24/03/2017
door Peter
Geen reacties

24.03.17 – Franstalige schrijvers in Vlaanderen

Ze zijn inderdaad niet heel talrijk. Ofschoon er nog altijd zijn: Henri-Floris Jespers uit Antwerpen schrijft deels in het Frans, en Nicole Verschoore uit Gent zo goed als helemaal . Daarmee zijn ook de twee centra gegeven waar die schrijvers zich grotendeels situeerden en situeren. Het is maar één van de nadelen (om niet meer te zeggen) van wat men de Vlaamse emancipatie noemt, dat dit zo goed als afgelopen is, d.w.z. dat er quasi geen jonge Vlaamse schrijvers in het Frans meer zijn (de twee voornoemden zijn rond de zeventig, als ik me niet vergis, en dus niet meer echt jong te noemen). Als ik mij totaal vergis, laat het mij dan maar weten.

In de 19de en het begin van de 20ste eeuw hoorden sommige Vlaamse schrijvers die in het Frans schreven tot de bekendste auteurs van Europa, en één ervan heeft zelfs als enige Belg ooit de Nobelprijs gekregen.

Vijf van die schrijvers, die gemeen hebben dat ze aan de Schelde geboren werden, worden behandeld in een boekje van Benno Barnard: Escaut ! Escaut! Franstalige Vlaamse schrijvers rond 1900, naglans van een dode wereld (Uitgeverij Polis, Antwerpen, 2016). Het werd uitgegeven n.a.v. een tentoonstelling in het Letterenhuis en een radioprogramma (ik wist niet dat wat vroeger BRT-3 heette soms nog echte culturele, literaire programma’s uitzendt).

Vreemd misschien, maar de enige van de vijf die ik niet goed ken is die Nobelprijswinnaar, Maurice Maeterlinck. Veel meer dan een pocket in de reeks ‘poésie’ van Gallimard met amper een honderd bladzijden poëzie en verder zijn allereerste toneelstuk, zal ik van hem niet gelezen hebben. Wanneer dat was weet ik niet meer.

Dat geldt trouwens ook voor de anderen, die ik alle vier quasi volledig in huis heb. Max Elskamp ken ik waarschijnlijk het langst, want die zijn verzameld werk verscheen in één dundrukdeel rond het jaar dat ik mijn studies aan de ULB begon; ook nog in een Brussels antiquariaat heb ik de eerste boeken van Georges Eekhoud gekocht; de twee andere (Georges Rodenbach en Emile Verhaeren) heb ik voor en na gekocht, naargelang ik ze in antiquariaten of in nieuwe uitgaven (dat geldt dan voor Verhaeren) gevonden heb.

De essays van Barnard graven niet erg diep (dat doen ze nooit bij hem), maar daar staat tegenover dat ze vlot geschreven zijn, soms een beetje in de vorm van een reportage, afgewisseld met opmerkingen over het werk zelf en het leven van de betrokkenen. En het geheel soms gelardeerd met een fijne ironie (mitsgaders de nodeloze opmerkingen over zijn conservatisme). Bij mij hebben ze er alleszins voor gezorgd dat ik de werken van die heren nog eens tevoorschijn heb gehaald (bij Elskamp had ik wat moeite om het boek terug te vinden) en er een beetje in gelezen heb. Die lectuur heeft wat mij betreft aangetoond dat Barnard de kern van het werk van die auteurs wel degelijk weet te vatten. Dat is me vooral bij Elskamp opgevallen, die ik al heel lang niet meer gelezen had. Die eenvoud van taal. Maar misschien is dat toch maar schijn?! Zoals in het Duits bij de laatste gedichten van Krolow, of zoals bij Prévert, die binnenkort in de Pléiade zal verschijnen?

Van alle dichters is Rodenbach degene die me het minst aanspreekt, nu toch. Maar vergeleken met zijn Vlaamse neef, schreef hij bijna meesterwerken. Eekhoud heeft weliswaar ook drie dichtbundels gepubliceerd, maar is vooral schrijver van romans en verhalen, die inderdaad uitmunten door een zeer rijke taal die, zoals bij Verhaeren en Elskamp, inderdaad soms onfrans aandoet. Wat uiteraard niet klopt. Het Duits van de schrijvers uit Praag was vaak ook heel anders dan dat van de Duitsers zelf. Waarschijnlijk heeft dat met sociologische zaken te maken, het feit nl. dat deze auteurs in een anderstalige omgeving verblijven en groot worden. Dat heeft uiteraard repercussies op het taalgebruik. Dat zie je nog bij een recente Franstalige Antwerpenaar als Guy Vaes.

