26/09/2016
door Peter
Geen reacties

26.09.16 – Jacques Baud: nog een Cassandra! En wat voor een!

jacquesbaudiJacques Baud: Terrorisme; mensonges politiques et stratégies fatales de l’Occident (Editions du Rocher, Monaco, 2016) is een verbijsterend, ontluisterend en schokkend boek. Zelfs voor mij, die toch heel wat gewend ben, en over dit onderwerp meer gelezen heeft dan de doorsneelezer – al zeg ik het zelf.

Wie is die Jacques Baud? Stafofficier bij het Zwitserse leger, hetgeen betekent dat hij het equivalent van onze ‘école de guerre’ (militaire academie – de hoogste militaire opleiding, voor stafofficieren, vanaf de graad van majoor of kolonel) gevolgd heeft; topanalyst van de Zwitserse geheime dienst; verantwoordelijke voor veiligheid en inlichtingen bij de UNO; verantwoordelijke voor de inlichtingensite globalterrorwatch.ch.

Misschien is er hier of daar een onnozelaar die denkt dat iemand met een dergelijk curriculum een linkse rakker is. Wanneer je zijn boek leest, zou je dat kunnen denken, maar de man is in mijn ogen doodgewoon doodnuchter en zakelijk. Dat merk je al wanneer je ziet dat hij voor quasi al zijn statements bronnen aangeeft, vaak meer dan een. Dat is ook al een verschil met het boek over Syrië van de Australische professor Anderson dat ik een tijdje geleden besprak. Ook die probeerde dat, maar hij was duidelijk veel meer betrokken partij, die een kant koos. Dat doet Baud veel minder. In die mate zelfs dat je onmogelijk uit dit dikke boek kunt opmaken aan welke kant van het politieke spectrum hij zich bevindt. Dat zal politici zeker zeer onbehaaglijk stemmen, maar in mijn ogen is het wel een garantie voor zijn objectiviteit.

Het boek bevat naast een korte inleiding en iets langere conclusies vijf verschillende delen, waarin het probleem grotendeels op een chronologische wijze wordt geschetst. Enkel in het eerste deel, waarin de verschillende ‘acteurs’ worden voorgesteld, wijkt hij van die chronologie af. Vijf acteurs komen in dat deel voor, waaronder de VS de belangrijkste zijn. Opvallend: in het boek zelf komen ook Groot-Brittannië en vooral Frankrijk veel voor, maar die worden niet opgesomd bij de acteurs. Terecht: dat zijn immers enkel vazallen (zoalniet lijfeigenen) van de VS die amper een eigen politiek (mogen) voeren. De anderen zijn Israël, Iran, Turkije en Saoedi-Arabië plus de Emiraten. Allemaal met hun eigen agenda’s die vaak parallel lopen, maar even vaak niet. De auteur laat vanaf het begin in zijn kaarten kijken, onverbloemd:

“Force est de constater que pratiquement chaque conflit où les Etats-Unis ont été impliqués a débuté soit par une opération clandestine (souvent de nature criminelle), soit par une manipulation visant à faire passer les Etats-Unis pour les victimes d’une agression, permettant ainsi de forcer la main du Congrès:” (p. 18)

Dit laatste omdat grondwettelijk het Congres de oorlog moet verklaren. De oorzaak ziet Baud in een Amerikaanse messianistische mentaliteit (ze willen overal hun waarden opdringen omdat die in de zin van de Geschiedenis zouden gaan) die hij ‘quasi-marxistisch’ noemt (p.24). Daarin vergist hij zich volgens mij: de VS zijn gewoon de opvolgers van Hitler-Duitsland in het streven naar absolute wereldheerschappij, en dat heeft met economie te maken, net zoals bij de nazi’s en niet met een of andere mentaliteit.

Baud is door zijn functies uiteraard zeer goed op de hoogte – beter dan wie ook die over deze problemen publiceert, zou ik zeggen – van alle manipulaties, van alle achtergronden die overal verborgen moeten blijven, en zodoende leer je ook gewoon op feitelijk vlak wel iets bij: zo wist ik niet dat er een geheime overeenkomst (geweest?) was tussen Israël en Georgië, en dat Rusland Georgië is binnengevallen in 2008 o.a. om te beletten dat van daaruit Iran aangevallen zou worden (p.37). En ook over het amalgaam dat door dat staatje bewust onderhouden wordt, is hij duidelijk:

“Cette pression (op andere landen – PB) est contenue par une confusion – soigneusement entretenue – entre 3 notions que l’on tend à mélanger: ce qui relève de l’état d’Israël (‘israélien’), ce qui est associé à la religion (‘juif’) et ce qui est lié au nationalisme (‘sioniste’). Cette confusion est une des sources –si ce n’est la principale – d’un antisémitisme croissant, qui en réalité, concerne bien davantage la politique israélienne que la religion juive.” (p. 46)

Zijn stuk over Turkije en over de rol van Erdogan daarin is erg genuanceerd, zo zeer dat het mij wel doet nadenken (ik heb de neiging om Erdogan een islamofascist te vinden en te noemen, maar blijkbaar zit er toch nog meer achter zijn politiek dan enkel dromen over een nieuw Ottomaans rijk met hemzelf als superpasha), maar wat de grond van de zaak betreft, twijfel ik toch niet. Ik stel mijn mening enkel in die zin bij dat Erdogan blijkbaar een veel persoonlijker en onafhankelijker koers vaart dan ik eerst dacht.

Dan komt het eerste deel van het eigenlijke boek, maar dat je evengoed nog een inleiding kunt noemen: het gaat over het spook dat Al-Qaida heet. Spook, omdat – zoals ik al lang dacht, of weet – die vereniging als zodanig niet bestaat en nooit bestaan heeft. Baud toont dat mooi aan, door zowel de naam zelf te verklaren als te stellen dat het niet meer is vandaag dan ‘une commodité de langage, pour désigner une mouvance difficile à définir.’ (p. 87) Dat dit gedrocht nog altijd rondspookt wijt hij aan de domheid en de onkunde van het Westen, de VS voorop.

Het hele boek door doet hij dat heel vaak: oorzaken bij onbekwaamheid en onkunde zoeken. Waarschijnlijk heeft hij een beetje angst om voor een aanhanger door te gaan van complottheorieën. Maar aan de andere kant lijkt het me allemaal zo duidelijk geënsceneerd, dat je bijna automatisch aan complotten moet denken: gewoon al het feit dat de regering Bush eigenlijk officieel 7 staten had aangeduid die moesten aangevallen worden en horig gemaakt aan de VS (én Israël natuurlijk) en dat het net dat is wat systematisch gedaan wordt de laatste decennia (nu in Syrië, dat de voorlaatste op de lijst is), wijst toch bijna op een uitgekiend complot. Maar waarschijnlijk zal het wel een mix van de twee zijn, waarbij we, zo denk ik er toch over, de fouten en vergissingen, de onkunde en de domheid van beslissingen en hun uitvoeringen, moeten vaststellen bij de uitvoering, bij de praktische toepassing van het anders theoretisch blijvende complot.

Het derde deel is het langst en gaat tot in de details de verschillende etappes van dat 7-statencomplot na. Waarbij Baud de eerste Golfoorlog expliciet ‘le péché originel’ noemt (p.104). Ook daar kun je je vragen bij stellen natuurlijk, want die eerste Golfoorlog had nooit plaatsgevonden zonder het verdwijnen van de Sovjet-Unie, en zo kun je verder gaan, tot bij het duistere begin van de mensheid: als die aap niet rechtop was gaan lopen zou niets gebeurd zijn, inderdaad. Maar bon, pour les besoins de la cause…

In zekere zin is deze afdeling ook een geschiedenis van de belangrijkste gebeurtenissen in het Midden-Oosten tijdens de laatste decennia, grosso modo sinds de val van de twee torentjes in New York. Toen moest er worden opgetreden. Baud:

“Afin de créer les conditions politiques favorables à une intervention internationale, le gouvernement koweïtien et le gouvernement américain s’associent alors dans une opération de désinformation, destinée à influencer l’opinion publique internationale.

Ainsi donc, le 10 août 1990, la firme de relations publiques Hill & Knowlton est mandatée par une organisation privée, dénommée ‘Citoyens pour un Koweït libre’ , avec un budget de 10,7 millions de dollars, afin de développer une sympathie américaine pour le Koweït. (…) Est alors créé de toutes pièces un événement qui ne s’est jamais déroulé: la mise à sac de la maternité Al-Adan de Koweït City par l’armée irakienne.” (p. 107)

Geen complot? En dit is maar één voorbeeld van bewuste en weloverwogen manipulaties van de publieke opinie via de pers. Datzelfde gaat vandaag nog altijd vrolijk door met Syrië: alles wat we in onze mainstreampers daarover zien, horen of lezen is gewoon gelogen, vervalst, bij elkaar gescharreld en dan gemonteerd, en misschien, als je een extra krachtige loep gebruikt, dat je ergens een korreltje waarheid terug kunt vinden.

Ook met de andere oorlogen van het Westen, in Afghanistan, Libië en Syrië werkte en werkt het dus op die manier. Dat is volgens de auteur ook de enige oorzaak van het opkomend terrorisme. In Bauds ogen is dat terrorisme een antwoord, een reactie. Daartoe analyseert hij zowel de publicaties en opeisingen van de terroristen zeer grondig, alsook hun manier van werken, hun doelwitten enz. Het werk van een veiligheidsofficier en –analist dus. En wat hij stelt lijkt me zeer geloofwaardig: bij elke terreurdaad kun je inderdaad vaststellen dat het een antwoord is op eerdere acties van het Westen; neem alleen al de pakken die de slachtoffers van Daesh dragen, en die gewoon gekopieerd zijn van de pakken van de gevangenen van Guantanamo (je weet wel, die gevangenis op Cuba, die Obama acht jaar geleden al ging sluiten).

Daarbij legt hij ook zeer sterk de nadruk op het feit dat nergens in die teksten of opeisingen ook maar in de verste verte sprake is van een andere bedoeling, met name het overnemen op termijn, het veroveren van gebied, en dan met name van Europa. Ook dat klopt mijns inziens, maar toch heb ik hierbij één belangrijke bedenking: de uitvoerders van die aanslagen, en zelfs hun directe opdrachtgevers denken wellicht niet in die termen, in hun geest wordt enkel wraak genomen; maar dat belet niet dat het koningshuis van Saoedi-Arabië en zeker ook Erdogan andere agenda’s hebben, waar verovering wel degelijk deel van uitmaakt, verovering op lange termijn dan; waarom zou Erdogan anders zoveel belang eraan hechten dat de Turken hier zich niet zouden integreren? Ziet hij ze al als een vijfde colonne? Volgens mij is Baud hier te optimistische. Spreken over een ‘clash van culturen’ kan zeer goed een self-fulfilling prophecy worden of reeds zijn.

De auteur gaat er ook van uit dat de Westerse regeringen en a fortiori hun veiligheidsdiensten niets zouden leren uit het verleden. Maar wellicht willen ze niets leren? Op de eerste plaats zijn alle Europese veiligheidsdiensten (zeker die van de Natolanden) horig aan de VS. Maar anderzijds: elke aanslag verhoogt de haat van de bevolking (of grote delen ervan) tegen de moslims, versterkt de interne tegenstellingen, en voedt dus de aanvaarding van drastische binnenlandse maatregelen, die echt naar fascisme gaan ruiken. Terwijl het buiten Europa wellicht de bedoeling is chaos te scheppen. Wie dat ‘la stratégie du chaos’ genoemd heeft, weet ik niet meer, maar ook Baud gebruikt die juiste term.

Het laatste, of beter: het recentste land om volledig kapot te worden gemaakt door het Westen en zijn gruwelijke moordenaarsbendes is dus Syrië: ‘Pourtant, si le régime syrien n’était certes pas romantique, il était loin d’être sanguinaire.” (p. 169) Dat lijkt me een exacte omschrijving. Vergelijk die met de oorlogspropaganda over Assad en het Syrische regime in onze zgn. ‘pers’, de VRT voorop natuurlijk (die was al een Amerikaanse propagandazender in de tijd toen hij nog BRT heette en de Vietnamoorlog nog woedde). Dat er in Syrië op dit ogenblik ongeveer 50 grotere gewapende groepen bezig zijn, en niet minder dan 1200 wanneer je de dorpsmilities meetelt, die vooral de plaatselijke, heel vaak christelijke bevolking moeten beschermen, dat zul je nergens lezen. Evenmin als de conclusie dat het totaal onmogelijk is onderscheid te maken tussen ‘gematigde’ en radicale groepen. Die dorpsmilities zijn bv. vaak heel gematigd, maar kunnen zich tegen de door het Westen bewapende en gefinancierde salafistische en andere moslimmoordenaarsbendes bijna niet verdedigen.

Baud legt sterk de nadruk op die christelijke groepen in Syrië, die het daar al tweeduizend jaar zonder al te veel problemen hebben kunnen uithouden…tot nu het ‘christelijke’ Westen tussenkomt. Hierbij legt hij overigens ook de nodige nadruk op de strijd tussen sjiieten en soennieten, iets dat totaal werd aangestookt door de bezetters van Irak na de tweede Golfoorlog. Waarbij je inderdaad aan een bepaalde vorm van domheid en kortetermijnvisie mag denken, want de sjiieten in Irak sluiten zich inmiddels meer en meer aan bij Iran, die andere vijand van de VS en Israël en de volgende in de rij als het in Syrië zou lukken.

Hij relativeert ook de betekenis van IS, die volgens hem enkel enkele grote assen bezet zou houdt plus veel woestijn; de groep zou vooral gebruikt worden als voorwendsel om andere ergere groepen (bv. in Aleppo) te steunen. Ook andere, bekende zaken komen aan bod: het gebruik van chemische wapens, dat in onze ‘pers’ nog steeds aan de regering wordt toegeschreven, de zgn. ‘vaatbommen’, die niemand ooit gezien heeft, maar die, als ze al bestaan, evengoed door ‘rebellen’ gebruikt kunnen zijn, want ook die beschikken over helikopters en vliegtuigen – wat hier ook doodgezwegen wordt.

Tenslotte sluit hij dit deel af met een overzicht van de recentste aanslagen, voornamelijk in Frankrijk. Hierbij valt me op dat hij de neiging heeft toegevingen te doen aan de moslims, waarbij hij soms zo ver lijkt te gaan (zonder het ooit expliciet zo te zeggen) minstens een deel van de verantwoordelijkheid te leggen bij kranten en tijdschriften die karikaturen van Mohammed gepubliceerd hebben. Hier slaat hij de bal natuurlijk volkomen mis. Er kan geen sprake van zijn hier toe te geven aan een godsdienst, i.c. de islam. Op geen enkele wijze.

