, waar al zijn generatiegenoten mee aan bod komen, op de eerste plaats die in Vlaanderen en Nederland (dit zou op zich al grote verschillen aan het licht brengen), maar ook buitenlandse. Dat zou niet enkel de figuur van Walschap, maar de hele Nederlandse literatuur in een juister daglicht stellen. Denk ik. Of vrees ik?

20/08/2016
door Peter
Geen reacties

20.08.16 – Nog eentje van PAC

PACPAC – zo noemden zijn vrienden Pierre-Antoine Cousteau, waar ik het voor kort over had, en waarvan ik nu een tweede boek gelezen heb, boekje eigenlijk: Mines de rien ou Les grandes mystifications du demi-siècle (Editions Dualpha, Paris, 2004 – de eerste uitgave dateert van 1955).

In even veel hoofdstukken vertelt Cousteau er acht gevallen van wat we ‘practical jokes’ (‘canulars’) kunnen noemen, en waarbij de pers (dat was toen de geschreven pers) gebruikt werd om valse verhalen de wereld in te sturen, en daarmee bepaalde groepen belachelijk te maken. Meestal zijn de slachtoffers politici geweest. En de halve eeuw waarvan sprake in de titel is de eerste helft van de twintigste eeuw. Dat is niet onbelangrijk, want in het verspreiden van geruchten en onwaarheden speelt de techniek natuurlijk een belangrijke rol. De kranten en weekbladen uit die tijd waren wat dat betreft totaal niet te vergelijken met het hedendaagse Facebook, en ook de grote persagentschappen hebben vandaag de dag middelen waar de journalisten uit die tijd zelfs niet van konden dromen.

Uiteraard is dit journalistiek, maar dan wel van de betere soort; enerzijds door de inhoud: personen uit de publieke wereld worden er op een nogal anarchistische manier te kakken gezet, hetgeen op zichzelf al aangenaam om lezen is. De eerste twee verhalen gaan bv. over het oprichten van een standbeeld voor éne ‘Hégésippe Simon, éducateur de la démocratie’, en het tweede over het onderdrukte Poldavië (jaja, met een ‘p’ en niet met een ‘m’). Het komt er in beide gevallen op neer dat een aantal volksvertegenwoordigers officieel, d.i. op verzorgd papier mét briefhoofd, aangeschreven worden om de goede zaak te steunen. De antwoorden zijn vaak grappig. En de auteur drukt zijn ongenoegen wel uit over het feit dat slechts één kant van het politieke spectrum aangesproken werd. Wat misschien toch wel begrijpelijk was.

Misschien wel de beste is die van Edouard Herriot die zogezegd tijdens een reis naar de Sovjet-Unie de titel van kolonel van het Rode Leger kreeg; het ging zo ver dat de ambassade zelf van de Sovjet-Unie het gerucht moest ontkennen, die graad bestond immers helemaal niet in dat leger. Cousteau was niet enkel zelf een grapjas, hij was breeddenkend (of anarchistisch?) genoeg om zelfs zijn tegenstanders van de totaal andere kant te waarderen, toen die erin slaagden hemzelf en Gaxotte, ofte heel extreem-rechts van die tijd, voor de zot te houden met een verzonnen verhaal over toestanden bij de communistische jeugd. Ook Cousteau liep gewoon in de val van de communistische grapjas Jacques Yonnet. Blijkbaar waardeerden beiden elkaar, want ze ontmoetten elkaar wel eens tijdens de bezetting, zonder overigens veel van elkaar te weten (zeker Yonnet, die diep in het gewapende verzet zat, zweeg wijselijk over wat hij deed), en tijdens diens proces getuigde Yonnet voor Cousteau – tegen het uitdrukkelijke bevel van de Partij in. ’s Anderendaags – zo snel ging dat toen in die kringen! – was hij plots een ‘espion hitléro-trotskyste’ geworden.

Niet enkel door de grappen zelf, maar ook door de manier van schrijven is dit nog steeds een zeer leesbaar boek. In de schriftuur komt de begenadigde journalist tot uiting, die voortdurend met verve en in een directe stijl de anekdotes – want dat zijn het natuurlijk – weet te schetsen. Daarbij opent hij werkelijk alle mogelijk registers van de humor: van de subtielste ironie tot het sterkste cynisme en alles wat zich daartussen situeert. En rekent hij af met de menselijke domheid. Die van alle tijden is, vandaar ook wellicht dat dit nog altijd zo goed leest. Het volstaat sommige hedendaagse parlementairen voor ogen te houden om zich daarvan te overtuigen: heel de houding bv. van een Servais Verherstraeten, wiens voortdurend arrogant omhooggestoken kop onherroepelijk denken doet aan de haan van Arnold Sauwen: ‘Fier stapt hij, als in koningskleren/de krop vooruit…’.

Maar buiten het ontspanningskarakter om, roept dit boek toch ook meer fundamentele vragen op over de hedendaagse pers (in ’t begin heb ik er al even op gewezen). In die tijd was het blijkbaar zeer gemakkelijk om leugenverhalen te verspreiden en voor waar te doen aannemen door zeer velen. Nochtans was dat niet vanzelfsprekend, want er moesten werkelijk valse stukken gebruikt worden, er moest getelefoneerd worden enz. m.a.w.: er waren altijd meerdere personen in het ‘complot’ betrokken, wat de kans natuurlijk altijd vergrootte dat er iets zou uitlekken.

Vandaag de dag is die kans veel minder groot, en dat heeft alles te maken met de technische vooruitgang. Niet enkel kan één persoon in een flits een ‘canular’ de wereld in sturen, vaak is het ook amper mogelijk de juiste bron te achterhalen. Wie herinnert zich bv. Timisoara nog? En dat was nog van voor de huidige technische ontwikkelingen. Men groef enkele pas begraven lijken op en stelde die voor als slachtoffers van de ‘securitate’. En omdat het in de ideologische kraam van het westen paste, nam iedereen dat over en was iedereen er weg mee. Toen uitkwam dat het een hoax was, las je daar absoluut niets meer over. Krek hetzelfde gebeurt dagelijks rond Syrië, maar nog op een meer gewiekste manier, en door organisaties waarvan je het niet verwacht. Neem AI, die het weer maar eens over doden en folteringen onder Assad heeft. Wat ze beweren kan best waar zijn, maar over de toestanden bij de door het Westen gesponsorde moordenaarsbendes heeft AI het nog nooit gehad. Alsof die dingen buiten elke context om gebeuren.

Wat Cousteau beschrijft zijn enkel grappen, die in feite geen enkel kwaad konden. Maar datzelfde procédé kan ook gebruikt worden om geruchten te verspreiden die wel degelijk kwaad kunnen, en die zware consequenties kunnen hebben.

Een boek dus dat je niet enkel doet lachen, maar ook doet nadenken. Die combinatie alleen al kom je niet zo vaak tegen.

16/08/2016
door Peter
Geen reacties

16.08.16 – Seneca

senecaEmily Wilson begint haar boek Seneca, a life (Penguin Books, 2016 – de eerste uitgave, bij de Amerikaanse Oxford University Press dateert van 2014) met te beargumenteren waarom het onmogelijk is een biografie van Seneca te schrijven. Waarna zij overgaat tot de orde van haar dag en die biografie toch schrijft – en op een zeer boeiende wijze nog wel.

Dat is helemaal geen tegenstelling, maar een normale wijze van handelen wanneer je een biografie schrijft van iemand wiens bestaan zo ver terug ligt in de tijd als dat van Seneca, die leefde van enkele jaren voor Christus tot het jaar 62 na Christus, tijdens het bewind van Nero dus (nadat hij al diens voorgangers Tiberius, Claudius en Caligula had meegemaakt). Immers: directe bronnen uit die tijd zijn niet enkel schaars, ze zijn zogoed als onbestaande. Er zijn natuurlijk de teksten van Seneca zelf, waarin heel wat autobiografisch materiaal aanwezig is; maar dat moet, zoals altijd, ook in de hedendaagse periode, steeds met vele korrels zout genomen worden, en gecheckt en dubbelgecheckt worden – en dat laatste is bij Seneca quasi onmogelijk. We kennen hem ook nog uit de boeken van Tacitus, Cassius Dio en Suetonius vooral. Maar ook die moeten kritisch benaderd worden, want zoals alle historici in die tijd (in latere tijden niet?) hebben ze ook een dubbele agenda.

