07/07/2012
door Peter
Reacties uitgeschakeld voor Voetnoten – Eindnoten

Voetnoten – Eindnoten

Indien een lange tekst in meerdere pagina’s is uitgesplitst, vindt u de voetnoten meestal als eindnoten op de laatste pagina.

Print Friendly, PDF & Email

21/02/2018
door Peter
Geen reacties

Een taal en talen.

Toen ik student was in de Germaanse filologie (van 1967 tot 1972) hadden we na de kandidaturen de keuze tussen een taalkundige en een literaire richting. Ik koos voor de literaire – voornamelijk om oneigenlijke redenen, zijnde luiheid en gemakzucht. Van literatuur wist ik gewoonweg al veel toen ik aan mijn studies begon, voor taalkunde had ik me veel sterker moeten inspannen. En vermits ik me evenzeer met politiek bezig hield als met literatuur, zou die andere combinatie wellicht moeilijk zijn geworden.

Dat belet helemaal niet dat taalkunde me evenzeer boeide, in zekere zin zelfs meer boeide dan literatuur. Dat laatste heb ik eigenlijk altijd eerst als een vorm van ontspanning gezien, waarin je dan ook nog eens verder kon studeren. Taalkunde daarentegen was inspannender. Ik las wel boeken over taalkunde toen, en niet enkel degene die verplicht waren. En eigenlijk ben ik dat altijd wel blijven doen af en toe, tussen al de andere boeken door.

Zo heb ik onlangs twee taalkundige boeken beëindigd, het ene over de geschiedenis van één enkele taal, het andere over de oorsprong van het verschijnsel ‘taal’.

Holger Gzella: De eerste wereldtaal, de geschiedenis van het Aramees (Athenaeum, Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2017) zou bedoeld zijn voor het grote publiek; daar wijst overigens ook de uitgever op, want dat is géén gespecialiseerde uitgeverij. Maar dat klopt natuurlijk niet, want het boek vooronderstelt echt heel wat kennis.

Op de eerste plaats is het meer dan nuttig als je een klassieke filologische vorming genoten hebt. Niet dat er veel technische details voorkomen in het boek. Dat is eerder zelden het geval, en die passages zijn nooit langer dan een bladzijde. Maar die kennis helpt dus wel, ook al kun je uiteraard die passages overslaan. Maar dat is in een boek over een specifieke taal wellicht toch niet echt aangewezen.

Ook een lichte kennis van hoe semitische talen (Gzella is hoogleraar semitistiek in Leiden, voornamelijk Hebreeuws en inderdaad Aramees in zijn geval) in elkaar zitten kan helpen voor een beter begrip van het boek. Hoewel de auteur dat wel even uitlegt, en die uitleg ook wel enkele keren summier herhaalt. Ik heb het hier over het feit dat die talen zgn. worteltalen zijn, waarbij de wortel bestaat uit enkele consonanten. Naargelang de klinkers die je daarbij invult, krijg je een andere, maar wel een verwante betekenis.

Tenslotte is ook enige kennis van de lange geschiedenis van het Midden-Oosten een voorwaarde om het boek goed te kunnen volgen; plus natuurlijk van de belangrijkste godsdiensten die daar optraden. In het boek zijn dat vooral het jodendom en het christendom, minder de islam.

Aan de hand van al die aspecten en hun verwevenheid weet de auteur een goed beeld te schetsen van de geschiedenis van een taal, waarvan ik enkel wist dat ze bestond en dat Christus ze gesproken zou hebben. Het belangrijkste daarbij blijkt de politieke context te zijn; die bepaalde nl. vooral in welke omstandigheden het Aramees wel of niet gebruikt werd. Bedoeld wordt: enkel als administratieve taal, als bestuurstaal dus, de taal van de machthebbers en hun cultuur, of ook als gesproken taal. Beide kwamen voor, en vaak samen met andere talen; zo vind je in de geschriften van Qumran Hebreeuws en Aramees door elkaar, en ook in het Oude Testament zijn sommige – maar eerder weinig – passages in het Aramees gesteld, met name in het Boek Daniël.

De auteur begint, zoals het bij een geschiedenis hoort, bij de oudste relicten en volgt dan verder gewoon de chronologie tot op de dag van vandaag. Van het begin valt er weinig te zeggen, omdat het begin van het Aramees ook voor een deel samenvalt met het ontstaan van het alfabet, van verschillende achtereenvolgende en door elkaar lopende alfabetten eigenlijk. In de vroegste rijken in het Midden-Oosten was het Aramees de bestuurstaal, maar daar kwam tamelijk snel een einde aan; toen was het vooral, en dat is het tot op de dag van vandaag gebleven, een religieuze en literaire taal. Bij de joden bv. was het blijkbaar de tweede taal.

In die context gezien werd het vooral de taal van groepen christenen die zich niet tot de ‘katholieke’ kerk bekenden, en die vooral gesitueerd zijn in Syrië en deels in Irak. Als zodanig is het dat de taal nog steeds gebruikt wordt, zelfs nog als gesproken taal in enkele kleine taaleilandjes in Syrië. Voor zover daar natuurlijk nog iets van overblijft, na de vernietiging van Syrië door het Westen.

Voor wie wil weten hoe doorheen alle peripetieën van de geschiedenis er toch altijd iets van waarde overblijft, die kan dit in dit boek nalezen. Waarbij je wel in ogenschouw moet nemen: het is en blijft een gespecialiseerd onderwerp, en hoe sterk de auteur ook zijn best doet om te ‘vulgarizeren’, ik denk dat het onderwerp zich daar eigenlijk niet echt toe leent. Maar ik ben uiteraard geen specialist, en kan dus ook niet vergelijken met wat de auteur en collega’s van hem uit hetzelfde vakgebied bij gespecialiseerde uitgevers en in gespecialiseerde tijdschriften publiceren.

Maar als die leek heb ik er toch iets aan gehad, en heb ik er toch heel wat van opgestoken. In die zin kan ik het aan iedereen die in taalgeschiedenis en taalkunde geïnteresseerd is, aanraden.

000

Van een heel andere orde is het volgende boek, dat geschreven werd door een moderne taalkundige, die dan nog gespecialiseerd is in fonologie en fonetiek. Daniel Everett: How Language Began, The story of Humanity’s Greatest Invention (Profile Books, London, 2017). Zonder specialist te zijn ben ik hier toch al wat dichter bij huis. Al was het maar omdat het onderwerp me altijd al geboeid heeft, en ik er dus ook al meer over gelezen heb.

Toch is het eerste dat opvalt: over hoe taal ontstaan is en evolueerde vernemen we bijna niets, en dat weinige is dan nog speculatief. Op éen bladzijde kun je dat samenvatten: taal ontstond samen met de vergroting van de herseninhoud van homo erectus naar homo sapiens, en begeleid door specifieke gebaren, en nadat de mens rechtop ging lopen, zodat het strottenhoofd naar beneden zakte, hetgeen eerst de spraak mogelijk maakte. Voor wat dit laatste punt betreft, daar gaat Everett niet op in, hij vermeldt het één keer, dat is alles; nochtans is het een cruciale voorwaarde voor spraakontwikkeling.

Everett heeft voor het uitwerken van zijn boek vier delen nodig, waarin nog veel meer te lezen valt dan wat soms van nabij, meer van verre met het eigenlijke in de titel aangeduide onderwerp te maken heeft.

Zo gaat het eerste deel grotendeels over anthropologie, met name het ontstaan zelf van de mensheid en haar vroege ontwikkeling. Tot nog toe waren de meeste geleerden van mening dat het ontstaan van taal bij de menselijke soort iets heel recents was, én iets dat min of meer plotseling is ontstaan. Daar is Everett het duidelijk niet mee eens, hij plaatst het ontstaan van taal al bij de zgn. homo erectus, letterlijk de ‘opgerichte mens’, d.w.z. de mens die op twee voeten loopt, rechtop. Deze mensensoort lag aan de basis van de Neanderthaler en de homo sapiens, waar wij blijkbaar nog steeds toe horen – ook al zou je dat niet zeggen.

Everett is van oordeel dat de homo erectus al over spraak beschikt moet hebben, vooral gelet op bepaalde bewezen vaardigheden, zoals zeilen, waarvoor een vorm van talige communicatie nodig zou zijn. Taal zou dus veel, veel ouder zijn dan voorheen aangenomen. Ik kan daar wel inkomen, maar dan moet je het begrip ‘taal’ wel eerst goed definiëren, en dat doet Everett niet; hij gaat trouwens te vaak uit van zaken die voor hem wellicht vaststaan, maar voor een ander niet noodzakelijkerwijze.

Het tweede deel gaat in op de biologische, meer bepaald de neurologische voorwaarden voor het ontstaan van spraak en taal. Hier gaat de auteur duidelijk de licht polemische toer op, met name tegen Chomsky en sommige van diens volgelingen (Pinker bv.), die uitgaan van een aangeboren (‘inborn’) taalmechanisme, wat Pinker een ‘taalinstinct’ noemt. Veel van dit alles heeft natuurlijk te maken met de woorden die je gebruikt, en meer nog met hoe je die invult. Wat is juist aangeboren en wat niet? Wat is een instinct? Om i.v.m. taal over een ‘instinct’ te spreken lijkt me ook onzin, hoe je dat woord verder ook invult. Een van zijn belangrijkste argumenten voor het afwijzen daarvan is het feit dat er tot op vandaag geen erfelijke taaldefecten zijn aangetoond.