Het voorlaatste deel heet dan ‘le terrorisme djihadiste aujourd’hui’; de (voor)geschiedenis van de hedendaagse gebeurtenissen wordt verlaten om de terroristische actualiteit te behandelen. Steeds op dezelfde accurate, zakelijke en feitelijke manier, met telkens een bron bij bijna elke bewering.

Het is vooral in dit deel dat de stafbrevethouder aan het woord komt, en dat dus het militaire aspect van heel dit complex op de voorgrond treedt. Cruciaal, aldus Baud, is het onderscheid dat gemaakt moet worden tussen twee wijzen van oorlogvoeren, twee wijzen die elkaar quasi uitsluiten, zodat we te maken krijgen met een asymetrische oorlog: het Westen voert een klassieke oorlog, alsof het vocht in het verlengde van de tweede wereldoorlog; de tegenstander voert een oorlog die enkel te vergelijken is met een guerillaoorlog, maar dan veel verdergaand: er is geen bevelsketen meer, geen logistieke ondersteuning van wie dan ook, evenmin directe financiële steun; het zijn kleine groepen die volkomen autonoom ageren, zoals we dat in Parijs en Brussel gezien hebben, en duidelijker nog in Nice. Dat betekent ook dat het niet de bedoeling is Europa te veroveren (“On ne construit pas une conquête sur une somme d’actions individuelles non-cordonnées et aléatoires!” (p. 264)), maar wel om de Europeanen en hun Amerikaanse meesters uit het Midden-Oosten weg te krijgen. De auteur herhaalt dat vaak en het is inderdaad belangrijk. Want als dat klopt – en ik twijfel er niet aan – dan is het bijna kinderspel om de aanslagen hier te stoppen. Baud:

“L’usage du terrorisme par les Djihadistes en Occident, depuis les années 90, a une finalité différente. Il a pour seul objectif de nous inciter à nous désengager du Proche et Moyen-Orient.” (p.266 – ik cursiveer)

Doen dus! Doodgewoon doen. Maar dat is natuurlijk buiten de waard gerekend, zijnde economische en strategische belangen van Amerika en het Westen. In dit kader geeft de auteur nog een typevoorbeeld van leugenachtige manipulaties: het begrip ‘kalifaat’ werd in deze context gelanceerd door Dick Cheney (p. 275) en de kaarten van dat kalifaat komen rechtstreeks van een extreem-rechtse Amerikaanse website (p. 276) En over de zgn. ‘religieuze’ motivering van de jihadisten zegt hij het volgende:

“L’action occidentale est l’élément déclencheur du processus; la religion fournit le ‘système d’exploitation et permettra de définir le niveau d’engagement et sa cohérence dans l’action d’ensemble; les contacts personnels ou la prison contribuent au réseau logistique et d’appui; tandis qu’Internet apporte des éléments doctrinaux , les méthodes et la partie didactique.” (pp. 291-292)

En hij besluit:

“Son principe de fonctionnement est la quasi-suppression de toute structure de conduite et logistique entre le terroriste et ceux au profit desquels il opère. La subtilité ici est qu’il n’y a pas de chaîne logistique complexe, pas de financement qui passe par des canaux observables , et que l’on amène le terroriste individuel à décider lui-même, de manière autonome – et donc indétectable – à entreprendre son action.” (p. 299).

‘Ceux au profit desquels il opère’ wordt niet verder uitgelegd, maar hier past een opmerking die Baud niet maakt: de zgn. Syriëgangers waar vele politici (Bonte uit Vilvoorde is hier wel de bekendste) het over hebben doen eigenlijk niks anders dan gaan vechten voor de belangen van het Westen, dat hen eerder uitkotste. Want dat Westen wil enkel Assad weg, want die luistert niet naar de dictaten van Washington en Tel-Aviv. Van domheid gesproken! Zowel in hoofde van dat onnozel kanonnenvlees als in hoofde van bepaalde politici.

Het zal zonder meer duidelijk zijn dat een dergelijke oorlog niet gewonnen kan worden, ook niet door het Westen met al zijn technische mogelijkheden. Hoe meer ze zich ‘engageren’ in het Midden-Oosten hoe meer reacties dat zal oproepen en hoe meer en bloediger aanslagen er zullen volgen. Ook de terroristen kunnen die oorlog uiteraard niet winnen; die kan op die manier nog decennia doorgaan. Tenzij er andere zaken gebeuren, dat de oorlog die nu nog grotendeels door onderaannemers uitgevochten wordt (maar die reeds een oorlog is tussen Rusland en de VS/Nato zoals de Spaanse burgeroorlog al een oorlog was tussen het communisme en het fascisme) zich ontwikkelt tot een heuse wereldoorlog, van de Nato tegen Rusland en China. Dat zit er uiteraard dik in. Maar dat zijn mijn conclusies. Baud blijft daarin impliciet.

‘Le constat’ zo heet het laatste deel, waarin hij zijn analyses grotendeels samenvat, en waarin hij wel erg expliciet is: “Ainsi, à l’origine de chaque étape de la crise qui enflamme aujourd’hui le Proche-Orient, on trouve une action occidentale, le plus souvent américaine.” (p. 310) Duidelijker kan het wel niet; en nogmaals: hij geeft altijd bronnen; en een dergelijke constatering zegt natuurlijk ook al wat er zou moeten gebeuren om die processen te stoppen. In elk geval niet wat nu gebeurt. Als goede militair en inlichtingenanalist maakt hij een onderscheid tussen (strategisch) contraterrorisme en (tactisch) antiterrorisme. Nu gebeurt enkel dat laatste, buiten elke strategische visie om reageren de Westerse landen als kippen zonder kop, zodat zelfs niet van tactiek gesproken kan worden, enkel van politionele reacties wanneer het te laat is. De auteur laat in het midden aan wie dat ligt: aan de onbekwaamheid van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of aan de politiekers. Wat mij betreft is het antwoord duidelijk, het zijn deze laatsten die van een totale kortzichtige domheid blijk geven door blindelings de Amerikanen te volgen en enkel op (zeer) korte termijn (verkiezingen) te denken.

Maar je moet je natuurlijk ook vragen stellen bij die inlichtingendiensten. Baud heeft volgens mij de neiging de domheid ervan te overschatten. Tenslotte maken ze ook deel uit van de politiek van het Westen. Het zijn met name de CIA en MI6 (en hun saoedische equivalent) die in Syrië het vuur aan de lont hebben gestoken, en dat vuur nog altijd onderhouden. Baud zou dat minstens moeten weten en er zijn conclusies uit trekken. Misschien is dat te wijten aan het feit dat hijzelf uit die milieus afkomstig is en dus bepaalde zaken niet wil zien. Maar het is een gebrek van zijn boek. Inlichtingendiensten zijn altijd criminele organisaties, maar er zijn natuurlijk verschillen: er zijn grote en kleine gangsters, straatboefjes en Al Capone’s.

De auteur ‘constateert’ nog veel meer, maar het is ondoenbaar om op alle gegevens en details in te gaan. Dit boek zou wel verplichte lectuur moeten zijn voor het journaille en het politicaille, én natuurlijk voor alle studenten pol & soc. Maar ook voor de gewone burger uiteraard. Het opent ogen. Het doet achter de schermen kijken en hoe het daar stinkt. Als Valls na een aanslag bv. zegt dat “expliquer, c’est déjà vouloir un peu excuser”, is Bauds bijtende en ondiplomatieke commentaar: “C’est évidemment absurde, voire idiot.” (p. 397) Maar wel juist natuurlijk, want wat je niet begrijpt en niet kunt plaatsen, kun je ook niet bestrijden. Om dat niet in te zien moet je inderdaad de achterlijkheid en debiliteit van een politieker hebben.

Maar dergelijke ondiplomatieke uithalen naar de een of andere politieke minus habens bewijzen natuurlijk ook een beetje de onmacht tegenover diezelfde politiek, die uiteindelijk de beslissingen neemt.

De auteur doet niet aan toekomstvoorspellingen en zegt dus op geen enkele manier hoe de toestand zal evolueren; maar hij zegt bv. wel dat er op dit ogenblik in hoofde van de djihadisten nog geen strategie is om het Westen te destabiliseren, laat staan te veroveren. Maar gewoon de zinssnede ‘op dit ogenblik’ (au moins pour l’instant – p. 400) zegt al genoeg. De zaken kunnen heel snel evolueren, en waarschijnlijk zullen ze dat doen in kwade zin.

Tenslotte: een van de laatste zinnen van het boek luidt als volgt, en dat is geen nadenkertje, maar eveneens gewoon een ‘constat’:

“Il est significatif de constater que le seul pays où la ‘révolution arabe’ semble avoir fonctionné est le seul pays où l’Occident ne soit pas intervenu: la Tunisie.” (p. 419)

Hieronder: TV5Monde – interview met Jacques Baud n.a.v. het verschijnen van zijn boek.

24/09/2016
door Peter
Geen reacties

24.09.16 – PTB – weg ermee!

ptbZo zou je de diepere teneur kunnen noemen van het boek van Pascal Delwit: PTB, Nouvelle gauche, vieille recette (Editions Luc Pire, Liège, 2014). Maar de auteur is wel gewiekst genoeg om dat nooit en nergens expliciet te zeggen.

Tijdens mijn studententijd ben ik lid geweest van drie organisaties: van de Studiekring Vrij Onderzoek was ik voorzitter, ik was in 1967 al medeoprichter (tenminste dat meen ik me te herinneren) van SVB (StudentenVakBeweging) en de laatste twee jaren was ik lid van MLB (Marxistisch-Leninistische Beweging, de studentenafdeling van wat toen nog AMADA heette); bij die laatste kon ik gelukkig de vergaderingen nooit bijwonen, want ‘s avonds werkte ik op de post, de ‘tri’ van Brussel-Zuid. Ik moest toen al niks hebben van vergaderingen, discussies et tutti quanti

Na mijn studies heb ik nooit de stap gezet naar ‘de Partij’, maar ik ben wel lang blijven meewerken, en vooral volgen wat er daarin en daarrond gebeurde. Waarom nooit die stap? Ik ben nooit een echte militant geweest, ben iemand die liever studeert en leest dan iets anders, plus daarbij: ik had ook toen al een kritische instelling ten opzichte van alles en iedereen en geloofde toen al niet in ‘universele’ waarheden. Dat is tot op vandaag zo gebleven.

Het boek is als volgt gestructureerd: eerst een hoofdstuk over de communistische wereldbeweging, dan over het communisme in België, en dan over de maoïstische stroming, over het algemeen in België (Jacques Grippa vooral, die ik één keer ontmoet heb). Daarna gaat hij over op het eigenlijke onderwerp.

De hoofdstukken van Delwits boek over het begin van de studentenbeweging en de maoïstische uitlopers daarin, vooral aan de ULB (waar ik studeerde) hebben heel veel herinneringen terug naar boven gebracht; sommige figuren die hij noemt zag ik bij lectuur zo opnieuw voor me; sommige belangrijke meetings hadden bij wijze van spreken pas gisteren plaats, zo klaarhelder stonden ze me voor. En dat beeld van het vroege AMADA zoals Delwit het schetst is toch wel erg accuraat; dat denk ik tenminste, omdat het beeld inderdaad zo goed overeenstemt met mijn herinneringen.

Dat belet niet dat ik het met bepaalde zaken fundamenteel oneens ben. Zo herhaalt Delwit uitentreuren het afgezaagde wijsje van de katholieke missionarissenmentaliteit van de ‘amadezen’. Dat die beweging aan de KUL ontstond, dat klopt; dat vele latere kaders ervan in hun jeugd brave katholieken waren, dat klopt; dat de eerste discussie tussen Paul Goossens en Ludo Martens Vaticanum II als onderwerp had, dat zal ook wel kloppen. Maar Delwit doet hier exact datgene wat hij de latere en vooral de huidige PTB verwijt: op de eerste plaats naar de oppervlakte, naar de vorm kijken, en helemaal geen rekening houden met de inhoud. Laten we niet vergeten dat Ludo Martens aan de KUL een concilium abeundi kreeg omdat hij het gewaagd had de pedofilie van priesters aan te klagen in het blad van het KVHV, Hoger Leven.

Maar Delwit is uiteraard hoogleraar aan de ULB, en dus naar alle waarschijnlijkheid lid van het Grootoosten, waar een 19de-eeuwse vorm van antiklerikalisme vaak nog steeds hoogtij viert.

De meest hilarische hoofdstukken uit die eerste periode zijn die, die gewijd zijn aan de Franstalige tegenhangers van AMADA, op de eerste plaats UCMLB; eigenlijk is Delwit hier nog erg braaf. Misschien omdat sommige van de toenmalige protagonisten van die groep later aan de ULB werk vonden en dus collega’s geworden zijn, al dan niet al met emeritaat? Wie zal het zeggen. Feit is dat die groep een politiek gekkenhuis was en niet veel meer – AMADA was in vergelijking daarmee een vereniging van brave koorknapen.

AMADA verdween in 1979 om plaats te maken voor de heuse partij PTB/PVDA. Tot op dat ogenblik was de groep inderdaad op een totaal verkeerde manier bezig wat de internationale politiek betreft: China had altijd gelijk en de Sovjet-Unie was een imperialistische, sociaal-fascistische mogendheid. Zelfs een onzinnig boek van een generaal Close werd toen gepromoot als bevattende de waarheid: op 24 uur zouden de Sovjets aan de Noordzee kunnen staan. Ik heb toen dat boek nog gelezen, ik herinner me nog discussies daarover. Geloofde ik dat? Of wist ik toen al veel beter? In elk geval zat de hele leiding van AMADA toen in een ideologisch dwangbuis van jewelste opgesloten, zo veel is wel zeker. Het ‘suivisme total envers les choix chinois’ klopt dus wel.

Maar wanneer Delwit het voorbeeld van Tien an Men aanhaalt om te ‘bewijzen’ dat het nu nog zo is, dan weet hij zelf wel beter. Heeft hij zich ooit afgevraagd wat het reële alternatief geweest zou zijn? China en zijn economie zouden totaal in elkaar zijn gestort als de leiding de lijn van Gorbatsjov en de studenten gevolgd zou hebben; warlords zouden opnieuw zijn opgetreden, hongersnood zou opnieuw op de dagorde hebben gestaan enzoverder enzovoort. De CKP heeft toen het enige gedaan dat ze kon doen; en ik kan dat zeggen omdat ik niet ideologisch denk.

De Sovjet-Unie is nooit een gevaar geweest voor het Westen, net zomin als Rusland dat vandaag is. Integendeel, totaal integendeel.