Maurice Maeterlinck, Max Elskamp, Georges Eekhoud, Georges Rodenbach en Emile Verhaeren

Verhaeren is van de vijf de bekendste, en mijns inziens had hij veel eerder die Nobelprijs verdiend dan Maeterlinck. Op de middelbare school heb ik al kennis gemaakt met hem, want het gedicht waar de titel van dit boek uit komt hebben we toen uit het hoofd moeten leren (in z’n geheel of slechts een deel?, dat weet ik niet meer). Dat bestond toen nog. Ook het onvermijdelijke Le Lac heb ik zo uit het hoofd geleerd, en het begin van de Roman de la Rose. In tegenstelling met Barnard heb ik naar dat of naar enig ander verleden geen enkel heimwee; nostalgie onderdruk ik zo veel mogelijk.

Maar ik kan er wel inkomen, dat wel. Zeker wanneer het toch boeiend gebracht wordt als in dit boekje. Waarbij ik me afvraag: waarom geen twee delen Pléiade gemaakt met deze dichters (en nog enkele andere die er zeker ook bijhoren, van Lerberghe bv.)? Ze zijn het zeer zeker waard. Maar dat is wishful thinking uiteraard.

Je zou dan maar hopen dat een dergelijke tentoonstelling, boek en radiouitzending er toch voor zouden zorgen dat deze schrijvers opnieuw ontdekt en gelezen zouden worden. Maar ook die kans is ontzettend klein geworden. Dank zij de Vlaamse nationalisten is de kennis van het Frans zeer sterk achteruit gegaan, ook bij universitairen. Daar komt nog bij dat van al die schrijvers nog amper vertalingen te krijgen zijn, en zelfs Franse uitgaven van hen zijn amper nog te vinden.

Het is dus ook hier hopeloos iets positiefs te verwachten.

24/03/2017
door Peter
Geen reacties

24.03.17 – Benedictus Ratzinger

Waarom lees je dat?, vraagt iemand.

De vraag houdt in, dat iemand die voor vrijzinnig doorgaat en/of het is, niet geacht wordt boeken van pausen (of zelfs over pausen?) te lezen, want die hebben iemand die vrijzinnig is helemaal niets te zeggen.

Zelfs als dit laatste waar zou zijn, dan nog is het interessant toch zo’n boeken te lezen. Het is trouwens niet voor het eerst. De vorige twee boeken met vraaggesprekken met Ratzinger heb ik eveneens gelezen, en er zelfs gebruik van gemaakt, o.a. om tegen bepaalde nogal fundamentalistische vrijmetselaren te keer te gaan. Moet kunnen.

Benedikt XVI. Letzte Gespräche mit Peter Seewald (Droemer Verlag, München, 2016) zal, gelet op zijn leeftijd, inderdaad wel de laatste gesprekken met de Duitse herder bevatten.

Het genre van de al dan niet Socratische gesprekken vooronderstelt niet enkel een interessante gesprekspartner, maar misschien meer nog een vraagsteller die zowel de persoon van de ondervraagde als dat waar hij voor staat grondig, zeer grondig kent. Peter Seewald is in dat geval; hij heeft Ratzinger meer dan twintig jaar lang min of meer gevolgd en begeleid. Dergelijke journalisten moet je in de Vlaamse pers waarschijnlijk niet zoeken – en dat heeft niet enkel te maken met de grootte van het land waarin ze werkzaam zijn. Zwitserland is niet veel groter dan België maar daar hebben ze wel nog steeds een Neue Zürcher Zeitung.

Twee vorige boeken met vraaggesprekken, Salz der Erde (1996) en Gott und die Welt (2000), stammen nog grotendeels uit de tijd toen Ratzinger prefect was van de Congregatie voor de Geloofsleer (baas van de Inquisitie in begrijpelijker termen), één boek stamt uit de tijd dat hij paus was (Licht der Welt, 2010). Het laatste boek stamt uit de meest recente periode, nu Ratzinger als eerste door het leven gaat als paus emeritus.

Het boek telt drie delen. Het eerste daarvan is wat mij betreft het minst interessante, omdat het een soort inleiding is op hetgeen volgt, maar waarin de cruciale zaken eigenlijk amper worden behandeld.

Voor mij het interessantste was het tweede deel, over de jeugd, de studietijd en het eerste beroepsleven van de betrokkene. Het is voor mij op de eerste plaats interessant wegens de herkenbaarheid. Het Beieren van de jaren dertig tot en met vijftig moet zeer sterk geleken hebben op het Vlaanderen van diezelfde tijd. Het soort door en door katholieke families waar Ratzinger uit afkomstig is, ken ik uit mijn eigen geboortedorp (met priester en al overigens, alleen zijn die dan geen paus of zelfs maar theoloog geworden); dat betekent ook dat ik perfect weet waar hij het over heeft als hij die tijd oproept: het rijke Roomse leven met alles erop en eraan is mij welbekend.