Taal komt dus voort uit een leerproces; vandaag leren de kleuters het op die manier, en op die manier zal taal ook wel ontstaan zijn: als een wisselwerking tussen de ontwikkeling van de hersenen en het ontwikkelen van betekenisdragende klanken; waarbij die betekenis zelf weer ontstaat door een wisselwerking tussen de taal in al zijn, op de eerste plaats neurologische, aspecten en de werkelijkheid. Everett stelt het zelf zo:

“Evolution has prepared humans to think more freely than any other creature by giving them a brain capable of learning culturally rather than one that relies on cognitive instincts.” (p. 141)

Als heel die redenering klopt, dan heeft dat ook gevolgen voor bepaalde al sinds jaar en dag gevoerde discussies in de psychologie: komt schizofrenie bv. voort uit een hersenfalen of door invloed van de werkelijkheid, de omgeving zeg maar. Me dunkt dat ook als er veranderingen in het brein aangetroffen worden, niets belet dat die eerst na de geboorte, onder invloed van  omgevingsomstandigheden zijn ontstaan. Nadien is zoiets natuurlijk niet meer aan te tonen. De kip en het ei, waar ook Everett op wijst. Hij concludeert zeer expliciet:

“A startling conclusion emerges from deficits affecting language: there are no language-only hereditary disorders. And the reason for that is predicted by the theory of language evolution here – namely that there could not be such a deficit because there is no language-specific part of the brain. Language is an invention. The brain is no more specialised for language than for toolmaking, though over time both have affected the development of the brain in general ways that make it more supportive of these tasks.” (p. 171)

(Hier heb ik even de naam van Stalin in de marge genoteerd, omdat het boekje dat Stalin op het einde van zijn leven schreef over Le marxisme et les problèmes de linguistique wel wat parallellen vertoont met wat Everett poneert – buiten alle politiek om overigens.)

Het derde deel behandelt dan de evolutie van de taalvorm zelf – voor zover dat mogelijk is. Want het grootste deel ervan is eigenlijk eerder een inleiding tot de synchrone taalkunde; het is dus een eerder technisch deel. Opvallend is het tweede hoofdstuk ervan, dat ‘Talking with the hands’ heet. Dit gaat over een andere wisselwerking bij het ontstaan van spraak, nl. die tussen het uitvoeren van bepaalde, meestal aanwijzende gebaren en de daarmee gepaard gaande klanken. Hier moet ik naar een andere marxist verwijzen, die dat zeer grondig en gedetailleerd beschreven en bestudeerd heeft: de Vietnamees Trân Duc Thao in zijn boek over Recherches sur l’origine du langage et de la conscience (Editions Sociales/Ouvertures, Paris 1973). Ik herinner me dat als een zeer degelijk, vaak technisch werk, dat ook nog eens in sommige uitingen zeer humaan en vooruitstrevend was. In de bibliografie van Everett komt het niet voor – ten onrechte. Want zijn conclusie terzake werd door Thao volledig uitgewerkt, reeds bijna een halve eeuw geleden: “gestures and speech were equally and simultaniuously present in the evolution of language. There never would have been nor could have been language without gestures.” (p. 239)

Waarbij dan nog komt dat de Vietnamees zich ook op het ontstaan van het bewustzijn concentreerde; en bewustzijn en taal hangen ook zeer nauw samen, en hebben zich naar alle waarschijnlijk ook samen ontwikkeld. Vreemd toch, dat Everett daar niet op ingaat. Waarschijnlijk heeft dat te maken met het feit dat hij van mening blijkt te zijn (p. 31) dat denken of toch de mogelijkheid daartoe aanwezig was vóór taal. Ook hier weer kun je vragen: wat is dat, ‘denken’? Op welke manieren kan dat gebeuren? Hoe dat ook zij, het lijkt me onomstotelijk dat ‘denken’, ‘bewustzijn’ én ‘taal’ zeer sterk samenhangen – ook wat hun oorsprong betreft.

Het laatste deel gaat over de ‘Cultural evolution of language’ en behandelt vooral de mate waarin taal in al zijn vormen een cultureel bepaald iets is. Hier vooral vinden we de overeenkomsten met Stalin en zijn (overigens algemeen marxistisch) onderscheid tussen basis (de economie, de productie) en bovenbouw (recht, wetenschap, letteren…): taal behoort in zijn visie noch tot het ene noch tot het andere, het is een instrument, meer niet. In zekere zin is dat niet enkel de stelling van Everett, maar van waarschijnlijk het overgrote deel van de taalkundigen.

“Language, , psychology and culture, again, co-evolved to produce the contextual linkage between the world, personalities, cultural understandings, current events and so on that make full interpretation of language possible.” (p. 263-264)

Dit lijkt bijna op de weerspiegelingstheorie van Lenin – weze het dan van verre! Het is in elk geval een uiting van filosofisch materialisme dat elke vorm van filosofisch idealisme uitsluit: “The brain is not, nor does it contain, an ethereal entity such as a mind or a soul.” (p. 143) In de VS kan dat natuurlijk niet vaak genoeg herhaald worden, maar nu de krankzinnigste en gevaarlijkste godsdiensten ook hier opnieuw opkomen en moorden, geldt dat al evenzeer voor hier.

Print Friendly, PDF & Email

13/02/2018
door Peter
Geen reacties

Moordballaden

Ik kan me vergissen, maar ik dacht dat enkel in het Engels zoiets als een ‘murder ballad’ bestaat, een subgenre van de algemene literaire balladevorm. Dat belet overigens helemaal niet dat dit subgenre ook in andere literaturen de facto aanwezig is. Dat is het zeer zeker wel. Alleen krijgt het soms gewoon andere namen: ‘Moritat’ in het Duits bv. duidt zo’n moordballade aan. Het meeste bekende voorbeeld ervan is wellicht de ‘Moritat von Mackie Messer’ van Brecht en Weil.

Het wordt meestal gezien als een gezongen iets, een lied. Zo wordt in het Nederlands het verhaal van Heer Halewijn meestal aangeduid als het ‘Lied van Heer Halewijn’. Maar elders wordt het even duidelijk een ‘ballad’ genoemd. Het begrip ‘lied’ is natuurlijk breder, maar een ballade valt er wel degelijk onder.

Formele kenmerken zijn er weinig: het moet een strofisch gedicht zijn, meestal met strofen van acht of vier verzen; maar ook van twee, zoals Halewijn; waarbij wel in het oog gehouden moet worden, dat die acht gemakkelijk door twee gedeeld kunnen worden, en die twee (in dat geval zijn de verzen meestal langer) even gemakkelijk gesplitst kunnen worden tot vier verzen, zodat we telkens vier verzen per strofe hebben. En tenslotte moet het een verhalend gedicht zijn, het behoort dus tot de epiek en duidelijk niet tot de lyriek; enkel met de dramatiek zijn kleine overlappingen mogelijk, omdat in sommige ballades inderdaad een vraag- en antwoordspel optreedt tussen verschillende personages: ook dat vinden we terug in Heer Halewijn.

Over het begrip ‘ballade’ bestond er een inleiding van de hand van Gottfried Weissert, in de reeks ‘Realienbücher für Germanisten’ van het Verlag J.B. Metzler. De reeks is nog te verkrijgen bij uitgeverij Springer (via amazon.de). De boekjes bevatten synthetische maar zeer degelijke inleidingen tot hun onderwerp, mét een uitgebreide bibliografie voor degenen die verder wil studeren. Je kunt het vergelijken met de Franse reeks ‘Que sais-je?’, maar met dien verstande dat de Franse titels heeft over omzeggens alle gebieden van wetenschap.

Rekening houdend met deze vormaspecten kan je vaststellen dat in het boekje Moordballaden, op ware moorden gebaseerde gedichten, samengesteld door Bart FM Droog (Uitgeverij Vliedorp, Houwerzijl, 2017) geen enkele echte ballade voorkomt, en slechts enkele gedichten die met heuse ballades enige kleine verwantschap vertonen.

Ze hebben met zgn. ‘moordballades’ dus enkel het onderwerp gemeen, niet de vorm. Voor de rest zegt dat overigens helemaal niets over de kwaliteit van de door Bart Droog opgenomen gedichten. Zoals steeds bij dergelijke thematische bloemlezingen varieert die nogal – hetgeen ook bij andere bloemlezingen zo is.

De bloemlezing bevat gedichten van 45 deelnemers, en het overgrote merendeel ervan zijn me totaal onbekend. Dat ligt natuurlijk aan mij: ik volg de actualiteit van de poëzie niet meer op de voet. De gedichten zijn chronologisch gerangschikt, volgens de datum van de moord waarover ze het hebben: van 5 juni 754 tot 29 december 2011. Een extreem lange periode dus, maar het overgrote deel ervan heeft wel betrekking op moorden vanaf de 20ste eeuw. Klassieke ballades, die als genre vooral met de romantiek in verband worden gebracht, in alle Europese talen trouwens, zoek je dus tevergeefs; evenals andere bekende ballades trouwens van min of meer bekende auteurs. Laat me slechts één voorbeeld noemen, dat me nu te binnen schiet omdat ik het als tiener uit het hoofd heb moeten leren: de ‘Ballade van Mac Baine’ van Ben van Eysselsteijn’. Die ballade nam overigens de vorm aan van een refrein, mét aanroeping van de ‘prince’ boven de laatste strofe – een écht vaste vorm heeft de ballade niet.