Opvallend is wat hij zegt over de leden van de partij, zeker in tijden wanneer het slecht gaat:

“Aucun espoir à avoir. Les membres souffriront. ‘Abîmer sa santé dans un travail lourd et malsain, être licencié, être fait prisonnier, donner sa vie’, tel est le chemin de croix du militant révolutionnaire.” (p. 161 – ik cursiveer)

Ofschoon ik, zoals gezegd geen lid was, weet ik pertinent goed dat dit beeld, en ook de andere beelden van opoffering, ontzegging, lijden etc. helemaal niet overeenstemmen met de werkelijkheid. Ik heb genoeg militanten gekend om te kunnen zeggen dat Delwit hier onwaarheden vertelt – om die partij in een zwart daglicht te stellen. Wat overigens zijn goed recht is, maar dat hij het dan niet doet op de hypocriete manier die zo typisch is voor katholieken.

Ludo Martens

Ludo Martens

Een cruciaal jaar en een cruciale periode voor de PVDA was inderdaad het jaar 1989 en wat eraan voorafging en erop volgde. Dat er toen verkeerde inschattingen werden gemaakt lijkt me volkomen normaal, niemand wist meer hoe of wat, toen. En dat de PVDA in zo’n context probeerde terug te keren naar haar wortels, lijkt me ook normaal. In dat verband gaat Delwit ettelijke bladzijden lang in op Ludo Martens’ boek over Stalin. Maar het blijkt dat hij helemaal niet begrepen heeft dat dit boek op de eerste plaats een propagandistische rol moest vervullen, en bedoeld was om de troepen moreel te steunen en bij elkaar te houden. Als een historisch werk kan het inderdaad helemaal niet beschouwd worden; Ludo kende geen Russisch en hij had totaal geen toegang tot Sovjet-archieven. Ik denk niet dat hij vandaag nog een dergelijk boek op dezelfde manier zou schrijven. Dat hij de essentie van alle historische werken over die periode zou tegenspreken, is overigens een gotspe. Enkel de ideologen zijn het eens over de periode van Stalin, de historici niet.

Overigens, ook Michel Collon krijgt een veeg uit de pan, en Delwit suggereert dat hij medialeugens zou verspreiden. Dat expliciet zeggen, durft Delwit natuurlijk niet, omdat hij pertinent weet dat net dat een leugen is: er zijn er weinigen die zoals Collon grondige politieke analyses geven, zowel op hun website als in hun boeken, en die in tegenstelling tot wat in de mainstreammedia verschijnt, gespeend zijn van propaganda en grotendeels inderdaad overeenstemmen met de werkelijkheid. Wat in het gros van de pers verschijnt zijn gewoonweg medialeugens, aantoonbaar.

Wat de werkelijke bedoeling van Delwit met dit boek is, wordt voor het eerst expliciet duidelijk in hoofdstuk 12, wanneer de auteur de houding van de PVDA tegenover het reformisme van de sociaal-democratie aankaart. Dat onderwerp wordt later trouwens nog hernomen.

Maar het was ook vroeger al aanwezig, min of meer verborgen: het eerste hoofdstuk van zijn boek gaat over de communistische wereldbeweging, en twee keer heeft hij het daarin over Duitsland: hij minimaliseert totaal de nefaste en criminele rol van de sociaal-democratie in het uitbreken van de eerste wereldoorlog en zwijgt over hun rol in de moord op Luxemburg en Liebknecht. En ten tweede: hij vermeldt de gauchistische houding van de KPD die de sociaal-democratie als eerste vijand zag en over ‘sociaal-fascisme’ sprak. Maar hij trekt die houding door tot 1933, wat pure geschiedvervalsing is. Een hoogleraar in de politicologie moet weten dat die gauchistische lijn al op het einde van de jaren twintig verlaten werd, en dat het CC van de KPD ontelbare keren geprobeerd heeft om samen met de SPD te strijden tegen de nazi’s. Altijd tevergeefs, de sossen hebben elke samenwerking systematisch geweigerd, en zetten alles op het parlement. Zo hebben zij, en niet de KPD, de nazi’s mee aan de macht geholpen. Delwit weet dat.

Even erg of nog erger dan dat is een korte passage over Ludo Martens:

“Au surplus, certains épisodes de la vie privée de Ludo Martens au Congo suscitent des questions délicates, une gêne indubitable sinon de l’indignation dans les rangs du parti.” (p. 236)

Of je noemt man en paard of je zwijgt. Maar dit soort suggestieve leugens moet je veel eerder gaan zoeken in publicaties als The Sun of Bild-Zeitung of andere dergelijke strontblaadjes, maar niet in een ‘wetenschappelijk’ boek van een zogenaamde hoogleraar. Dit is gewoon roddel, en niet meer. Hetzelfde wat die zogenaamde dokter van Mao over diens seksleven schreef. Enkel bedoeld om zwart te maken, te denigreren, en zodoende ook de politiek waar die persoon voor staat te denigreren.

En dat is natuurlijk de échte bedoeling van Delwit. Die in zijn loge waarschijnlijk de kopstukken van de PS regelmatig ontmoet, die hem wel zullen hebben ingefluisterd wat er te doen viel. Zo werkt dat.

In dat kader past ook een andere 19de-eeuwse passage, waarin relletjes worden toegeschreven aan ‘opruiers’ van de PTB (p. 207). Tot nog toe is die onzin nog niet echt naar voren gekomen, maar dat totaal vals geworden liedje zal wel vaker bovengehaald worden naargelang er meer maatschappelijke conflicten komen. Voor rechts is nu alles de schuld van de sossen, maar al heel vlug zal het wel allemaal de schuld van de communisten worden – al dan niet betaald door Moskou of Peking.

Het belangrijkste congres van de partij schijnt het achtste geweest te zijn, in 2008. Daar zou de verandering die tot vandaag doorwerkt, en die aan de nieuwe voorzitter, Peter Mertens, toegeschreven wordt, voor het eerst zijn uitgeklaard en dan, in de volgende jaren, met vallen en opstaan, zijn toegepast.

In de rest van zijn dikke boek gaat Delwit dan in op die veranderingen en vraagt zich af hoe ernstig dat is, en of het gemeend is of niet.

Alleszins een interessante vraagstelling.

Peter Mertens Bron: pvda.be

Peter Mertens
Bron: pvda.be

Maar wel een waar Delwit onmogelijk op kan antwoorden, net zomin als ikzelf trouwens of wie dan ook. Gewoon omdat we geen lid zijn van de leidende cenakels van de partij. Delwit kan zich enkel maar baseren op de teksten die verschijnen (al dan niet intern bedoeld) en op de aanwezigheid in de media van topfiguren.

Toch zegt hij met quasi zekerheid dat er een groot verschil is tussen het beeld dat de partij van zichzelf aar buiten brengt (het restaurant) en het interne beeld (de keuken). Je kunt je natuurlijk op de eerste plaats afvragen of dat niet in elke partij zo is? Welke partij gooit de interne discussies op straat?! Zelfs de liberalen doen dat niet (meer).

(En het meest stalinistische beeld dat we de laatste tijd van een partij gekregen hebben is wel de NVA: de grote baas beslist en de anderen zwijgen of mogen het aftrappen. Zelfs in het Politburo van de bolsjewisten in de jaren dertig ging het er niet zo aan toe: Stalin kon, in tegenstelling tot Bart de Wever, wel degelijk in de minderheid worden gesteld.)

Volgens Delwit is de vernieuwing van de PTB dus niet meer dan een schoonheidsoperatie; binnenin zou het dezelfde stalinistische, maoïstische partij gebleven zijn. Onzin natuurlijk, al was het maar omdat die twee niet van elkaar kunnen worden losgekoppeld: veranderingen naar buiten hebben repercussies op het interne partijleven en vice versa. Dat kan gewoon niet anders. En dat weet ook Delwit.

Dat alles kan overigens ook op een andere, juistere manier gesteld worden: er is inderdaad een verschil tussen principes en de manier waarop je die toepast, zelfs de jezuïeten wisten dat al: fortiter in re, suaviter in modo was éen van hun uitgangspunten, en dat is exact wat ook de PVDA probeert te doen, je hoeft daarvoor niet terug te gaan naar Lenin, het is een uitgangspunt dat al veel ouder is en door heel veel politieke en andere organisaties wordt toegepast.

Maar dat past natuurlijk niet in Delwits belangrijkste doelstelling: een mogelijke concurrent van de PS zoveel mogelijk beschadigen. Dat blijkt ook wanneer hij naïef genoeg stelt dat de PTB dezelfde voorstellen doet als de PS in de oppositie (p.288). Naïef omdat daar de clou ligt, omdat daar het verschil ligt: de PS heeft in de oppositie een discours dat totaal in tegenstrijd is met haar praktijk in de regering(en). En dat kun je van de PTB (nog) niet zeggen. Daarom gaat ook de langgerekte vergelijking met de SP van Nederland niet op: die is wel degelijk bereid te regeren (net zoals Die Linke in Duitsland trouwens: overal waar die al mee geregeerd hebben, hebben ze een liberaal beleid gevoerd, zoals alle sociaal-democraten). Hij ‘vergeet’ dat partijen als de PS gewoonweg géén principes meer hebben, zo eenvoudig is het inderdaad. Of hoe noem je dat als een man als Di Rupo in Davos – of all places – iets zo walgelijks en politiek immoreels als de notionele interest gaat aanprijzen – als de eerste de beste liberaal.

Daarmee zijn ook de twee mogelijke evoluties geschetst die Delwit voor de PVDA ziet: of buiten het beleid, en zuiver blijven, en dan steeds aan de marge van de macht blijven met een tiental procent van de stemmen; of vroeg of laat toch mee beleid voeren en zich dus de handen vuil maken.

Maar wat betekent dat concreet: zich de handen vuilmaken? Delwit geeft wel enkele voorbeelden: zo citeert hij de houding van de PTB tegenover Libië (p.354). Maar net zoals in de rest van zijn boek vraagt hij zich nooit af of die houding of dat standpunt klopt. Impliciet gaat hij er vanuit dat die niet klopt, maar omdat hij veel beter weet, zegt hij dat niet expliciet.

Dat is overigens de betere manier van propaganda voeren: impliciet blijven, suggereren, af en toe een valse noot, een onwaarheid ertussen gooien, maar nooit teveel. De lezer moet het wel oppikken, maar zonder dat hij het zelf beseft liefst. Zo stelt hij meer dan eens dat de PVDA zich niet aansluit bij de ‘démocratie représentative’. Dat klopt, maar wie zegt dat die alleszaligmakend is. Het is net omdat de SPD zich daar koppig als een steenezel aan vastklampte, dat de nazi’s aan de macht konden komen in 1933. Delwit weet dat allemaal.

Nog een voorbeeld: Delwit citeert een kader: “Tout ce que les gens ont obtenu dans l’histoire, ce n’est pas par les élections, c’est par la lutte. Encore maintenant. (pp.355-356) Of iets verder: “Vous savez, ce n’est pas le parlement qui a voté la journée des 8 heures (sic), c’est le mouvement ouvrier qui l’a imposée et les parlementaires qui ont suivi (sic)”. In mijn ogen zijn dat waarheden zo groot als reuzenkoeien. En enkel mensen die ideologisch verblind zijn en/of een dubbele agenda hebben zoals Delwit, weigeren dat in te zien. En dat komt eigenlijk gewoon neer op het loochenen van het licht van de zon. Om het op een fascistoïde manier te zeggen: een parlement is een praatbarak voor vet betaalde nietsnutten en nitwits.

En ik denk dat hierover wel wat meer te zeggen valt dan dat het allemaal enkel en alleen met communicatie, met de verpakking te maken zou hebben. Delwits verpakking vol propagandistische trucs en blode beweringen zonder enige bron, plus daarbij de manifeste onwaarheden kunnen er trouwens ook zijn. De pot en de ketel, nietwaar.

Ook in zijn conclusie gaat hij nog in op de tegenstelling reformisme (PS) versus – ja, versus wat eigenlijk? Het komt er gewoon op neer dat hij de houding van de PS verdedigt (zonder ook maar één enkel voorbeeld te geven van verwezenlijkingen van die partij) tegen een partij waarvan je enkel kunt zeggen dat ze consequent links probeert te zijn, inderdaad. Of ze ook nog revolutionair is? Best mogelijk, maar ondertussen zien ze zeker in dat revoluties niet gemaakt worden, maar plaatsvinden – zowat om de anderhalve eeuw. Het heeft dus totaal geen zin te zitten wachten op Le Grand Soir.

En hoe lang dat alles zal duren, zullen we wel zien. Maar uit recente peilingen blijkt wel dit: de mensen zijn niet zo dom als ze worden afgeschilderd, en zien de reuzegrote afgrond tussen praktijk en discours van PS (en groen trouwens ook) zeer goed in. Dat is de enige, en werkelijk de enige reden en oorzaak van een vooruitgang van de PTB. Niets anders dan dat.

Maak ik nu propaganda voor de PVDA? Geenszins. Ik ben er niet bij en zal er ook niet bijgaan. Er zijn zaken in hun programma waar ik het mee eens ben, en andere waar ik het niet mee eens ben. Maar voor degenen die aan het politieke spel willen meedoen en nog een beetje vooruitstrevend zijn en hoop hebben op een betere toekomst – en daar behoor ik niet toe – zijn zij wel het enige alternatief op dit ogenblik. Want of nu de liberalen, de sossen, de gelen, de zwarten of de groenen aan de macht zijn, dat is allemaal lood om oud ijzer: ze voeren allemaal dezelfde neo-liberale politiek.

Pol & Soc, zo noemden we vroeger die faculteit waaraan ook mensen als Delwit verbonden zijn; door mijn interesse in politiek had ik daar evenveel vrienden als op de germaanse, zo niet meer. Maar politicologie, wat is dat voor een vak? Op z’n best is het een mix van sociologie (waarbij je de plaats van partijen in de maatschappij bestudeert, hun evoluties, ledenaantal, stemmenaantal enz.) en geschiedenis (de cursussen van wijlen John Gilissen waren een schoolvoorbeeld van politieke geschiedenis). Maar in het slechtste geval verwordt een dergelijk vak tot pure propaganda met een ‘wetenschappelijk’ sausje erover. En dat lijkt me hier vooral het geval.

Als zelfverklaarde totale misantroop en nihilist ga ik al enkele decennia niet meer stemmen. Ergerlijk tijdverlies vind ik dat. Aan mij heeft de PVDA dus helemaal niets (meer).

21/09/2016
door Peter
Geen reacties

21.09.16 – Vakantielectuur

In de loop der jaren heb ik geleerd genoeg boeken mee op vakantie te nemen om niet zonder te vallen; maar ook niet zo veel dat er ettelijke ongelezen blijven. Ik probeer het zo te doseren dat ik de laatste dag van mijn verlof aan het laatste boek bezig ben. En vaak lukt dat ook nog.