Ik begrijp hem dus wel enigszins. Maar anderzijds ook helemaal niet. Bijvoorbeeld, wanneer hij het heeft over toenadering zoeken tot God via het gebed, dan kan ik daar onmogelijk inkomen. Voor mij is dat (en is het ook altijd geweest, ook al in mijn vroege jeugd) het zinloos mantra-achtig herhalen ven formules die met geen enkele werkelijkheid een band hebben of hadden. Tenzij wellicht met een enkel psychische werkelijkheid, iets dat enkel in de geest van de protagonisten speelt en aanwezig is, maar niet in de werkelijkheid. Maar hebben we dan niet te maken met een vorm van psychose? Ongevaarlijk bij deze persoon, zeer zeker, en evenzo bij de meeste gelovigen; maar wel gevaarlijk bij andere en, als de omstandigheden er gunstig voor zijn, bij heel veel anderen – met alle gevolgen van dien.

Uit de verdere gesprekken blijkt ook dat katholieken toen in een eigen wereld leefden, die grotendeels afgescheiden was van andere werelden, zelfs als die andere werelden toch duidelijke raakpunten hadden. Ik denk dan vooreerst aan de protestanten en de joden (we zijn in Duitsland met een Duitse paus, niet vergeten), maar in de laatste tijd ook de moslims natuurlijk. Ik geloof Ratzinger wanneer hij stelt dat hij daar allemaal toenadering mee heeft gezocht, dat hij bv. in de klassieke katholieke ritus de woorden dat je moest bidden ‘pro perfidis judaei’ eruit heeft gehaald en vervangen. Ratzinger laat ook uitschijnen dat de kerk in Duitsland eigenlijk antinazi was. Dat is een gotspe natuurlijk. De kerk heeft zich altijd met alle machthebbers geëncanailleerd, ook met de gruwelijkste, smerigste en meest crapuleuze. Dat hijzelf en zijn familie anti waren, wil ik desnoods nog aannemen (hoewel: hoe paste dat bij de gezagsgetrouwheid, ook van katholieken?), maar de hogere en lagere clerus en het gros van het kerkvee zeer zeker niet.

Maar dat belet niet dat al die richtingen en stromingen naast elkaar bestaan, en wezenlijk waarschijnlijk niet tot elkaar kunnen komen. Hoe groter de verschillen (met de moslims bv.) hoe groter die onmogelijkheid. De reden daarvan is dat ze allemaal, stuk voor stuk, in het bezit zijn van de Waarheid, hoe zeer ze ook stellen en zeggen dat ook elders waarheid gevonden kan worden, dat ze geen exclusiviteit poneren wat dat betreft.

Joseph Ratzinger als prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer

Zelfs binnen de eigen club is dat overigens zo, ook dat blijkt uit wat Ratzinger te vertellen heeft over zijn tijd bij het tweede Vaticaans concilie, en later bij de verschillende universiteiten waar hij les gaf. Zijn conflict met Küng, waar hij het enkele bladzijden lang over heeft, zegt wat dat betreft genoeg. Ook trouwens over het apologetisch karakter van deze gesprekken, want in dezen legt hij de schuld grotendeels bij Küng. Ook anders gaat hij de schuld meestal elders zoeken. Waar ik overigens begrip voor heb, niet enkel omdat het menselijk is, maar vooral ook omdat zijn instelling waarschijnlijk grotendeels juist is: als Paus heb je geen absolute macht, zelfs niet over de kerk, maar hang je af van allerlei andere personen en structuren en bureaucratieën. Dat geldt overigens voor alle instellingen. Het enige zou zijn: je overal buiten houden, en desnoods, wanneer je dan doch ergens in verstrikt zit, je gewoon erbuiten stellen. Maar dat doet quasi niemand.

Het is vooral het derde deel dat over zijn acht jaren als paus handelt. Wie denkt veel over de interne tegenstellingen en/of gewone werking te vernemen komt bedrogen uit. Maar toch kun je wel iets bijleren over hoe een instelling als de katholieke kerk werkt. En dat verschilt inderdaad amper van de werking van een andere staat (Vaticaanstad is immers ook een staat). Ratzinger blijft voorzichtig in zijn antwoorden, maar hij is toch duidelijk genoeg om te stellen dat het politieke aspect zijn ding niet is en dat hij dat met tegenzin deed.

Daar kan ik perfect inkomen. Politiek stinkt altijd.

Maar daarin verschilt politiek niet van andere zaken. Ook politici hebben meestal de waarheid in pacht, op de eerste plaats via hun partijen, maar ook als individu als hen dat zo uitkomt. Misschien is het bij hen nog erger; als je gewoon al weet hoe ze in een ministerieel kabinet spreken over mensen waar ze een coalitie mee vormen, dan is dat al voldoende om voor de rest van je leven cynicus te worden en alle politici uit te kotsen.

Misschien is het in geloofsgemeenschappen net zo? Ik weet het niet, omdat ik eigenlijk nooit echt bewust deel ben geweest van zoiets. Wel kan ik zeggen dat het tussen de verschillende maçonnieke obediënties vaak ook zo is. Maar die hebben dan natuurlijk eveneens allemaal de Waarheid in pacht.

Interessante lectuur, hoe dan ook. Je moet er wel een beetje in thuis zijn, opgebracht zijn in het christendom, al was het maar om werkelijk te weten waarover het gaat.