Misschien het bekendste voorbeeld van balladeliteratuur in de Nederlandse letteren zijn de Kennemerland balladen van W.J. Hofdijk, uit het midden van de 19de eeuw, in volle romantiek dus. Het zijn echt klassieke voorbeelden van het genre, waaraan je zowel de verschillende vormen kunt aflezen als de onderwerpen; ik vermoed trouwens dat er ook moordballades bij zijn, maar om daarvan zeker te zijn zou ik ze moeten herlezen. Ook al zijn er varianten in het aantal verzen, in strofebouw, in de lengte van de verzen, toch zijn de verschillen eerder klein.

Zeker vergeleken met de bloemlezing van Bart Droog, waarin van een vaste vorm helemaal geen sprake is. Maar dat hoeft ook niet. Het enige criterium dat altijd van toepassing hoort te zijn is, zo dunkt me, het verhalende karakter. Daarbij is dus een verteller aanwezig, maar die blijft mooi neutraal op de achtergrond, anders vloeit het gedicht al snel over naar de lyriek. En dat gebeurt in deze bundel wel vaak. Een voorbeeld over de moord op Willem van Oranje in 1584:

“BALTHAZAR G.

Hij wou geen maagden in een paradijs
Wel adeldom en een groot geldbedrag
Daarnaast moest hij aan nog iets groters denken
Het ging om roem en glorie en ontzag
En om de aandacht die men hem zou schenken
Hij was geen onbenul; hij telde mee!

Te lang al had hij zich diep laten krenken!
Zo’n type dus, net als die Mohammed B.:
Geloof, gepaard met hevig niet goed wijs
Al gaat de vergelijking verder mank:
De Prins had niets van Pim weg, godzijdank” (p.14)

Het gedicht is van ene Jaap van den Born, die mij verder onbekend is. Een verhalend gedicht heeft hij niet geschreven; de feiten worden weliswaar vermeld, maar niet verteld; de psychologie van de dader is het eigenlijke onderwerp van dit gedicht. Boeiend is wel hoe de dichter beide moorden met elkaar verbindt. En wat het gedicht in mijn ogen tot een goed gedicht maakt, is het laatste vers, met zijn dubbelzinnigheid.

Een ander goed gedicht, maar te lang om te citeren, is ‘EN IK’ (pp. 29-32) van een mij al even onbekende Lianne van Gemert. Dit heeft wel degelijk raaklijnen met de klassieke ballade: er is een verhaal, maar dat zeer synthetisch, in korte verzen verteld wordt, en dat wordt afgewisseld door een soort refrein, waarin de vertelster zelf als ‘ik’ optreedt. Zij maakte dus deel uit van het verhaal.

Ook het gedicht van samensteller Bart Droog behoort tot de betere van de bundel: ‘ZOVEEL MEER’ heet het, en er treedt een ik/wij in dialoog met anderen en met de aangehaalde, maar niet vertelde feiten. Het gedicht van Ruben van Gogh is eveneens meer empathische inleving dan verhaal. En hetzelfde kan gezegd worden van dit gedicht van Wim van Til, mij eveneens onbekend, die zich zeer goed weet in te leven in de psyche van de dader zelf:

“(-)

Ze was nooit van mij geweest als niet het lot
mij woorden in de handen dreef, mijn god, wat
stond mij hier te wachten op het pad en waar
moest ik nog schuilen om gevaar te weren
zij was daar, ik was daar, een offer meer en minder
zij sprak mij aan, haar stem als van een kind, er welde
een lust in mij dat wachtte op haar bevel, de woorden
die ik zocht, zag ik, zongen uit haar keel, ik hoorde niet, ik
zag haar zinnen zich verzetten en met een knik sprak
zij mij aan, nog eens en weer, er stak in mij een vuur,
en ongeremd verklankte ik haar keel, het uur sloeg twee,
de zon scheen, zwakke wind van zee, het woord
in mijn handen knapte, haar keel sloot alles af, ik bracht
haar thuis, althans een eind op weg, het Zuiderkruis.” (p. 60)

‘Woord’-‘moord’: er is slechts een letter verschil; ook daarop speelt de dichter, alsmede – in bredere zin – met het verband tussen feiten en woorden, werkelijkheid en verhaal, werkelijkheid en waan. Het enige dat ik in dit gedicht niet begrijp is de verwijzing in het laatste vers naar het Zuiderkruis. Tenzij het een metafoor zou zijn en naar de hemel of het hiernamaals zou verwijzen.

Het is niet mogelijk uiteraard alle gedichten uit deze anthologie aan te halen, maar eentje, een kort wil ik toch nog citeren. VLEESPRIKBORD van Diana Ozon heeft nog veel minder van de ballade dan de meeste andere gedichten; maar Ozon is een podiumbeest, iemand die haar teksten liever op een podium brengt dan ze te publiceren (dit laatste doet ze overigens ook). Het is ook binnen deze bundel een gedicht met een heel eigen stijl, en het doet een beetje aan rap denken, of andere ritmische voordrachtwijzen. Dat maakt het ook al uniek in deze bloemlezing. Het gedicht gaat over de moord op Theo van Gogh:

“Vrije woord
haatrapmoord
in de goot

Lichaamstaal
spreekt het laatst
van de straat

Vlijmscherp mes
botte pen
vermoord mens

De film stopt
een gat brandt
naar het licht” (p. 72)

In al zijn strenge beknoptheid vind ik ook dit een goed gedicht; het verhalende element is er nog, maar tot een absoluut minimum beperkt, en waarschijnlijk enkel nog duidbaar omdat je weet hebt van wie Van Gogh was en hoe hij aan zijn einde is gekomen: doordat zijn lijf door de dader gebruikt werd als een vleesprikbord om zijn messen kwijt te raken. Cru beeld? Nee, eerder een exact beeld, en dat ook aangeeft hoe moslimextremisten kafirs zien.

Het is dus al bij al, en ook al beantwoorden de gedichten meestal niet aan de globale titel, een mooie bloemlezing geworden, die ik graag las. Bart FM Droog zorgde voor een beknopte inleiding, die soms wel een beetje ironisch overkomt – wat geen bezwaar is en dus geen kritiek inhoudt. En de gedichten worden gevolgd door beknopte toelichtingen erbij, en door een korte bibliografie.

Je kunt de bundel in de winkel kopen, maar hem ook hier gratis bekijken en als pdf-bestand downloaden.

Print Friendly, PDF & Email

12/02/2018
door Peter
Geen reacties

Hendrik Conscience

Een kanjer van jewelste is het, dat boek over Hendrik Conscience waar ik het vandaag even over wil hebben. De grote onleesbare, Hendrik Conscience herdacht (Academia Press, Gent, 2016), zo heet de reader die door Kris Humbeeck, Kevin Absillis en nog enkele anderen werd samengesteld over ‘de man die zijn volk leerde lezen’. Deze overjaarse slogan komt in haast elk opstel in deze bundel een of enkele malen terug, en ik vermoed dat daarin de hand van de eerste samensteller, Humbeeck, te vinden is; ook op zo’n manier zorg je immers voor eenheid in een verder nogal disparate bundeling. Ik kan me voorstellen dat de meester van de ceremonie gewoon aan de deelnemers gesuggereerd heeft om toch minstens één keer in hun tekst die slogan te gebruiken. En als dat niet zo gebeurd is, dan is het in elk geval een mooi toeval.

Zelf moet ik Conscience gelezen hebben tussen mijn tiende en mijn vijftiende. Vroeger kan ik me moeilijk voorstellen, en na mijn vijftiende las ik al andere dingen. Die boeken waren aanwezig bij een buurvrouw; haar (bastaard)zoon, die rond september 1944 hals-over-kop naar Brussel vluchten moest, had ze daar achtergelaten. Hoeveel het er waren weet ik niet meer; zeker tussen de tien en de twintig en alle in oude uitgaven (nog 19de-eeuwse?) mét de afbeeldingen uit die tijd. Veel herinner ik me er overigens niet van, enkel dat ik blijkbaar geen enkele moeite had om ze te lezen, en zelfs dat ze mij aanspraken (dat zal wel niet met alle het geval zijn geweest, maar toch met vele blijkbaar). Onleesbaar was hij voor mij dus helemaal niet.

Sindsdien heb ik nooit meer iets van Conscience gelezen.

Het boek begint met een lange inleiding van meer dan honderd bladzijden. Daarin wordt vooral de receptiegeschiedenis van Conscience en zijn werk behandeld, vanaf het begin tot aan het voorliggende boek. Ofschoon er twee auteursnamen bij staan, heb ik toch de indruk dat deze inleiding vooral uit de pen van Humbeeck komt; de snelle, vlotte, soms ironische stijl – die loopt als een trein, kun je zeggen – lijkt me daarop te wijzen. Het is zeer interessant te zien hoe Humbeeck een stof, die bij anderen wel saai zou blijven, zeker gelet op het onderwerp, zeer boeiend kan maken.

En je leert er op die manier ook heel wat van. Zo heb ik nooit geweten hoe belangrijk Conscience was op Europees vlak, ja, dat er in Frankrijk zelfs een verzameld werk van hem verscheen in het Frans. Het tweede deel van het boek bevat één opstel dat op dit aspect gedetailleerder ingaat, met name op de receptie van Conscience, via Duitsland, in Tsjechoslowakije.

Er zijn in deze inleiding wel enkele kleine foutjes op te merken: zo was Céline géén lid van de PCF, zoals op p. 65 waarschijnlijk door een stilistische onnauwkeurigheid gesuggereerd wordt; en de laïciteit in Frankrijk vloeit voort uit de wet op de scheiding van kerk en staat uit 1905: voordien was dat probleem er dus niet (p. 165).