Daarmee moet de historica het dus grotendeels doen. En het is goed dat ze het in haar inleiding duidelijk stelt, zodoende ontstaan geen misverstanden: “The nature of the evidence we do have is problematic in itself.” (p. 5), zo schrijft ze. Maar dat belet niet dat er genoeg aanwezig is om een biografie in algemene termen te schrijven, ik bedoel: een biografie die volledig focust op wat algemeen geweten is over het leven in de tijd van Seneca, en die dat algemene dan probeert toe te passen op het leven van deze ene protagonist. Dat betekent enkel dat we slechts heel weinig details zullen krijgen, maar vooral grote lijnen, die dan gestoffeerd worden, zo veel als mogelijk is, door de geschriften zelf van Seneca, zeker de autobiografische.

Die onzekerheid betreffende de bronnen leidt soms tot zeer typische paragrafen, zoals de volgende:

“Seneca had shown no interest in entering public life until this point. Perhaps he was so disabled by sickness during his twenties that he felt unable to aspire to any future except death. Perhaps he did not even want a career in his youth; he may have hoped for a quieter life as a philosophical writer and teacher. Perhaps, too, he shrank from climbing the political ladder in fear of the particular dangers of life in the court of Tiberius. But presumably by the time he arrived back in Rome, he was ready to begin his political career.” (p. 63, ik cursiveer).

En zo gaat het uiteraard het ganse boek door, niet zo uitgesproken expliciet als in deze passage, maar toch: heel veel blijft onzeker, en moet met de nodige mitsen en maren gelezen worden.

Dat geldt vooreerst en vooral voor het eerste hoofdstuk, dat de jeugd van Seneca beschrijft, dwz dat een typische jeugd beschrijft van een Romeinse jongen uit een betere klasse (lower higher class noemt Wilson het met de huidige Engelse classificatie) in een provinciestadje als het huidige Cordoba. Er is voldoende geweten over het Romeinse opvoedingssysteem om dit concreet toe te passen op één geval, zeker wanneer de vader van dat geval, Seneca de oudere, ook een bekende scribent was (veel van zijn werk is trouwens eveneens bewaard gebleven). De jonge Seneca zou een biografie van zijn vader geschreven hebben, maar die is jammer genoeg niet bewaard gebleven. Dat de jongere eerder naar het ‘literaire’ leven neigde (in casu was dat: retorica en filosofie) kan misschien verklaard worden door het feit dat hij van jongsaf een beetje tot soms erg ziekelijk was. Maar uiteindelijk is het dan toch op de eerste plaats de politiek geworden (zoals in het geval van zijn oudere broer), waarbij de filosofie en de sterk retorische theaterstukken a.h.w. erbij kwamen.

Het tweede en het derde van de amper vier hoofdstukken handelen over het openbare leven van Seneca; daarbij maakt Wilson veel gebruik van de geschriften van Seneca zelf, maar vreemd genoeg eerder weinig van het theater. Wellicht is het ook veel moeilijker om dat op de een of andere manier in direct verband met het leven van de schrijver te brengen, dan diens andere geschriften, zeker en vast zijn brieven. Maar de weinige keren dat ze het dan toch doet, valt er helemaal niets op aan te merken.

Twee maal heeft Seneca in het centrum van de macht gestaan, de eerste keer onder Claudius, en dan maar zeer kort, want hij werd snel verbannen naar Corsica, waar hij de hele acht jaren waartoe hij veroordeeld was moest blijven. Zijn zonde: overspel. Je houdt het niet voor mogelijk in het toenmalige Rome en al zeker niet aan het keizerlijke hof, maar toch: er bestond zoiets als een lex iulia de adulteriis, afkomstig van Augustus en Tiberius, en die overspel zelfs met de dood bestrafte. Daar ontsnapte Seneca dus aan. Ik weet het niet, maar ik veronderstel dat het een van die wetten geweest zal zijn, die enkel werden toegepast à la tête du client.

Hoe dat ook zij, Wilson weet ons zeer duidelijk te maken dat die ballingschap op een eiland dat amper een dagreis van Rome verwijderd lag, moeilijk als een zware straf beschouwd kan worden, temeer daar Corsica een vruchtbaar eiland was, waar veel Romeinen zich vrijwillig neerlieten. Moeilijk kan hij het daar dus niet echt gehad hebben, en als hij toch klaagde en meermaals vergeefs probeerde de ban opgeheven te krijgen, dan wijst dat wellicht eerder op iets anders: politieke ambitie van een nogal sterk gehalte.

Het was uiteindelijk de moeder van Nero, Agrippina, die hem terug naar Rome riep om op te treden als ‘tutor’ voor haar toen nog minderjarige zoon. Die was geadopteerd door de heersende keizer Claudius, en dus een kandidaat voor de troon…na Britannicus, de bloedeigen zoon van Claudius (en welbekend uit de klassieke tragedie van Racine, die mensen van mijn leeftijd nog wel gelezen zullen hebben op school). Die zou ook het eerste bekende slachtoffer worden van Nero (toen nog in samenwerking met zijn moeder). Of Seneca zelf er ook iets mee te maken had laat Wilson in het midden (net zoals ze dat doet bij latere bekende moorden van Nero, op zijn eigen moeder bv.); maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat hij, gelet op zijn zeer hoge functie aan het hof, niet minstens op de hoogte zou zijn geweest.

In die jaren was Seneca ook gehuwd en kreeg hij een zoon, die snel stierf. Dat weten we uit een troostschrift aan zijn moeder, Helvia, “a public and highly polished literary document, not an expression of the author’s deepest feelings and emotions.” (p. 73), zoals de schrijfster nog maar eens stelt. Seneca was toen al min of meer een van de hoofdfiguren van de filosofische school die Stoa heette, en die als een van haar belangrijkste kenmerken het streven naar ataraxeia, zeg maar: lankmoedigheid had, het zich niet laten meeslepen door sterke emoties, in alle gevallen je koelte en evenwicht bewaren. Uit deze biografie krijg ik de indruk dat Seneca daar meestal wel goed in geslaagd is. Des te opmerkelijker lijkt het me dat in de tragedies die gevoelens wel een overgrote, meestal zelfs uitvergrote rol spelen. Kan het zijn dat hij zijn gevoelsleven daarin kwijt kon, eerder dan in zijn filosofische geschriften, die toch allemaal van een zekere afstandelijkheid getuigen?

seneca-1

Je kunt niet in de ziel van een mens lezen natuurlijk, en al helemaal niet in die van een mens die al tweeduizend jaar dood is. Maar een zekere verscheurdheid lijkt me zonder meer aanwezig, zoals later bij schrijvers uit de barok, of nog later bij veel schrijvers uit de twintigste eeuw. In zekere zin kun je Seneca, wat dit gevoelsleven betreft, zelfs een beetje een voorloper noemen van wat vandaag de dag nog steeds psychologie heet, en dat als zodanig in de 19de eeuw pas bestond. Wilson zegt het expliciet in haar epiloog, maar eveneens in de tekst zelf is ze duidelijk genoeg:

“One of Seneca’s most original contributions to the Stoic study of the emotions is his emphasis on involuntary feelings. This allows him to give a much more nuanced, and more plausible, account both of anger and of the other ‘passions’. Seneca insists that there is a distinction to be made between ‘impulses’ (motus), which are preconscious responses and do not require the assent of the mind, and real ‘passions’ (affectus), which necessarily imply a particular set of beliefs.” (p.95)

Dit is letterlijk het onderscheid dat vandaag nog gemaakt wordt in het strafrecht om te onderscheiden tussen voorbedachte moord en doodslag. De ire (over de woede) is van de twaalf ‘dialogen’ die we van Seneca nog hebben de langste. Je zou wellicht kunnen zeggen dat in de loop van zijn leven zich veel woede in zijn ziel moet hebben opgestapeld. Maar dat uitte zich dan toch enkel in zijn theater:

“Seneca’s tragedies are dramatic meditations on cruelty, pollution, and disgust, on horrific extremes of behavior, on power, on failed attempts at teaching restraint or moderation, and on spectacle – all themes to resonate very suggestively with the world of Neronian Rome.” (p. 157)

En met onze hedendaagse wereld, moet je zeggen. De angst en de vrees waaraan ook Seneca toenemend ging lijden, noemt Wilson niet, maar ook die zijn vandaag terug van nooit weg geweest. Soms lijkt het alsof overal ter wereld nieuwe Nero’s en Caligula’s opstaan.