Maar voor de rest is mijn conclusie duidelijk: mensen kunnen wel naast elkaar leven, niet met elkaar.

24/03/2017
door Peter
Geen reacties

23.03.17 – Een homo-auteur?

Enkele jaren geleden kreeg ik een boekje in handen van de Haarlemse antiquaar A.G. van der Steur: Gedenkt mij bij de tijden van weleer. Het openbare en verborgen leven van de Haarlemse advocaat en dichter Lodewijk Ali Cohen (1895-1970) (Haarlem, 2012, in eigen beheer). Het boekje bevat een levensschets, waarop een heuse biografie gebaseerd zou kunnen worden. Het legt vooral de nadruk op het openbare leven van Cohen, in al zijn aspecten. Het verborgen leven betreft dan de homoseksualiteit van Cohen.

Ik had nog nooit van die man gehoord. Misschien dat ik in een van de grote bloemlezingen ooit iets van hem gelezen had, maar daar was dan niets van blijven hangen. Het oeuvre is daarenboven wel erg klein: twee dichtbundels in de jaren twintig van de vorige eeuw, een roman in de jaren dertig, en heel veel later nog een postume uitgave bij Sub Signo Libelli met enkele inderdaad homo-erotische gedichten, die niet eerder gepubliceerd waren. Ook het boekje van Van der Steur bevat trouwens heel wat eerder onuitgegeven gedichten.

Nadat ik het bovenstaande geschreven had, heb ik toch maar even nagekeken hoe dat zit met die bloemlezingen. Tot mijn verbazing komt hij niet voor in Van Vriesland/Warren en evenmin in de dikke Komrij. Twee maal verbazingwekkend, denk ik, zeker bij Komrij, die toch een belijdend homo was. Waar hij wel in voorkomt met twee gedichten is de eerste bloemlezing homopoëzie in het Nederlands: Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen, reeds daterend uit 1979 en samengesteld door Hans Hafkamp. De twee gekozen gedichten zijn mijns inziens niet typisch homoseksueel.

Maar bon, confrontatie met een onbekende auteur maakt mij natuurlijk altijd nieuwsgierig. Altijd bereid om nieuwe schrijvers en dichters te ontdekken, goed wetende dat volledigheid daarin wel onbereikbaar is.

De twee enige dichtbundels van Cohen, Reflexen uit 1925 en Suggesties uit 1930 waren tamelijk gemakkelijk te vinden. De eerste bevat enkel sonnetten, de tweede is heel wat gevarieerder, maar bevat toch geen vrije verzen of zelfs maar aanzetten daartoe. Ik vind de kwaliteit van de gedichten over het algemeen niet slecht, maar dan ook weer niet zo goed als bv. die van een Nijhoff. Goede middelmaat, laten we zeggen. Een beetje zoals die andere homodichter, Willem de Mérode, die echter veel meer gepubliceerd heeft.

Kun je er een homoseksuele thematiek in aantreffen? Met goeie wil is het mogelijk hier of daar een dergelijk motief te detecteren, maar dan toch alleen omdat je weet dat de schrijver homofiel was. Daarzonder (en zelfs daarmee) zijn andere interpretaties evenzeer mogelijk. Hetgeen trouwens aan de kwaliteit niets af of bijdoet. De enige echt expliciete gedichten terzake vinden we in het kleine bibliofiele bundeltje Verzen dat in 2012 werd samengesteld door dezelfde antiquaar van der Steur (die de literaire nalatenschap van Cohen beheert – vandaar).

De enige roman van L. Ali Cohen, Eros in Reykjavik (Querido, Amsterdam, 1931) was veel moeilijker te vinden. Maar na enkele jaren zoeken dook er toch eentje op, in zeer slechte staat: quasi losse katernen. Eerst laten inbinden dus, en dan pas lezen. Het lijkt me wel vreemd dat dit boek zo moeilijk te vinden is. Het is weliswaar eveneens een bibliofiele uitgave, maar dan toch in 340 exemplaren, hetgeen betekent dat het veel gemakkelijker dan in werkelijkheid te vinden had moeten zijn. Het is gedrukt op nog steeds zeer mooi en aangenaam Pannenkoek, in de bekende letter van Van Krimpen en in twee kleuren.

Dit kun je evenmin een homoseksuele roman noemen als de twee reguliere bundels van Cohen. Er is één passage die expliciet naar homofilie verwijst, nl. het einde van hoofdstuk drie; en verder nog één passage die veel onrechtstreekser en implicieter is. Mijns inziens is dat niet genoeg om van een homo-erotische roman te spreken, temeer daar beide passages van de verteller afkomstig zijn, die in deze roman alwetend is.