Daarnaast heb ik nog enkele andere, belangrijkere opmerkingen.

Voor wat de leesbaarheid van Conscience betreft, wordt nooit expliciet en uitgebreid verwezen naar de vele taal- en spellingsveranderingen die sinds de 19de eeuw in het Nederlands plaatsvonden, en die ervoor zorgden dat quasi alle oudere teksten in het Nederlands, zeker die uit de 19de eeuw, moeilijk leesbaar geworden zijn, toch voor de doorsnee lezer. Vergelijk met Balzac: je zult natuurlijk veel meer de imparfait du subjonctif bij hem tegenkomen dan bij hedendaagse schrijvers, maar voor de rest is zijn taal quasi gelijk aan die van vandaag. Hetzelfde geldt voor Engelse of Duitse schrijvers. Dat is een heuse handicap van het Nederlands, zeker voor hen die Nederlands als een vreemde taal aanleren.

Humbeeck – want dat komt heel zeker uit zijn pen – speelt ook Filip de Pillecijn uit tegen Gerard Walschap, als zijnde de nationaal-socialist tegen de humanist. Dat is natuurlijk veel te kort door de bocht. Nergens wijst Humbeeck op de verwantschap tussen Houtekiet en de roman waar de zelfverklaarde nationaal-socialist Knut Hamsun de Nobelprijs mee haalde: Hoe het groeide, zo werd die in het Nederlands vertaald. Waarbij ook opvalt dat Houtekiet een leidersfiguur is (‘Führer’ in het Duits), terwijl de protagonisten in de meeste werken van De Pillecijn dat helemaal niet zijn; dat zijn eerder gewone mensen.

Maar soit. Plezanter zijn de uitweidingen over het onnozele kieken, ofte de minkukel die Geert van Istendael heet, en die het blijkbaar bestond een lezing te houden over Conscience in het Consciencejaar 2012 (tweehonderd jaar na de geboorte, honderd jaar na de grote Consciencefeesten in Antwerpen) zonder Conscience gelezen te hebben, en die dat ook nog toegaf. En die tezelfdertijd, zoals de eerste de beste Taliban, er ook voor pleitte het standbeeld van Conscience op het Conscienceplein alhier – nee, niet op te blazen, gewoon te ‘verwijderen’ en te ‘vervangen’. Wat is Humbeeck braaf als hij voor dit heerschap enkel dit overheeft: “Voor een kampioen volksverheffing als Geert van Istendael, die in zijn lezing aangeeft Bavo en Lieveken te kennen, valt Consciences maatschappelijke engagement natuurlijk te licht uit.” (p. 95)

De conclusie die Humbeeck en Absillis trekken uit dit overzicht van bijna tweehonderd jaar Consciencereceptie is wel duidelijk:

“Ook wij zijn ervan overtuigd dat de literaire bewaardatum van Conscience overschreden is. De kans is gering dat zijn werk – evenals dat van zovele andere ooit geconsacreerde Vlaamse schrijvers, van Gezelle, Streuvels en Teirlinck via Claes, Gijsen en Walschap tot Ward Ruyslinck, Hugo Raes en Ivo Michiels – in de toekomst nog door veel niet-professionals zal worden gelezen. Maar dit betekent nog niet dat het oeuvre van Conscience niet modern is en ons niets te vertellen heeft over de manier waarop wij, meer dan twee eeuwen na de geboorte van de schrijver, onszelf op de een of andere manier modern blijven voelen.” (p.101)

Hier hadden de samenstellers toch even van de gelegenheid gebruik moeten maken, vind ik, om aan te geven hoe dat zo komt, en waarom dat in Frankrijk, Duitsland, Engeland (en waarschijnlijk evenzeer in andere landen) niet zo opvallend gebeurt. Natuurlijk zijn dat grotere naties, maar juist daarom zou de overheid bij ons een rol moeten spelen: een reeks als de Pléiade is ook in de Nederlanden mogelijk, maar enkel gesubsidieerd. Maar daartoe zouden de Nederlanden een cultuurnatie moeten zijn, en dat is niet het geval; enkel de drastische besparingen op alle vormen van cultuur van de regering Rutte in Nederland bewijst dat al. Maar de echte Taliban doen het inderdaad beter.

En of die bewaardatum echt overschreden is, weet ik nog zo niet. Ik heb me in elk geval voorgenomen het eens te proberen, met een novelle, waarvan de titel inmiddels een spreekwoordelijk geworden type aanduidt (ik heb het zelf ooit nog in een gedicht gebruikt): Baes Gansendonck (de 19de-eeuwse uitgave uiteraard). Ik zal er hier wellicht over berichten.

De rest van het boek bevat dus afzonderlijke opstellen over afzonderlijke aspecten van het leven en/of het werk van Conscience. Daarbij worden drie romans in afzonderlijke opstellen behandeld, nl. twee bekende historische romans, De Kerels van Vlaanderen en De Boerenkryg, en dan nog een moderne roman, Felix Roobeek. Die opstellen zijn respectievelijk van de hand van Kris Humbeeck, Kevin Absillis en Paul Pelckmans. Het zijn misschien de drie belangrijkste opstellen in het tweede deel van het boek, omdat ze de tekst van de romans benaderen op een literatuursociologische manier, die wel een beetje doet denken aan de manier van Lucien Goldmann, maar zonder diens marxistische context. Zij brengen de tekst dus op de eerste plaats in verband met contemporaine gebeurtenissen uit de tijd van Conscience, maar soms ook met latere gebeurtenissen. Humbeeck doet dat in een brief aan Conscience, en hij eindigt met uithalen naar ‘Albrecht Rodenbach of godbetert Cyriel Verschaeve’ (p.171) Daarmee verwerpt hij al de recuperatie van Conscience door de zgn. ‘Vlaamse Beweging’. Absillis gaat daarin nog verder, door te pogen Conscience te zuiveren van enkele blamen die hij dankzij die ‘beweging’ meetorst: racisme en alle andere vormen van reactionair denken zoals ze geïncarneerd zijn in de Nationaal-Liberalistische Partij, ook wel zwarte partij genoemd. Dat zijn woorden van mij, niet van Absillis.

Het opstel van Pelckmans past daar goed bij, want hij behandelt een uitgesproken contemporaine roman van Conscience, waarin het gaat over malversaties aan de beurs en zo. De auteur had daarbij een uitgebreidere vergelijking kunnen maken met bepaalde romans uit Frankrijk, met name L’Argent van Zola, dat rond dezelfde tijd verscheen en eveneens een kritiek op het kapitalisme inhield, maar dan wel veel scherper dan bij Conscience – die toch altijd weer braaf blijft.

Andere opstellen gaan over andere zaken dan specifieke romans, maar zijn wel even leerzaam. Zo wist ik helemaal niet dat Eekhoud Conscience bewonderde en over hem geschreven had; heel veel hadden ze volgens mij toch niet gemeen, behalve wellicht de liefde voor de Kempen. Het opstel over Theodoor van Rijswyck en Conscience bewijst dat ook toen al scherpe concurrentie en jaloezie heerste tussen schrijvers, wat overigens ook vriendschap niet uitsloot (men denke een eeuw later aan Claus en Boon). Ook de vele verfilmingen van het werk van Conscience komen aan bod, evenals zijn operalibretto’s en zijn pogingen om in Nederland door te breken. En een mooi opstel van Hans van de Voorde over het café bij Conscience en in diens tijd.

Het is eigenlijk te veel om op te noemen, en daar komt dan nog bij dat er geen enkel opstel instaat dat ik minder vind, of dat me verveeld zou hebben. Een volgehouden kwaliteit. Waarbij nog komt dat het boek doorgaand ruim geïllustreerd is, ook met illustraties uit de oorspronkelijke 19de-eeuwse uitgaven.

Een schitterende reader kortom, en die je bijna zin zou doen krijgen om Conscience opnieuw te gaan lezen. Maar bij die ene novelle (twee à drie uurtjes lectuur) die ik hierboven vermeldde, zal het in dat geval wel blijven.

Print Friendly, PDF & Email

11/02/2018
door Peter
Geen reacties

Campert als propagandist en Perquin bij de plietsie

Remco Campert is met zijn 88 lentes de laatste overlevende van de Vijftigers. Enige eenheid was er in die groep amper te bespeuren, daar zijn de meeste critici het wel over eens. Leg gewoon het werk van Campert naast dat van Lucebert. Dat heeft hen uiteraard niet belet steeds vrienden te blijven, bij beiderzijds leven en welzijn.

Van Lucebert is geweten dat hij z’n leven lang ‘geëngageerd’ was als dichter, d.w.z. dat hij zich direct betrokken voelde bij de polis en ook met de ‘condition humaine’ in al zijn, vooral negatieve en bittere, aspecten.

Dat negatieve en die bitterheid zijn bij Campert steeds afwezig geweest, tot op de dag van vandaag. Waarschijnlijk heeft dat te maken met een zeker amoralisme (vooral in sommige prozaboeken) en met een lichtheid en daarmee gepaard gaande relativiteitszin, die inderdaad typisch zijn voor hem en zijn werk. Misschien heeft ook zijn herkenbare parlandostijl daarmee te maken.