Die angst moet zeker gegroeid zijn naarmate zijn pupil volwassener werd, op eigen benen ging staan en handelen, en zo Seneca liet zien dat opvoeding eigenlijk niks uithaalde wanneer de context ongunstig was, context zijnde de persoonlijkheid van de betrokkene plus de tijdsomstandigheden. Het verwondert dan ook niet dat Seneca hoe langer hoe meer de behoefte voelde zich terug te trekken op het platteland, in een van zijn villa’s annex wijngaarden. Il faut cultiver notre jardin zou Voltaire dat veel later noemen. Toch lukte hem dat niet, ook al had hij zo veel grond en villa’s en andere eigendommen, dat hij waarschijnlijk een van de rijkste burgers van Rome was. Wilson vraagt zich af hoe hij daaraan kwam, maar dat lijkt me van minder belang. Net zoals de vraag hoe die rijkdom compatibel was met zijn stoïcisme? Dit laatste lijkt me niet eens zo moeilijk te verklaren; het was Fortuna die voor die rijkdom zorgde, het toeval dus. En waarom zou je het dan afwijzen?! Wilson zelf stelt het eveneens zo, maar zij betwijfelt die uitgangspunten van Seneca blijkbaar zeer sterk. En dat hij zich helemaal de vraag niet stelde naar een gerechte verdeling van de rijkdom, lijkt me nog meer voor de hand te liggen. Die vraag is nl. totaal anachronistisch; niemand stelde zich toen die vraag. Net zoals de vraag naar de rechtvaardiging van slavernij. Ook dat is een anachronisme. De vroege Christenen stelden zich die vraag evenmin. Rijkdom en slavernij waren natuurlijke gegevenheden.

In het laatste hoofdstuk gaat zij ook in op bekende tijdgenoten van Seneca, zoals zijn neef Lucanus (de zoon van zijn jongere broer), maar ook de wellicht bekendere Petronius (en die beide evenzeer tot zelfmoord gedwongen zouden worden, samen met Seneca zelf). Meer wellicht dan vroeger zijn de laatste werken van Seneca nauw verbonden met het eigen leven, en dat geldt dan zowel voor de ‘vraagstukken over de natuur’, waarin we een vorm van escapisme mogen zien, als de bekendere Brieven aan Lucillius, die het laatste grote werk van Seneca vormen. Maar over die laatste zegt Wilson ook zeer expliciet: “The Epistles, even more than most of Seneca’s work, are deeply resistant to biographical interpretation, while at the same time inviting the reader to contemplate Seneca’s life as well as his or her own.” (p. 194) Onzekerheid, onstandvastigheid en dood zijn hoofdthema’s, zeker dood; die is trouwens het hele werk door prominent aanwezig, het duidelijkst in de tragedies uiteraard, maar zeker ook daarbuiten. Het zal met Seneca’s slechte gezondheid (hij leed aan de longen) te maken hebben, maar zeer zeker ook met de tijdsomstandigheden. “For somebody who wrote so frequently about the importance of facing death bravely and readily, Seneca was extremely good at avoiding it.” (p. 203), zo stelt Wilson met een beetje ironie.

Maar uiteindelijk ontloopt uiteraard niemand zijn lot. Seneca wist zeer goed dat zijn leven voortdurend aan een zijden draadje hing, en dat het enkel door de willekeur van de keizer was dat hij nog leefde. Daar kwam een einde aan toen hij beticht werd deel te hebben genomen aan een complot tegen de keizer. Wat daarvan waar is, is niet geweten. Het enige min of meer zekere is het feit dat ook Seneca’s dood een nogal theatrale gebeurtenis was, een scene uit een van zijn stukken waard.

Tenslotte volgt nog een interessante epiloog, waarin de auteur ingaat op het verdere leven van Seneca. Dat begon al onmiddellijk na zijn dood met een soms (ten onrechte) aan hem toegeschreven stuk, Octavia, waarin hij zelf optreedt. Daarna is het verdwijnen en weer opstaan. Vooral de katholieke kerk heeft in het begin gepoogd zich Seneca toe te eigenen, zoals ze dat wel met de hele Stoa gedaan heeft (er zijn overigens duidelijk sterke overeenkomsten tussen de twee), o.m. door het publiceren van een apocriefe briefwisseling tussen Seneca en Paulus. Maar dat heeft niet lang geduurd. De theaterstukken hebben grotere schommelingen gekend, waarbij het opvalt dat ze vooral weer op de voorgrond kwamen in tijden van grote maatschappelijke omwentelingen, zware onrust, tijden waarin schijn en werkelijkheid amper nog uit elkaar te houden waren (zoals vandaag weer) enz. Bij ons is Seneca vooral in het toneelwerk van Claus manifest aanwezig, en niet enkel in de bewerkingen van klassieke stukken (zie zijn Toneel IV; in de tweedelige prachtuitgave van zijn toneel komen die bewerkingen niet voor).

Emily Wilson heeft met Seneca, a life een zeer leesbare introductie geschreven, op de eerste plaats tot het leven van Seneca, voor zover we dat nog kunnen kennen; maar evenzeer tot zijn werk, waarvan toch een zeer groot gedeelte bewaard is gebleven. het enige dat ikzelf jammer vind, is dat de tragedies nogal onderbelicht blijven, temeer daar Wilson een deel ervan zelf in het Engels heeft vertaald. Maar bon, dat is haar keuze. En wat nu voorligt is een uitstekend boek.

°°°

In het Nederlands zijn mij enkel uitgaven bekend van de ‘dialogen’ en van de brieven aan Lucillius, in vertalingen van Cornelis Verhoeven. Het zijn vertalingen die al dateren uit de jaren tachtig van de vorige eeuw, en dus waarschijnlijk niet meer regulier verkrijgbaar. Als mijn geheugen me niet bedriegt, waren dat vlotte en degelijke vertalingen.

Hetzelfde en nog meer moet uiteraard gezegd worden van de vertalingen van de tragedies, van de hand van Piet Schrijvers. Twee delen daarvan zijn tot op heden verschenen, en de boeken geven de Nederlandse én de Latijnse tekst naast elkaar, wat uiteraard zeer aan te bevelen is. Het derde en laatste zou onderweg moeten zijn. Maar het is nog niet aangekondigd. Maar gelet op de verschijningsdata van de andere twee (respectievelijk 2013 en 2015) zal het wel 2017 worden. En als ’t God belieft zal ik er dus nog kennis van kunnen nemen.

seneca-2

En dit alles gezegd zijnde, merk ik dat ik iets vergeten ben: enkele jaren geleden heb ik al een boek over de heren Nero en Seneca gelezen, in het Nederlands, van de hand van de hoogleraar klassieke geschiedenis Anton van Hooff: Nero & Seneca, de despoot en de denker (Uitgeverij Ambo, Amsterdam, 2010). Het geheugen verslijt, inderdaad, totdat het er uiteindelijk uitziet als een Zwitserse kaas. Maar dit boek focust dus vooral op de verhouding tussen de twee mannen, de politieke machtsstrijd in hun tijd, en de geschriften van Seneca in die context. Ik herinner me wel nog dat ik het zeer goed vond. Wilson is algemener, van Hooff specifieker. Maar beiden zijn uiteraard uitstekende geleerden.