Een ontgoocheling is de lectuur van deze roman niet geweest, maar dan enkel omdat ik bij welke lectuur dan ook wél nieuwsgierig ben, maar tezelfdertijd geen enkele verwachting koester. De Eros van de titel is een schip dat in Reykjavik aangemeerd ligt, en waarop een feest plaatsheeft. De protagonisten van de verschillende hoofdstukken ontmoeten elkaar daar op een zeer oppervlakkige wijze, zou je kunnen zeggen. Het is inderdaad alsof de personen in dit boek als schimmen naast elkaar lopen, elkaar even zeer vluchtig raken en zich dan weer verder spoeden.

Een intrige, een fabel kent het boek ook niet. Men zal opmerken dat dit in vele modernistische romans het geval is; inderdaad, maar hier lijkt het me niet zo bedoeld te zijn. Het lijkt meer op een vorm van onkunde. En wellicht heeft de auteur zelf wel ingezien dat hij niet uit het romanciershout gesneden was, en is het  (mede) daarom bij deze éne roman gebleven. Maar het is evengoed mogelijk dat hij zijn carrière als advocaat voor heeft laten gaan; de Haan in Nederland en Eekhoud in België hadden laten zien welke de mogelijke gevolgen waren wanneer je expliciet over homoseksualiteit schreef in die tijd.

Het eerste hoofdstuk heeft een danser als hoofdpersoon, die in een depressie geraakt is en daardoor, zij het onder begeleiding, een beetje op de dool. Je kunt in deze figuur heel gemakkelijk de toen wereldberoemde danser Nijinsky, de topfiguur van Diaghilevs Les Ballets Russes herkennen; in het boek heet hij Leo Fanar. Beiden hadden een verhouding, en zodoende is er natuurlijk wel een verwijzing naar homofilie, zij het weer erg onrechtstreeks. Elk van de daaropvolgende hoofdstukken schetst dan kort het leven van een andere figuur; op die manier krijg je als het ware een synopsis van wat onder de handen van een échte romancier een heuse grote roman zou zijn geworden. Nu krijg je enkel brokstukken met zeer weinig verband ertussen; maar die wel aantonen dat de schrijver talent had. Voor kortere prozastukken waarschijnlijk.

Wat me meer verwondert is het feit dat hij ook als dichter niet verder heeft gedaan. Er zijn na zijn twee bundels inderdaad nog hier en daar losse gedichten van hem verschenen, ook tijdens de oorlog toen hij ondergedoken zat, en later opgepakt werd en naar Westerbork en Theresienstadt verkast. Hij overleefde. Op de website van het NIOD in Amsterdam kan men gemakkelijk verscheidene van zijn expliciete verzetsgedichten terugvinden, die mijns inziens nooit ergens gepubliceerd werden. Maar na 1930 kwam dus geen bundel meer. Behalve het reeds genoemde, lang na zijn dood in amper 50 exemplaren gepubliceerde Verzen, waaruit ik één gedicht wil overschrijven, het is een titelloos sonnet, en wel degelijk expliciet wat de homoseksuele thematiek betreft:

Hij liet zich zoenen in een donkre steeg
En voelde zich omvatten op de tast…
Zijn waardigheid viel van hem als een last,
Nu, dacht hij, o…mijn lichaam het loopt leeg –

Het was alsof het leven even zweeg,
In drie seconden was ’t heelal te gast
Terwijl het zaad ziedende werd verbrast
En ’t duister lichtend in hem over – neeg.

Hoe oer-oud heeft de geile roep gegild
Van ’t bloed dat werd gewekt tot wanhoopsdaad
der diepste krachten, eindeloos verspild…

Steeds dat verlangen te vergaan in gloed,
Voorbij de grenzen van elk goed en kwaad
Waar hij zich als een offer geven moet –

Opvallend lijken mij de vaak erg negatieve tonen (verbrassen, verspillen, duister, wanhoop…); dat duidt erop dat de auteur van dit gedicht zijn homoseksualiteit alleszins niet positief ervoer. Wat op zijn beurt dan weer te maken heeft met de maatschappelijke context.

Hoe dan ook, ik ben van oordeel dat er best een derde bundel van Lodewijk Ali Cohen mag verschijnen, met alles wat los gepubliceerd werd en wat in de archieven en handschriften nog aan waardevols aanwezig is.

23/03/2017
door Peter
Geen reacties

22.03.17 – Erdogan

Dat dreigt, nee niet met geweld zoals ergens verschonend te lezen stond, maar voor de goede verstaander wel met terroristische aanslagen. Wie de toestand in Turkije een beetje gevolgd heeft en ook verder van wanten weet, is er zeker van dat minstens twee van de bloedigste aanslagen van de laatste jaren door het regime en zijn geheime diensten zelf werden gepleegd, op de eerste plaats die in de Zuid-Turkse stad Gaziantep waarbij tijdens een huwelijksfeest zeker vijftig doden en bijna honderd gewonden vallen. Maar dat waren toch maar Koerden en dus quantité négligeable voor het regime van Erdogan.

Dat regime kenmerkt zich o.a. door twee levensgevaarlijke zaken.