Maar de achterflap van Camperts recentste dichtbundel, Open Ogen (Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 2018) doet het voorkomen alsof enige vorm van engagement nieuw zou zijn in het werk van Campert, en dat hij nu voor het eerst ‘scherven van de wereld (opraapt) en (omsmelt) tot taal’. Dat klopt natuurlijk langs geen kanten, want ook Campert heeft vanaf het begin van zijn optreden fragmenten van de werkelijkheid in zijn werk op een kritische wijze binnengebracht (men denke alleen al maar aan de titel Berchtesgaden); maar evenmin als Lucebert of de anderen heeft hij zich ooit bezondigd aan partijlyriek. Dat kon ook moeilijk gelet op de context waarin hij schreef (het grootste deel van zijn werk, – en dat van de andere Vijftigers – viel samen met de lange naoorlogse Kondratiëff, maar ook nog deels met het extremistische neoliberalisme, dat wellicht een even lange of langere neerwaartse Kondratiëff inhoudt).

In die bundel komt o.m. het volgende gedicht voor:

“Aleppo

Terwijl in Aleppo bommen
vrouwen doden, kinderen
en hulpverlenende mannen
terwijl stofwolken kelen smoren
huizen neerstorten op rebelse mensen
straaljagers gieren door de lucht

leeft de bedrijver van massamoord voort
Assad is zijn naam
hij spreekt netjes Engels
en knielt in de Moskee voor Allah
heilig tot op het bot” (p.41)

Dit is een slecht gedicht, in mijn ogen zelfs een walgelijk gedicht, omdat het niets meer is dan de weergave van de dagelijkse portie propaganda die Campert uit de geschreven en beeldende mainstream-media van het Westen gehaald heeft. Of je het nou gelooft of niet, maar wat buitenlandse berichtgeving betreft is er in Nederland en Vlaanderen geen enkel dagblad of weekblad (ook bv. een blad als De groene Amsterdammer niet, dat zichzelf nog altijd o zo progressief vindt), en geen enkele televisie- of radiozender die iets anders uitzendt of laat lezen dan propaganda. In het geval van Syrië zou dat inmiddels voor iedereen duidelijk moeten zijn.

Enkele dagen geleden op het VRT-nieuws: een nieuwe aanval met gifgas op onschuldige burgers door het leger van Assad. Beelden van gewonde peuters op draagberries (dat verkoopt natuurlijk goed). Maar verder niets meer van gehoord, niet in andere mainstream-media, niet in buitenlandse media, en evenmin in neutrale media. Een hoax dus. Maar een bericht dat het niet klopte is nooit uitgezonden natuurlijk. Kwestie misschien om Campert toe te laten nog een ‘gedicht’ te maken. Want het is duidelijk: wat hierboven als ‘poëzie’ gepresenteerd wordt, is enkel papegaaienwerk: Campert heeft in de dagbladen gelezen en op teevee gehoord dat Assad zijn volk probeert uit te roeien en hij produceert die rabiate onzin verder zonder ook meer éen enkele eigen gedachte, zonder ook maar éen enkele poging tot kritische (zelf)reflectie.

Er staan er zo nog meer in de bundel: nog één waar Assad eveneens genoemd wordt, en één waarin Orban op dezelfde negatieve manier genoemd wordt. In diezelfde pers is Orban natuurlijk ook een gebeten hond, net zoals de Polen trouwens.

Maar het eerste gedicht van de bundel heet Zaventem en gaat uiteraard over de aanslag aldaar. Zoals een ander over de aanslag in de dancing Bataclan gaat. Maar ziet Campert dan niet in dat degenen die die aanslagen hier plegen exact dezelfde onbenullen zijn die in Syrië gingen vechten tégen Assad?? Wat je over deze laatste en zijn regime verder ook mag denken: van alle regimes in het Midden-Oosten was het gewoon het liberaalste en het seculierste regime. Wat Campert eigenlijk doet is de moordenaarsbendes steunen, die door het Westen direct of indirect zijn opgericht, betaald en bewapend.

Dergelijke prietpraat verkopen als ‘poëzie’ stuit me eigenlijk zo zeer tegen de borst, dat ook de rest van de bundel me begint tegen te zitten. Die rest gaat over oorlogsherinneringen, over de rol en de betekenis van poëzie, er zijn enkele in memoriams enz. En ook de dood is een constante in deze bundel, wat niet verwondert natuurlijk. Campert schreef ook vroeger al grotendeels parlando, ik heb het zonet al gezegd. Maar hier gaat hij (door onkunde?) nog verder: veel meer dan losse notities zijn het niet meer; door een grijsaard op een kalenderblaadje genoteerd. Beeldspraak, klankeffecten, retorische figuren enz., ze zijn quasi volledig afwezig.

Als het niet van Remco Campert maar van Jos van Zeveneken was geweest zou geen enkele uitgever dit hebben gepubliceerd.

°°°

Veel beter van kwaliteit, maar even bizar voor de rest is de recentste publicatie van Ester Naomi Perquin: Lange Armen, gedichten over de politie (Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2018). Er staat zelfs een woord vooraf in van iemand die tekent als ‘Erik Akerboom, politiemens, korpschef’ (sic!).  Iets dergelijks verwacht ik van regimes die over het algemeen als dictatoriaal of totalitair gekenschetst worden door wat dan, al even totalitair trouwens, ‘opiniemakers’ genoemd worden. Maar niet in een regime dat door zichzelf meestal als ‘democratisch’ omschreven wordt.

Zou het iets te maken kunnen hebben met het instituut van Dichter des Vaderlands? Op het ogenblik neemt Perquin die functie waar in Nederland. Veel meer dan de verplichting om een bepaald aantal gedichten te schrijven over publieke onderwerpen houdt dat weliswaar niet in, en die onderwerpen kunnen natuurlijk door de dichter in kwestie zelf gekozen worden, maar evengoed kan het schrijven gebeuren op uitnodiging, zoals hier het geval was. Daar komt nog bij dat Perquin een tijdje gewerkt heeft als gevangenenbewaker en dus het milieu (in brede zin) wel een beetje kent.

Maar toch. Ik kan me onmogelijk voorstellen dat bv. iemand van de Vijftigers een gedicht over de Wouten, de Russen of andere Koddebeiers geschreven zou kunnen hebben, tenzij in negatieve zin. Van dat laatste zijn wel voorbeelden te vinden, denk ik, met name bij Vinkenoog. Maar ik zou het moeten nazien. Hoe dan ook, vele van de schrijvers van na de oorlog bereikten een hoogtepunt in de jaren zestig, en men hoeft maar aan provo te denken om te weten hoe politievriendelijk alles toen was. Lucebert heeft niet voor niets ook een ‘Verdediging van de provo’s’ geschreven, direct of indirect tegen politieoptredens. En Jan Wolkers gaf wegens zo’n optreden de prozaprijs van de gemeente Amsterdam terug.

’t Kan natuurlijk verkeren. En dat doet het ook.

Toen wisten de schrijvers wat de eerste, fundamentele en essentiële rol van de politie was. Nu weten ze dat niet meer.

Maar dat belet niet dat Perquin zich ook hier een meester in haar vak toont. Het moet niet gemakkelijk zijn zomaar gedichten uit je mouw te schudden over een onderwerp waar je weinig of geen feeling mee hebt. Maar Perquin zal wel een groot inlevingsvermogen hebben. Waarvan ik mij alleen afvraag of het wellicht, soms toch een beetje al te exclusief is.

Print Friendly, PDF & Email

09/02/2018
door Peter
1 reactie

Lucebert en het hoernaille

Ze hebben weer iets gevonden, de kletsmeiers van de pers. De kwaliteitsstrontkranten uit Vlaanderen, De Morgen en De Standaard lopen voorop met titels over duistere geheimen en maskers die vallen. Weekbladen heb ik (nog) niet gezien, en naar kletsprogramma’s op teevee in de aard van De wereld draait door kijk ik niet; maar ik kan me de hoeveelheden speeksel wel voorstellen die daar geproduceerd gaan worden.

En een biograaf die kotst van sommige uitspraken van zijn onderwerp doet mij dan weer kotsen, én neigen om die biografie dan maar niet te kopen en niet te lezen.

Niks geen geheimen inderdaad, en niks geen maskers. Jan van der Vegt publiceerde in 1995: Hans Andreus, biografie (Uitgeverij De Prom, Baarn). Geen enkele van de huidige scribenten heeft zelfs maar de moeite gedaan daarnaar te verwijzen. Nochtans kun je daarin met zoveel woorden lezen (pp. 84 e.v.) dat Johan van der Zant (de latere Andreus) samen met zijn jeugdvriend Bertus Swaanswijk naar de Dam in Amsterdam ging om zich aan te melden voor de SS. Jawel, de SS (bedoeld is wel de Waffen-SS). Van der Zant tekende, Swaanswijk niet. Wellicht had hij toch een beetje schrik gekregen.

Maar hij ging dus wel vrijwillig naar Duitsland in het kader van de zgn. Arbeitseinsatz. Ook dat was geweten.

Waarom doet iemand zo iets. Onvrede thuis en een avontuurlijkheid die wellicht eigen is aan adolescenten zal zeker een rol hebben gespeeld. Maar er moet ook sympathie geweest zijn voor het Duitse naziregime, dat kan niet anders.

Iedereen die dat wou weten, kon het dus weten. Alle hoernalistieke heisa van vandaag is enkel een storm in het spreekwoordelijke glas water. Blijkbaar zijn hedendaagse hoernalisten zo dom, dat ze enkel nog in staat zijn non-events op te blazen tot onmetelijke proporties; dat ze daarbij zaken ‘vergeten’ klopt natuurlijk niet: ze weten doodgewoon niks, en ze zijn te lui of te onbekwaam om iets na te checken.

Ook dat is om van te kotsen. Niet die idiote uitspraken van Swaanswijk in enkele brieven.