16/08/2016
door Peter
Geen reacties

16.08.16 – Syrië

Wat mij betreft is één zaak zeker: alles, maar dan ook alles wat we in onze mainstreamkranten lezen, of op onze TV-schermen zien over Syrië is propaganda, niets meer dan pure propaganda. Het volstaat even terug te denken aan het boekje van Anne Morelli over oorlogspropaganda ( Principes élémentaires de propagande de guerre [utilisables en cas de guerre froide, chaude ou tiède…], 2001) of, voor mensen van mijn leeftijd, over hoe in de jaren zestig en begin zeventig in diezelfde pers bericht werd over Vietnam.

Tim Anderson is hoogleraar politicologie aan de universiteit van Sydney, en bepaald geen vriend van de rechtse Australische regeringen of de dito pers aldaar. Hij neemt dan ook duidelijke standpunten in, die expliciet ingaan tegen alles wat in het westen mainstream is. En terecht wat mij betreft; al was het maar om toch maar één keer ook eens een andere stem te horen.

DirtyWarTim Anderson: The dirty war on Syria; Washington, Regime Change and Resistance (Global Research, Montreal, 2016) is bij mijn weten het eerste globale boek over de oorlog in Syrië, dat grondig gerechercheerd is en alles wat daar sinds 2011 gebeurd is analyseert op een manier die amper nog twijfel laat aan de echte bedoelingen van het Westen – voor degenen die dat nog niet wisten natuurlijk. En dat zullen er jammer genoeg velen zijn. Immers, zoals de eerste zin van het boek al stelt: “Although every war makes ample use of lies and deception, the dirty war on Syria has relied on a level of mass desinformation not seen in living memory.” En zijn weerwoord daartegen noemt hij “a careful academic work”.

Dat laatste klopt wel, al was het maar door het bijna onoverzichtelijke aantal bronnen dat na elk hoofdstuk geciteerd wordt. En nee, ik heb die uiteraard niet allemaal gecontroleerd; als ik zoiets moest doen, dan deed ik minstens een jaar over een dergelijk niet eens zo dik boek (een tweehonderd pagina’s). Wat ik wel weet, is dat hoogleraren in academische publicaties gewoon niet kunnen faken, want vroeg of laat worden ze wel ingehaald, en dan zijn ze hun leerstoel kwijt. Wel heb ik gezocht naar reacties op het boek, weerleggingen voorop, maar ik heb er geen gevonden. Hetgeen uiteraard nog niet betekent dat het allemaal waarheid en niets dan de waarheid is, wat in het boek staat. Maar het staat toch wel veel en veel dichter bij dat ideaal dan alle rommel uit onze pers. En onder waarheid versta ik hier: ‘adequatio rei et intellectus’, zoals dat in de Middeleeuwse filosofie van Thomas nog heel duidelijk heette.

De kern van een boek als dit van Anderson komt erop neer aan te tonen dat in de Westerse propaganda over de oorlog tegen (‘on’ heb ikzelf in de titel hierboven vet gezet) Syrië die overeenstemming totaal zoek is. Dat komt al onmiddellijk tot uiting wanneer je Tanghe en andere propagandisten het steeds hoort hebben over een ‘burgeroorlog’. Dat is het op geen enkele manier; wel een oorlog van door Nato en Washington direct of indirect gesteunde, bewapende en gefinancierde moordenaarsbendes zoals je ze de laatste decennia nog maar zelden hebt gezien tegen een soevereine staat. Die oorlog wordt dan gevoerd uit naam van een zgn. ‘responsability to protect’, hetgeen zowat het meest cynische en crapuleuze eufemisme moet zijn dat de laatste jaren uitgevonden werd.

Anderson begint natuurlijk met het schetsen van de bredere context: de poging van de US en de entiteit om de hele kaart van het Midden-Oosten te herschrijven zoals dat in hun belangen past. Dat is begonnen in Irak en Afghanistan en heeft zich dan verder gezet in Somalië en Libië. Vooral dit laatste voorbeeld is véélzeggend: Libië was nl. het meest welvarende land van heel Afrika, met de hoogste levensstandaard van dat continent. Wat ervan geworden is na de ‘humanitaire’ tussenkomst van de Natogangsters Frankrijk en Engeland kan iedereen zelf volgen.

Syrië was de volgende in de rij. Anderson legt goed uit, en documenteert zorgvuldig hoe de aanvankelijke straatprotesten van een totaal vreedzame aard werden misbruikt door binnengeslopen vreemdelingen om een oorlog tegen het regime te beginnen. Regime dat trouwens in 2011 al bezig was met belangrijke economische en politieke hervormingen, maar die het land wel soeverein en onafhankelijk zouden laten – een halsmisdaad voor Washington en Tel-Aviv. Oorlog die totnogtoe voortduurt en waarvan het doel nog steeds is: verwijdering van Assad en een ander regime, lees: een regime dat luisteren wil naar de dictaten van Washington en datzelfde Tel-Aviv.

Vandaag de dag lezen we uiteraard enkel maar over de gruwelijke dictator die Assad zou zijn, maar iedereen die dat wil weten, weet dat Syrië een seculiere staat was, een meerpartijenstaat, een staat met een zeer hoge deelname van vrouwen aan het publieke leven, een staat met een goed onderwijs, met een uitgebreid en degelijk gezondheidssysteem enz. Het was daarenboven een staat voor geheel zijn bevolking (en daardoor het absolute tegendeel van de jodenstaat, die exclusief is, iedereen buitensluit die niet joods is – joods volgens hun begrippen dan), inclusief dus, zonder discriminatie op grond van ras, godsdienst of wat dan ook. Alle stromingen van de islam waren in de Syrische regering vertegenwoordigd.

Wat het Westen daartegenover stelt is dan een regering van de meest fanatieke en achterlijke bandieten die maar mogelijk zijn: op de eerste plaats de Wahabieten uit Saoedi-Arabië, en soortgelijke aanhangsels daarvan. En/of complete chaos, zoals in Libië. Want ook dat is natuurlijk in het voordeel van de Amerikanen en hun handlangers. Het is goed dat Anderson het onderscheid goed en expliciet uitspreekt: “In fact they (dat zijn de Wahabieten en hun volgelingen van Daesh e.a. terroristen) no more represent Sunni Muslims than the racist killers of North America, the Ku Klux Klan, represent Christianity.” En het is goed dat hij de nefaste en leugenachtige rol van Amnesty International en Human Rights Watch duidelijk in de verf zet als propagandisten van hetzelfde Westen, en waarvan de leiders nota bene ofwel uit het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse zaken afkomstig zijn, ofwel er zonder enig probleem gaan werken na een passage bij een van die zgn. mensenrechtenorganisaties. Van onafhankelijkheid gesproken!

Ook de vele voorbeelden van medialeugens zijn eigenlijk verbijsterend, zeker als je leest dat de BBC in 2013 een uitzending uitzond, ‘Saving Syria’s Children’, die volledig was opgenomen in een Engels ziekenhuis, terwijl het gepresenteerd werd als een authentieke documentaire uit Syrië zelf. (Dit is een van de zaken die me zo onwaarschijnlijk leken, dat ik ze toch maar even heb opgezocht: het klopt: de BBC is gewoon een valsemunter). Op twee van de belangrijkste beschuldigingen aan het adres van Assad en zijn regering gaat Anderson dieper in, zij krijgen een apart hoofdstuk; de meesten zullen zich zeker een daarvan nog wel herinneren: de beschuldiging nl. gifgas gebruikt te hebben tegen de eigen bevolking. Op het ogenblik dat je het negerke van Washington hoorde zeggen dat gebruik van gifgas een rode lijn was, wist je al dat gifgas gebruikt ging worden, en je wist ook door wie. Nee, niet door Assad. Iedereen weet inmiddels dat het de door het Westen gesponsorde moordenaarsbendes waren, alleen zul je dat op onze TV nooit horen, in onze pers nog altijd niet lezen.