Op de eerste plaats door een volksnationalisme zoals je het sinds de nazi’s niet meer voor mogelijk houdt. Daarbij vergeleken is zelfs de N-VA is een kosmopolitische partij. Er bestaat een Turksheid die zich in elke nieuwe boreling opnieuw verwerkelijkt, en wie eenmaal Turk is, blijft dat ook tot aan zijn dood. Er is een Turkse essentie, die eeuwig is en waarvan op geen enkele manier kan afgeweken worden. Vandaar dat Erdogan en zijn bende de uitgeweken Turken nog steeds als Turken blijven beschouwen: eenmaal Turk, altijd Turk. Een dergelijke gedachtegang is de kern zelf van elk volksnationalistisch fascisme, dat is het soort fascisme dat zijn ‘hoogtepunt’ gekend heeft in het Duitse nationaal-socialisme.

Maar op dat fascisme ent zich dan nog een tweede vorm van fascisme: het soennitische islamofascisme. Iedereen weet dat het Erdoganregime vanaf het begin direct of indirect heeft samengewerkt met de moordenaarsbendes in Syrië, IS voorop. Dat is geen toeval: ideologisch staan ze zo dicht bij elkaar dat ze wel moeten samenwerken.

De combinatie van die twee maakt dat Erdogan en zijn regime op dit ogenblik tot de allergevaarlijkste politieke criminelen op wereldvlak behoren, en zeker voor Europa. Veel en veel meer dan Rusland of de Sovjet-Unie  ooit geweest zijn. Europa heeft van Rusland niets te vrezen, maar van Turkije alles. De strijd tegen Rusland is een strijd van de Amerikanen en hùn NAVO. Mede omdat ze opgesloten zitten binnen dat Navosysteem laten de Europese landen zich meeslepen in een strijd die de hunne helemaal niet is.

Stel je gewoon even voor dat Poetin een dergelijke bedreiging had geuit. Dagen- en dagenlang zou je in alle kranten en op alle schermen niks anders meer horen, zien of lezen dan dat. De anti-Russische oorlogspropaganda zou worden opgevoerd tot zulke hoogten dat je elk ogenblik een inval zou verwachten.

Maar bij Erdogan passeert dat, quasi zonder meer. Terwijl overal in Europa al een vijfde colonne van de Turken aanwezig is, waarbij zeer zeker een groot deel geheimedienstvolk, dat bij elk bevel uit Ankara onmiddellijk tot de actie kan en wil overgaan. In Parijs werden enkele jaren geleden al drie Koerdische vrouwen door een Turkse geheime dienst vermoord. Ze zullen niet aarzelen om ook anderen neer te leggen, of moorddadige aanslagen te plegen. Bij wijze van boutade zou je kunnen zeggen dat een nieuw beleg van Wenen niet meer nodig is, want de Turken zitten al in Wenen.

Een vijfde colonne van de Russen heb ik daarentegen nog niet gezien.

En door die binding aan de NAVO is het voor Europa zelfs niet meer mogelijk om zich  te beginnen voorbereiden op een eventueel gewapend conflict met Turkije, dat – als het van Sultan de Veroveraar Erdogan afhangt – zonder problemen kan beginnen.

03/03/2017
door Peter
Geen reacties

03.03.17 – Zelfmoord

In de loop van deze maand moet het magnum opus van Jeroen Brouwers, over zelfmoord in de Nederlandse letteren verschijnen. Het zal een ruim uitgebreide en bewerkte editie zijn van het in de jaren tachtig van de vorige eeuw verschenen De laatste deur, aangevuld met andere teksten van de auteur over zelfmoord.

Ik zit daar al een tijdje op te wachten (wat me niet vaak gebeurt) en hoop dus dat ik het nog zal kunnen (her)lezen.

Intussen heb ik, bij wijze van aperitiefje, een boekje gelezen van ene mij voordien onbekende professor in de wijsbegeerte: Simon Critchley: Notes on suicide (Fitzcarraldo Editions, London, 2015). Als mijn geheugen me niet bedriegt, heeft Brouwers daar een recensie over geschreven in een of ander weekblad, recensie die niet echt positief was.

Nou valt het wat mij betreft nog mee. Maar inderdaad, een specialist terzake als Brouwers zal aan dit dunne boekje weinig hebben gehad, want het bevat voor specialisten wellicht helemaal niks nieuws. Het zijn dan ook inderdaad voetnoten (‘notes’) hetgeen nog wel minder zal wezen dan bv. ‘reflections’.

Zelf heb ik er ook niet zo veel aan gehad, zeker niet aan de filosofische weerleggingen van ‘argumenten’ tegen zelfmoord die zich op God beroepen, of op het Leven dat heilig zou wezen, of op de Maatschappij, of op nog andere onzin. Na zijn eigen korte tekst, drukt de auteur een nog kortere tekst af van de 18de-eeuwse filosoof David Hume, waarin al die beweringen al weerlegd worden. En heel even verwijst de auteur in zijn eigen tekst ook naar het wel erg onbekende, maar zeer belangrijke werk van John Donne over zelfmoord, Biathanatos. Dat dateert al uit de 17de eeuw.