Tijdens de afgelopen vakantie waren het er een stuk of zes, waarvan ik het laatste nog niet uit heb. De andere dus wel, en die liepen van interessant over aangenaam tot verwarrend en tweeslachtig. Ontspanningsliteratuur was er niet bij, die is er bij mij zelden bij. Ik lees bijna principieel om iets op te steken, dat is op zichzelf al ontspannend genoeg.

hans-sachsHet eerste was een Franse vertaling van een geschrift van Hans Sachs, gekocht tijdens een vorige vakantie, in het Musée du Compagnonnage in Tours: Le Livre des Métiers (Das Ständebuch) (Editions Plein Chant, Bassac, 2016), met de bekende houtsneden van Jost Amman.

Interessant en soms ook wel bizar terzelfdertijd. Het genre is natuurlijk het didactische: het zijn leerdichtjes die de beschreven onderwerpen aan de lezer moeten kenbaar maken. En daar valt al iets op: het Franse ‘métier’ en het Duitse ‘Stand’ duiden eigenlijk heel iets anders aan. Het Franse woord duidt enkel aan wat wij ‘ambachten’ noemen, en dat komt ook bijna volledig overeen met de inhoud van het boek; het Duitse woord betekent dat weliswaar ook, maar dan toch in bijkomende orde: het duidt eerder de maatschappelijke standen als ‘adel’, ‘bourgeoisie’ etc. aan. Maar bon, dat is een taalkundig detail.

Het valt uiteraard onmiddellijk op dat dit geschrift uit een heel andere tijd dateert (de 16de eeuw), toen een heel groot deel van het maatschappelijk leven inderdaad nog rond de ambachten en hun ‘gilden’ draaide. Vele van de ambachten waaraan een stukje gewijd wordt, bestaan gewoonweg niet meer, althans hier toch niet.

Maar sommige ervan zijn noch ambachten noch standen, maar gewoon functies in de (toenmalige en huidige) maatschappij: paus, kardinaal, bisschop en priesters bv. Die worden in die volgorde opgevoerd, helemaal aan het begin, en dan pas volgen de keizer, de koning en de prins. Dat is niet zonder betekenis natuurlijk. Op sommigen wordt ook al kritiek uitgeoefend, zo wordt van de monniken bv. gezegd: “Il y a tant d’ordres, de groupes et de sectes/Qu’il n’y reste plus beaucoup d’esprit.’ (p.19); of over de ‘Procurator’ (homme de loi), eigenlijk de advocaat: “Le malheur finit toujours par arriver/Et mon client finit par perdre – mais moi/J’ai déjà rempli ma bourse et ma gueule.” (p.24)

Er zit ook vaak een degelijke en opvallende structuur in de volgorde van de stukjes; zo volgt op de dokter de apotheker; maar soms zijn het veel meer aan elkaar verwante ambachten die elkaar tekstueel opvolgen: vooral met betrekking tot de kleding zijn er niet minder dan elf achtereenvolgende stukjes die daarmee in verband staan, van de wevers over de kleermakers, degenen die de huiden bewerken, de riemsnijders enz. tot de nestelmakers.

Vaak wordt op het einde van een stukje verwezen naar een figuur uit de klassieke oudheid die aan de basis zou liggen van het betreffende ambacht (Minerva bij de oliemakers, Arachnè bij de wevers enz.), maar soms klopt dat niet.

Het einde van het boekje is nogal bizar: vlak voor het einde komt ‘de jood’ aan bod, die uiteraard met geldlenen en woekerwinsten in verband wordt gebracht: ‘J’ai de nombreux frères semblable à moi”, zo eindigt dat stukje (p. 120) en daarop volgen dan vier soorten narren, waarvan de eerste ‘Geltnarr’ (‘avare’) heet, en de volgende ‘vreetzak’, ‘idioot’ en ‘bouffon’ (hier wellicht te vertalen als ‘opgeblazen kikker’).

Aangenaam om lezen, ook al omdat de teksten kort en eenvoudig zijn, en de houtsneden niet te druk en meestal goed passend bij de tekst (maar niet steeds, soms zijn er blijkbaar verwisselingen gebeurd).

000

fethi-benslamaVan een heel andere orde is een essay van de psychoanalist Fethi Benslama: Un furieux désir de sacrifice, le surmusulman (Editions du Seuil, Paris, 2016).

Zoals de titel al suggereert en het beroep van hoogleraar in de klinische psychopathologie van de auteur bevestigt, hebben we hier te doen met een psychoanalytische benadering van de ‘terrorist’ die zich op de islam beroept. Het is op z’n minst een originele benadering, én een die nodig is wanneer je ervan uitgaat dat bij dergelijke ‘terroristen’ altijd een mix speelt van externe factoren, culturele invloeden en interne factoren van psychische aard: niet elke moslim die het Westen verwerpt en de politiek van het Westen hypocriet en moordend vindt, ontwikkelt zich tot een zelfmoordkamikaze. Daar moeten ook individuele oorzaken aanwezig zijn.

Ik ben van oordeel dat Benslama ons hierbij toch een beetje in de steek laat, dat hij niet diep genoeg graaft; wellicht is dat te wijten aan het feit dat hij grotendeels theoretisch blijft, en weinig of geen voorbeelden uit de praktijk geeft, zoals dat in psychoanalytische werken toch meestal gebeurt (al vanaf Freud himself). Maar het is natuurlijk wel extreem moeilijk: degenen waarvan de aanslagen geslaagd zijn, bestaan uiteraard niet meer, en de anderen zitten in de gevangenis en zijn waarschijnlijk niet bereid om zich psychisch te laten onderzoeken, zo dat al zou kunnen wanneer een enquête nog in de onderzoeksfase zit.

Het zal duidelijk zijn dat het begrip ‘surmusulman’ direct geënt is op het Freudiaanse Über-Ich, waarin zowel het geweten van een individu als zijn ‘ideale ik’ aanwezig zijn. Dat ‘ideale ik’ is minstens deels cultureel bepaald.

Het eerste deel van het essay gaat over wat vandaag de dag ‘radicalisering’ genoemd wordt – waarschijnlijk enkel bij gebrek aan beter. Etymologisch kan dat begrip nog wel dienen, maar of het politiek iets betekent – behalve de onmacht van Westerse beleidsmakers om greep te krijgen op een fenomeen dat ze niet begrijpen – betwijfel ik. Inderdaad, naargelang de definitie kun je welhaast iedereen ‘radicaal’ noemen. Daar komt dan ook nog bij dat Benslama – zoals wellicht alle psychoanalysten, behalve degenen die rechtstreeks voor het State Department e.d.m. werken – zeer terughoudend zijn wanneer het erom gaat om politieke gebeurtenissen vanuit de psychoanalyse te benaderen. Zoiets kan immers al te gemakkelijk misbruikt worden door machthebbers. Misschien herinnert iemand zich nog dat in de jaren zeventig hier in België sommigen de ‘geradicaliseerde’ Kris Merckx onder psychiatrisch toezicht wilden stellen – wegens zijn politieke praktijk en uitgangspunten. Net zoals in de voormalige Sovjet-Unie dus. Geen haar verschil.

Een belangrijk gegeven is dat er geen prototype bestaat van de jongere die zich zal gaan zelfmoorden; je kunt dat aan het gedrag amper zien. Wel valt het op, zo Benslama, dat het overgrote deel van de daders piepjong zijn, tussen 15 en 25 jaar grosso modo. Dat is natuurlijk de leeftijd waarop bepaalde aspecten van het ‘Über-Ich’ sterk naar voren treden: men zoekt een weg, men zoekt leidraden, men zoekt bewonderde voorbeelden enz. En daar komt dan het culturele element een rol spelen: de moslimjongeren zullen zich eerder tot figuren uit de eigen cultuur richten, waarvan ze de meningen, handelingen enz. dan gaan interioriseren.

Ik heb het daarnet al even gezegd, en ook Benslama (die hierin een leerling is van Lacan, zoveel lijkt me wel duidelijk) legt de nadruk op ‘radix’, ‘wortel’ (p. 37). Die jongeren zijn in zekere zin ‘ontworteld’, zelfs als ze hier geboren zijn (de cultuur die ze van thuis uit meekrijgen botst immers vaak met de cultuur van buiten, van de maatschappelijke omgeving) en gaan dan op zoek naar een ‘ré-enracinement’, zoals de auteur het noemt. Nogmaals: je kunt een dergelijk proces niet voorspellen in het een of andere individu, je kunt het alleen naderhand vaststellen (wanneer het te laat is vaak). Het komt ook neer op het zoeken naar een (radicale) identiteit; zoals de auteur zelf het zegt:

“Les idéaux comportent donc une radicalité potentielle et explosive, dont les manifestations dépendent des variations individuelles et du contexte sociohistorique.” (p. 43)

Mijns inziens houdt dat ipso facto in dat je aan deze zgn. ‘radicalisering’ weinig of niets kunt doen, zeker niet wanneer het ook nog eens een symptoom is van algemene pubertaire evoluties. Het feit dat ongeveer 40 % van de geradicaliseerden (in Frankrijk) bekeerlingen zijn, sluit daar goed bij aan: men verliest de ene zingeving (het verdwijnen van de katholieke, of algemeen christelijke achtergrond in vele West-Europese landen) en vindt een nieuwe; en nieuwelingen willen het altijd beter doen dan het origineel (op dezelfde manier zijn sommige NVA’ers van vreemde afkomst Vlaamser dan de paus (daarmee zijn dan de Wever en Bourgeois et tutti quanti bedoeld)).

Benslama wijst ook op andere etymologieën: het begrip ouma, als verzamelnaam voor alle islamitische gelovigen is wel bekend; dat is etymologisch verwant met het begrip ‘oum’ dat ‘moeder’ betekent; het opgaan in de moeder is in de psychoanalyse welbekend, enerzijds als oceanisch gevoel van deelname aan het ‘al’ (in de mystiek bv.), waarvoor in de literatuur het beeld van de ‘zee’ vaak onbewust gebruikt wordt; maar anderzijds ook als regressie, als doodsverlangen, als verlangen om definitief te verdwijnen: het is het aspect dat Freud tegenover de libido stelde. Twee elkaar uitsluitende driftaspecten die toch een symbiotische eenheid vormen. Ook Benslama lijkt het zo te zien: “La mort est en quelque sorte une mère qui va enfanter le candidat pour une vie parfaite.” (p.60) Of:

“Ce qui me frappe en écoutant le discours des jeunes qui veulent mourir dans le jihad, c’est qu’il est prononcé comme si la mort allait leur permettre de se réveiller de la vie. Celle-ci serait une illusion, un mensonge, un semblant qui les sépare de la vraie vie. Le jihad leur permet donc de rêver de la mort comme source d’une vie plus vraie,” (p.61)

Bij dat soort ‘denken’ treden altijd in de geschiedenis millenaristische en apocalyptische verschijnselen en denkbeelden op die, en daar ben ik het helemaal eens met de auteur, gewoon wijzen op iets heel simpels als wanhoop – die waarschijnlijk niet als zodanig erkend wordt door de betrokkenen, dus niet benoemd kan worden, en dus ook niet beheerst kan worden. Dan blijft enkel nog de overgang naar de actie: “Ce délire du ciel ne peut exister sans un désespoir de la terre et des hommes. Il y a lieu de parler aujourd’hui d’un désespoir musulman.” (p. 63)

Dan gaat de auteur over naar zijn tweede deel, ‘Le surmusulman et son dépassement’. Hij geeft een beetje een inleiding tot het ontstaan van het fundamentalisme binnen de islam, maar diep gaat hij daar niet op in. Wel stelt hij dat dit een antwoord is op het modernisme, zoals dat door het Westen in de islamitische maatschappijen werd binnengebracht. Wat me ook juist lijkt. Evenals sommige aspecten die tot de kern zelf van de islam behoren (maar ook van andere monotheïstische godsdiensten), zoals bv. de rol van de vrouw. De conclusie van de auteur over dat fundamentalisme:

“Les déshérités ne sont pas uniquement les pauvres matériellement, mais tous les musulmans auxquels on vole l’héritage religieux et qui sont désespérés d’en avoir perdu le sens. Ce discours propose donc une solution ultra-religieuse au désespoir musulman, contre toute forme d’autonomie du politique.” (P. 90-91)

Of, met andere woorden, het opgaan in een groter geheel, het verliezen van zichzelf, met als uiterste consequentie het opblazen van zichzelf. Het heeft te maken met schuld en angst, aldus Benslama. Soms heeft hij daar mooie beelden voor: “Se voir emporter inexorablement  vers l’exil occidental sans Dieu est une crainte récurrente qui s’exprime dans les discours et dans les actes visant à planter partout des minarets comme des clous pour empêcher le sol de s’en aller.” (p. 95)

De ‘surmusulman’ heeft daarbij twee vijanden, enerzijds wat Benslama ‘L’occidental’ noemt, de vijand buiten, en anderzijds de ‘Occidenté’, dat is de vijand binnenin. Die twee verscheuren hem niet alleen, maar beletten hem op te gaan in de godsdienst, die is ‘une puissance sans mesure, parce qu’elle puise son élan dans l’illimité et l’océanique, où tout humain eut un séjour infantile, quand la démarcation entre lui et le monde n’était pas établie.” (p. 99)

Hier had wellicht een passage gepast over Freuds opvattingen over religie. Zoals men weet beschouwde Freud godsdienst als een vorm van collectieve neurose. Ik denk dat Freud het zo stelde omdat hij, gegeven de christelijke context waarin hij toch nog moest werken, niet verder durfde gaan. Volgens mij is godsdienst gewoonweg een vorm van collectieve psychose. Godsdienst bestaat immers voor een heel groot deel uit pure waandenkbeelden zonder enige rationele grond in de werkelijkheid. En laat dat nou net de klassieke definitie van psychose zijn. Overigens kan men met een psychose best leven, ze uit zich niet altijd, kan heel lang aanwezig blijven zonder veel uiterlijke symptomen (bv. in een algemeen aanvaarde context als religie), maar kan onder bepaalde omstandigheden ook snel zeer actief worden en aanleiding geven tot ‘geradicaliseerd’, ‘extremistisch’ of anderszins te omschrijven gedrag.