Het laatste hoofdstuk is, wat mij betreft een beetje al te voortvarend optimistisch. Het lijkt wel uit de pen te komen van Toutvabienovitch. Het klopt natuurlijk dat de Natogangsters het veel moeilijker hebben dan in Libië, maar de strijd is alles behalve gestreden, en zal dat ook nog niet zijn wanneer Aleppo bevrijd zal zijn. Ik moet niet veel hebben van die stralende toekomst, die bij sommige linksen blijkbaar nog altijd in de genen zit. Anderson stelt zelf zijn hele boek door dat het een ‘proxy war’ is, een oorlog dus die (nog) niet door de eigenlijke protagonisten uitgevochten wordt, maar wel een oorlog a.h.w. bij volmacht. Maar één van de toekomstige protagonisten is sinds kort natuurlijk wel aanwezig en actief: Rusland. Samen met Iran en Hezbollah vormen zij een sterke steun aan Syrië, temeer daar ook Irak zich meer en meer bij hen schaart en zich losmaakt van de VS. Wat uiteraard een goeie zaak is: hun Irakoorlog is voor niets geweest.

Je zou dat alles mutatis mutandis kunnen vergelijken met de Spaanse burgeroorlog, die ook een ‘proxy war’ was, waar geoefend werd voor later. En dat later is nu de oorlog tegen Rusland en China die voorbereid wordt. Toentertijd verloren de progressieven in Spanje en was de weg vrij gemaakt voor de tweede wereldoorlog. In die zin zou het goed zijn als de as rond Syrië deze keer zou winnen. Maar ook daar zijn illusies misplaatst: Clinton zal er niet voor terugschrikken een gewapende confrontatie met Rusland aan te gaan (van Trump weet ik dat gewoonweg niet), en dat kan het begin zijn van de derde wereldoorlog, die hoe dan ook nucleair zal zijn. Syrië staat niet alleen, maar moet duidelijker gezien worden in de globale ontwikkelingen die bezig zijn.

En de oorlog tegen het terrorisme zal pas definitief gewonnen zijn wanneer de Amerikanen, de Nato en/of de entiteit zo’n klap krijgen, dat ze zich er onmogelijk nog van zullen kunnen herstellen. Maar hoe zal dat gebeuren? En welke zullen de consequenties ervan zijn hier, voor ons? Het is allemaal niet zo eenvoudig, en de toekomst ziet er allesbehalve stralend uit.

Het is duidelijk dat Anderson zich expliciet achter Assad en de Syrische regering, en dus achter het allergrootste deel van de Syrische bevolking schaart. En dat is juist. Zelfs als je kritiek hebt, dan slik je die maar even in tot na de oorlog. Volgens mij moet iedereen die zich nog een beetje progressief of links voelt, zich trouwens achter de Syrische regering scharen, dat is de enige consequente houding. Niet zoals de lafaards van de PVDA, die zich wel uitspreken tegen de deelname van België aan Natomissies in Irak en Syrië, maar die er alles aan doen om toch het regime maar niet te steunen. En dat terwijl een Boudewijn Deckers (waar is die trouwens gebleven? de woestijn ingestuurd?) toch zeer goede contacten had daar, tot in de hoogste regionen.

Enkel Filip de Winter heeft de moed gehad Assad te bezoeken en te steunen. Je kunt Assad moeilijk verwijten de Winter en zijn vamp ontvangen te hebben, ik zou in geval van zo’n massieve agressie ook alle steun welkom heten, van wie dan ook. Maar het zegt wel ontzettend veel over ‘links’ in België dat blijkbaar niemand Assad nog durft te steunen. Allemaal strontpolitiekers. Meer niet.

21/07/2016
door Peter
Geen reacties

21.07.16 – Paul Damen, plagiaris en minkukel.

Twee jaar geleden zowat besprak ik hier een boek, samengesteld en ingeleid door Albrecht Koschorke en Konstantin Kaminskij, beide van de universiteit van Konstanz als ik me niet vergis. Dat boek heette Despoten dichten. Het was een academisch werk, waar wel vragen bij gesteld konden worden, maar dat uiteindelijk wel wat bijbracht.

Dat kun je van een ander boek niet zeggen.

bloemen-kwaadBloemen van het kwaad, gedichten van dictators (Uitgeverij Koppernik, s.l., 2016), zo heet de onnoemelijk debiele prul van éne Paul Damen. Zowel de idee als de uitwerking heeft hij effenaf gestolen van beide voornoemde academici. Maar hij heeft er niet minder dan 21 ‘dictators’ bijgevoegd. En blijkbaar heeft hij die allemaal zelf vertaald ook nog, uit het Chinees, het Turks, het Georgisch, het Hongaars, het Vietnamees enzoverder enzovoort.

Een opgeblazen kikker zoals je ze in een leven maar zelden tegenkomt; het ponem van deze ‘auteur’ kan dat alleen maar bevestigen.

Blijft de vraag of hij ook letterlijke stukken tekst van de twee academici heeft afgeschreven. Ik heb het niet nagekeken, omdat me dat te ver zou voeren. Dat moet iemand anders maar doen. Maar het feit dat nergens, maar dan ook nergens in zijn boek de voorganger genoemd wordt, zou best wel een indicatie kunnen zijn.

Alle negen despoten van de twee academici komen dus ook bij Damen voor; alleen: het woord ‘despoot’ klopt in alle gevallen, het woord ‘dictator’ zelfs bij die negen niet. Karadžić bv. was waarschijnlijk wel een despoot, maar geen dictator. Dat laatste betekent immers dat je hoofd bent van een min of meer erkende staat, en dat is Karadžić nooit geweest. Hetzelfde geldt voor Erzsébet Báthory, een vrouwelijke Hongaarse versie van Gilles de Rais blijkbaar. Of voor Bin Laden. En in hoeverre de anderen écht ‘dictators’ waren, dat is nog de vraag. Gelet op het feit dat het gebruik van dat woord in de betekenis die we er nu aan geven toch eerder tamelijk recent is; en dan nog: sommigen hadden het duidelijk niet alleen voor het zeggen, ik denk aan Castro en Guevara.

Maar dat wijst enkel op de totale onwetenschappelijkheid van Damen. Net zoals het feit dat hij nooit ofte nergens echt bronnen citeert. Citeert, bedoel ik. Bij Mao vernoemt hij bv. wel het ‘boek’ van diens zgn. ‘lijfarts’, en daar haalt hij dan zijn mosterd uit. Maar dat boek bevat natuurlijk alleen maar roddels, en geen enkel zichzelf au sérieux nemend historicus zal dat als bron gebruiken. Hetzelfde geldt voor dat andere boek, dat hij zelfs twee maal vernoemt: Le livre noir du communisme. Als je dat als bron gebruikt word je door ernstige historici gewoon weggelachen.

Damen is dus ofwel gewoon een debiele minkukel, of hij heeft een andere agenda.

Volgens mij is dat laatste het geval (wat het eerste trouwens niet uitsluit).

Overigens, ook doet hij weinig meer dan anachronismen spuien, zeker als hij de vroegere ‘dictators’ behandelt. Voortdurend gebruikt hij terminologie van vandaag om zaken uit het verleden aan te duiden. Een gemakkelijk voorbeeld: Nero zou een ‘dictator’ geweest zijn. Maar Damen weet blijkbaar niet dat in het oude Rome ‘dictator’ een officiële titel was, niet voor de keizer, nee, dat niet. Toen bestonden de ‘dictatoren’ al niet meer.

Nog overigens: Het was niet Nero, die een jonge slaaf liet castreren om er een vrouw van te maken, maar Tiberius; en het was niet Nero die zijn paard tot senator verhief, maar Caligula, die zijn paard tot consul verhief. En zo staat heel deze prul nog meer vol met gewoon feitelijke onjuistheden, die eenieder controleren kan. En nee, ik heb niet alles gecontroleerd, ik heb wel zinvollers te doen. Dit stuk is er eigenlijk al te veel aan.

Wat een lulhannes, die Damen, wat een vetgevreten stuk onbenul! En dat beweert gestudeerd te hebben. Aan een heuse universiteit nog wel. Als die iets voorstelde zou ze zo’n sujet na een dergelijke publicatie zijn diploma afnemen, of de professoren die dat hebben toegekend, ontslaan.

