07/07/2012
door Peter
Reacties uitgeschakeld voor Voetnoten – Eindnoten

Voetnoten – Eindnoten

Indien een lange tekst in meerdere pagina’s is uitgesplitst, vindt u de voetnoten meestal als eindnoten op de laatste pagina.

Print Friendly, PDF & Email

09/07/2017
door Peter
Geen reacties

09-07-17 – Een biografie van Gudrun Ensslin

Op bladzijde 174 van haar biografie van Gudrun Ensslin (Poesie und Gewalt; das Leben der Gudrun Ensslin, Klett-Cotta, Stuttgart, 2017) schrijft Ingeborg Gleichauf:

“Auch an die Ideale der Demokratie habe sie zunächst geglaubt, dann aber seien ihr durch die Erfahrung der Spiegel-Affäre, der Wiederaufrüstung, der Notstandsgesetze und des Umgangs mit dem Nationalsozialismus deutliche Zweifel gekommen. Sie sei gegen Mauern gerannt mit ihrem Wunsch, innerhalb demokratischer Regeln sich einzusetzen für mehr Gerechtigkeit. In Wirklichkeit gehe es, so habe sie erkannt, letzlich immer nur um das Recht  des Stärkeren.”

De ‘erlebte Rede’ wijst erop dat de schrijfster zelf hier niet aan het woord is; ze parafraseert de woorden van Bernward Vesper op het zgn. Kaufhausbrandprozess. Maar het feit dat ze dat zo uitgebreid doet (meer dan ik hierboven citeer) betekent mijns inziens dat ze wel achter deze woorden staat.

Ingeborg Gleichauf

Het zijn woorden die mij uit het hart genomen zijn, omdat ik ze iets scherper verwoord voor mijzelf lang en vaak herhaald heb; ooit ben ik begonnen aan studies in de rechten (na mijn germaanse) en in de tweede kandi ben ik daarmee gestopt, omdat ik inzag dat er helemaal geen recht was (over rechtvaardigheid wil ik het niet eens hebben, dat is een puur en letterlijk hersenspinsel), maar dat elk recht in laatste analyse enkel en alleen maar het recht van de sterkste was. En dat het dus nooit om recht ging, maar enkel om macht. Toen – ik was nog jong, even de twintig voorbij – was dat voor mij een verbijsterende vaststelling. Maar een die volkomen juist is, daar ben ik tot op de dag van vandaag van overtuigd.

Wat kun je na dat inzicht nog doen? Dat moet ook een van de vragen geweest zijn die Gudrun Ensslin (en met haar vele anderen toen, in Duitsland en elders) zich gesteld heeft.

Je kunt in de politiek gaan om macht te verwerven. Dat deden bv. de politieprovocateurs Joschka Fischer en Daniel Cohn-Bendit. Iets veranderd hebben ze niet, het zijn enkel de meest cynische politgangsters geworden die je je kunt indenken. Dan liever nog de wanhoop die aan de basis ligt van wat ‘terrorisme’ genoemd werd en wordt (maar het in het geval van bv. de RAF helemaal niet is), en die meer nog dan bij Ensslin bij Ulrike Meinhof zo goed detecteerbaar was: het volstond haar columns in Konkret te volgen. Een derde mogelijkheid is zich uit de politiek en de wereld terugtrekken, zich enkel nog bezighouden met de ‘poëzie’ uit de titel van Gleichaufs boek. Een combinatie is ook mogelijk; daarbij hou je je met literatuur, filosofie, kunst etc. bezig, maar volg je de politiek nog (eigenlijk met totale walg, verachting en tegenzin, maar je kunt blijkbaar niet zonder, ‘abschalten’ blijkt niet mogelijk) en schrijf je er ook nog over, zoals hier.

Ensslin heeft duidelijk voor het ‘geweld’ gekozen. Alhoewel, ‘gekozen’?

De schrijfster laat dat eigenlijk in het midden; ze stelt wel vast dat Ensslin op verscheidene tijdstippen van haar leven voor een keuze geplaatst werd, maar ze weet dat niet echt hard te maken. Volgens mij kan ze dat ook niet, omdat van enige ‘keuze’ eigenlijk weinig sprake is. Je rolt erin. En dat andere, veel gevaarlijkere terrorisme, het staatsterrorisme, speelt daarin een cruciale rol. De escalatie toen, in Duitsland, is op de eerste plaats van de staat gekomen.

Gleichauf begint met een inleiding waarin ze allerlei vroegere werken over de RAF bespreekt, en met name de fouten daarin; die komen er steeds op neer dat zaken geponeerd worden, die niet hard gemaakt kunnen worden aan de hand van documenten of getuigenissen. Die zijn er inderdaad zeer weinig wat het leven van Ensslin betreft, en dat begint al met haar jeugd.

Meestal worden de oorzaken van houdingen zoals de hare in de jeugd gezocht, maar in dit geval was weinig of niets te vinden, en dus vonden eerdere schrijvers maar gewoon wat uit. Dat doet Gleichauf niet, en dat is inderdaad een pluspunt van haar biografie; ze stelt inderdaad vast dat Ensslin in een idyllische omgeving opgroeide, maar stelt ook duidelijk dat die idylle een landschappelijke idylle is, en dat over de opvoeding in het ouderlijk huis weinig of niets geweten is. Dat belet niet dat je kunt vaststellen dat ook andere kinderen uit het gezin op de een of andere manier problemen hadden (over de na Gudrun geborenen weet ik niets); vermoedelijk moet er in het ouderlijk huis toch iets mis zijn geweest. Daar is natuurlijk op de eerste plaats de afwezigheid van de vader (hij deed legerdienst in de Wehrmacht tijdens de eerste oorlogsjaren) gedurende haar eerste levensjaren; en de moeder lijkt eerder nogal gevoelskoud geweest te zijn; en daar komt dan nog de algemene politieke context bij: nazibewind en oorlog. Plus daarbij het feit dat vader dominee Ensslin géén nazivriend was, integendeel.

Gleichauf weet ondanks het gebrek aan materiaal de sfeer in het landelijke Baden-Württemberg toch goed weer te geven. En dat geldt eveneens voor de schooljaren van Gudrun (een uitstekende leerlinge) en haar eerste studiejaren in Tübingen, waar ze Germaanse studeerde. Tübingen moet toen nog veel meer dan nu een klein stadje geweest zijn, een dorp bijna, iets zoals Leuven hier. Zoals dat met zovele studenten het geval is, werd zij hier zelfstandig en volwassen. Alhoewel dat zelfstandige er al eerder was, want net zoals een latere RAF-kompaan, Johannes Thimme, heeft zij een jaar in de USA verbleven in een uitwisselingsprogramma. Blijkbaar is ook daar weinig van geweten, want de schrijfster gaat er niet echt op in. Het lijkt echter wel zo dat haar ervaringen aldaar positiever waren dan die van Thimme zovele jaren later.

Maar Tübingen speelde ook op een andere manier een sleutelrol in haar leven: ze leerde er haar eerste grote liefde kennen, waar ze trouwens een zoon mee zou hebben: Bernward Vesper. Er is heel veel gespeculeerd over Ensslins verhouding tot haar twee mannen, maar uiteraard weet niemand er het fijne van, ook Gleichauf niet, maar die geeft het ten minste toe, en laat de ranzige speculaties van sommige anderen gelukkig achterwege. Feit is gewoon dat ze een blijkbaar goed koppel vormden, die zelfs een eigen uitgeverij startten, maar die slechts een publicatie of twee had (voor zover ik het kan overzien toch): Gegen den Tod, waarin teksten werden samengebracht van de belangrijkste Duitse auteurs, tegen de atoombewapening, is daarvan wel de bekendste. Toen, in de jaren zestig van de vorige eeuw was dat een hot item, niet enkel maar toch op de eerste plaats in Duitsland. Nu lijkt iedereen zich daarbij neer te leggen.