Een volgend stuk van dit tweede deel gaat over seksualiteit. Daar hoeft geen tekening bij. Alle monotheïstische godsdiensten zijn hier in hetzelfde bedje ziek, én zwaar ziek. Mijns inziens is hun houding tegenover seksualiteit zelfs een symptoom van hun psychose. Achter die houding verbergt zich een afgronddiepe angst, vooral van mannen voor vrouwelijke seksualiteit. Ook hier waarschijnlijk weer die verscheurdheid: zich willen verliezen in dat oceanische, en terzelfdertijd zich niet durven verliezen. Dat is ook de enige context waarbinnen men ‘discussies’ over hoofddoeken, burkini’s en andere dergelijke zaken moet zien.

Een dergelijk essay kan onmogelijk een oplossing voor maatschappelijke problemen voorstellen of bieden. Dat kan de psychoanalyse trouwens nooit, vrees ik. Misschien op individueel vlak, maar dan nog. Enkel verklaringen kunnen hier gegeven worden. Maar de verklaringen van de psychoanalyse hebben voor mij dit gemeen, dat ze enkel maar pessimistisch stemmen. Al die processen spelen zich immers op een onbewust niveau af, en het is niet doenbaar dat in elk individu naar boven te halen. Je blijft dus zitten met éen zekerheid: dat er waarschijnlijk niets aan te doen is, dat het zich moet uitzieken. Met alle mogelijke gevolgen vandien.

000

zizekOok Slavoj Zizek blijkt het niet echt (meer) te weten. Zoals ik meen te kunnen afleiden uit zijn recentste publicatie: La nouvelle lutte des classes. Les vraies causes des réfugiés et du terrorisme. (Editions Fayard, Paris, 2016), waarvan inmiddels in de meeste Europese talen al vertalingen aangekondigd zijn.

Zizek schrijft veel, en vaak sluiten zijn essais direct aan bij de actualiteit; dat betekent dat ze vaak snel geschreven zijn, en weinig structuur en orde vertonen, een beetje alsof ze totaal à l’improviste geschreven zijn. Dat lijkt me ook hier het geval.

Maar dat betekent niet dat hij niets te zeggen zou hebben, integendeel; plus: hij weet vaak verrassende associaties te leggen. Zo begint hij dit boekje met een verwijzing naar de bekende vijf fasen in een stervensproces zoals beschreven door Kübler-Ross; om de houding van (de politici in) het Westen tegenover recente gebeurtenissen te kenmerken. Dat is niet enkel goed gevonden, Zizek duidt er ook een dieper verband mee aan, vooral als het gaat over de fase van de ontkenning.

Een andere goeie is de verwijzing naar Malmström, de Europese commissaris verantwoordelijk voor handel, en dus voor TTIP (ja, in de ogen van Zizek heeft ook dat wel degelijk te maken met vluchtelingenstromen, want hij plaatst alles in het kader van een globaal kapitalisme); hij legt – kan het anders – een link tussen die naam en het inderdaad totaal verwante begrip ‘maalstroom’; ook dat is niet alleen goed gevonden, maar duidt via de naam van de commissaris een belangrijk aspect aan van dat kapitalisme, dat alles dreigt mee te sleuren in een onbeheersbaar wordende maalstroom.

De klassenstrijd waar de titel naar verwijst speelt zich op wereldniveau af, vandaar dat de auteur meent gerechtigd te zijn er maar alles bij te sleuren. Natuurlijk mag hij dat, maar het leidt in een boekje als dit wel tot een totaal gebrek aan structuur, en dat zorgt ervoor dat je uiteindelijk amper nog weet wat je gelezen hebt. Temeer daar Zizek, zoals andere filosofen, soms erg abstract wordt; maar in tegenstelling tot vele andere filosofen sluit hij wel veel concrete voorbeelden in; enkele ervan heb ik al aangehaald. Maar ook de volgende omschrijving van hoe wij in het Westen tegen de zaken aankijken mag er zijn:

“Ainsi, les attaques terroristes à Paris aussi bien que l’afflux désormais constant de réfugiés en Europe sont des rappels transitoires du monde violent qui se trouve à l’extérieur de notre serre: un monde qui, pour nous qui sommes à l’intérieur, se manifeste principalement à la télévision et dans les reportages traitant de conflits lointains, et non comme un élément de notre réalité quotidienne.” (p.13)

Het scherpst is hij daarbij voor een bepaald soort ‘links’; hij gebruikt een hele afdeling van zijn boekje om wat hij ‘les tabous de la gauche’ noemt af te kraken (pp. 24-38); en dat zijn er niet weinig, te beginnen met de hypocriete roep om open grenzen, waarvan iedereen inderdaad weet dat zoiets onmogelijk is. Ook is hij van mening dat wat Europese waarden genoemd wordt, niet zomaar kan worden afgeschreven als een vorm van (neo)-kolonialisme en racisme; net zomin als het willen behouden van een bepaalde manier van leven en denken hier ipso facto racistisch zou wezen; net zoals het verbod om de islam te bekritiseren en in vraag te stellen. Waarbij hij overigens ook de uitgangspunten van de jodenstaat niet vergeet: het judaïsme zoals dat op een vaak genocidaire manier voorkomt in het Oude Testament is in zijn ogen al even ziekelijk als de islam.

Vandaar ook de volgende afdeling: ‘l’obscène face cachée des religions’ (pp.38-55), die begint met een waarheid als een koe:

“Toute analyse critique du sombre potentiel de l’islam devrait incontestablement inclure aussi le judaïsme et le christianisme.” (p. 38)

Wat hij niet zegt: hoe moet je met godsdiensten omgaan, zeker nu die opnieuw overal op de voorgrond treden? Ik heb daar wel een idee over: de grondwettelijke tekst over de godsdienstvrijheid dient te worden aangepast in deze zin:

  • Godsdienstvrijheid moet altijd ondergeschikt zijn aan andere burgerlijke vrijheden en kan nooit tegen die andere vrijheden worden ingeroepen voor een rechtbank; godsdienstvrijheid komt op de laatste plaats;
  • Regels van een godsdienst zijn altijd en in alle omstandigheden, zonder enige uitzondering, ondergeschikt aan civielrechtelijke regels; wanneer men daartegen handelt, vormt dat een strafbaar feit;
  • De verhouding tussen godsdienst en staat wordt gedetailleerd geregeld in een speciale wet.

In die wet kan dan verder alles geregeld worden, van een hoofddoekverbod indien nodig, tot een verbod op gescheiden zwemmen enzovoort. Daarover kan met vertegenwoordigers van godsdiensten vooraf gediscussieerd worden. Het belangrijkste is dat de godsdiensten – ongeacht hoeveel mensen ze vertegenwoordigen, ze blijven in mijn ogen vormen van collectieve psychose – hun plaats kennen, en daar blijven.

Sommigen beweren dat het verdwijnen van godsdienst uit het publieke leven een leegte zou scheppen, die dan door andere zaken ingevuld (kunnen) worden: van politieke doctrines tot andere godsdiensten of geloofsovertuigingen. Wellicht klopt dat (voor een deel). Zizek zelf gaat enkele bladzijden lang in op de rellen die enkele jaren geleden in de Franse voorsteden plaatshadden, en hij stelt (samen met anderen overigens) vast dat ‘l’élément le plus frappant était l’absence totale de perspective utopique positive chez les émeutiers.’, en: ‘Le fait qu’il n’y ait aucun programme derrière ces émeutes est donc un détail intéressant qui en dit long sur l’impasse idéologico-politique dans laquelle nous nous trouvons.’ (pp. 50-51).

Dat is natuurlijk volkomen juist, maar hoe het zover gekomen is, zegt Zizek niet; waarschijnlijk weet hij het ook niet. Ik weet het overigens al evenmin. Vandaar dat hij er niet verder op ingaat, maar overgaat naar de vluchtelingenstromen; de schuld daarvan legt hij – mijns inziens volkomen terecht – bij de militaire inmengingen van het Westen in het Midden-Oosten, vooral inmengingen van de VS en Frankrijk, maar altijd met hulp van Groot-Britannië. In dit verband een detail uit de pers, van na het verschijnen van Zizeks boekje: op een vraag om vluchtelingen op te nemen, antwoordde Saoudi-Arabië vlakaf ‘njet’, maar ze waren wel bereid om vele miljoenen op tafel te leggen om in Duitsland 200 moskeeën te bouwen. Een hoax?

Ofschoon hij het boek of de naam van Huntington niet vernoemt, lijkt het er soms op alsof hij minstens een beetje van diens uitgangspunt over de ‘strijd tussen culturen’ overneemt. Zo stelt hij expliciet: ‘Cependant, et c’est là un autre tabou à briser, combien d’entre eux désirent réellement être intégrés? Et si l’obstacle à l’intégration n’était pas seulement le racisme occidental?’ (p. 71) Hij is zeer genuanceerd wat dit betreft (en zeer zeker veel genuanceerder dan Huntington, die een zuivere politieke ideoloog was), maar gewoon de vraag stellen, zegt al genoeg. Ook hier geen oplossing uit zijn pen, enkel een vage en voor mij lege verwijzing naar Sanders – die zich inmiddels achter Clinton, en dus achter de VS-oorlogen en achter Wall Street heeft geschaard – zoals te verwachten was van een sociaal-democraat. In een volgend stukje stelt hij zeer terecht de vraag naar ‘les limites du prochain’ (pp. 93-104); het is een van de meer abstracte delen van het boek.

Het voorlaatste stukje gaat over ‘les milles salopards de Cologne’ en dus over seks en vrouwbeelden (soms vraag ik me af: waarom wordt er nooit over manbeelden gesproken en geschreven?). Ook hier stelt hij (onoverbrugbare?) tegenstellingen vast.

En in aansluiting op de bekende titel van Lenin, heet het laatste stukje ‘Que faire?’ Wie denkt hier antwoorden te krijgen is eraan voor de moeite. De ‘attitude humanitaire prédominante de la gauche bien-pensante’ wordt nog eens verworpen (terecht, vind ik), maar wat hijzelf in de plaats stelt, komt doodgewoon op hetzelfde neer: Europa moet ervoor zorgen dat de vluchtelingen kunnen ‘survivre dignement’, en men moet op wereldvlak ‘réactiver la lutte des classes, ce qui n’est possible qu’en insistant sur la solidarité mondiale des peuples exploités et des opprimés.’ (p.138)

Wat kun je daar anders over zeggen dan ‘words, words, words’ ? Zowel hier als elders wijst alles op een tegengestelde evolutie, op het verdwijnen van solidariteit; en het woord ‘klassenstrijd’ (ook al vind die effectief nog steeds overal plaats) doet echt zo oubollig aan, dat je met een geschrift als dit niemand zult kunnen overtuigen. Jammer misschien, maar helaas.

Maar de laatste paragraaf van zijn boekje bewijst mijns inziens een beetje à contrario dat hij dat zelf ook wel inziet:

“Peut-être une telle solidarité globale est-elle une utopie. Mais si nous ne la tentons pas, alors nous serons réellement perdus. Et nous mériterons notre sort.” (p. 138)

Als uiting van een totale onmacht en van pessimisme kan dat tellen.

000

Daarnaast was er nog andere vakantielectuur, zelfs een roman (in het kader van het herlezen elk jaar van een of twee auteurs), maar daarover zal ik het niet hebben.

En over de twee andere ernstige boeken zal ik het wellicht afzonderlijk hebben.

01/09/2016
door Peter
Geen reacties

01.09.16 – Het lange sterven van de Sovjet-Unie.

Er is inmiddels over het einde van de Sovjet-Unie al ontzettend veel geschreven, meestal vanuit een bepaalde ideologie; dat is zeker zo in Duitsland, waar een DDR bestaan heeft, die blijkbaar nog steeds voortdurend nageschopt moet worden; kwestie van ervoor te zorgen dat de mensen toch maar niet zouden denken dat daar iets beter geweest zou zijn.

Terwijl daar zo veel zaken beter waren.

Zoals er ook veel zaken slechter waren.

lauterbachReinhard Lauterbach: Das lange Sterben der Sowjet-Union, Schicksalsjahre 1985-1999 (Edition Berolina, Berlin, 2016) is een boek van een andere orde. De auteur zelf zegt in zijn inleiding dat het geen wetenschappelijke studie is, maar wel een ‘journalistiek essay’, zoals hij het noemt. Maar het is dan wel journalistiek zoals je die in het Nederlandse taalgebied met een elektronenmicroscoop moet gaan zoeken. Eigenlijk verwondert dat ook niet: de auteur studeerde geschiedenis en slavistiek aan drie universiteiten. Nu weet ik ook wel dat diploma’s weinig betekenen, maar hier is dat blijkbaar toch niet helemaal waar.

Niet alleen weet de auteur waarover hij het heeft, hij schrijft ook vlot en voor iedereen leesbaar (die Duits kent uiteraard), én hij probeert het hele boek door objectief te blijven. Wat hem aardig lukt. En niet belet dat hij toch wel laat lezen wat hij persoonlijk van bepaalde zaken denkt. Maar één zaak is zeker: hij schrijft niet vanuit een ideologie, welke dan ook. En dat alleen al maakt zijn boek aanbevelenswaardig.

In zijn eerste hoofdstuk keert hij terug naar wat volgens hem de vroege oorsprongen zijn van ‘perestrojka’. In de praktijk betekent dat, dat hij zijn uiteenzetting begint met een boekje van…Joseph Stalin, uit 1952 over de ‘economische problemen van de Sovjet-Unie’. Persoonlijk herinner ik me inderdaad dat gelezen te hebben, in een ook al ver verleden, maar bijgebleven is er niet veel van. Welnu, volgens Lauterbach moeten we de oorsprong van de kwalen van de Sovjet-Unie daar gaan zoeken, in dat boekje van Stalin, waarin deze, in navolging van de NEP van Lenin, zou gepleit hebben om bepaalde kapitalistische elementen in de Sovjet-economie toe te laten. Of daar inderdaad de verre oorsprong ligt, weet ik niet. Een dergelijke stelling lijkt me gewoon juist, je kunt niet in één klap van een feodale naar een communistische maatschappij stappen, daar ligt nog een hele periode tussen, een kapitalistische. Kwestie lijkt me vooral: hoe doe je dat? En daar hebben de Chinezen het wel beduidend beter gedaan.stalin-j

Hierbij een opmerking: Stalin was niet aan zijn proefstuk toe, want reeds in de jaren dertig had hij in het politbureau gepleit om verkiezingen ook open te stellen voor niet-partijleden. De partijleden zelf moesten maar in de praktijk bewijzen dat ze beter waren. Stalin heeft daarvoor in het politbureau geen meerderheid gekregen. Maar je kunt dit wel vergelijken met wat later ‘glasnost’ ging heten. Overigens, Lauterbach vermeldt dit gegeven niet.