Het woord ‘dictator’ alleen al is hét woord waarmee het westen al zijn tegenstanders bedenkt. Het is dus alles behalve een neutraal, objectief woord. Maar om toch maar de schijn te wekken van wel worden er graag heel wat anderen bijgesleurd, uit lang vervlogen tijden, te beginnen met Koning David. Ja, die uit het Oude Testament. Maar voor de rest zijn het bijna stuk voor stuk bêtes noires van het Westen. En daarin moet dan nog een onderscheid gemaakt worden. De fascisten onder hen worden vaak zelfs met begrip behandeld, Salazar bv. Maar de communisten, ho maar. De bakken strontpropaganda stinken dat het een lieve lust is. Roddels, leugens, roddels en leugens. Alle gezeiks dat ooit uit de pen van CIA-propagandisten gevloeid is aan weerzinwekkends, wordt hier nog eens herkauwd en herhaald.

Damen voert propaganda, en wel op de walgelijkste wijze die denkbaar is. Vandaar ook dat er geen enkele verwijzing te vinden is, dat niets, maar dan ook werkelijk niets gecontroleerd kan worden.

Op één ding na. Hitler heeft een sentimenteel moedergedicht geschreven. Zie zie, zelfs die mens koesterde warme gevoelens voor zijn moeder. Zo erg kan hij dus toch niet geweest zijn, nietwaar. Alleen, iedereen weet intussen dat dit gedicht van éne Georg Runsky is, en veel ouder is dan Hitler. Enkel op naziwebsites zal het nog aan Hitler toegeschreven worden. In zijn inleiding weet de nitwit wel te zeggen dat ‘zelfs’ Goebbels poëzie leverde. Maar die was nou net wel een dichter, een slechte natuurlijk. Er bestaat zelfs een boek over: Kai Michel: Vom Poeten zum Demagogen, die schriftstellerischen Versuche Joseph Goebbels’, en ik herinner me dat een aantal jaren geleden een heuse dichtbundel in handschrift van hem werd aangeboden door een antiquaar.

Menno Wigman – een dichter zowaar! – heeft een nawoord geschreven bij deze verzameling drollen. Je vraagt je af of deze Wigman wel kan lezen. In elk geval kent hij het boek niet dat ik bij het begin van dit stuk noemde. Of hij doet vrolijk mee aan het plagiaat, dat is ook mogelijk natuurlijk. Maar dat deze levensbeschrijvingen ‘vlot en aanstekelijk’ geschreven zouden zijn? Hoeveel drank, of wiet of wat dan ook had Wigman binnen toen hij dit schreef?!

Piero Manzoni heeft zijn Merda d’artista tenminste nog behoorlijk verpakt in dozen, zodat je niks zag en zeker niks rook. Maar dat is met woorden en teksten niet mogelijk. De lucht die uit dit onboek omhoog stijgt, is haast ondraaglijk, alsof er massa’s lijken in de volle zon liggen te vergaan. Of zoiets. Je houdt het niet voor mogelijk.

Waar moeten we de persoon die deze kwijl, dit slijm, deze diarree over de bladzijden verspreidt nu plaatsen? Politiek gezien, bedoel ik, want het zal duidelijk zijn dat dit boek over politici gaat, en dat hun geschriften eigenlijk maar bijzaak zijn, een alibi om aan propaganda te doen.

In de buurt van het soort websites die ik zo-even noemde moeten we, denk ik, deze Paul Damen wel plaatsen, in die omgeving bedoel ik. Rechtser nog dan de extremistische liberaal Bolkestein, daar waar het nog maar een klein stapje naar het volle fascisme is. Maar misschien bevindt hij zich daar al; we moeten tenslotte niet vergeten dat de fascisten van vandaag zich o.a. op de ‘democratie’ beroepen  inplaats van ze te bestrijden zoals in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw.

Er zijn ook andere details die daarop wijzen: over Mao en Anja Meulenbelt: “Niettemin, of juist daardoor, kwam Meulenbelt opgew…sorry, opgetogen terug van haar bezoek aan de Grote Eileider.” En even verder: “Mao Zedong wordt bijna soppend besproken.” (p. 237) Wat je verder ook van de kwaliteiten van Meulenbelt mag vinden (en ik heb daar geen mening over, want ik heb geen enkel boek van haar gelezen), dit is van een ranzigheid die direct afkomstig is uit het strontblaadje van Julius Streicher, Der Stürmer.  Streicher werd, volgens mij volkomen terecht, opgehangen in Nürnberg.

Ik stel voor dat Paul Damen die eer aan zichzelf houdt.

21/07/2016
door Peter
3 reacties

21.07.06 – Ernest Claes (begot!)

Wat ik mij in verband met Ernest Claes het best herinner is niet direct van hem: het is Jef Burm in een BRT-reeks naar de roman Charelke Dop. Deze was een grove oorlogsprofiteur, verklikker en alles wat men verder maar wil. De reeks eindigt wanneer Charelke Dop een ereteken krijgt wegens zgn. diensten aan het vaderland; dan zegt Burm/Dop, en als ik me goed herinner was dat het laatste beeld: ‘Het vaderland, dat zijn mensen zoals ik.’ Van een heerlijk cynisme was dat!

Die roman (De vulgaire geschiedenis van Charelke Dop) had ik gelezen en goed gevonden; maar het is natuurlijk heel goed mogelijk dat boek en film in mijn geheugen gewoon in elkaar gevloeid zijn.

ernest-claesBert Govaerts gaat daar in zijn biografie – Ernest Claes, de biografie van een heer uit Zichem (Uitgeverij Houtekiet, Antwerpen/Utrecht, 2016) – ook niet op in, omdat die film jaren na de dood van Claes gemaakt werd (maar wel op een ogenblik, zo voeg ik er maar aan toe, dat de televisieschermen nog niet effenaffe stront uitstraalden – bij wijze van reclame die de programma’s om de tien minuten onderbreken). Het is een goeie biografie, dat kan ik al wel onmiddellijk zeggen. Vooral natuurlijk omdat ik er veel door heb bijgeleerd, want behalve de heel grote lijnen wist ik eigenlijk weinig of niets van het leven van Claes. Dat leven is op zich misschien niet zo interessant, maar wordt het wel door de tijd waarin hij leefde, waarin twee wereldoorlogen plaats hadden en waarin wat men noemt de ‘Vlaamse Beweging’ duidelijk en meestal op een onfrisse wijze van zich liet horen.

Govaerts moet wel een beetje onzeker zijn van zichzelf, want in zijn ‘verantwoording’ vooraan verontschuldigt hij zich a.h.w. omdat hij een ‘ouderwets’ boek geschreven zou hebben. En dat zou dan tot uiting komen in de volgehouden chronologie. Maar elke biografie volgt zo’n stramien. Af en toe is er eentje die met de dood van de protagonist begint, maar het volgende hoofdstuk begint dan steevast met de jeugd om dan verder te gaan in chronologische volgorde.

En verder stelt hij daar dat dit ‘geen literaire biografie in de enge zin van het woord’ zou zijn. Wat hij daarmee bedoelt, weet ik niet. Een biografie behandelt uiteraard eerst het leven; en als literatuur in dat leven een grote rol speelt, ook de literatuur. Bij Claes was dat belangrijk (naast de politiek en het ambtenarenleven) en dus komt dat aspect voortdurend aan bod in deze biografie. Wel is het zo dat Govaerts zelf zelden het werk van Claes grondig analyseert en evalueert. Dat laat hij meestal aan anderen, de critici en zo, over. Enkel voor de roman Daar is een mens verdronken maakt hij een uitzondering. En laat dat nu net de tweede roman van Claes zijn, die ik echt goed vond (zonder nog te weten waarover hij ging overigens – ik was een tiener toen ik die las), terwijl Govaerts het een mislukking vindt. Herlezen?