Iets later engageerde ze zich ook daadwerkelijk, in het verkiezingsteam van Willy Brandt, in de sociaal-democratie dus. Verwonderlijk? Ik ben eerder geneigd om ook hier gewoon naïviteit te zien, en niets dan dat. Ze had trouwens blijkbaar al snel door dat ze voornamelijk als secretaresse misbruikt werd, en dat ze in die kringen eigenlijk niets te zoeken had.

In dat boek – Gegen den Tod dus – kwam ook een kort gedicht voor van een bekende nazidichter, Hans Baumann (vlak na een tekst van Anna Seghers – je houdt het niet voor mogelijk!), en daarover kwam heel wat kritiek. Misschien had dat eerder iets te doen met Vesper, die immers de enige zoon was van die andere nazidichter Will Vesper. De zoon heeft samen met Ensslin trouwens nog het plan gekoesterd om een verzameld werk van vader Will Vesper uit te geven. Hoe ondoorgrondelijk naïef kun je in godsnaam zijn. Want die oude Vesper had niets ingezien en niets (bij)geleerd, tot het einde van zijn dagen was hij politiek dezelfde gebleven. Ik ben in het bezit van een typoscript van hem uit de jaren vijftig, dat dat bewijst.

Naïviteit van Ensslin? Of toch een al te sterke gebondenheid aan de jonge Vesper? Wie zal het zeggen. Feit is enkel dat zij het niet gemakkelijk zal gehad hebben met hem, die nooit van zijn vader los is kunnen komen, wiens vader als een doem over hem is blijven hangen, wat zeer zeker ook een rol gespeeld zal hebben in zijn latere zelfmoord.

Maar toen was Gudrun al lang in Berlijn en waren ze, in vriendschap overigens, uit elkaar gegaan. Gudrun had in Berlijn een nieuwe grote liefde gevonden, die naar de naam Andreas Baader luisterde, en die een absolute anarchist was wat zijn persoonlijkheid en zijn handelwijze betrof. En wellicht ook een macho tegenover vrouwen. Ook speelde ze daar in een kortfilm, waarvan vele onnozelaars later beweerden dat het een pornofilm was. Totale onzin, want ik heb die film gezien: het gaat gewoon over een jonge vrouw die in bed ligt terwijl in de gang steeds meer poststukken door de brievenbus komen. Voor zover ik me herinner loopt die jonge vrouw inderdaad soms naakt door het beeld, en eindigt het als ze aan tafel zit te eten. Het is extreem lang geleden dat ik de film zag (en ik herinner me niet meer waar), dus wat sommige zaken betreft kan ik me vergissen. Hoe dat ook zij, met porno had hij absoluut niks te maken, dat is fantasie van rechtse rakkers en rukkers.

Naar Berlijn was ze gegaan om aan een doctoraat over de schrijver Hans Henny Jahnn te werken; in Berlijn had ze nl. een ‘Doktorvater’, zoals dat toen heette gevonden. Maar Berlijn is natuurlijk Tübingen niet. De radicalisering van de studentenbeweging ging daar veel sneller en veel grondiger, zeker na de moord op Benno Ohnesorg. Maar ook hier weet Gleichauf een door iedereen overgenomen mythe te ontkrachten, nl. dat Gudrun in een openlijke meeting toen al tot de gewapende strijd zou hebben opgeroepen. Waarschijnlijk was ze daar niet eens aanwezig.

Soit, feit is dat ze effectief actief meedeed aan wat de ‘Kaufhausbrand’ is gaan heten; het woord zelf zegt al waarover het gaat. Maar toen was er inderdaad nog een keuze: twee van de vier aangeklaagden (Thorwald Proll en Horst Söhnlein) zijn wel actief gebleven, maar hebben de stap naar de RAF niet gezet. Waarom Ensslin dat wel deed, is eigenlijk evenmin duidelijk. Gleichauf laat doorschemeren dat Baader er voor iets tussen zat, maar dat is niet bewezen. Het valt mij op dat zij de mannen rond Ensslin eigenlijk eerder negatief benadert. Bewust of niet? Hoe dan ook, na hun proces ging het langzamerhand in de richting RAF, maar welke elementen daar allemaal een rol in speelden is niet duidelijk, nog steeds niet. Wel dat de bevrijding van Baader (die was aangehouden en in een instellingsbibliotheek mocht gaan ‘studeren’) een uiteindelijke trigger was; daarna moesten ze onderduiken, omdat een beambte zwaar gekwetst was door een revolverschot. Bewust afgevuurd door de ‘normale’ krimineel die ze hadden meegenomen omdat ze zich zelf niet goed vertrouwden, of niet?

De warenhuisbrandstichtingen van 2 april 1968 in Frankfurt.

En zo niet, in opdracht van wie handelde die dan? Hier is iets cruciaals aan de hand, waar Gleichauf totaal niet op ingaat. Alle molotovcocktails en alle wapens, ontstekingsmechanismen en ontploffingsmateriaal uit deze vroege periode werden geleverd door ene Peter Urbach, waarvan bewezen is dat hij voor een geheime dienst werkte (met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de BND, want naderhand kon hij met een valse identiteit naar de VS). Vanaf het allereerste begin wisten de geheime diensten dus wat er gebeuren ging, en konden ze alles van dichtbij volgen. Dat ze zelf hun mannetjes hadden in die vroege groep is daarentegen eerder onwaarschijnlijk, dat gebeurde pas vanaf de zgn. tweede generatie.

Het is een lacune van jewelste dat de schrijfster daar helemaal niets over weet te zeggen. Temeer daar vanaf dat ogenblik Gudrun Ensslin als individu amper nog bestaat: zoals de andere is ze gewoon deel van een groep geworden: geen ‘ik’ meer, maar enkel nog ‘wij’. Maar anderzijds is het ook begrijpelijk: hier valt nog minder te bewijzen aan de hand van documenten dan reeds het geval was met de jeugdjaren van Ensslin. De verdere geschiedenis is natuurlijk bekend, de aanhouding, het verblijf in de gevangenissen, Stammheim en de dodennacht aldaar.

Maar ze had het minstens mogen vermelden als mogelijkheid. Zoals ze ook de officiële these betreffende dood van Baader, Ensslin, Raspe niet klakkeloos had moeten overnemen. Ze had minstens moeten verwijzen naar de boeken van Lehmann en Weidenhammer, die ik besproken heb in Stammheim revisited). Ze hoeft de these van de moord niet voor juist te houden, maar ze had ook hier de mogelijkheid moeten vermelden. Temeer daar ze over de dood van Ulrike wél zegt dat er twijfels zijn. Daarom vraag ik me af of ze de boeken van Weidenhammer en Lehmann wel kent; in de BRD zijn die uiteraard totaal doodgezwegen.

Bon, soit. Het hele boek door heeft Gleichauf de nadruk gelegd op de literaire begaafdheid van Gudrun, vanaf haar vroege jeugd eigenlijk al. Ze houdt dat goed vol, overal waar het mogelijk is, d.w.z. waar er documenten aanwezig zijn. Opvallend, en wat ik zeker niet wist: Gudrun Ensslin schreef zelf gedichten. Er is een brief van haar bekend, gericht aan Günter Eich, waarin ze hem gedichten van haar hand toestuurt en hem vraagt wat hij ervan vindt. Jammer genoeg is het antwoord van Eich niet te vinden, evenmin als de betreffende gedichten. Maar het is mogelijk dat Christiane Ensslin nog veel materiaal van haar zuster heeft, en misschien zijn daaronder ook deze (en andere?) gedichten? Als dat zo zou zijn, hoop ik dat ze vooralsnog uitgegeven zouden worden.