Lauterbach gaat dus uit van de economie, van interne problemen met andere woorden. Aan de externe oorzaken gaat hij grotendeels voorbij, hij vermeldt ze slechts; omdat het inderdaad zo is dat een dergelijk construct onmogelijk uit elkaar kan vallen door de invloed van buitenlandse geheime diensten alleen. Zeker een keer of vijf zegt de auteur expliciet dat een bepaalde vraagstelling ‘müssig’ is, d.w.z. zinloos, dat er geen antwoord op mogelijk is. Zo bv. over de intenties van Gorbatsjov, of over het feit dat hij voor een buitenlandse dienst (MI6) gewerkt zou hebben. Omdat al dat soort speculaties in de literatuur voorkomen, vermeldt de auteur ze ook, in een bijzin vaak, maar hij gaat er, volkomen terecht niet op in.

Politiek en economie hangen vanzelfsprekend zeer nauw samen, zeker in een regime als de Sovjet-Unie (maar niet enkel daar!), en dus hangen evoluties op economisch gebied ook sterk af van de opvattingen ter zake van de politici en hun raadgevers. Wat blijkt nu? Die wisten het zelf niet, en hun politiek kwam eigenlijk neer op ‘trial and error’ zonder te weten waar ze heen wilden, wat ze wilden bereiken.

Hier moet ook zéér sterk een andere zaak benadrukt worden: de Sovjet-Unie was helemaal géén dictatuur, no means, op geen enkel vlak. (En dat was al zo onder Stalin. Of hoe kun je anders verklaren dat hij soms in de minderheid werd gesteld?! Maar wellicht was dat anders na de oorlog, toen er inderdaad van een ziekelijke persoonsverheerlijking sprake was. Ik heb hier de film liggen over de begrafenis van Stalin. Het lijkt erop dat God de Vader himself gestorven is.) En is dat trouwens ook nu, onder Poetin, niet. Er waren binnen partij en staat verschillende strekkingen, die het zelfs over de belangrijkste zaken niet eens waren, en waartussen dus een compromis gezocht moest worden. Wel is het blijkbaar zo dat Gorbatsjov in de loop der jaren steeds meer de neiging kreeg om alles maar zelf te beslissen. Hoe dat komt behoort ook weer tot de speculatieve vraagstellingen.

Over die intenties van Gorbatsjov: het gerucht gaat nog steeds, en wordt door sommige historici ook voor waar aangenomen, dat hij tijdens een toespraak aan een Amerikaanse universiteit in Turkije gezegd zou hebben dat het zijn bedoeling was het communistische systeem te begraven. Lautenbach beweert dat een dergelijke universiteit in Turkije niet zou bestaan, en hij verwijt Gossweiler dat voor waar aan te nemen (het bestaan daarvan dus). Maar in Istanbul is een campus van de Girne American University van Noord-Cyprus te vinden (http://istanbul.gau.edu.tr/). Alleen is het niet duidelijk hoe lang die al bestaat en dus of Gorbatsjov daar ooit een toespraak heeft kunnen houden. Het zal wel een hoax zijn!
gorbachov

Maar de economie dus. Zelden heb ik zo duidelijk en helder kunnen lezen wat er in de praktijk aan schortte in de Sovjet-Unie, zowel op macro-economisch vlak, bij de planning dus, als op het vlak van de afzonderlijke bedrijven en bedrijfstakken. Lauterbach noch ikzelf zijn totale tegenstanders van planning (elk goed gerund bedrijf doet dat, een jaarplanning opstellen binnen een meerjarenplanning) maar de rigiditeit waarmee dat ginds gebeurde, liep blijkbaar toch de spuigaten uit. En wanneer de bedrijven zelf dan ook nog eens doen wat ze willen, kan dat alleen maar hommeles geven.

Ook op landbouwvlak was veel mis: grote delen van de oogst lagen gewoon te rotten, omdat er te weinig vervoerscapaciteit was. En op militair vlak was er een leger van vijf miljoen man, terwijl BRD en DDR samen amper 650.000 soldaten hadden. En zo kan men verder gaan voor andere gebieden van maatschappij en economie.

Van één zaak was de volledige leiding van de Sovjet-Unie wel zeker toen Gorbatsjov het roer overnam: er moet dringend iets veranderen. Reeds van bij het begin was volgens Lauterbach iets niet juist:

“Vor dem Hintergrund dieser Abläufe ist es zweifelhaft ob mit Michail Gorbatschow jemand die Nachfolge an der Parteispitze antrat, der ein ‘wahrer Gläubiger’ an den Sozialismus gewesen sei.” (p.61)

Waar dan nog bij komt dat, zoals reeds gezegd, minstens vijf verschillende stromingen gedetecteerd konden worden binnen de partij en haar top, stromingen die elkaar grotendeels uitsloten. Waar dan ook nog bijkomt dat Gorbatsjov, naast al dan niet terechte twijfel aan het systeem, ook een grote mate van politieke naïveteit vertoond schijnt te hebben, met name als het om buitenlandse zaken ging.

De titel van het derde hoofdstuk, over het begin van de ‘perestrojka’ is in dat licht bezien, meer dan juist: ‘Mit Volldampf in die Pleite’.

En dat is dan ook gebeurd. En dat is dan ook wat de auteur in de volgend bladzijden en hoofdstukken van zijn boek schetst, vaak met zeer sprekende, veelzeggende details over het reilen en zeilen van die partijtop (die overigens in totaal niets verschilde van de top van andere partijen: hongerige haaien die elkaar naar het leven staan en verscheuren als het moet: zie Jeltsin en Gorbatsjov).

Hoe het aan die top gesteld was, toont ook een ander iets:

“…dass es womöglich noch einen dritten und vielleicht entscheidenden Grund gab, warum das Politbüro 1985 Michail Gorbatschow und nicht Grigori Romanow zum Nachfolger des an den Folgen übermässigen Alkoholgenusses verstorbenen Konstantin Tschernenko wählte: Er trank nicht oder jedenfalls nicht regelmässig.” (p.73)

Inderdaad, een van de eerste beleidsmaatregelen was een anti-alcoholkampagne, die nefaste economische gevolgen had, omdat alles eraan geïmproviseerd was. En dat was enkel het begin. Nochtans, ook dat was blijkbaar wel nodig: “Unter Breschnew soff sich die sowjetische Gesellschaft allmählich ins Koma, und das ist keine Übertreibung.” (p.75) Maar: de alcoholbelasting bracht een vierde van het budget op, terwijl de militaire uitgaven eveneens een vierde van het budget uitmaakten. Zie je het reusachtige probleem? Ook een ‘Mineralsekretär’ zou daar niets aan kunnen doen.

De auteur maakt veel gebruik van statistieken, en blijkbaar weet hij wel min of meer hoe hij die moet gebruiken, en vooral waar hij die moet zoeken – liefst niet bij vijandige geleerden of staten.

Een veel zwaardere fout was blijkbaar het feit dat grote delen van de economie gedecentraliseerd werden naar de deelstaten toe: dat legde volgens de auteur werkelijk de basis voor de latere desintegratie, én, daaruit voortvloeiend, voor de heropleving van het ziekelijkste nationalisme, op een schaal zoals sinds de jaren dertig en veertig niet meer gezien was. Om dat te onderdrukken is blijkbaar toch wel een vorm van verlicht absolutisme nodig, en zeker géén democratie zoals die in het Westen opgevat wordt.

Het volgend hoofdstuk gaat voor een groot deel over Tsjernobyl en de gevolgen; het was de aanleiding voor ‘glasnost’, omdat er zo slecht gecommuniceerd werd. De auteur is blijkbaar goed thuis in het marxisme (hoewel nergens uit blijkt dat hijzelf marxist zou zijn), gelet op zijn beoordeling van Gorbatsjov’s houding ten opzichte van dit probleem:

“Der Chef des Landes, in dem jeder Student – er selbst war keine Ausnahme – mit dem historischen Materialismus vertraut gemacht wurde, argumentierte mit einem Idealismus, der nur verwundern kann. Oder andersherum gesagt: Der Idealismus war die Kehrseite einer offenbar weitgehenden Ratlosigkeit, wie das ökonomische System zu den erwünschten Reaktionen im Sinne einer ‘Beschleunigung’ und Modernisierung zu bringen sei.” (p. 108)

Als dat klopt – en niets wijst erop dat dit niet zou (kunnen) kloppen – dan verwondert het niet, dat ook verder voortdurend de ‘verkeerde’ beslissingen genomen werden, zodat uiteindelijk, onder Jeltsin ook openlijk en in de kortste tijd en op de brutaalste wijze het kapitalisme opnieuw werd ingevoerd.jeltsin

Het ‘vrij’ maken van de pers was de volgende nefaste maatregel, die het systeem verder ondermijnde en ook rechtstreeks zorgde voor een heropleving van het nationalisme, eerst in de Baltische landen; in sommige daarvan worden vandaag SS-ers openlijk bewierookt en geloofd – zo ver zijn we in de tijd als teruggekeerd. En dan heb ik het nog niet eens over de huidige democratische naziregering van Oekraïne (over de oorlog aldaar heeft Lauterbach voor twee jaren reeds trouwens ook een boek gepubliceerd).

Daarmee was dus de doos van Pandora definitief geopend. Maar of de hoop er nog in achterbleef? Vooreerst niet uiteraard, en al heel zeker niet voor de miljoenen gewone burgers van al de nieuwe en oude staten; het gaat zelfs zo ver dat in sommige streken opnieuw struikrovers bezig zijn. Eén voorbeeld:

“Die Folgen (van de vrije prijsvorming) waren im wahrsten Sinne des Wortes umwerfend: Im Laufe des Jahres 1992 stiegen die Rubelpreise für Eier um 1900 Prozent, für Seife um 3100 Prozent, für Brot um 4300 Prozent und für Milch um 4800 Prozent.” (p.166)

En:

“Allein 1992 stürtzte das Brutosozialsprodukt in Rusland um 42 Prozent ab, bis 1996 zog sich der Rückgang hin, und schon 1998 erschütterte die Nächste, nun schon oligarchisch hausgemachte, Finanzkrise die Ansätze zu einer Stabilisierung des Landes.” (p.168)

En toen, in 1999, kwam éne Vladimir Poetin; toen kon het Westen opnieuw beginnen roepen en tieren over dictatuur en vrije pers en alle andere van hun hypocriete dada’s, waar ze elders geen zier om geven.poetin

Lauterbach is duidelijk geen vriend van Poetin, maar evenmin van de hypocrisie van het Westen. Voor hem is Poetin gewoon een product van het nieuwe economische systeem, dat, zoals in de tsarentijd, opnieuw grotendeels stoelt op gas- en olie-uitvoer, en op de uitvoer van andere grondstoffen. De industrie, zoals die in de Sovjet-Unie bestond, is marginaal geworden, zeker voor de grote oligarchen. Dat maakt het land zeer kwetsbaar natuurlijk. Poetin heeft nochtans ook goeie dingen gedaan: Rusland uit de klauwen van het Westen gehaald (vandaar de razernij alhier, en de haat tegen Poetin) en aan de oligarchen gezegd: de politiek voert het bevel. Maar in hoeverre dit laatste klopt, weet ook Lauterbach nog niet te zeggen.

Welk bilan kan getrokken worden uit deze geschiedenis? Voor objectieve schrijvers (of die dat proberen te zijn): eigenlijk zeer weinig. En voor het Westen was dat gewoon het ultieme bewijs voor het feit dat het systeem niet werkte en dus wel ten gronde moest gaan. Daarop antwoordt Lauterbach dan weer (en daar ben ik het natuurlijk mee eens):

“Ein beliebtes Argument in der Bilanzierung der Perestroika lautet: Trotz allen guten Willens von Michail Gorbatschow habe sich der sowjetische Sozialismus als nicht reformierbar erwiesen, und sein klägliches Ende sei von daher wenn nicht historisch gerecht, so doch zumindest unabwendbar gewesen. Allerdings ist dieses Argument eine Tautologie wie die, aus dem Tod eines menschen auf seine Sterblichkeit zu schliessen.” (p.201)

De Sovjet-Unie is verdwenen en zal, zoals hij was, niet meer terugkomen, zoveel is wel zeker. Hoe de zaken dan wel zullen evolueren is evenmin zeker, en Lauterbach gaat daar dan ook helemaal niet op in. Wel is het zo dat sinds Poetin orde op zekere zaken heeft gesteld, en van Rusland opnieuw een sterke staat heeft gemaakt, die op zijn soevereiniteit en onafhankelijkheid staat, Rusland in minstens die zin de opvolger van de Sovjet-Unie geworden is, dat het opnieuw een gezworen vijand van het Westen geworden is, want dat Westen, USA en NATO voorop, dulden geen onafhankelijke en soevereine staten, zeker niet wanneer ze dan ook nog eens zo rijk aan grondstoffen zijn als Rusland.

Daarover heeft Lauterbach het één enkele keer, ook in zijn conclusie; hij geeft dit zo, zonder meer, en zonder te gaan speculeren, dat vermijdt hij, zoals ik al zei, zijn hele boek door:

“Man kann das die Tragik der Geschichte nennen, wenn einem moralisch zumute ist. Es zeigt aber jedenfalls in seinem Höhepunkt eine Konstante der sowjetischen Geschichte: Sie war von Anfang bis zum Ende ihrer Existenz ein von Feinden umgebenes Land. Feinden, die geographisch mal näher, mal weiter von Moskau und Petro- beziehungsweise Leningrad entfernt standen, aber Feinden, die der Sowjet-Union eines nie verziehen haben: dass ihre Gründer 1917 mit dem Wirtschaftssystem gebrochen hatten, dessen Ideologen so gern die Geschichte mit ihm enden lassen würden.” (p.186)

Ook al bestaat de Sovjet-Unie al lang niet meer, en ook al is het huidige Rusland een kapitalistisch land, toch is het opnieuw door roofzuchtige vijanden omgeven; door vijanden die op dit ogenblik duidelijk een nieuwe oorlog aan het voorbereiden zijn tegen Rusland (en tegen China, met Rusland verbonden). Die oorlog zal er komen, gelet op de wetmatigheden van het kapitalisme, daarover moet men zich geen enkele illusie maken.

Maar ze moeten één zaak niet vergeten: Napoleon heeft het geprobeerd in de 19de eeuw, hij is met de staart tussen de benen teruggekomen. Hitler heeft het geprobeerd in de 20ste eeuw, enkele jaren later slechts wapperde de Sovjetvlag boven de rijksdag in Berlijn. Waarom zouden de oorlogszuchtige bandieten van de NATO het de derde keer, in de 21ste eeuw beter doen?