Wat mij ook verheugt is dat blijkbaar niemand Govaerts iets in de weg heeft gelegd, en dat hij van alle relevante documenten kennis heeft kunnen en mogen nemen, en die ook heeft verwerkt in zijn biografie. Het is dus gelukkig alles behalve een hagiografie geworden, want ook de kleine en de onnozele kanten van Claes worden duidelijk in de verf gezet. Het beeld is dus wel volledig. Het zal geweten zijn dat Claes van boerenafkomst was, en dat hij enkel heeft kunnen studeren dank zij mecenaat (middelbaar onderwijs) en dank zij wettelijke mogelijkheden voor soldaten gecombineerd met mecenaat (universiteit). Het was altijd moeilijk de eindjes aan elkaar te knopen, en ik kan me voorstellen dat dat vernederend geweest moet zijn. Maar toch is van enig ressentiment daardoor nergens iets te bespeuren. Wel zal zijn houding tegenover geld daar later wel een rol in hebben gespeeld: “Claes had enig talent om op het juiste moment de rol van financiële dramaqueen te spelen.”(p. 230) zo stelt de auteur het enigszins eufemistisch. Terwijl hij als topambtenaar bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers al een topwedde had, en daarbij kwamen dan nog de royalty’s, de inkomsten vanaf de jaren dertig uit films, en de inkomsten van ontelbare lezingen. De auteur zegt het niet, maar ik vermoed dat Claes eigenlijk wel van zijn pen had kunnen leven.

Wat ik helemaal niet wist, is dat hij in Leuven een concilium abeundi gekregen heeft, d.w.z. dat hij van de universiteit werd weggestuurd. Een maatregel die slechts op het nippertje ingetrokken werd. Zovele jaren later gebeurde net hetzelfde met een andere, anderszins bekende Vlaming, maar bij die werd dat concilium abeundi niet ingetrokken: Ludo Martens had het in 1966 gewaagd om de pedofilie van priesters aan te kaarten.

Martens zou politicus worden, Claes werd dat nooit, ook al heeft hij zich z’n leven lang voor politiek geïnteresseerd. Hetgeen uiteraard bijna vanzelf sprak, gelet op zijn statuut van ambtenaar bij de kamer, waardoor hij bijna dagelijks met alle politici van het land in aanraking kwam, en er zelfs enkele vrienden maakte, de bekende Frans Van Cauwelaert bv. Wat hij uiteindelijk daaruit voor conclusie trok, zegt hij zelf: “Voor geen enkel politieker heb ik nog eenige achting. Ik kan hun knapheid bewonderen, dat is alles. Ik ken er geen enkele, Huysmans evenmin als Frans Van Cauwelaert, die niet in de eerste plaats en bijna uitsluitend aan zichzelf denkt.” (p.284) Zo is het, ben je geneigd te zeggen.

Maar het duurt lang vooraleer dat op zich juiste inzicht leidt tot dat andere inzicht: dat het in de politiek altijd zo is, dat er geen andere, laat staan een betere politiek mogelijk is. Claes is wellicht nooit tot dat inzicht gekomen, ook al heeft hij zich op het einde van zijn leven , grosso modo na de tweede wereldoorlog, nog maar heel weinig met politiek bemoeid. Vreemd genoeg was die politiek ook quasi totaal afwezig uit zijn zuiver literaire werk – op de twee hierboven genoemde boeken na. De journalist Claes daarentegen schreef wel degelijk voortdurend over politiek. En wel in Vlaamsgezinde richting. Blijkbaar was dat geen enkel bezwaar vanwege zijn broodheren van de kamer. Maar daar had hij uiteraard invloedrijke ‘vrienden’, vooral bij de christen-democraten. Die elkaar toen al verscheurden blijkbaar, getuige de vete Sap-Van Cauwelaert.

Claes gaat door als Vlaamsgezind, en dat was hij natuurlijk ook. Maar toch moeten ook daar enkele randnotities bij geschreven worden, zo blijkt. Zo was hij tijdens de eerste oorlog duidelijk niet, en zelfs anti-activistisch. En heeft hij z’n hele leven lang in bewondering gestaan voor het koningshuis, tot en met Boudewijn, die regelmatig van zich liet horen als er rond Claes iets te vieren viel. En z’n kleindochter werd in het Frans opgevoed – tot spijt van Claes, dat wel, maar blijkbaar heeft hij zich toch niet daartegen verzet.

En hoe zit het dan met zijn Duitsgezindheid? Hij ging veel op vakantie in Duitsland, maar als dat een criterium is, ben ik ook Duitsgezind. Quod non, dus, zeker in die context en betekenis. Maar het is een feit, en Govaerts verbloemt dat niet, dat Claes in de tweede helft van de jaren dertig meewerkt met enkele artikelen aan het lijfblad van de SS, Das schwarze Korps. Dat wist ik helemaal niet (en ik zal wel de enige niet zijn). Toen hij later, bij het begin van de oorlog, nog eens gevraagd werd door die club, weigerde hij; of beter: antwoordde hij niet, wat ook een weigering is natuurlijk. Met alles wat we nu weten, lijkt dat een vreselijk iets. Maar wisten de mensen toen, zelfs mensen als Claes die dagelijks in contact stond met politici, wat dat allemaal voorstelde, laat staan waar dat allemaal toe zou leiden? Waarschijnlijk zeer weinig. Temeer daar de moffen tijdens de reizen van Claes door Duitsland mooi de schijn wisten op te houden. Uit heel de biografie van Govaerts treedt een man naar voren, die in sommige opzichten van een vreselijke naïveteit geweest moet zijn; zo is ook minstens één geval gedocumenteerd waarin hij zich door een financiële oplichter erin liet luizen. Waarbij ook zijn neiging om ‘belangrijke’ personen te bewonderen (zijn eigen vader was vroeg gestorven!) een grote rol gespeeld zal hebben. Govaerts stelt het zo: “Toen de Tweede Wereldoorlog eenmaal beslecht was, werd hij op slag een democraat die Churchill en Roosevelt bewonderde en zich niet meer leek te herinneren dat hij ooit geschreven had dat Hitler door de voorzienigheid gestuurd was.” (p. 456)

Laat mij één voorbeeld geven. Claes schrijft op 4 november 1940 in zijn dagboek: “Ik geloof vast dat Adolf Hitler een eerlijke mensch is, dat hij het eerlijk meent. Maar de mensch moet er toch ook onder lijden, dat zooveel menschen moeten vallen om zijn idealen te verwezenlijken.” (p. 310). Dat is van een naïveteit die aan onnozelheid grenst. En helemaal niets wijst erop dat dit fake zou zijn. Dat is het politieke niveau van de Vlaamse schrijver Ernest Claes.

’t Kan verkeren.

Na de oorlog werd hij door de kamer geschorst in het belang van de dienst, zoals dat dan heet. Een collega had een heus dossier over hem aangelegd (nooit iemand vertrouwen, denk ik dan, géén vrienden hebben) en dat aan het gerecht gegeven. Maar zowel in eerste aanleg als in beroep werd hij vrijgesproken. Vermoedelijk wel terecht. Maar hij heeft wel geluk gehad natuurlijk, want voor hetzelfde geld werden heel wat collega’s wel vaak zwaar gestraft. Dat hing van de totale willekeur van het parket en de rechter(s) af. En van de zgn. klein-inquisiteur Toussaint van Boelaere, die zich tot aan zijn dood in 1947 ontpopte als verbeten jager op alles wat in litteris van dichtbij of van heel ver verdacht kon worden van heulen met de vijand. Overigens werd ook het huis van Claes in Ukkel geplunderd; op basis van een bestaande en geldende wet kon hij daarvoor schadevergoeding krijgen. Maar voor de periode van 10 mei tot 15 juli 1945 werd die wet door de regering gewoon opgeschort, zodat niemand (want er waren uiteraard nog gevallen) een cent kreeg. Dat heette (en heet nog als het de machthebbers uitkomt) in België ‘democratie’.