Uit de laatste jaren zijn er natuurlijk – behalve sommige later uitgegeven brieven – wel teksten van haar bekend: die werden verzameld in het door Pieter Bakker-Schut uitgegeven das info. Zelden heb ik zulke bizarre teksten gelezen als in dat tamelijk dikke boek. Het zijn teksten die door de gevangenen uit de RAF via hun advocaten verspreid werden onder de andere gevangen (steeds van de RAF), en dus niet enkel van haar. Ofschoon er heel wat van haar instaan. Als ik mij goed herinner hadden die teksten zo’n reuzegroot abstractiegehalte, dat ze niets meer te maken hadden met welke werkelijkheid dan ook, maar eigenlijk een totale en zelden geziene autonome tekstsoort vormden. Maar misschien vergis ik mij, het is allemaal zo lang geleden.

Behalve de vroegere schrijvers-journalisten die het over haar hadden, en die ze in haar inleiding en sporadisch ook nog in de tekst zelf weerlegt en onderuit haalt, valt het op hoe quasi iedereen positief spreekt over Gudrun, over het kind, de tiener, de studente, de activiste, ja zelfs de gevangene. Er is een vriend uit haar kindertijd die dat eveneens doet, nl. de componist Helmut Lachenmann. In een ‘Musik mit Bildern’ genoemde compositie naar het bekende sprookje van Andersen, en eveneens getiteld Das Mädchen mit den Schwefelhölzern, maakt hij in afdeling 15, ‘Litanei’ genoemd, gebruik van een tekst van Gudrun uit das info, een tekst die inderdaad zoals Gleichauf stelt, erg poëtisch aandoet (waarschijnlijk was hij niet zo bedoeld). Ik laat die litanie hier even volgen:

 

der kriminelle, der wahnsinnige, der selbstmörder – sie verkörpern
diesen widerspruch. sie verrecken in ihm. ihr verrecken verdeutlicht
die ausweglosigkeit/ohnmacht des menschen im system: entweder
du vernichtest dich selbst oder du vernichtest andere, entweder tot
oder egoist. in ihrem verrecken zeigt sich nicht nur die vollendung
des systems: sie sind nicht kriminell genug, sie sind nicht wahnsinnig
genug, sind nicht mörderisch genug, und das bedeutet, ihren schnelleren
tod durch das system im system. in ihrem verrecken zeigt sich
gleichzeitig die verneinung des systems: ihre kriminalität, ihr wahnsinn,
ihr tod ist ausdruck der rebellion der zertrümmerten subjekte
gegen ihre zertrümmerung, nicht ding, sondern mensch.
(schreibt auf unsere haut.)
Gudrun Ensslin, begin 1975

oOo

Ingeborg Gleichauf  heeft een biografie geschreven die veel meer vragen oproept dan ze beantwoordt. Maar ik vrees dat het in dit geval niet anders kan, en dat we gewoon met onze frustratie daarover moeten blijven zitten. Maar het is zonder meer goed natuurlijk dat we eindelijk ook eens iets over Gudrun te lezen krijgen dat positiever is dan het doorsnee hetzerig proza van het journaille dat over de RAF schrijft, en dat haar zodoende door de schrijfster heel wat meer recht wordt gedaan dan in vorig meestal leugenachtig proza. Alleen jammer wat de gezagsgetrouwheid van de schrijfster betreft. Een heel klein beetje Ensslin’sche opstandigheid ware beter geweest.

Op de achterflap van de biografie van Hans Henny Jahnn van Thomas Freeman staat het volgende te lezen (uit welk boek van Jahnn het afkomstig is, weet ik niet) dat wonderwel aansluit bij het citaat waar ik deze tekst mee begon:

“Und während sich das meinem Auge Wunderbare vollzieht, vermehren sich die Raubzüge aller Lebewesen gegen den Schwächeren, der gefressen wird. Auch viele der Frösche werden gefressen. Es ist keine Schuld, der Schwächere zu sein. Es ist Schicksal. Und so dampft der Schmerz in den Duft des Frühlings hinein. Die warmen Ströme der Luft schmecken fade. Es ist, wie es ist. Und es ist fürchterlich.”

Inderdaad, het is vreselijk, maar zo is het. En daar helpt geen lievemoederen aan, en evenmin bommen of aanslagen.

Print Friendly, PDF & Email

09/07/2017
door Peter
Geen reacties

09.07.17 – Chomsky en Vltchek over het terrorisme van het Westen

Uit de lectuur van dit boek met gesprekken tussen beide auteurs kun je niet anders dan dezelfde dwingende conclusie trekken, nl. dat individuele acties totaal niets helpen. We leven in een crimineel systeem en op alle gebieden en vlakken worden we door criminelen geregeerd, zowel in grote privébedrijven als in de publieke sector. En als daar ergens een crimineel wordt opgeblazen of neergelegd zal ik daar natuurlijk geen traan om laten, maar politiek gezien is het absoluut nutteloos: binnen de kortste keren wordt de vacante plaats ingenomen door een andere kleinere of grotere crimineel.

De rol van het Westen in de wereldpolitiek vanaf 1945 tot op de dag van vandaag (niet helemaal, zo voorzien ze wel moeilijkheden in Syrië, maar als ze hun gesprekken afsluiten zal het nog een jaar duren voor ook daar het kruitvat ontploft), en dan vooral zoal niet uitsluitend in wat vroeger de ‘derde wereld’ genoemd werd, dat is het onderwerp van de gesprekken. Bij de naam van Chomsky moet natuurlijk geen kanttekening worden gemaakt, hij is de meest vooraanstaande van wat in de VS ‘liberals’ genoemd worden, dat zijn niet zozeer linksen als wel progressieven. De andere was mij niet bekend, maar hij is duidelijk linkser dan Chomsky zelf, waarschijnlijk omdat hij veel meer op het terrein aanwezig en actief is als documentairemaker.

Maar bon, daar gaat het niet om. In negen hoofdstukken worden de tussenkomsten van het Westen, dat zijn voornamelijk de VS, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk geschetst in de rest van de wereld. Het begint met de erfenis van het kolonialisme, waarvan meestal gezegd wordt dat het grotendeels eindigde in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Maar niets is minder waar. De oorlogen in het Midden-Oosten zijn nog altijd koloniale oorlogen, oorlogen om grondstoffen, pipelines, olie enz. Fundamenteel is er niets veranderd, en hoe zou het ook kunnen, vermits het systeem niet veranderd is.

Een belangrijk hoofdstuk is dat over India en China. India wordt door het Westen natuurlijk de hemel ingeprezen, terwijl China evenzeer verketterd wordt. Maar als je de invloed van beide economische systemen op de overgrote meerderheid van de bevolking bekijkt, dan kun je, als je alle ideologische vooroordelen achter je kunt laten, enkel tot de conclusie komen dat het Chinese systeem bij verre te prefereren valt. Maar dan moet je natuurlijk eerst door de propagandamachine van het Westen kunnen kijken. Een ander hoofdstuk gaat net over propaganda en de media, met heel wat concrete voorbeelden, met name hoe instellingen zoals de BBC effenaf aan voorafgaande censuur doen. Ze noemen het zo niet, maar het komt er wel op neer.

Maar ook dat is niet nieuw voor degenen die regelmatig nieuwsberichten volgen. Al onze kranten en weekbladen kun je – als het papier ervoor zou deugen – enkel als wc-papier gebruiken, want het is werkelijk niks anders dan een vaak weerzinwekkende combinatie van faits divers en regelrechte propaganda. Alles wat in onze kranten, en zeker de ‘betere’ zoals De Morgen en De Standaard verschijnt over bv. Poetin of Syrië of Oekraïne is pure propaganda: leugens en laster. En dat geldt evenzeer voor de mainstream-pers elders in het Westen.