Je zou vergeten dat er ook nog een biografie is van ongeveer duizend bladzijden waar hopelijk wat meer en wat interessanter in staat dan deze rabiate opgeblazen onzin, die hoogstens een bladzijde waard is.

Moest het dan onvermeld blijven? Nee, zeker niet. Want het kan toch wel een beter begrip bijbrengen voor sommige gedichten. Neem bv. het zeer bekende gedicht ‘As alles’:

“as alles
melasse alles
van meethand melasse alles
mara made in moab
kaïn naphtali barrabas rothschild reich
noömi made in mara
melasse alles

wel 6 kop gerst werd op haar hoofd gezet
maar gestalte alleen geeft de auslade eisenwucht noemer en naam
of de sephiroth zwaait
maten van de metaphoon
mara made in moab
noömi made in mara
maar alles is melasse
en alles is as”

Het onderwerp van dit gedicht mag als bekend worden verondersteld, en zelfs bij een eerste lectuur is het duidelijk. Maar nu we weten dat Lucebert in zijn jeugd anti-joods was, kan het gedicht wel in een bredere psychologische context worden geplaatst. Het lijkt me duidelijk – dat blijkt ook uit andere gedichten uit die vroege tijd – bv. ‘ballade van de goede gang’ – dat Lucebert geschokt en verbijsterd is geweest toen hij de aard en de omvang van de judeocide van de nazi’s leerde kennen. Dat zal in zijn geval zeker geleid hebben tot schuldgevoelens, die wellicht geheel of gedeeltelijk verdrongen werden. Dat kan – mede – een verklaring zijn voor sommige hermetische gedichten, en dan denk ik op de eerste plaats aan ‘as alles’ – maar er zijn er meer.

Lucebert las ik voor het eerst op mijn zeventiende, en hij is steeds een van mijn lievelingsdichters gebleven, ook nu nog.

En laat de zwetsaards verder maar lullen!

P.S.: ik merk dat in mijn exemplaar van Van der Vegts biografie van Andreus een zestal besprekingen aanwezig zijn, mooi uitgeknipt uit kranten en weekbladen. Ze zijn alle bijna voorbeeldig te noemen: geen enkel spoor van sensatie, en dus ook geen krankzinnige titels zoals nu bij Lucebert. Dat geldt ook voor de twee Vlaamse kranten; de recensie in De Morgen was trouwens van de hand van Herman de Coninck. Nochtans: ook van Andreus was niet geweten dat hij aan het Oostfront geweest was, en Lucebert, toen nog in leven, herinnerde zich niets meer. Ik neem dat zelfs aan, je verdringt dat gewoon.

De pers is in die kwarteeuw dus wel degelijk grondig veranderd, en alles behalve ten goede. Je kunt enkel nog vaststellen dat het rioolhoernalistiek geworden is vandaag, en de hoernalisten zelf de rioolratten uit dat bekende vroege gedicht van Lucebert.

Print Friendly, PDF & Email

29/01/2018
door Peter
Geen reacties

Teruggevonden: Karl Heinz Pawla

Soms verveelt een mens zich een beetje, en dan gaat hij – zeker als hij al wat ouder is – op zoek naar bepaalde zaken uit zijn verleden, zijn jeugd; zaken die hem toen getroffen hebben, maar die hij niet echt meer kan situeren en terugvinden.

Zo herinnerde ik mij een gedicht dat ik gelezen moet hebben in mijn studententijd. Wanneer juist weet ik niet meer (maar wel weet ik nu dat het na 1968 geweest moet zijn), en evenmin weet ik nog waar, zowel wat de publicatie zelf betreft (gehoord? in een tijdschrift gelezen? zo ja, welk tijdschrift?) of wat de plek was waar het gebeurde. En het is moeilijk te achterhalen, temeer daar de ULB, waar ik studeerde, veel meer op Frankrijk, zeg maar: Parijs gericht was dan op Duitsland. Maar ik studeerde wel wat toen nog germaanse filologie heette, en Duits was mijn tweede hoofdtaal.

Het enige wat ik mij wel nog herinnerde was het onderwerp: het gedicht ging over iemand die in een rechtszaal zijn behoefte had gedaan en zijn achterste dan had afgeveegd met enkele documenten die op de pupiter van de rechter lagen. En ik herinner me nog zeer goed hoe hard ik daarmee toen gelachen heb, hoe schitterend ik het vond. Net zoals de tekeningen van Reiser, Cabu of Wolinski in Charlie Hebdo c.q. Harakiri. Vandaag vraag ik me trouwens af of het ludieke in Duitsland (en dan met name in Berlijn) niet veel meer uitgesproken was dan in Parijs. Waarschijnlijk wel, want figuren als Fritz Teufel en Dieter Kunzelmann zijn me in het Parijs van die tijd niet bekend. Maar ik kan me vergissen.

Normaal gezien moesten de weinige gegevens die ik had voldoende zijn om het gedicht in kwestie terug te vinden, want op het internet zou het zeker staan. In mijn geheugen was het een ‘ballade’ en geen ‘lied’, wat de zaak al moeilijker maakte; de naam van de betrokkene herinnerde ik me ook maar vaag, zodat ik steeds weer bij Tsjechische en/of Slovaakse websites terecht kwam, waar ik verder niks mee kon. Maar toch: na een beetje zoeken had ik het gevonden. Mijn reactie was nog steeds dezelfde: hartelijk lachen met deze schitterende schelmenstreek. En ik schrijf het gedicht hier even over, zodat ook de potentiële lezer de ernst even kan laten voor wat hij is, en de lachspieren een beetje oefenen.

“Lied vom Terroristen Karl Heinz Pawla

Hört die Schandtat von dem frechen
Karl Heinz Pawla aus Berlin:
Dieser schwarze Sohn von Tschechen
ohne Zucht und Disziplin,
lange Haare, ungewaschen
und die Hände in den Taschen,
trat er vor das Landgericht
als ein schlimmer Bösewicht.

Finster stand der Lichtesscheue
in Justizias heilgem Haus,
ohne Demut, ohne Reue,
und zog sich die Schuhe aus.
Alle Bürger warn erschrocken,
als er dastand in den Socken,
und er grinste ins Gesicht
den hohen Herrn vom Landgericht.

Schließlich trieb ers immer bunter,
ohne Zucht und ohne Scham,
ließ er seine Hosen runter,
weil ihm ein Bedürfnis kam:
In Justizias heilgen Hallen
ließ er hinter sich was fallen
mitten in das Landgericht:
Sowas tut ein Deutscher nicht!

Das ging den Richtern an die Ehre,
ihre Würde war beschmutzt.
Des Gesetzes ganze Schwere
haben sie darob benutzt
und den Strolch ins Loch geschmissen,
weil er aufs Gericht geschissen,
und so siegten Zucht und Pflicht
vorm Berliner Landgericht.

Die Moral von der Geschichte:
Kommt dich ein Bedürfnis an
vorm Berliner Landgerichte,
laß nichts fallen, deutscher Mann!
Mach dich lieber in die Hose,
statt wie jener sittenlose
Terrorist und Bösewicht,
scheißen auf das Landgericht!”

(1969)

Uit de mooie geschiedenis ervan die geschreven werd door lid Ulrich Enzensberger (inderdaad, de veel jongere broer van de dichter) weet ik dat Pawla eveneens lid was van de roemruchte commune 1 (Ulrich Enzensberger: Die Jahre der Kommune I, Berlin 1967-1969, Kiepenheuer & Witsch, Köln, 2004). Dat is ook de enige plek waar enkele zeldzame foto’s van Pawla te vinden zijn, eentje zelfs met zijn toenmalige advokaat, de inmiddels tot het neonazisme bekeerde Horst Mahler.

Wat er verder van Pawla geworden is? Daar is nergens iets over te vinden. Ondergedoken in de anonimiteit als het ware. Vast staat enkel dat hij zich niet heeft laten verleiden door een van de gewapende groepen die iets later ontstonden. Iemand die z’n broek afdoet in een gerechtszaal lijkt me niet de meest geschikte kandidaat daarvoor: veel te weinig gewoon idealisme, laat staan totaal overtrokken idealisme. Hij is trouwens niet de enige geweest om in die anonimiteit te verdwijnen. Irene Goergens bv. deed mee aan de Baaderbevrijding en hoorde zodoende bij de stichtsters van de RAF; maar na haar gevangenisstraf uitgezeten te hebben heeft niemand nog iets van haar gehoord.

Wie het gedicht in kwestie geschreven heeft, is me evenmin bekend. Misschien wel een collectief uit de commune 1. Nu geldt het gewoon als een anoniem gedicht.

Zeker in het licht van de opkomst van de zgn. Alternative für Deutschland, kan dit gedicht een heel ander, een veel vrolijker en aangenamer alternatief bieden, een ludiek anarchistisch alternatief. Niet dat ik me ook maar enige illusie maak wat dat betreft. Het gedicht is op een doorzichtig ironische manier geschreven vanuit het standpunt van een typische Duitse ‘Spiessbürger’, culminerend in  ‘Sowass tut ein Deutscher nicht!’. Ook is het natuurlijk goed dateerbaar door bepaalde opvattingen van die ‘Spiesser’: lange haren horen niet, je mag als je voor je Meesters staat de handen niet in de zakken houden. Wie heeft het in zijn jeugd niet gehoord en meegemaakt?

Schijten moet je op die mentaliteit, zoalniet letterlijk, dan toch minstens figuurlijk.