De auteur schrijft het negatieve beeld dat zelfmoord ook vandaag nog heeft volledig op rekening van de invloed van het christendom. Klopt dat wel? Hij gaat daar niet op in, maar stelt wel vast dat die negatieve invloed goed begonnen zou zijn in de achttiende eeuw. Maar toen bestond het christendom al achttien eeuwen. Nu is het natuurlijk zo dat de gemiddelde levensduur tot en met de negentiende eeuw bedroevend laag was. En de kerk heeft inderdaad vanaf zeer vroeg bepaalde suïcidaire tendensen van ‘martelaars’ veroordeeld. En Critchley wijst er ook terecht op dat de dood van Christus zelf in zekere zin als een zelfmoord beschouwd kan worden.

Maar bon, dat alles moet uitgewerkt worden tot een veel ruimer boek. Dat naar alle waarschijnlijkheid wel al geschreven zal zijn.

Voor mij was het stuk over ‘suicide notes’ het meest interessante. Omdat ik daar natuurlijk het minst over weet. Ik merk dat er zeer recent in de US enkele academische werken over verschenen zijn: Terry Williams: Teenage suicide notes, en: Explaining Suicide: Patterns, Motivations, and What Notes Reveal, van een groep wetenschappers. Verschenen in respectievelijk januari en februari van dit jaar. En nee, ik heb ze (nog) niet gelezen.

Critchley schrijft dat hij in de US een soort seminarie gehouden heeft over ‘suicide notes’, en dat hij de studenten op het einde als opdracht gaf om er zelf eentje te schrijven. Persoonlijk vind ik dat niet slecht als filosofische oefening; het vergt heel wat empathie, denk ik, omdat goed te doen. Zelf geeft de auteur niet veel voorbeelden, maar dit vind ik wel heel goed:

Dear Betty:

I hate you.

Love,

George.

Voor mensen die zich voor zelfmoord interesseren kan dit kleine boekje een opstapje zijn om meer en verder te lezen, zeker omdat de auteur een vlotte pen hanteert. Voor anderen brengt het inderdaad niets nieuws bij. En kandidaten hebben er uiteraard niets aan. Die moeten gewoon doen wat ze niet laten kunnen.

03/03/2017
door Peter
1 reactie

02.03.17 Charlotte als kameleon

Volgens de achterflap van haar beide dichtbundels tot nog toe, is Charlotte Van den Broeck (ook) een podiumdichteres. Blijkbaar is dat iets speciaals (geworden). En of er veel meer mee bedoeld wordt dan dichters die hun verzen voorlezen op een podium voor een al dan niet talrijk publiek, weet ik niet.

Het moet ettelijke decennia geleden zijn dat ik dergelijke poëtische evenementen nog heb meegemaakt; een keer in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel, meen ik me te herinneren en een keer in Vorst Nationaal. Dat is dus bijna een halve eeuw geleden. Quasi alle dichters lazen gewoon hun gedichten voor, zoals die later dan zouden verschijnen in hun bundels (of al verschenen waren).

De enige die gedichten schreef enkel met het oog op voordracht (en wat voor een voordracht!) is toen waarschijnlijk Johnny the Selfkicker geweest.

Ik kan me niet voorstellen dat iets dergelijks vandaag nog gebeurt. Ook Charlotte Van den Broeck zal haar gedichten wel gewoon voorlezen, zoals alle anderen; waarbij de ene al wat begenadigder is daarin dan de ander. Ook dat was niet anders voordat het begrip podiumdichter werd uitgevonden.

De lengte van de gedichten is een ander criterium. In haar tweede bundel, Nachtroer (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 2017) komen inderdaad heel wat gedichten voor die beduidend langer zijn dan normaal voor lyriek; in haar eerste bundel, Kameleon (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 2015) kwamen zo’n lange gedichten niet voor. Maar wat voor mij wezenlijk lijkt: de lange en de korte gedichten verschillen voor de rest niet van elkaar, tenzij wellicht in die zin dat de kortere een gebaldere zegging vertonen en meer dan in de andere anakoloeten (bv. in het goede ‘Wrijfklank’, waarin de dichter lijkt te stotteren) bevatten.