Opvallend is een verschil tussen beide auteurs: Chomsky is veel optimistischer voor wat de toekomst betreft dan Vltchek, alhoewel ook hij inziet dat we voor cruciale jaren en decennia staan, en dat de kans inderdaad bestaat dat de mensheid gewoon zichzelf zal vernietigen. Die hoop komt voort uit de situatie in Zuid-Amerika vooral, en uit het feit dat de VS duidelijk op de terugweg zijn, economisch, politiek enz. Maar niet militair zou ik eraan toevoegen. En een kat in het nauw maakt rare sprongen. Overal is de VS bezig een derde wereldoorlog voor te bereiden, in Oekraïne, in het Baltikum, in het Midden-Oosten, rond de Zuid-Chinese Zee, tegen Noord-Korea enz.

Weinig toch, zo op het eerste én tweede zicht om optimistisch over te zijn. Maar anderzijds weet je nooit hoe de zaken zich zullen ontwikkelen. De VS zou niet de eerste zijn waarvan later blijkt dat het een reus op gebarsten lemen voeten was.

Maar wat kunnen we tegen dat alles doen? Zeker geen obscurantismen steunen, denk ik. Ik vrees eerder dat we helemaal niets kunnen doen. Als we de quasi allemaal controleerbare feiten in dit boek onder ogen zien, dan blijkt dat het Westen veel te sterk en oppermachtig is om ook maar iets tegen te doen. Bij sommigen leidde en leidt dat tot wanhoopsdaden. Begrijpelijk, maar zoals gezegd: er komen enkel andere criminelen in de plaats wanneer er ergens een verdwijnt. Of het systeem moet vanzelf in elkaar storten, wat mogelijk is; of die derde wereldoorlog breekt inderdaad uit. Dan kan iets gebeuren.

Maar wie wil dat, die ineenstorting of die oorlog? Niemand toch. Plus, zelfs als dat gebeurt, dan is de mens zo dat hij eerst allerlei extreem-rechtse fantasten zal gaan volgen. Wat de zaken enkel maar erger zal maken.

Nee, geen prettige vooruitzichten die uit dit boek voortkomen. Maar hopen op een status quo is al even dwaas. Dat bestaat niet, en als het bestaat, dan duurt het zo kort dat je er beter geen rekening mee houdt.

Print Friendly, PDF & Email

05/07/2017
door Peter
Geen reacties

05.07.17 – Wiel Kusters verzameld

Het debuutbundeltje van Wiel Kusters, een oor aan de grond uit 1978 begint met een citaat van Kouwenaar. Naast o.a. Michel Bartosik is Kusters degene die zich het intenst met het werk van Kouwenaar heeft beziggehouden, hij is er trouwens ook op gepromoveerd. En toch valt bij het lezen in zijn nieuwe boek op dat er eigenlijk erg weinig invloed van Kouwenaar op zijn eigen dichtwerk te bespeuren valt. Zoals gezegd, was dat bij Enquist een beetje anders.

Wiel Kusters: Leesjongen, Verzamelde gedichten 1978-2017 (Uitgeverij Cossee, Amsterdam, 2017) is niet wat het lijkt; het zijn weliswaar inderdaad ‘verzamelde’ gedichten, maar niet alle bundels en gedichten uit het omvangrijke oeuvre komen erin terug; het is eerder een bloemlezing, een ruime bloemlezing daaruit. Ook een ander punt wijst daarop: van enige chronologie is geen sprake: de gedichten zijn thematisch gerangschikt in zes afdelingen; daarbinnen komen zowel oudere als recentere gedichten voor. Dat zie je al onmiddellijk aan het bladbeeld: klassieke rijmende gedichten als sonnetten komen voor naast gedichten die vaste versvormen of strofevormen achter zich laten en ook amper rijm kennen. Wanneer je het werk van Kusters een beetje gevolgd hebt, dan weet je dat die laatste chronologisch eerst moeten komen; slechts in zijn recentere bundels is Kusters klassieke vormen gaan gebruiken.

Die afwisseling is op zich trouwens boeiend en bevordert de lectuur. Evenals de nieuwe rangschikking van de gedichten. Het is alsof je een heel nieuw boek leest. Soms herken ik hier en daar een gedicht, maar de meeste herken ik niet, ook al moet ik ze meestal wel gelezen hebben. Wel valt het me toch op dat er blijkbaar minder uit de eerste bundels werden overgenomen.

Die eerste bundels waren voor mij persoonlijk zeer herkenbaar. Kusters is afkomstig uit een Nederlands mijnwerkersgezin, en de mijnen plus mijnwerkers waren de achtergrond van die eerste bundels, maar ook het hoofdthema. Mijn vader werkte bij de mijn van Eisden (weliswaar niet in de ondergrond) en in het café van mijn moeder kwamen veel mijnwerkers langs; ik herinner me nog levendig dat ik als kind van enkele jaren ’s morgens in de keuken kwam en dat die vol zat met mijnwerkers die de nacht hadden gedaan en nu een borreltje zaten te drinken en te paffen. Daar waren ook heel wat Nederlanders bij, want de Nederlandse mijnen werden eerder gesloten dan de Belgische.

Dat thema moest echter al vlug plaats maken voor andere thema’s; Kusters nagelde zich niet vast aan dat éne thema. Een titel van een latere bundel, Velerhande gedichten thematiseert dat trouwens in de titel zelf al; en ettelijke jaren eerder had Jacques Hamelink al een Gemengde tijd gepubliceerd. Je ontkomt niet aan je eigen postmoderne tijd; op de een of andere, weze het amper zichtbare manier sluipt die toch ergens binnen. Dat is trouwens geenszins erg.

In een korte verantwoording op het einde somt hij zelf de aan bod komende thema’s op: daar is vooreerst de biografie, waar ‘liefde en vriendschap’ als tweede nauw bij aansluit; maar er zijn uiteraard ook verbanden met de andere afdelingen, eigenlijk is de opdeling een beetje arbitrair. Wat evenmin een bezwaar is.

Het boek eindigt met zeventien nieuwe gedichten, die op een enkel na allemaal gewijd zijn aan verjarende of – meestal – gestorven collega’s (o.a. zijn promotor Sötemann). Om te eindigen wil ik daar eentje van citeren:

“Uitvaart van Gerrit Kouwenaar

Wij zaten rond jouw kist, gelaten maar zonder
gezicht, verzonken in ieder
gedicht dat van jou gelezen werd.

Waarvan je hebt geweten dat jij er
voorgoed niet meer
toe deed.

Toen zwenkten naar jouw nabestaan
de vleugeldeuren open.
Vlucht en redding.
Wij schreden achter jouw verscheiden aan.
Misschien dat wij onszelf al misten.

Zo zijn de listen van het graf, dat
hier en nu, vlakbij, in tuinen aan de Amstel
waakte, gaapte.

Laat ons je niet vervelen.” (p.274)

Voor de poëzielezers die Kusters amper kennen is dit boek zeker een aanrader; maar ook de anderen kunnen ontdekkingen doen, doordat gekende of vergeten gedichten ineens in een totaal nieuwe context opduiken en zodoende ook nieuwe inzichten openen.

Bij het boek werd een CD gevoegd, waarop de dichter een reeks gedichten voorleest.

Print Friendly, PDF & Email

05/07/2017
door Peter
Geen reacties

05.07.07 – Enquist over Kouwenaar

Anna Enquist en Gerrit Kouwenaar zijn beiden goede dichters, die echter tegengestelde en misschien zou je zelfs kunnen zeggen elkaar uitsluitende poëtica’s hanteren. Ofschoon hij dat uiteraard niet is, gaat Kouwenaar in Nederland door als grondlegger van de poëtica die het gedicht ziet als een ‘ding van taal’, zonder band met welke werkelijkheid dan ook. Anna Enquist daarentegen schrijft poëzie die je soms zou kunnen betitelen als betere belijdenislyriek, soms als realistische poëzie (een beetje in de aard van wat hier enkele decennia geleden de ‘nieuw-realisten’ genoemd werd), maar hoe dan ook even eigen als die van Kouwenaar.