Het “Schijtmanneke” – Musée de Flandre, Cassel

P.S.: Diana is veel slimmer en intelligenter dan ik, en ze bezit daarenboven een uitzonderlijk doorzettingsvermogen. Ze heeft het dan ook ver gebracht in de wereld en de maatschappij: ze is er gekomen!

Wat je van mij onmogelijk kunt zeggen.

Maar om het kort te houden: het gedicht hierboven is helemaal niet anoniem. Er is wel degelijk een auteur; en zij heeft die teruggevonden. Het is de mij totaal onbekende Volker von Törne (ook wel schrijvend onder het pseudoniem Graaf von Windei).

Je kunt nog zo veel lezen, altijd is er wel iets of iemand die je niet kent maar die je wel had moeten kennen. Daartoe hoort die von Törne, die heel jong gestorven is, en wiens Im Lande Vogelfrei, Gesammelte Gedichte (Klaus Wagenbach, Berlin, 1984) amper een tweehonderd bladzijden telt – maar wel kwalitatief hoogstaande bladzijden meestal.

In de Wunderhorn van hedendaagse Arnims en Brentano’s zou het gedicht zeker voorkomen, maar wellicht ook anoniem. Misschien is dat wel het hoogste dat een dichter bereiken kan, zeker een progressieve als von Törne: dat teksten van je gemeengoed worden, dat iedereen je tekst kent, maar niemand meer weet wie nou ook weer de dichter ervan was.

Print Friendly, PDF & Email

18/01/2018
door Peter
Geen reacties

RAF in de poëzie

Christian Geissler, die lang sympathisant was, heeft gedichten over de RAF (nee, niet de Royal Air Force) geschreven, en ook Peter-Jürgen Boock, die zelf een tijdlang lid was van de club, heeft enkele gedichten gepubliceerd in dat verband. Maar een hele bundel, en nog door een koele objectieve buitenstaander was me nog niet bekend.

Stefan Heuer: honig im mund/galle im herzen (Lyrik Edition 2000, München, 2007), zo heet die bundel en hij is, zoals u ziet, inmiddels al enkele jaren oud. Hij is wel nog verkrijgbaar, als book-on-demand. Of het een toeval is of niet weet ik niet, maar de bundel bevat welgeteld 68 gedichten, verdeeld in drie afdelingen, die samen de chronologie van de beweging vormen.

De bundel bevat dus drie afdelingen: de eerste heet ‘Prolog’ en bevat tien gedichten; de laatste heet ‘Epilog’ en bevat een enkel gedicht; het korpus zelf tenslotte heet ‘Die Rote Armee Fraktion’ en bevat 57 gedichten. Op drie na dragen alle gedichten een datum als titel, en vlak eronder wordt in een kleiner corpus gezegd wat er op die dag gebeurd is. Daaruit alleen kun je al af en toe iets afleiden over het standpunt dat de auteur zelf inneemt. Zo spreekt hij over de ‘zelfmoord’ van Meinhof, Ensslin, Baader en Raspe. Dat is uiteraard de officiële versie, en die niet noodzakelijkerwijze overeen stemt met de werkelijkheid – ik heb dat al vaker gezegd. Dat betekent overigens niet dat de auteur altijd de officiële versie volgt. Bij de moord (dat is mijn kwalificatie – in Duitsland zou ik daar strafbaar voor zijn – echt waar!) op Wolfgang Grams bv. doet hij dat duidelijk niet. Een citaat uit dat gedicht:

”                                        …ein letzter

blick in die augen (s)eines mörders, mahnmal gegen
einen staat und seine (tradition der) Endlösung – ein
aufgesetzter kopfschuss, und niemand hats gesehen,

falsch: niemand wollte es sehen, niemand durfte es
sehen!, zivile zeugen ohne wert, denn: ein pionier
polizist lügt nicht, basta!…” (p. 73)

Natuurlijk waren er getuigen: de dame van de krantenkiosk had alles gezien en beschreven, maar ze werd zodanig onder druk gezet dat ze alles terugtrok en ook met de pers niet meer durfde spreken. Goede, oude Duitse traditie, sinds de Wilhelminische tijd!

Alle gedichten in de bundel zijn in rijmloze terzinen geschreven. Daarbij denk je uiteraard onmiddellijk aan Dante, maar of dat de bedoeling was? Ook verder zijn alle gedichten op dezelfde wijze gestructureerd: geen hoofdletters en een afwisseling van passages in romein en in cursief; de cursieve teksten zijn afkomstig van RAF-teksten en soms van andere derden, in de andere passages is een anonieme verteller aan het woord. Waar de citaten vandaan komen wordt nergens gezegd, dat moet de lezer zelf maar weten of opzoeken.

Een lyrisch ik is dus niet aanwezig, ja, in de tekst in romein komt het woord ‘ich’ slechts twee keer voor, en telkens in een spreekwoord of andere vaste uitdrukkingswijze. In de cursieve tekst komt het ‘ich’ vaker voor, maar die tekst bestaat dan ook uit citaten, een lyrisch ‘ik’ is daar niet aan het woord.

Afstandelijke lyriek dus, met een zeer hoog sensibiliteitsgehalte, maar zonder ook maar een zweem van sentiment. Een beetje zoals bij ons Willy Roggeman dat van de dichter eiste, en ook zelf toepaste. En goed doordachte lyriek, die geschreven werd op basis van grondige studie van het materiaal, dat blijkt alleszins – ongeacht het feit dat de ‘verteller’ af en toe onrechtstreeks zijn mening laat blijken.

De proloog begint met een gedicht dat ‘Vietnam-Krieg’ heet – éen van de drie zonder datum dus – en het klopt wel dat veel bewegingen – óók gewapende bewegingen, overal in Europa – hun oorsprong vonden in de strijd tegen die oorlog; in Duitsland nog meer dan elders, want daar was het operationele hoofdkwartier van de US-strijdkrachten gevestigd, dat in een van de eerste en schitterendste (ook voor deze appreciatie zou ik in Duitsland vervolgd worden, nog steeds!) acties van de RAF vernietigd werd. Of het veel heeft uitgehaald, denk ik niet, maar de Vietcong en eenieder die met hen sympathiseerde zal er wel dankbaar om zijn geweest.

Het einde van de proloog heet ’14. Mai 1970′ en gaat over de bevrijding van Andreas Baader uit een leeszaal, waar hij – gevangene zijnde – met toestemming onderzoekswerk deed. Die actie en die datum luidden het begin, de geboorte in van wat ongeveer twintig jaar lang de RAF zou gaan heten. In die proloog komt nog een tweede gedicht zonder datum voor, dat ‘Ulrike Meinhof’ heet: het schetst kort en krachtig het leven van Ulrike tot dan toe, de omslag bij het blad Konkret om te eindigen ‘statt kur die begegnung mit dem restlichen leben’ (p.13). Het lijkt erop dat de auteur een ziektegeschiedenis zou willen suggereren (het woord ‘Kur’), maar dat wordt niet doorgetrokken in de rest van de bundel. Dus vergis ik me wellicht.

Waarom enkel aan haar een afzonderlijk gedicht gewijd wordt, en niet eveneens aan Ensslin, Baader en Raspe is niet echt duidelijk, maar het zal wel zijn omdat zij de meest enigmatische figuur was. Ze komt overigens ook op een cryptische manier enkele keren terug in de gedichten, nl. als ‘Anna’. Het is zeer weinig geweten, maar de RAF-leden gebruikten codenamen: Ulrike was dus ‘Anna’, Gudrun was ‘Grete’ enz.

Het derde gedicht zonder datum heet ‘Bewegung 2. Juni’, en is dus aan die parallelbeweging gewijd, waarvan de overblijvende leden later trouwens in de RAF zouden opgaan. Naast die twee waren er nog wel enkele gewapende groepen actief in het Duitsland van die jaren; vooral ‘Roter Zorn’ en ‘Rote Zora’, de zgn. ‘Feierabendterroristen’ waren erg actief in de week-ends, en hebben wel wat overwinningen geboekt; in dit gedicht komen ze als zodanig niet voor.

In het korpus zelf heeft de auteur de feiten en hun datum goed weten te kiezen, in elk geval zo dat een min of meer juist beeld ontstaat van wat de RAF geweest is, hoe haar leden gestreden hebben, in bepaalde gevallen daarbij de dood vonden. Zoals gezegd blijft de auteur grotendeels afstandelijk en neemt hij nooit direct een standpunt in; indirect wel, zoals al aangegeven, maar zelden. ‘9. November 1974’ is een goed voorbeeld: er zijn meer citaten dan elders, zodat cursief en romein elkaar in evenwicht houden, en de afstandelijkheid is zo mogelijk nog groter dan elders; wat de auteur in dit gedicht oproept is dan ook de foltering (dwangvoeding zoals bij ganzen) en uiteindelijke dood van Holger Meins – een feit dat zeer velen naar de RAF heeft geleid en ook in de rest van Europa tot betogingen en meer leidde:

“9.November 1974

Holger Meins stirbt an den Folgen des Hungerstreiks

schweigsam und hager, zelluloid bereits in der wiege,
gewissensgeprüft, bewegte bilder wie magneten, das
öffentlich-rechtliche schiff für die suche verlassen, die

im boot hätte enden können (stattdessen: festschnallen,
zwei handschellen um die fussgelenke, ein dreissig cm
breiter riemen um die hüfte…von rechts der arzt auf’n

hocker mit ‘nem kleinen brecheisen)/starbuck auf dem
weg, links links zum bäcker zur demo, der dreiminütige
alleingang, s/w cocktail-werbung, der schritt zur tat usw.

usf. (damit geht er zwischen die lippen, dann zwischen
die zähne und hebelt die auseinander und schnitt: ein schnitt
skelettierter mensch, zweiundvierzig kilo mit bart, fern

jeder hungersnot die selbstbestimmte dürre (von links
die maulsperre. verwendet wird ein roter magenschlauch,
mittelfingerdick) // ein ende nach Shakespeare, applaus” (p.33)

Veel van de verwijzingen hier hebben betrekking op het beroep en de studies van Meins: deze was cameraman en cineast.