31/08/2016
door Peter
Geen reacties

31.06.16 – Wapenbroeders

Bijna een halve eeuw is het geleden dat ik een op bepaalde punten erg belachelijke licentiaatsverhandeling over het Werk van Boon geschreven heb. Belachelijk wat de politieke uitgangspunten betreft, inderdaad. Maar dat belet niet dat er toch ook wel iets goeds in gestaan zal hebben, of iets dat juist en raak was.

wapenbroedersIk zou graag nog eens kunnen herlezen wat ik toen geschreven heb over de roman Wapenbroeders, waarvan zonet een nieuwe uitgave verzorgd werd in de reeks ‘Verzameld Werk’ van Boon, met een uitgebreid woord nadien van de hand van Kris Humbeek.

Die uitgaven schaf ik me slechts zelden aan; niet omdat ik ze slecht zou vinden, integendeel; eerder omdat de boekkwaliteit me tegensteekt, en ik alle uitgaven van Boon sowieso al heb, vaak in mooie gebonden uitgaven in plaats van de niet eens in katernen gedrukte paperbacks van die reeks.

Maar van sommige boeken van Boon wou ik meer weten, en die delen heb ik dan wel weer aangeschaft; wegens de nawoorden van Humbeek dus, die altijd goed gestoffeerd en ter zake zijn, zonder overbodige uitweidingen, en ook nog eens, bij alle wetenschappelijkheid, goed geschreven.

Sommige boeken van Boon heb ik zodoende ook herlezen, voor zover ik dat vroeger al niet gedaan had, want een boek als De Paradijsvogel bv. heb ik toch wel een drie keer gelezen. Daar staat dan wel weer tegenover dat ik De Kapellekensbaan / Zomer te Ter-Muren nooit herlezen heb; zo moet ik tot mijn schande toegeven.

Maar nu dus Wapenbroeders. Degenen die iets meer dan oppervlakkig op de hoogte zijn van het werk van Boon, weten dat dit een bewerking is van de verschillende Vlaamse, Franse en zelfs een Duitse versies van wat bij ons Van den vos Reynaerde heet. Wat in al die versies verstrooid door elkaar lag, heeft Boon in een ‘normaal’ chronologisch verhaal gegoten, dat volledig draait rond de spitsbroeders én tegenstanders Reinaert (de vos) en Isengrimus (de wolf). Wie de oorspronkelijke teksten, vooral de Vlaamse en de Franse kent, zal onmiddellijk de anekdotes herkennen, de losse verhalen zeg maar, maar ook hoe Boon die naar zijn hand zet, niet enkel om een afgerond verhaal te maken, maar vooral om het verhaal vol te stoppen met verwijzingen naar het eigen leven en de eigen tijd. Dat is wat Humbeek in zijn nawoord grondig uitpluist en aantoont.

De roman zelf had ik nooit herlezen. En weer eens blijkt hoe bedrieglijk een geheugen is. Of moet ik zeggen: hoe diep bepaalde (voor)oordelen erin wortel schieten, en hoe gemakkelijk?

Voor mij was Wapenbroeders de afrekening van Boon met de KP en zijn overgang van het ‘rode klooster’ (de KP) naar het ‘roze klooster’ (de BSP). Dat zit er zeer zeker in, maar eigenlijk is het maar een heel klein facet van het boek. Eigenlijk is het één grote afrekening, met de politiek, met de medemens, met de wereld in z’n geheel zou je kunnen zeggen. Daar ligt ook het verschil met de vroege versies van het Reynaert-verhaal: Reynaert werd daar min of meer voorgesteld als een positieve held, en hij was dat grotendeels ook. Hier krijg je de indruk dat hij eveneens wordt voorgesteld als een positieve held, maar de facto is hij het absolute tegendeel: een profiteur van alles en iedereen, die daarbij letterlijk over lijken gaat.

De verteller noemt zichzelf enkele keren een ‘nihilist’, waarbij het in het midden blijft of hij dat ook is of niet. Maar de toon van het boek is zo, dat je eigenlijk tot geen andere conclusie kunt komen. En dat is al helemaal in ’t begin het geval:

“Maar als ge dit toch leest, dorpers ende dooren, begin dan niet te doen gelijk de raven die krassen en alles zwart maken, in de winter de sneeuw en in de zomer het koren, maar leer eruit dat in deze tijd zowel als in alle tijden achter de schoonste leuzen alleen bedriegtdeboer hoogtij viert, en de idealen werden uitgevonden om er een stuiver aan te verdienen.” (p.15)

Deze stelling wordt het boek door volgehouden en uitgewerkt: iedereen bedriegt iedereen en wordt door iedereen bedrogen. Daar en van niets anders hangt de wereld aan elkaar. Daardoor is het boek in feite totaal amoreel. Ook ‘moraal’ in al zijn vormen kan immers onder de rubriek ‘idealen’ gerangschikt worden; ‘moraal’ schrijft immers altijd voor wat ‘goed’ is en ‘kwaad’, en dat voorschrijfgedrag kadert onomwonden in wat meestal een ‘wereldbeschouwing’ of een ‘ideologie’ of iets dergelijks genoemd wordt, in elk geval een set van opvattingen die een min of meer ‘ideale’ wereld willen bereiken. Het communisme, waar Boon lang in geloofd heeft, valt daar duidelijk onder.

Ik denk dat Humbeek in dit verband wellicht een steek heeft laten vallen, of, beter gezegd: niet heeft durven doordenken.

Wat zijn immers de consequenties van een dergelijk nihilisme? Dat alles toegelaten is. Dostojewski beweerde via een van zijn beroemde personages dat alles toegelaten is als God dood is. Boon gelooft niet in welke God dan ook. Maar hij komt tot dezelfde conclusie: als er geen ‘goed’ en ‘kwaad’ meer bestaat, als elke vorm van moraal enkel maar bedrog is, dan kan enkel nog de wet van de sterkste heersen, en dan is inderdaad alles toegelaten. De vos in deze roman is de schitterendste illustratie van die stelling. Hij kent immers geen moraal en instrumentaliseert alles wat op zijn weg komt, voor zijn eigen meestal onmiddellijke doeleinden. Daarmee is hij overigens een schitterend icoon van het hedendaagse kapitalisme.

Maar is de roman inderdaad ‘zo veel meer dan het product van machteloze frustratie en rancune’, zoals Humbeek stelt? Ja en nee. Nee, omwille van de ontgoochelingen van Boon in de naoorlogse maatschappij en met name in de KP, en nog allerlei zaken, die Humbeek uitgebreid en degelijk te berde brengt. Ja, omdat hij die frustratie en die rancune op een ongeëvenaarde manier weet te verwoorden, en daardoor ook te veralgemenen en te overstijgen. Ja dus door het schrijfproces, dat de facto het nihilisme weerlegt.

Een volle nihilist schrijft niet; die trekt zich gewoon uit de wereld en de maatschappij terug. Oppervlakkig gezien kan hij nog meedoen, maar dan enkel omdat het niet anders kan: er moet brood op de plank komen, want zelfmoord is een te positief iets om te overwegen; en betekent dat je de rotzooi die het leven is veel te ernstig neemt. Nihilisme kan dus uiteindelijk enkel maar leiden tot de maatschappij van vandaag; een maatschappijvorm die Boon al heel, heel vroeg gedetecteerd heeft (het best en het gevarieerdst in De Kapellekensbaan / Zomer te Ter-Muren) als zijnde nihilistisch; een maatschappij die een (voorlopig?) culminatiepunt bereikt heeft in het ongebreidelde en extreemste en meest extremistische liberalisme van vandaag: dat van de De Wevers en de de Ruttensen, voor wie liberalisme enkel nog economisch liberalisme is van de ergste soort: de strijd van allen tegen allen van Hobbes, en dat de sterksten winnen en alle zwakkelingen verrekken.

Dat betekent ook dat Humbeek zich vergist wanneer hij stelt dat dit de roman is over de positie van de kritische enkeling in de Westerse wereld. Dat zou de ‘centrale problematiek’ van de roman zijn. Ik denk het niet, gewoon omdat Reinaert in dit boek géén voorbeeldige enkeling is, helemaal niet kritisch is, tenzij uiteraard op de nihilistische manier die eigen is aan deze maatschappij. Waarbij we eigenlijk moeten bedenken dat dit nihilisme innerlijk tegenstrijdig is. Volgens de filosofen geldt dat voor het ontologisch nihilisme, en daar is eenieder het wel over eens; maar volgens mij geldt dat eveneens voor het morele nihilisme, waar het in deze context over gaat. Dat is immers enkel mogelijk wanneer je niets doet en niets denkt; want zelfs wanneer je tegenover elk argument een tegenargument zet, in die zin dat alles tegelijkertijd waar is en niet-waar, én omgekeerd, en dat je daarmee doorgaat tot je op de muur stuit die op een afwezigheid van enig verder criterium neerkomt, dan nog ben je enigszins positief bezig, met het dóórdenken tot aan de laatste grondslag – die er inderdaad wellicht niet is.

boontje

Boon heeft zover doorgedacht, dat lijkt me wel zeker; en hij is op die muur gestuit, hij heeft ‘en dan?!’ gezegd, waarna alle discussie overbodig is; maar hij is wel altijd blijven schrijven, én: hij is altijd betrokken gebleven bij de wereld en de maatschappij waarin hij leefde en werkte. Hij was dus duidelijk géén vos zoals hij die in dit boek schetste. Een stuk ervan heeft zeker in hem gezeten, maar hij is er nooit mee samengevallen.

Maar tot die conclusie kwam ook Humbeek zelf al.

In deze context lijkt me verder nog éen zaak van groot belang, waar noch Humbeek noch Boon zelf op ingaan. Naast morele regels bestaan er ook maatschappelijke regels, nl. het heersend positief recht (dat begrip heeft niets te maken met enig ‘positiefs’ maar duidt enkel het vigerende recht aan). Beide hebben niets met elkaar te maken. Maar nihilistisch leven in de betekenis van: zonder moraal leven, dat is perfect denkbaar en doenbaar. Zonder recht leven daarentegen is wel denkbaar, maar niet doenbaar. Want dan komen we echt in de oertoestand van Hobbes terecht, waarin enkel nog de strijd van allen tegen allen geldt.

Maar in de visie van de verteller van Wapenbroeders zijn ook die rechtsregels niets dan bedrog. De rechtsstaat is een fictie, uitgevonden door machthebbers om hun belangen te dienen. Net zomin als er moraal bestaat, bestaat er recht. Want in laatste analyse is élk recht immers niets anders dan het recht van de sterkste. En dus gaat het altijd over macht, nooit over recht.

Ik vrees dat Boon hier uiteindelijk wel eens gelijk zou kunnen hebben. Maar zelfs de politiekers zien dat niet echt in – op hier en daar een uitzondering na wellicht. En dan blijft de vraag: wie moet dan maar de sterkste worden, wie moet dan macht uitoefenen? De equivalenten van de vos? Of moeten we elke macht zo veel mogelijk ondermijnen?

Samen met zijn hoofdwerk lijkt me deze roman degene waarin Boon het diepst gegraven heeft in de ordening en de fundamentele impulsen van de individuen en van de maatschappij die ze al dan niet, of willens of nillens vormen. Het gaat dus veel verder dan het (eigenlijk afwezig) kritische individu. Het is een metaforische diagnose van een zieke maatschappij. Waartegen, zeker in de ogen van de verteller, niets te doen is.

22/08/2016
door Peter
2 reacties

22.08.16 – Walschap

Als ik goed gekeken heb, zijn op dit ogenblik nog twee boeken van Gerard Walschap in de reguliere boekhandel: een niet al te beste roman uit de nalatenschap, en een soort omnibus. In een taalgemeenschap waar langs beide zijden cultuurbarbaren het voor het zeggen hebben, verwondert dat uiteraard niet. Walschap is trouwens de enige niet: van sommige van zijn tijdgenoten is geen enkele titel meer leverbaar. En in geen enkel geval heeft dat iets te maken met de al dan niet aanwezige kwaliteit van het werk in kwestie, enkel en alleen met de barbarencultuurpolitiek.

walschapDaarom alleen al zijn sommige initiatieven zeer prijzenswaardig, zoals de pas verschenen Walschapreader: Kris Humbeek, Valerie Rousseau, Maksim Marissen, Maxime van Steen (Eds.): De mens, ge kunt gij daar niet aan uit; Gerard Walschap, een becommentarieerde bloemlezing (Uitgeverij Acco, Leuven, 2016). Het boek is expliciet bedoeld voor leerlingen en studenten. Het feit dat het bij Acco uitgegeven is, wijst daar al op. Maar dat roept bij mij ook al onmiddellijk een vraag op: Acco geeft normalerwijze enkel uit op kosten van de auteur, waren er dan geen reguliere uitgevers bereid om dit, of een ander boek van of rond Walschap uit te geven?

Hoe dat ook zij, in vijf hoofdstukken weten de auteurs

(de auteurs? ik heb de sterke indruk dat de verbindende tekst enkel door Kris Humbeek geschreven werd; de aanwezigheid van treinen doorheen de tekst wijst daar onweerlegbaar op; Humbeek heeft iets met treinen, en ik verwacht eigenlijk nog wel eens een boek van hem over de trein in de Nederlandse letteren)

aan de hand van goed gekozen fragmenten het gehele werk van Walschap grondig te schetsen, met sterke nadruk op zowel de evolutie binnen dat werk als op datgene wat op een steeds houterige manier daarin hetzelfde gebleven is, op het eind op een echt verkrampte manier.

Iedereen die zich ooit met zijn werk heeft bezig gehouden weet dat de jonge tiener die Walschap was, pastoor wou worden, missionaris met name om het goede woord te verspreiden bij iedereen in de derde wereld (zo zou men dat pas veel later gaan noemen) die daar nog geen kennis van had. Priester-missionaris is hij uiteindelijk niet geworden, maar profetisch verspreider van de Waarheid wel degelijk, tot op het einde zelfs. Dat aspect vooral weten de auteurs zeer sterk naar voren te brengen. Het is wellicht ook een van de belangrijkste aspecten van de persoon Walschap en van zijn werk en, zo vermoed ik, een van de redenen waarom zijn werk nu eigenlijk niet meer echt zal aanslaan. Ik vrees dat de goed bedoelde poging van Humbeek c.s. daar niets aan zal veranderen.

Wat mij eigenlijk verbaast, is hoe lang Walschap nog officieel katholiek is gebleven; in mijn herinnering was het daarmee afgelopen na Adelaïde, maar dat klopt dus langs geen kanten: tot aan de oorlog zeker, en misschien zelfs nog iets later. De vrijzinnige Walschap treedt in elke geval pas op na die oorlog, met name in het socialistische Nieuw Vlaams Tijdschrift, dat dan begint te verschijnen. Je kunt dus stellen dat Walschap twintig jaar lang een katholiek schrijver geweest is.