Die totaal tegengestelde poëtica’s (de een laat de werkelijkheid vrijelijk toe, de ander probeert ze zoveel mogelijk te bannen) heeft een vriendschapsrelatie tussen beiden niet in de weg gestaan, gelukkig maar.

Van die relatie heeft Anna Enquist nu een soort verslag gepubliceerd: Een tuin in de winter, herinneringen aan Gerrit Kouwenaar (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 2017=Privé-domein 294). Het is een bedachtzaam, mooi, gevoelvol, soms aangrijpend portret geworden van een ouder wordend dichter.

Van iemand die een poëtica hanteert als die van Kouwenaar weet je: in zijn poëzie zal weinig of niets aanwezig zijn uit het persoonlijke leven van de dichter, het abstractieniveau is zo hoog dat quasi alle anekdotiek weggesneden wordt en inderdaad enkel nog pure taalkunst overblijft. Blijkbaar was Kouwenaar bang voor emoties, niet enkel in poëzie. Dat blijkt uit verschillende treffende details, zo bv. uit zijn reactie als Anna bij zijn ziekbed is net op de dag dat enkele jaren eerder haar eigen dochter verongelukte. Ook naar begrafenissen e.d.m. ging hij liever niet, omdat hij zich geen houding wist te geven. Zelfs bij de dood van zijn eigen vrouw Paula was dat zo, hetgeen ertoe leidde dat sommige vrienden effenaf boos op hem werden; anderen begrepen het wel.

De herinneringen zijn min of meer chronologisch gerangschikt, ook al twijfelt de schrijfster soms aan de chronologie. Maar hoe dan ook, de kennismaking en de vriendschap beginnen op Poetry International, waar enkele decennia geleden beiden aanwezig waren; de vriendschap duurt voort tot aan Kouwenaars dood, en wordt intenser zelfs, ook al treft Enquist zelf een zeer zware slag (zo-even vermeld). Beiden reageren min of meer op dezelfde wijze: door te schrijven, en Anna zelf ook door muziek. Kouwenaar wist blijkbaar niet zo veel van muziek, evenmin trouwens van andere, veel praktischer zaken: hij kon niet autorijden (zo zijn er overigens wel meer) en wou niet aan moderne machinerie als gsm’s of computers; en zelfs als er iets stuk was, werd dat op de meest primitieve wijze hersteld, met plakband bv.

Het beeld dat we krijgen is dat van een onhandige, wereldvreemde, een beetje angstige man, die eigenlijk in heel veel afhankelijk is van anderen, zeker na de dood van zijn vrouw, die aan snelle Alzheimer leed. Hijzelf was erg bang voor veranderingen; zelfs als ze naar hun huis in Frankrijk reden, gebeurde dat telkens via dezelfde routes en dezelfde tussenstops. En ook na de dood van Paula, als Enquist hem naar zijn huis in Frankrijk bracht, eiste hij dat.

Enquist is van beroep psychoanalytica, en dat merk je wel. Niet in die zin dat ze het gedrag van haar vriend gaat analyseren, integendeel. Vooral doordat ze vragen stelt, veel vragen, doordat ze ook haar eigen twijfels en onzekerheden over bepaalde zaken open uitspreekt. En in de eerste plaats door de bedachtzaamheid waarmee ze schrijft; dat blijkt al uit het feit dat het boek bestaat uit hoofdstukjes van maximaal een drietal bladzijden.

In de meeste van die hoofdstukjes komt een gedicht voor, meestal van Kouwenaar zelf, soms ook van haarzelf of anderen. Opvallend is dat ze sommige van Kouwenaars gedichten toch kan terugbrengen tot werkelijke gebeurtenissen. Dat is heel interessant, omdat zodoende op een onrechtstreekse manier de werkwijze van Kouwenaar in kaart wordt gebracht, hoe – om met zijn kompaan Lucebert te spreken – ‘het weinige van de werkelijkheid minder en minder wordt’, hoe de aanleiding tot het gedicht uiteindelijk amper nog zichtbaar is in het gedicht, en dan enkel voor degene die het weten kan, omdat zij of hij erbij was.

Om daar zekere uitspraken over te kunnen doen zou je natuurlijk de handschriften moeten kunnen inzien en de verschillende versies van een gedicht naast elkaar kunnen leggen. Blijkbaar is de literaire nalatenschap van Kouwenaar nog steeds niet toegankelijk, want nog steeds grotendeels ongeordend aanwezig in zijn huis in Amsterdam. Dat is inderdaad jammer, want zo is het onmogelijk het werk grondig te bestuderen of, inderdaad, een biografie te schrijven. En naar eigen zeggen heeft Enquist haar herinneringen opgetekend met het oog daarop. Haar boek is dan ook deel van het materiaal dat ooit gebruikt zal moeten worden voor een biografie.

Blijkbaar was hij de laatste jaren grotendeels van de kaart; de post stapelde zich op, naar voorleesavonden ging hij niet meer, en hij kwam zelfs zijn huis amper nog uit. Uiteindelijk brak hij een heup in zijn badkamer en werd slechts enkele dagen erna gevonden. Toen kon hij rust- en ziekenhuizen niet meer verlaten. De euthanasie, waarover hij een afspraak had gemaakt, vond uiteindelijk niet plaats; hij was er te onrustig en – weer – te bang voor. Niet iedereen is zo moedig en karaktervast als Hugo Claus natuurlijk, en dat is géén verwijt.

Op het ogenblik zijn nog enkele publicaties van Kouwenaar in de reguliere boekhandel verkrijgbaar, zo bv. een nieuwe, door Anna Enquist samengestelde bloemlezing, onder de zo Kouwenariaanse titel Van woorden gemaakt (uitgeverij Querido, Amsterdam, 2017). Maar ook zijn laatste bundel is nog verkrijgbaar, het was zijn meest succesvolle met vele herdrukken – om redenen waar hijzelf niets van moest hebben, want dat een gedicht dienen zou om troost te schenken, dat deed hem blijkbaar rillen.

Ondanks de verschillende poëtica’s meen ik echter toch een zekere invloed van Kouwenaar op Enquist te ontwaren; ofschoon dat woord misschien te sterk is, verwantschap ware wellicht beter. En dat uit zich dan enkel in de volgorde, de plaatsing van de constituenten; daar blijkt mijns inziens een zekere verwantschap. Ook al is het moeilijk daarover iets zekers te zeggen; Enquist gebruikt immers slechts enkele gedichten van zichzelf als illustratie bij een hoofdstukje.

Anna Enquist heeft een beklijvend boekje geschreven, dat doet nadenken, en dat vooral de lezer doet teruggrijpen naar het werk van Kouwenaar, die in de Nederlandse poëzie inderdaad een van de grootsten is. En: de uitgeverij heeft het boek als vanouds laten drukken in katernen. Hopelijk zal ze helemaal en definitief afstappen van de commerciële neiging om de delen van privé-domein in geplakte vorm uit te brengen (losse blaadjes dus, die in de rug geplakt zijn), zoals ze dat een tijdje geleden met enkele delen geprobeerd heeft.

Print Friendly, PDF & Email

29/06/2017
door Peter
Geen reacties

29.06.2017 – Bayer

Lang, heel lang geleden – ik was nog niet zo lang afgestudeerd en woonde nog in Brussel – had ik een vriendin, die zeer intelligent én zeer naïef was, een combinatie die vooral op jonge leeftijd wel vaker voorkomt.