Het was een algemene praktijk, niet enkel in de BRD, maar in alle fascistische en fascistoïde staten om tegenstanders die een hongerstaking deden dwangmatig te voeden. In de bundel is trouwens ook een gedicht gewijd aan de veel minder bekende Sigurd Debus, die op dezelfde manier gefolterd werd en erin bleef. Over het algemeen kan gesteld worden dat de auteur uit de veelheid van feiten en gebeurtenissen die de geschiedenis van de RAF vormden zeer goed de belangrijkste of meest opvallende weet te kiezen en zodoende op een lyrische wijze een goed beeld weet te schetsen van die geschiedenis.

De derde afdeling, de zgn. ‘epiloog’ bevat slechts één gedicht, dat gewijd is aan de vrijlating van Brigitte Mohnhaupt. Volgens ‘kenners’ zou dat de leidster van de tweede RAF-generatie zijn geweest, maar met ‘kenners’ moet je natuurlijk altijd erg oppassen – of ze nou al dan niet Aust heten. Het enige dat vaststaat is dat zij zich bezighield met de logistiek van de groep, en dat zij derhalve vele en uiteenlopende contacten gehad moet hebben – ook in vaak erg duistere milieus. Vierentwintig jaar heeft zij gezeten. Nazi- en andere terroristen van rechts hebben nooit zo lang gezeten, nooit; meestal werden ze na enkele jaren al vrijgelaten. Ik ben benieuwd wat de NSU-leden (Nationalsozialistischer Untergrund) in München gaan krijgen, en hoeveel daarvan ze effectief zullen uitzitten.

Uit alles wat ik totnogtoe over deze bundel zei, kan al worden afgeleid dat het kunst-matige aspect de bovenhand voert, m.a.w. dat we te maken hebben met intellectuele, in zekere zin maniëristische, poëzie. De auteur is een poeta faber en zeker geen poeta vates; maar hij is ook – en het begrip ‘faber’ houdt dat al in – een poeta doctus. Dat uit zich uiteraard op de eerste plaats door het feit dat de gedichten gegrond zijn op een grondige studie van het onderwerp, vandaar ook de vele cursief gezette citaten. Maar ook daarbuiten komen wel heel wat verwijzingen voor, op de eerste plaatsnaar politiek of politici uit die tijd: Horst Mahler en Otto Schily bv. broederlijk naast elkaar: de ene is een nazi geworden, de ander minister van binnenlandse zaken van de BRD. Wat het ergste is, hangt natuurlijk van eenieders persoonlijke inschatting af.

Maar er zijn ook heel wat andere allusies, soms op een andere manier grappig, soms zelfs cynisch aandoend, maar wel telkens toepasselijk. In het gedicht over de Schleier-ontvoering bv. (p.42) wordt gesproken van het ‘ende einer dienstfahrt’: dat is de titel van een verhaal van Heinrich Böll, die jaren later de openbare mening en vooral Bild-Zeitung – Der Stürmer van de democratie zou je kunnen zeggen – en hun hetz- en moordpropaganda op de korrel zou nemen. Ook liedjes worden soms gebruikt, het laatste vers van het gedicht over de ontvoering van Peter Lorenz (p. 35) luidt bv.: ‘so ein tag, so wunderschön wie heute…’; op p. 52 wordt naar de film ‘High Noon ‘ verwezen, op p. 40 naar het Grimmsche sprookje van Roodkapje, op p. 69 naar de film Die Stille nach dem Schuss van Volker Schlöndorff, gebaseerd op de autobiografie van RAF- en Bewegung 2. Juni-lid Inge Viett. En zo zijn er nog wel wat voorbeelden te rapen.

Bij het faber-aspect van deze poëzie hoort volgens mij ook het feit dat het de lezer niet echt gemakkelijk wordt gemaakt om ‘erin’ te komen. Het meest opvallende stijlkenmerk is de ellips, die zelfs in de citaten vaak voorkomt. Enkele voorbeelden slechts:

“in oberkassel, villa an villa, sicherheit von kameras
und schusshemmendem glas trügerisch: gefährdungs-
stufe zwei für den wichtigsten manager des landes,” (p. 70)

en:

ernst zimmermann), nach einem schuss ein halber tag

bis dass der tod sie scheidet// (die westeuropäische
guerilla erschüttert das imperialistische system), zurück
im ebenerdigen büngalow, und keine verwertbare spur” (p. 64)

en:

“im kommerz des shop ville in den hinterhalt; ein kostüm
im schaufenster, alle sinne dicht am stoff, applikation,
der schnitt das letzte bild im auge – erschöpftes und

kassiertes viertel, drei viertel mit plattfuss zur strassen-
bahn: zählen, cleanen, den mund abwischen, weiter!” (p. 54)

Maar eigenlijk kan elk gedicht in dit verband geciteerd worden, want de ellips is inderdaad allesoverheersend; uit hetgeen ik al geciteerd heb kan overigens ook afgeleid worden, dat je toch, als lezer, zelf ook een beetje op de hoogte moet zijn van de RAF-geschiedenis om echt te kunnen volgen.

Het hele gedicht door komen ook onderstrepingen en doorhalingen voor, verwijzingen naar filmtechnieken en eigenlijk toch nog wel heel wat rijm. Behalve eindrijm; als dat al voorkomt is het meestal een halfrijm. Maar stafrijmen zijn er, bv. de ‘w’ en de ‘f’ in de volgende strofe:

“der griff an den hörer, an die waffen, die einkaufsliste
(haferflocken/kindergries = einziges saki-fressen) ver-
zeichner verluste und wächst weiter – alle für einen,

die musketiere immer öfter auf verlorenem posten” (p. 49)

Ook de herhaling van ‘ver’ valt op, en de ritmische overgang van ‘i’ naar ‘ö’ in het laatste vers. Meest komen echter binnenrijmen voor, die soms zelfs vlak na elkaar optreden, zonder een ander woord ertussen: “stadt, statt” (p. 13), “und im hort//kein wort” (p. 14), “wollt ihr euren sohn noch retten, schickt ihm geld und/zigaretten” (p. 54), “kriecht so mancher auf dem rumpf durch den sumpf” (p. 74) enz.

Het meest opvallend voor mij – maar naar ik vrees voor de doorsneelezer niet; of onderschat ik die? – is het gebruik van één tmesis; dat is een retorische figuur die in literaire teksten zeer zelden voorkomt, en als hij er is wijst hij op het maniëristische, kunst-matige karakter van de betrokken tekst:

“kein klopapier für hirn statt arsch, vom hdj in die taz,
rück- (fehler im herbst, einsicht ist der erste schritt
zur besserung – wäre ein erster schritt gewesen) und

vorschau (entwicklung der revolutionärer front in der
metropole, drei kräfte zu bündeln)/…” (p.59)

De tmesis bestaat in de splitsing van ‘rück-(schau)’ en ‘vorschau, en het tussenvoegen van een stuk tekst tussen die twee.

Een laatste opvallend verschijnsel is het optreden, vooral in het begin van de bundel, van perifrase: ook dat maakt de lectuur er niet gemakkelijker op, want je moet vaak gaan opzoeken over wie of wat het juist gaat: zo is er sprake van ‘die zeitung mit den vier grossen buchstaben’: dat is natuurlijk een gemakkelijke: BILD; ‘die stadt der liebe’ voor Parijs is eigenlijk al een cliché; en welke ‘die stadt an der elbe’ is, weet zeker in Duitsland ook iedereen; in het gedicht waar dit uitkomt maakt hij ook een al te gemakkelijk grapje over Baaders voorliefde voor een bepaald merk auto’s:

“in der stadt an die elbe die augen auf die produkte
der bayerischen motoren werke; strassensperren

als reusen für den ganz bestimmten fang/ bärtiger
mann, blonde frau am steuer eines blauen (b(aader)
m(einhof) w(agens), …” (p. 25)

‘der sohn des wüstenfuchses’ kan zeker voor buitenlanders al iets moeilijker liggen: maar in de eerste helft van de jaren zeventig was een zoon van Erwin Rommel burgemeester van Stuttgart, waar ook Stammheim deel van uitmaakte.

Ik heb van Stefan Heuer verder niets gelezen, maar deze bundel lijkt me wel goed en interessant genoeg om dat alleszins in overweging te nemen. Dit is immers lyriek naar mijn hart, en niet enkel wegens het onderwerp dat mij nog steeds evenzeer intrigeert als het de auteur blijkbaar doet. En de afstandelijkheid die door de gebruikte retorische middelen bewerkt wordt, past dubbel bij het onderwerp: enerzijds is de RAF hoe dan ook geschiedenis geworden (ook al is het BKA nog steeds op zoek naar leden die nog steeds ondergedoken zijn, en naar nog onbekende leden – hopelijk zullen ze noch de enen noch de anderen ooit vinden), maar anderzijds – en dat is het belangrijkste – de lezer wordt niet gevoelsmatig benaderd, hem wordt niet gevraagd zich in te leven, maar wel om na te denken.

Alsof Brecht zelve aan het woord is.

Print Friendly, PDF & Email