Veel heeft het hem niet opgebracht, want vanaf dat zonet genoemde boek, kreeg hij hoe langer hoe meer tegenwind van katholieke zijde; ofschoon de werken uit de jaren dertig eigenlijk zeer goed te vergelijken vallen met die Greene in Engeland of, meer nog, François Mauriac in Frankrijk – ook twee uitgesproken katholieke schrijvers. Terloops wijzen de auteurs wel naar buitenlandse tijdgenoten, maar mijns inziens doen ze dat niet voldoende. Maar misschien hadden ze dan expliciet moeten toegeven dat Walschap meestal de mindere was van zijn buitenlandse confraters? Maar dat gold voor quasi alle Vlaamse schrijvers – op hier en daar een uitzondering (eigenlijk enkel Van Ostaijen, ook als prozaïst) na.

Zeker in de eerste twee hoofdstukken publiceren de auteurs wel wat teksten die niet zo gemakkelijk meer toegankelijk zijn, met name uit tijdschriften. Zowel uit die teksten zelf als uit de commentaar erbij komt een beeld naar voren van een Vlaanderen waar de enige en ware moederkerk inderdaad nog in het midden stond. Eigenlijk heeft dat geduurd tot in de jaren zestig en ik heb dat Vlaanderen nog even meegemaakt. Ik betreur dat niet, maar verlang er evenmin op enige manier naar terug. Die Vergangenheit ist klar vorbei.

Om daar in de jaren dertig al uit weg te breken moest je een grote mate van koppigheid hebben en vooral, vrees ik, de zekerheid in het bezit te zijn van de, of minstens toch van een grote Waarheid. Die waarheid werd hoe langer hoe meer een sciëntistisch rationalisme, dat mijns inziens wel een beetje een late Vlaamse navolging is van het positivisme van Comte. Positief was het werk van Walschap trouwens ook in de dagdagelijkse betekenis van dat woord: Walschap kende geen pessimisme, de mensheid was op weg naar een stralende toekomst, en om daar te geraken moesten enkel nog een paar kleine weerstanden opgeruimd worden; dat alles was enkel een kwestie van gezond verstand.

Maar daar zijn we al aangeland bij de late Walschap, die van de jaren zestig en zeventig.

Voordien was er nog een oorlog geweest, waar Walschap dan uiteindelijk wel ongehavend uit gekomen is, maar die hem toch de roep van een collaborateur heeft gebracht, voor korte tijd en zonder veel praktische gevolgen (hij had tenslotte toch al een breed netwerk in allerlei milieus). Ik denk dat de auteurs gelijk hebben wanneer ze stellen dat Walschap niet echt een collaborateur was, ook al werd hij tot inspecteur van de bibliotheken benoemd tijdens de bezetting, en ook al werkte hij mee aan collaborerende ‘culturele’ bladen. De auteurs hadden misschien op het reuzegrote verschil moeten wijzen tussen de Militärverwaltung in België en Noord-Frankrijk, en de veel en veel ergere Zivilverwaltung in bezet Nederland.

Bron: Letterenhuis, Antwerpen

Bron: Letterenhuis, Antwerpen

Hoe dat ook zij, de auteurs maken wel regelmatig een vergelijking tussen het werk van Walschap en dat van Filip de Pillecijn. Deze laatste wordt systematisch een ‘nationaal-socialist’ genoemd, wat mijns inziens evenmin juist is. Ook in die bewering herkennen we duidelijk standpunten van Kris Humbeek. Ik denk niet dat de collaboratie van de Pillecijn heel veel verder ging dan die van Walschap. Misschien zou je kunnen stellen dat Walschap pas na de oorlog een echte collaborateur geworden is, met name in de hem door verzetskringen en andere progressieven niet in dank afgenomen roman Wit en Zwart, waarin hij de échte collaboratie, met name die aan het oostfront, gewoon vergoelijkt. Maar hoeven we zo lang te wachten? In 1938 verscheen de roman Houtekiet – unaniem beschouwd als Walschaps belangrijkste roman, een meesterwerk – en op geen enkel ogenblik trekken Humbeek c.s. de voor de hand liggende (en in 1938 door alle critici opgemerkte) vergelijking met Knut Hamsuns Hoe het groeide, al verschenen in 1917 en drie jaar later bekroond met de Nobelprijs. Hamsun ontpopte zich als de belangrijkste Noorse collaborateur met de nazi’s, en de ideologische basis daarvoor was in die Nobelprijsroman al te vinden; diezelfde tendens was identiek aanwezig in de roman van Walschap.

Maar deze laatste zal vast en zeker wel wat voorzichtiger geweest zijn. En inderdaad rationalistischer ingesteld dan Hamsun en dan zijn eigen hoofdpersoon (waar trouwens inderdaad een rationelere Nard Baert tegenover staat). In dit verband vind ik het wel onheus Walschap te verwijten dat hij nooit geschreven heeft over de judeocide. Is dat een verplichting? En door wie opgelegd? Wat mij betreft kiest een schrijver nog altijd vrij zijn onderwerpen.

Een tweede probleem in dit verband is het ‘racisme’ van Walschap; ook hier wordt vergeleken met De Pillecijn, met name met diens roman De soldaat Johan. Volgens de auteurs zou daarin een essentialistische en biologische opvatting aanwezig zijn met betrekking tot de begrippen ‘volk’ en/of ras. En bij Walschap zou dat niet het geval zijn, zo wordt meer dan eens gesteld. Zouden de auteurs dat zelf geloven? Temeer daar het begrip ‘racisme’ toch wel heel wat breder is dan het zuiver biologische (vaak te breed wat mij betreft, maar dat is een andere zaak). Vandaar dat het mij moeite kost in een simpel zinnetje als ‘Walschap is zoals we intussen weten geen racist.’ (vet van mij) géén ironie te zien. Het lijkt me te veel op het bekende ‘Brutus is an honorable man’.

Maar bon, echt belangrijk is dat voor mij niet; maar de puntjes mogen wel op de ‘i’ worden gezet. Eén voorbeeld slechts: in De culturele repressie worden Chinezen systematisch ‘rijstkakkers’ genoemd. Géén racisme?

Het langste hoofdstuk is het laatste, over het late werk van Walschap. Bij bijna alle schrijvers is het late werk het zwakste werk (er zijn uitzonderingen uiteraard, vaak eerder bij dichters dan bij prozaschrijvers) en dat geldt ook voor Walschap. In dat laatste werk is hij inderdaad totaal vastgeroest in zijn vooruitgangsideologie, die daardoor alleen al met de Verlichting niets meer te maken heeft. De auteurs weten op die manier ook zeer goed de (mogelijke?) grenzen aan die Verlichting vast te stellen, en het gebeurt daarbij slechts uiterst zelden dat ze de neiging hebben (meer ook niet) om te vervallen in een cultuurrelativisme, dat alles gelijkschakelt. De Verlichting heeft mijns inziens zaken voortgebracht die op de een of andere manier toegepast universeel (zouden moeten) zijn.

Het boek eindigt met een conclusie die de titel ‘Wat als?’ draagt. Die conclusie bestaat enkel uit vragen, twee grote bladzijden met kleine letter lang. Op zich is dat al schitterend natuurlijk, maar in deze context duidt het op de scherpste wijze aan waar de grenzen liggen van het vooruitgangsdenken van Walschap c.s.; het duidt aan waar dat denken gebonden is aan de tijd waarin het werkte, en hoe sterk de wereld veranderd is sinds Walschaps dood in 1989 (niet eens zo lang geleden, gisteren eigenlijk), en hoe die veranderingen ervoor zorgen dat (dezelfde of andere) problemen anders benaderd moeten worden, duidt eigenlijk vooral aan hoe tijdsgebonden het hele werk van Walschap eigenlijk was. Dat geldt natuurlijk voor alle schrijvers in meerdere of mindere mate.

Maar voor Walschap, zo lijkt het wel, toch in meerdere mate. Maar om daar zeker van te zijn, zou je een vergelijkende studie moeten maken, waar al zijn generatiegenoten mee aan bod komen, op de eerste plaats die in Vlaanderen en Nederland (dit zou op zich al grote verschillen aan het licht brengen), maar ook buitenlandse. Dat zou niet enkel de figuur van Walschap, maar de hele Nederlandse literatuur in een juister daglicht stellen. Denk ik. Of vrees ik?

20/08/2016
door Peter
Geen reacties

20.08.16 – Nog eentje van PAC

PACPAC – zo noemden zijn vrienden Pierre-Antoine Cousteau, waar ik het voor kort over had, en waarvan ik nu een tweede boek gelezen heb, boekje eigenlijk: Mines de rien ou Les grandes mystifications du demi-siècle (Editions Dualpha, Paris, 2004 – de eerste uitgave dateert van 1955).

In even veel hoofdstukken vertelt Cousteau er acht gevallen van wat we ‘practical jokes’ (‘canulars’) kunnen noemen, en waarbij de pers (dat was toen de geschreven pers) gebruikt werd om valse verhalen de wereld in te sturen, en daarmee bepaalde groepen belachelijk te maken. Meestal zijn de slachtoffers politici geweest. En de halve eeuw waarvan sprake in de titel is de eerste helft van de twintigste eeuw. Dat is niet onbelangrijk, want in het verspreiden van geruchten en onwaarheden speelt de techniek natuurlijk een belangrijke rol. De kranten en weekbladen uit die tijd waren wat dat betreft totaal niet te vergelijken met het hedendaagse Facebook, en ook de grote persagentschappen hebben vandaag de dag middelen waar de journalisten uit die tijd zelfs niet van konden dromen.

Uiteraard is dit journalistiek, maar dan wel van de betere soort; enerzijds door de inhoud: personen uit de publieke wereld worden er op een nogal anarchistische manier te kakken gezet, hetgeen op zichzelf al aangenaam om lezen is. De eerste twee verhalen gaan bv. over het oprichten van een standbeeld voor éne ‘Hégésippe Simon, éducateur de la démocratie’, en het tweede over het onderdrukte Poldavië (jaja, met een ‘p’ en niet met een ‘m’). Het komt er in beide gevallen op neer dat een aantal volksvertegenwoordigers officieel, d.i. op verzorgd papier mét briefhoofd, aangeschreven worden om de goede zaak te steunen. De antwoorden zijn vaak grappig. En de auteur drukt zijn ongenoegen wel uit over het feit dat slechts één kant van het politieke spectrum aangesproken werd. Wat misschien toch wel begrijpelijk was.

Misschien wel de beste is die van Edouard Herriot die zogezegd tijdens een reis naar de Sovjet-Unie de titel van kolonel van het Rode Leger kreeg; het ging zo ver dat de ambassade zelf van de Sovjet-Unie het gerucht moest ontkennen, die graad bestond immers helemaal niet in dat leger. Cousteau was niet enkel zelf een grapjas, hij was breeddenkend (of anarchistisch?) genoeg om zelfs zijn tegenstanders van de totaal andere kant te waarderen, toen die erin slaagden hemzelf en Gaxotte, ofte heel extreem-rechts van die tijd, voor de zot te houden met een verzonnen verhaal over toestanden bij de communistische jeugd. Ook Cousteau liep gewoon in de val van de communistische grapjas Jacques Yonnet. Blijkbaar waardeerden beiden elkaar, want ze ontmoetten elkaar wel eens tijdens de bezetting, zonder overigens veel van elkaar te weten (zeker Yonnet, die diep in het gewapende verzet zat, zweeg wijselijk over wat hij deed), en tijdens diens proces getuigde Yonnet voor Cousteau – tegen het uitdrukkelijke bevel van de Partij in. ’s Anderendaags – zo snel ging dat toen in die kringen! – was hij plots een ‘espion hitléro-trotskyste’ geworden.

Niet enkel door de grappen zelf, maar ook door de manier van schrijven is dit nog steeds een zeer leesbaar boek. In de schriftuur komt de begenadigde journalist tot uiting, die voortdurend met verve en in een directe stijl de anekdotes – want dat zijn het natuurlijk – weet te schetsen. Daarbij opent hij werkelijk alle mogelijk registers van de humor: van de subtielste ironie tot het sterkste cynisme en alles wat zich daartussen situeert. En rekent hij af met de menselijke domheid. Die van alle tijden is, vandaar ook wellicht dat dit nog altijd zo goed leest. Het volstaat sommige hedendaagse parlementairen voor ogen te houden om zich daarvan te overtuigen: heel de houding bv. van een Servais Verherstraeten, wiens voortdurend arrogant omhooggestoken kop onherroepelijk denken doet aan de haan van Arnold Sauwen: ‘Fier stapt hij, als in koningskleren/de krop vooruit…’.

Maar buiten het ontspanningskarakter om, roept dit boek toch ook meer fundamentele vragen op over de hedendaagse pers (in ’t begin heb ik er al even op gewezen). In die tijd was het blijkbaar zeer gemakkelijk om leugenverhalen te verspreiden en voor waar te doen aannemen door zeer velen. Nochtans was dat niet vanzelfsprekend, want er moesten werkelijk valse stukken gebruikt worden, er moest getelefoneerd worden enz. m.a.w.: er waren altijd meerdere personen in het ‘complot’ betrokken, wat de kans natuurlijk altijd vergrootte dat er iets zou uitlekken.

Vandaag de dag is die kans veel minder groot, en dat heeft alles te maken met de technische vooruitgang. Niet enkel kan één persoon in een flits een ‘canular’ de wereld in sturen, vaak is het ook amper mogelijk de juiste bron te achterhalen. Wie herinnert zich bv. Timisoara nog? En dat was nog van voor de huidige technische ontwikkelingen. Men groef enkele pas begraven lijken op en stelde die voor als slachtoffers van de ‘securitate’. En omdat het in de ideologische kraam van het westen paste, nam iedereen dat over en was iedereen er weg mee. Toen uitkwam dat het een hoax was, las je daar absoluut niets meer over. Krek hetzelfde gebeurt dagelijks rond Syrië, maar nog op een meer gewiekste manier, en door organisaties waarvan je het niet verwacht. Neem AI, die het weer maar eens over doden en folteringen onder Assad heeft. Wat ze beweren kan best waar zijn, maar over de toestanden bij de door het Westen gesponsorde moordenaarsbendes heeft AI het nog nooit gehad. Alsof die dingen buiten elke context om gebeuren.

Wat Cousteau beschrijft zijn enkel grappen, die in feite geen enkel kwaad konden. Maar datzelfde procédé kan ook gebruikt worden om geruchten te verspreiden die wel degelijk kwaad kunnen, en die zware consequenties kunnen hebben.

Een boek dus dat je niet enkel doet lachen, maar ook doet nadenken. Die combinatie alleen al kom je niet zo vaak tegen.