Na haar studies kreeg ze een eerste job bij een administratieve afdeling van Bayer die eveneens in Brussel lag, ik dacht aan de Louisalaan ergens. Uiteraard was ze erg progressief, zozeer zelfs dat ze het bestond daar bij Bayer als het zo te pas kwam niets kwaads te zeggen over de RAF, ja, die zelfs te verdedigen. Nee, ze hebben haar niet buiten gesmeten; die job was een job in het kader van een van de toenmalige nepstatuten, en na een jaar of zo had ze dus toch sowieso moeten vertrekken.

Gelukkig was er iemand die haar verwittigde en op de hoogte bracht van het soort volk dat bij Bayer werkte, zeker in het hoger kader. Die man was trouwens zelf nogal verbitterd omdat hij wegens vermeende collaboratie na de oorlog een beetje last had gekregen. De Duitsers daar (en waarschijnlijk nog veel meer in Duitsland zelf) waren van een ander, veel zwaarder kaliber.

Daar moest ik aan denken toen ik bij een antiquariaat een privé-uitgave van Bayer Antwerpen zag liggen, drie prachtige boekjes in een cassette, die werden uitgegeven nav de vijfentwintigste verjaardag van de aanwezigheid van de grote fabriek van Bayer in de Antwerpse haven. Het is echt een mooie uitgave (Bayer Antwerpen, 1990), waarbij blijkbaar op geen cent gekeken is.

Van die drie boekjes gaat slechts éen over de fabriek van Bayer zelf. Het bevat zeer weinig tekst bij zeer vele, ik geef toe meestal prachtige foto’s (in kleur). Een eerste reeks doet me denken aan bepaalde stills uit de film Meeuwen sterven in de haven, met name de zeer snel gemonteerde expressionistisch aandoende beelden van industriële complexen in de toenmalige haven (de film dateert uit de jaren vijftig, Bayer was er dus nog niet). De andere reeksen zijn beelden van mensen, werknemers en kaders (die laatste bijna allemaal Duitsers natuurlijk, én Doktor) uit de verschillende afdelingen van de fabriek; allemaal zijn ze natuurlijk even gelukkig en fier dat ze bij Bayer kunnen werken, want de fabriek is een heuse idylle, zo lijkt het toch als je de foto’s vertrouwt, en de onderschriften; zo is er bv. een dienst arbeidsgeneeskunde, die enkel preventief werkt en zich echt bekommert om de werkmens.

Wer’s glaubt, wird selig, zeggen ze in het Duits.

De twee andere boekjes gaan over respectievelijk de dorpen Kallo en Lillo, en de opzet is gelijkaardig: veel foto’s bij, in deze twee, iets meer tekst. De fotograaf in deze boekjes is de Vlaming Jan Decreton, een van de bekendste fotografen van Vlaanderen, met een hele reeks mooie fotografische publicaties. De fotograaf van het eigenlijke Bayer-boekje was éne Siegfried Himmer (inderdaad: zonder ‘l’), een Duitser, die als fotograaf eveneens erg bekend was (hij is inmiddels overleden). Deze laatste werkte ook veel samen met de eigenlijke samenstelster van de boekjes, en schrijfster van de teksten: Rosine De Dijn, een Vlaamse die al een hele tijd in Duitsland woont en werkt (als journaliste). Over geen van drie is ergens op het internet iets kwaads te vinden, enkel dat De Dijn afkomstig is uit een collaboratiegezin – of althans dat haar vader aangeklaagd en veroordeeld werd, blijkbaar op grond van amper iets, zoals dat toen wel vaker geschiedde.

Maar hoe gaat dat, van die appel en die boom?

Met name in het boekje over Lillo valt iets op. De teksten in dat deel zijn niet zo zeer van haar afkomstig, maar voor het merendeel zijn het gewoon gedichten over de Schelde. Gewoon gedichten, op de eerste plaats van Gezelle en Verhaeren, allebei schrijvend in tempore non suspecto, en de laatst genoemde zelfs in het Frans, godlof.

Maar de meeste anderen: Albe, Bert Peleman, Filip De Pillecijn, Wies Moens, Karel Vertommen en nog vele anderen kunnen wel degelijk in een bepaald, zeg maar Vlaams-nationaal kader geplaatst worden; en dat laatste geldt vaak ook voor minder verdachte figuren, zoals bv. de bekende René De Clercq. Er staat één gedicht in van één dichter die inderdaad progressief was, Jos Vandeloo nl. Voor de rest zijn we, vrees ik, helemaal terug bij waar we begonnen waren: bij het milieu waarin die toenmalige vriendin een eerste job vond.

Print Friendly, PDF & Email

29/06/2017
door Peter
Geen reacties

29.06.2017 – Droom

Twee nachten geleden voor de tweede keer – met een toch wel lange tussenpoze – dezelfde vreemde droom gehad. Ik lig in bed en de deur van de slaapkamer gaat open en geeft uit op totaal zwarte leegte (normaal gezien is de gang nooit volledig donker, er komt altijd wel een beetje licht van ergens, dakkoepels etc.) die me blijkbaar sterke angst inboezemt, in die mate dat ik probeer te schreeuwen en te roepen op D. Maar alle kreten en alle geroep blijven in mijn keel steken, kunnen niet naar buiten komen, ook al probeer ik hoe langer hoe heftiger te roepen…tot ik wakker word en gewoon in mijn bed lig, net zoals in mijn droom, alleen met de deur dicht.

In voorspellende dromen geloof ik niet; dromen zijn volgens mij de vaak nogal bizarre want onderbewuste verwerking van gebeurtenissen en conflicten die zich in de loop van de wakkere tijd ervoor hebben voorgedaan, en dat zijn meestal minstens voor een groot gedeelte inwendige, geestelijke conflicten – ook al liggen er meestal wel vast te stellen feiten aan ten grondslag. In het geval van bovenvermelde droom is dat voor zover ik kan nagaan niet het geval.

Natuurlijk is het zo dat de mens geen lichaam heeft, maar eenvoudigweg een lichaam is. Maar dat belet niet dat de geest eerder op de hoogte kan zijn van wat er in andere delen van het lichaam gebeurt dan die andere delen zelf.

(Mijn vader belde mij in de namiddag op om te zeggen dat hij ging sterven; ik trachtte hem gerust te stellen en beloofde dat ik in ’t weekend zou langs komen. Maar dat hoefde niet meer, want die nacht is hij inderdaad in zijn bed gestorven.)

Alsof die geest eerder ‘weet’ wat er aan de hand is. Dat ‘weten’ is natuurlijk geen ‘weten’ in de dagelijkse, logische, feitelijke betekenis van het woord; het is een aanvoelen, dat bijna dierlijk is, zou ik durven stellen. Een kat die ziek is en voelt dat ze kan of zal sterven, trekt zich terug in een hoekje. Dat ‘weten’.

Maar heeft dat alles iets met die droom te maken? Zijn er geen andere verklaringen?

Print Friendly, PDF & Email

25/06/2017
door Peter
Geen reacties

25.06.17 -Volker Braun

Samen met Peter Hacks en Heiner Müller kun je Volker Braun beschouwen als een opvolger van Bertolt Brecht. Zoals de twee anderen heeft hij vooral voor het theater gewerkt, en zoals de twee anderen is hij links en progressief gebleven. Dat geldt natuurlijk voor de een al wat meer dan voor de ander, maar grosso modo klopt het wel. Alle drie komen ze bv. uit de DDR, en ze hebben dat nooit verloochend en hebben nooit meegedaan met de DDR-bashing in de Nazinachfolgestaat BRD. En toch waren ze alle drie ook in de DDR zelf al lastposten, die het regelmatig aan de stok kregen met het regime.

Dat spreekt allemaal voor hen. Vanzelfsprekend.