Govaerts weet ook zeer goed en overtuigend te schetsen hoe geliefd Claes eigenlijk was bij de Vlamingen. Dat valt me nu zeer sterk op, omdat ik me geen enkele schrijver van na de oorlog kan indenken waarbij dat het geval is, toch niet zo algemeen. Boontje in Aalst natuurlijk, dat wel. Maar Hugo Claus zie ik nog niet in een koets door Brugge of Gent of Antwerpen trekken, toegejuicht door de menigte. Zijn werk moet toch een sterke snaar geraakt hebben, ook de vele televisieverfilmingen wijzen daarop. En het feit dat een linkse rakker als Robbe de Hert Claes’ bekendste werk De Witte een tweede keer (de eerste keer gebeurde dat in de jaren dertig al) verfilmde.

Behalve de twee genoemde romans (plus de laatstgenoemde natuurlijk – wie heeft die niet gelezen?!) heb ik maar weinig van Claes gelezen, en van dat weinige staat me nog minder bij. Maar dat is ook het geval met andere lectuur; waarschijnlijk heeft dat enkel met de werking van mijn geheugen te maken. Ik kan dus moeilijk een globaal oordeel over dat werk vellen. Dat doet trouwens ook Govaerts zelf amper. Wat dat betreft laat hij zijn onderwerp liever zelf aan het woord, die hier wel degelijk over een scherp inzicht in het eigen kunnen en niet-kunnen beschikte: “Ik heb juist talent, schrijverstalent, genoeg om in te zien hoe klein het is. Maar dat kleine beetje is voldoende om me te doen begrijpen wat het zou kunnen zijn. Mij zoo klein voelen, zoo waardeloos naast de grote kunstenaars die ik door lezen ken, waarvan ik de werken heb gezien of gehoord, en daarvan bewust te zijn, is het bitterste deel van mijn leven. het succes van mijn boeken, of beter gezegd het verkoopsucces, doet me dat soms wel vergeten, maar dat is juist het ergste, geloof ik.” (pp.308-309)

Er is nog een laatste aspect aan de persoonlijkheid van Claes, dat vermeld moet worden. Govaerts doet dat ook uiteraard, maar erg diep gaat hij er niet op in. Nochtans is Govaerts van 1952, en dus moet hij het rijke Roomse leven hier te lande nog gekend hebben, aan den lijve zou ik zeggen. Hij schrijft dat Claes door zijn repressiemiserie ‘haast kinderlijk devoot’ geworden is. Maar ik vrees dat dat er altijd al ingezeten heeft, vanaf het begin; en dat daar een groot deel van zijn naïveteit haar oorsprong vindt. Waarschijnlijk komt dat ook tot uiting in zijn werk (zoals in dat van Timmermans trouwens): het is een katholicisme dat door en door volks-naïef is, met alle bijgeloof dat daarbij hoort. Tot en met de jaren zestig was dat levend in Vlaanderen. Waarschijnlijk heeft ook dat bijgedragen tot het grote succes van Claes’ werk.

Ik heb in heel de biografie één enkel feitelijk foutje aangestreept: op pagina 375 wordt gesteld dat Johan Daisne een spotgedicht op Verschaeve gepubliceerd zou hebben in Zondagspost. Maar degene die daar onder het pseudoniem Diogenes een zevental scherpe gedichten tegen de collaborateurs publiceerde, was, voor zover ik weet, Herwig Hensen, en niet Johan Daisne.

Maar dat doet niks af aan de waarde van deze biografie, die de figuur en de persoonlijkheid van Claes zeer goed weet te vatten, en vooral in zijn tijd te plaatsen. Dat de auteur zich daarbij onthoudt van eigen standpunten, maar de feiten gewoon voor zichzelf laat spreken, maakt zijn werk alleen maar sterker. Claes’ werk mag dan amper nog gelezen worden, het heeft toch een zeer belangrijke rol gespeeld in het literaire leven in Vlaanderen; zoals de persoon Claes in het politieke leven. En daarom alleen al is zo’n biografie welkom. Zeker als ze dan ook nog goed geschreven is zoals deze; en als de biograaf zichzelf op de achtergrond weet te plaatsen en zijn best doet om objectief te blijven. Waarin hij trouwens grotendeels slaagt.

20/07/2016
door Peter
Geen reacties

20.07.16 – Erdogan en de Rijksdagbrand

Aan een staatsgreep begin je enkel en alleen wanneer je zeker bent dat hij ook zal lukken.

Blijft natuurlijk de vraag of de staatsgreep in Turkije gelukt is of niet. Dat hangt ervan af hoe je het bekijkt. Alles wijst er wel op dat alvast één staatsgreep geslaagd is.

Als het een staatsgreep van militairen was, dan waren die militairen niet meer dan een hoop onnozele klunzen bij elkaar; in 1972 in Chili wisten ze perfect hoe het moest. En eigenlijk is er niemand die mij kan wijsmaken dat de Turkse militairen (die tenslotte een traditie hebben wat staatsgrepen betreft) datzelfde niet even goed zouden kunnen.

Wanneer je, nu we enkele dagen later zijn, alles nog eens goed op een rijtje zet, lijkt het er bijna op dat die staatsgreep moest mislukken, dat die mislukking ook bedoeld was.

Het eerste wat een goeie staatsgreeppleger moet doen als de staatsgreep gericht is tegen een of enkele figuren, zoals hier, is die persoon en heel zijn politieke en familiale omgeving fysiek uitschakelen, doden met andere woorden.

Hier hebben ze daar blijkbaar niet eens aan gedacht. Erdogan denkt er van zijn kant duidelijk wel zo over. Zouden die militairen – als ze al een staatsgreep wilden plegen – nooit Machiavelli gelezen hebben? Of, veel meer recent de Techniek van de staatsgreep van Curzio Malaparte? Die in zijn boekje o.a. sterk ingaat op de staatsgreep van de eerste Napoleon – ook een militair?

Ook de gevolgen wijzen erop dat die zgn. staatsgreep wellicht moest mislukken. Amper een halve tot een dag later werden drieduizend rechters van hun ambt ontheven. dat wijst erop dat de lijsten al klaar lagen, net zoals in januari 1933 in Duitsland. Totnogtoe zijn er ongeveer zevenduizend aanhoudingen verricht. Zelfs de grootste Turkse gevangenissen kunnen die vloed niet aan.

erdogan

Dachau is de oplossing. Zoals na de rijksdagbrand een hele resem aanhoudingen volgde, en een begin gemaakt werd met het ontslaan van ambtenaren (of het doodslaan – bij nazi’s en islamfascisten komt dat op hetzelfde neer).

Cui bono?, dat is altijd de vraag die je moet stellen bij dat soort gebeurtenissen. En in dit geval is het volkomen onnodig op die vraag te antwoorden, zozeer ligt het antwoord voor de hand. Ik ken geen ander voorbeeld in de geschiedenis waar het antwoord zo zonneklaar voor de hand ligt.

Ondertussen weet elke historicus die naam waardig dat de organisatie van de rijksdagbrand in de handen van Goering lag, en dat die zijn werk zeer goed gedaan heeft toen. Maar sluitende bewijzen zijn er nooit geweest, ook nu nog altijd niet.

Het is duidelijk dat het stinkt in Turkije. En dat veel van die stank overwaait naar hier. Is er werkelijk geen enkele politicus die al dat razend volk voor een duidelijke keuze durft te stellen: ofwel zijn ze Belgen en moeien ze zich niet met wat daarginder gebeurt; ofwel zijn ze Turken en dan moeten ze teruggaan. En elke door Turkije uitgezonden imam moet de toegang tot het land verboden worden – élke.

Alles wijst erop dat er nog veel meer aanhoudingen zullen volgen. De volgende stap zal dan de staat van beleg zijn. En dan de openlijke dictatuur (voor zover die er nog niet is natuurlijk, nu). Maar dat soort volk blijft nooit binnen de eigen grenzen actief. Het ziekelijke ego van crapuul als Erdogan is zo groot, dat het uiteindelijk tot avonturen buiten Turkije zal voeren.

De NATO, die beweert de westerse waarden van ‘democratie’ enzoverder te verdedigen, zou al kunnen beginnen met Turkije gewoon eruit te gooien. maar wedden dat ze nog eerder samen met dat Turkije ten strijde zullen trekken? Ergens bij de Zwarte Zee?