Alle drie waren c.q. zijn ze ook dichters, ook al is hun lyrisch oeuvre het smalste deel binnen hun werk. Maar wellicht wel het belangrijkste ook. Van Peter Hacks, die al vele jaren overleden is, verschenen al lang geleden Die Gedichte. En ook van Heiner Müller zijn enkele jaren geleden al verzamelde gedichten verschenen in een wetenschappelijke editie. Ook hij is al ettelijke jaren dood, nog in het vorige millennium zelfs.

Volker Braun leeft nog; hij is ongeveer tien jaar jonger dan zijn beide kompanen. En hij publiceert nog, ook gedichten, alhoewel dat er niet veel zijn. Zijn recentste bundel is Handbibliothek der Unbehausten, neue Gedichte (Suhrkamp Verlag, Berlin, 2016); de vorige bundel ligt alweer tien jaar achter ons.

De bundel bevat vier (of vijf) afdelingen, waarin het persoonlijke weliswaar niet afwezig is, maar toch weinig naar voren komt in vergelijking met de actualiteit. De oorzaak daarvan is wellicht al af te lezen aan het eerste korte gedicht, dat ‘Bestimmung’ heet:

“Ja, mein Sehnen geht ins Ferne
Wo ich heitre Dinge treibe.
Doch bestimmen mich die Sterne
Dass ich fest am Boden bleibe.
Und so gern ich mich erhebe
Zieht mich eine Last nach unten
Eingenäht in mein Gewebe
Hat sie ihren Ort gefunden.” (p.7)

Het is de aloude kloof tussen ideaal en werkelijkheid die hier als het ware opgeroepen wordt. Bij Schiller komt die al expliciet voor, en waarschijnlijk ook al voor hem. Bij Braun slaat de tegenstelling vooral op het politieke, zo dunkt me. Dat blijkt bv. uit twee nogal dubbelzinnige Chinagedichten. De dichter kwam meerdere malen in China naar aanleiding van literaire symposia e.d.m. Maar hij zal ook de politieke situatie aldaar en de discussies omtrent de aard van het regime wel volgen. Het eerste gedicht eindigt aldus:

“Im Teehaus sitz ich, blickend in die Menge.
Der Zugang kurvenreich: und das Gedränge!
Der Wahre Weg, ihr geht ihn, Söhne Maos;
Die grosse Ordnung und das grosse Chaos.” (p. 14)

Het dubbelzinnige zit vooreerst in de hoofdletter aan ‘Wahre’. Die wijst nl. op een zekere ironie, om niet te zeggen sarcasme. Daar komt dan nog het laatste vers bij, waarin twee elkaar normaal gezien uitsluitende begrippen bij elkaar worden gezet. Ik moest daarbij denken aan een boek over hogere wiskunde dat ik recent even zag en dat heette: From Calculus to Chaos: An Introduction to Dynamics. Natuurlijk is dat puur toeval, de kans dat Braun dat boek in gedachten had is zo goed als nihil.  Maar het wijst er wel op dat de combinatie van orde en chaos helemaal zo vreemd niet is. Ook in een geordende economie treedt nu en dan chaos op, het is enkel wanneer de orde, de planning zo strikt en stringent en allesoverheersend wordt, dat er echte chaos kan ontstaan zoals bij het verdwijnen van de Sovjet-Unie. Beide begrippen vormen een dialectische eenheid in klassiek marxistisch-hegeliaanse zin.

Daar komt nog bij dat wanneer je het gedicht voorleest, je ook het volgende kunt horen: ‘der Ware Weg’. Hetgeen dan mogelijk kritiek inhoudt op de gevolgde ‘ware weg’. En hier moet ik dan even aan Stalin denken, die in het begin van de jaren vijftig een boekje publiceerde over de economische problemen van de USSR, en met name over de waardewet i.v.m. productie van waren in die socialistische economie. Daarover werd (en wordt) in communistische milieus erg gediscussieerd. Het is goed mogelijk dat we hier een echo .van opvangen, temeer daar in het volgend, lange gedicht, dat niet zonder reden ‘Chimerika’ (pp. 15-17) heet, die ‘ware’ weg toch wel iets duidelijker op de korrel wordt genomen – voor zover dat in een gedicht mogelijk is natuurlijk. Zo zijn daar bv. de ‘Sonderwirtschaftszonen’, waarin ‘Die Dialektik fickt die Logik, ungezügelt’.

Zo is dat, zou je kunnen zeggen.

Maar wellicht zijn er ook andere mogelijkheden.

De tweede afdeling begint met een mooi prozagedicht, dat ‘Steinbrech’ heet:

“Wovon nährt sich dieses demütige Kraut. Welches karge Mehl aus Tau malmt es beharrlich. Aus beinahe nichts sintert es sein festes Grün. Es kost den Felsen und überwächst ihn mit hartem Fleisch. Stetig, strotzend dürftig kämpft es ums Leben und darbt wie Hoffnung, und dorrt. Und öffnet den Stein.” (p. 31)

Het ontbreken van vraagtekens na de eerste twee zinnen wijst erop dat het eerder uitroepen van verwondering zijn dan wel echte vragen. En het ongebruikelijke werkwoord ‘sintern’, dat eigenlijk niet past bij een natuurlijk gebeuren, omdat het enkel gebruikt wordt i.v.m. het bakken van disparate en eigenlijk niet versmeltbare elementen, die door die verwarming toch gaan samenklitten, duidt op een vreemd procedé. O.a. porselein wordt op die manier gemaakt. Maar het hele, korte gedichtje is natuurlijk een ‘objective correlativ’ in de zin van Eliot; m.a.w.: eigenlijk gaat het helemaal niet om dat plantje, maar om een maatschappelijk proces, dat soms ‘revolutie’ genoemd wordt, en daarmee is dan een langdurig proces bedoeld, dat uiteindelijk uitmondt in fundamentele maatschappelijke veranderingen (in tegenstelling met een ‘revolte’ bv. die eerder een kortdurend proces is, een plotselinge eruptie die even snel weer in elkaar zakt als de spreekwoordelijke soufflé).

De idee achter dit korte gedichtje komt volledig overeen met een van de ideeën uit een van de bekendste en mooiste gedichten van Brecht zelf, nl. de „Legende von der Entstehung des Buches Tao Te King auf dem Weg des Laotse in die Emigration“, alleen gaat het daar over water (het cursief is van mij):

 4
“Doch am vierten Tag im Felsgesteine
Hat ein Zöllner ihm den Weg verwehrt:
„Kostbarkeiten zu verzollen?“ – „Keine.“
Und der Knabe, der den Ochsen führte, sprach: “Er hat gelehrt.“
Und so war auch das erklärt.

5
Doch der Mann in einer heitren Regung
Fragte noch: „Hat er was rausgekriegt?“
Sprach der Knabe: „Daß das weiche Wasser in Bewegung
Mit der Zeit den harten Stein besiegt.
Du verstehst, das Harte unterliegt.“

6
Daß er nicht das letzte Tageslicht verlöre
Trieb der Knabe nun den Ochsen an
Und die drei verschwanden schon um eine schwarze Föhre
Da kam plötzlich Fahrt in unsern Mann
Und er schrie: „He, du! Halt an!

7
Was ist das mit diesem Wasser, Alter?“
Hielt der Alte: „Interessiert es dich?“
Sprach der Mann: „Ich bin nur Zollverwalter
Doch wer wen besiegt, das interessiert auch mich.
Wenn du’s weißt, dann sprich!”

Zelfs in de eerste afdeling kan Brecht heel in de verte aanwezig zijn geweest; hij ging er immers vanuit dat het de tweede keer, in China, beter zou lukken dan de eerste keer, in de Sovjet-Unie. Misschien heeft hij wel gelijk gehad.

Ook verder in de bundel is Brecht trouwens manifest aanwezig, zeker in de laatste afdeling, ‘Anhang: Zeitgeist 2’, waarin sommige gedichten door hun titel alleen al direct naar Brecht verwijzen (‘Inbesitznahme der grossen Rolltreppe durch die Medelliner Slumbewohner am 27. Dezember 2011’) zonder een parodie te zijn, enkel een min of meer ironische pastiche; maar in die afdeling is het vooral de stijl die zeer Brechtiaans aandoet, het is de vrij-ritmische stijl die Brecht toepaste in zijn Svendborger Gedichte, met name in de afdeling ‘Chroniken’ daarin.

Eén keer wordt hij ook met name genoemd, samen met een hele reeks anderen overigens in een humoristische scène, die eerst in een grootwarenhuis speelt:

Unbelehrt von Zeit und Züchtigungen
Ich hatte ja den Glauben nicht gefunden
Im Kaufhaus, wo es nichts gab was es nicht gab
Wers glaubt wird selig ! “Ward je einer frei hier
Durch fremde oder eigne Leistung? Nein.”
Nicht bremsten wir, so quasselnd, unsre Schritte
Und lachend kurvten wir durch al die Schatten
Brecht und Eisler, Cremer, Busch
Und Heise, Bloch sowie sein Schüler Teller
Bahro und Biermann (als er jung gewesen)
Und Fühmann, Dresen, die ernst grinsend grüssten.” (pp. 36-37)

Overigens is heel deze tweede afdeling van een sterke maatschappijkritische geest vervuld, ook al wordt dat zoals daarnet nooit op een pamflettaire wijze verwoord, maar steeds afstandelijk en van licht tot scherp spottend (zoals met Biermann daarnet). Er wordt zo verwezen naar ‘Chichen Itza’ (p.40), waar het ‘fukuyamisch’ toegaat, en in een ander gedicht wordt een regengod (oder war es ein Ölgötze) gelijkgesteld met de ‘GROSSEN PINKLER samt seinen kollateralen Bewandtnissen’ (p. 41), waarmee natuurlijk Bush bedoeld wordt.

Een mooi en aansprekend voorbeeld van Brauns maatschappijkritiek is het gedicht ‘Die Leguane’, waarin de twee strofen ogenschijnlijk totaal los van elkaar staan, maar het aan de lezer is om het (toch wel voor de hand liggende) verband te leggen:

“Sie liegen lässig in den grauen Trümmern
Der Tempelreste, welche sie nicht kümmern.
Während nur ab und zu ein Auge klappt!
Steingrau der Leib und kantig wie die Steine
So stemmt sich das auf seine flinken Beine
Zu dem Geschäft, das nach den Mücken schnappt.

Wir Leguane, kommende Geschlechter
Gelagert in den mürben Kassenhallen
Wir sehn die Banken stumm zusammenfallen.
Nicht einmal Zorn, nicht einmal ein Gelächter.
Was ist die Zeit, die Macht? sie ist vermodert
Während des neuen Tages Sonne lodert.” (p. 48)

Of: alleen wij leguanen zullen uiteindelijk overblijven. Of dat als een positief of negatief statement gezien moet worden blijkt niet echt.

De derde afdeling heet ‘La traboule’, en dat zijn in Lyon de gangen en steegjes, die meermaals door de huizen in het centrum van die stad heenlopen, dus niet enkel ertussen. De hele afdeling bevat reisgedichten, impressies over plaatsen waar de dichter geweest is (buiten de plekken die al eerder genoemd werden, al dan niet i.v.m. reizen). Laat me één voorbeeld geven, dat echter niet typisch is voor de hele reeks; ik kies het uit wegens het humoristische aspect dat zo duidelijk zelden voorkomt in Brauns poëzie:

“DER NACKTSTRAND

Glutlasten auf dem Nacken! fettgecremt
Im übrigen naturbelassen
Bräunt sich das samt zu allgemeinen Rassen
Im Landstrich, wo man sich nicht schämt.
Hier herrscht die Gleichheit in Gestalt der Blöse.
Ihr Zeichen Schwanz entweder oder Möse.
Doch nur die Schönheit ist ganz frei lebendig
Mein kleines Ding die reinen Qualen leidet
Denn wie beim Pferd logiert es innewendig.
Im Paradies, gewiss, geht man nicht unbekleidet.”

(Vitte, Hiddensee) (p.70)

De vierde en laatste (of voorlaatste, naargelang men de ‘Anhang’ meerekent of niet) afdeling is een lang gedicht dat ‘Wilderness’ heet, en dat geschreven werd in de aard van Pound (die er ook met name in genoemd wordt), of wellicht van die andere DDR-dichter Erich Arendt.  Tien afdelingen telt het gedicht en de actualiteit is er weer helemaal in aanwezig, maar deze keer op zeer disparate manier; zoals bij Pound inderdaad worden vele elementen uit de werkelijkheid het gedicht binnengebracht en met elkaar verbonden in wat toch amper een synthese mag heten. De migranten aan de Middellandse zeekusten worden genoemd (‘Kadaver, Kadaver, eingerollt/In die krachende Plane der Brandung.’ – p.78), en in het derde deel wordt iets genoemd dat eigenlijk nu pas in de actualiteit aanwezig is, of beter misschien: sinds Trump president werd van de VS: “…das Getwitter entlädt sich, die Medienwolke/Fakten gefickt Fiktionen abgefackelt/Eine Brandrodung der Zugang zur Wirklichkeit/…” (p. 79); het is in dit deel dat Pound genoemd wordt, én zijn bekende usura-gedicht. Het vierde deel is psychoanalytisch van aard, er wordt zowel naar Freud als naar Gottfried Benn verwezen, maar zonder dat die namen ook effectief vallen. Ook naar Goya wordt meermaals indirect verwezen (de slaap van de rede), en de zesde afdeling draagt als titel ‘Utoya Utopia’, terwijl het gedicht eindigt met een verwijzing naar de ontdekking van het Higgs-deeltje.

Je zou deze vierde afdeling in de traditie van het barokke begrip van de ‘discordia concors’ kunnen plaatsen, en wellicht is dat ook aangewezen (zeker eerder dan in die andere traditie, van de ‘concordia discors’), maar het grote merendeel van de in dit niet voor niets ‘Wilderness’ genoemde gedicht duiden eigenlijk dezelfde negatieve richting aan, van een maatschappij op de rand van het uit elkaar vallen, die zich met haast en spoed naar de afgrond rept. Van veel tegenstellingen is dus geen sprake, maar natuurlijk wel van vele niet noodzakelijkerwijze verwante zaken, die enkel gemeen hebben dat ze tot de actualiteit van het eerste kwart van de 21ste eeuw behoren.

‘Wilderness’ is daarmee zowel inhoudelijk als stilistisch een buitenbeentje. Vooral stilistisch. Het merendeel van de gedichten in deze bundel zijn geschreven in klassieke verzen (jambisch of trocheïsch) en rijmen zelfs. Maar Braun wisselt wel af wat de toon betreft, die nu eens speels, dan weer ernstig, of bitter, of persoonlijk kan zijn. En af en toe gebruikt hij dus ook andere, vrije versvormen (ik heb het al aangeduid) en twee maal komt een prozagedicht voor. Ook wat de lengte betreft varieert de dichter voortdurend: sommige gedichten tellen slechts enkele verzen, andere hebben enkele pagina’s nodig.

Als dichter spreekt Braun mij in elk geval aan, zijn overige werk ken ik niet. Maar dat is ook het geval voor zijn beide dode kompanen (Müller en Hacks), die eveneens goede dichters waren. Ook op het gebied van de literatuur heeft de DDR veel voortreffelijke figuren voortgebracht.

Foto‘s (C)
http://www.peter-hacks -gesellschaft.de/fotogalerie.html
http://www.heinermueller.de/en/leben.php
http://www.weidener-literaturtage.de/autoren/seiten/braun.htm

Print Friendly, PDF & Email