De werkwijze van Van den Broeck kan zoals bij andere dichters het best worden geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld. Nemen we de volgende twee strofen uit Nachtroer:

“Moeder knakt twee rozen met bruine rand middendoor
het zijn mijn broer en ik die ene keer
toen hij me geblinddoekt de tuin liet oversteken, met opzet
stuurde hij me af op de schans

Moeder geeft de stokrozen water, sopt
mijn knieën in gedachten in de iso-Betadine
jaren later nog wil ze littekens uit de tuin knippen” (p. 75)

Dit is niet enkel geen gewone vergelijking of zelfs maar een gewone metafoor (zelfs geen absolute metafoor), maar hier worden verschillende disparate elementen op een veel indringender manier samengebracht om zo een sterke symbiose te gaan vormen. Hier zijn dat drie elementen, de rozen, de kinderen en de moeder, maar in andere gedichten kunnen het er ook veel meer zijn. Omdat verschillende elementen met elkaar verwisseld worden, en attributen of daden of elementen van het ene naar het andere worden gelinkt, zou je kunnen spreken van een uitgebreide en ingenieuze vorm van hypallage. Hetzelfde gebeurt wanneer zij het over ‘jammerende muren’ heeft in de mooie cyclus ‘Roofbouw’ of over een huis dat ‘verlangt naar terugkeer’; deze cyclus eindigt dan weer met een duidelijke paradox: de ik is helemaal in het eigen lichaam verdwenen ‘tot je beter werd en je beterschap de plek/waar je wist: hier moet het lichaam worden afgelegd’ (p.65). het zijn natuurlijk enkel dode lichamen die worden afgelegd.

Een ander duidelijk voorbeeld van verwisselingen (maar mét eveneens een klassieke vergelijking erin nu) komt eveneens uit de tweede bundel:

“Wij worden los geboren
groeien langs de stok in onze rug sluimerend omhoog
als klimplanten rond de ruggengraat het hoofd in soms
wijken we af in een ander, in een zachtere winter
dat hoop ik tenminste met de rug aan een stok gebonden
hoop ik op nevenschikking…” (p. 44)

De kameleon die de dichteres naar eigen zeggen in het hoofd heeft, valt nog mee: hij blijft steeds herkenbaar, en het aantal schutkleuren dat hij kan aannemen is uiteraard beperkt; een ‘lelijke neiging /naar wisselende dingen’ zou ik het dan ook niet noemen, want een dergelijke neiging kan leven in de brouwerij brengen, en is natuurlijk sowieso een garantie voor afwisseling, voldoende afwisseling in elk geval, want, zoals gezegd: zoals er tussen de langere en de kortere gedichten weinig verschil te merken valt, zo ook tussen beide bundels van Van den Broeck; zij beheerst het vak, dat is zeker. Misschien is, zeker in de langere gedichten uit de tweede bundel, de retorica een beetje te oppermachtig ten nadele van andere elementen; maar er staan zeker evenveel kortere gedichten in, waar er een goed evenwicht te zien valt tussen de aangewende middelen en de gevoelsinhoud.

Gevoel. Poëzie wordt daar steeds mee in verband gebracht, terecht en ten onrechte. Charlotte Van den Broeck is volgens mij ook een goede dichteres omdat er in beide bundels geen directe gevoelsuitingen voorkomen. Telkens wanneer emoties aan bod komen (zoals in de cyclus ‘Roofbouw’ of in het gedicht ‘Wrijfklank’), gebeurt dat onrechtstreeks, en je voelt bijna dat de dichteres er moeite mee heeft. Het is immers vooral dan dat anakoloeten optreden (cfr. het einde van het laatstgenoemde gedicht: “je moet nog zoveel mensen voor me zijn/je moet nog” (p. 57)), of andere retorische trucs (dat is niet pejoratief bedoeld) die al te veel directheid moeten milderen.

Ik weet niet meer wie het gezegd heeft (was het Claus wellicht?) dat een vijftal gedichten in een omvangrijk dichterlijk werk voldoende zijn om een dichter de onsterfelijkheid te gunnen (nou ja, de onsterfelijkheid!, iets minder kan ook natuurlijk). In deze twee bundels heb ik er één aangestreept dat Van den Broeck alvast een plaats mag bezorgen in alle toekomstige anthologieën. Ik heb er ‘schitterend’ naast geschreven, en men mag mij geloven: ik doe dat maar zelden. Het gedicht gaat over de moeder/dochter-verhouding en -band, en toch heet het heel tegendraads ‘Stierenkop’:

“Sinds ik geboren ben, woedt er in de onderbuik van mijn moeder
een enorme stierenkop. Hij raast door haar verlaten lijf

en maakt littekens in de braakliggende moeder, soms
weet ze niet zo goed wie ik ben, dat is verontrustend

want ooit paste ik helemaal in haar, gelukkig
ben ik volgens de astronomische constellatie van de Kreeft

genotzuchtig, betrouwbaar en creatief. Hierin vindt ze houvast,
een godsbewijs tussen vruchtwater en heelal.

Als we witlof met hesp in de over aten, kreeg ik het kaaskorstje.
Helemaal. Omdat ik het wilde.

Liefde is iets wat ik ken uit een kookpot,
altijd twee extra scheppen op een vol bord

een tweede koekje in de gele pudding verstopt.
Dat is een veelvoorkomende vorm van moederlijk gedrag:

‘De opvulling van het jong’.
Door de holte die ik in haar naliet, wilde ze mij vol en rond.

Op een ochtend kondigde ik haar dan de komst van de kleine borsten aan.
Ze was daar dagenlang kapot van.

Uiteindelijk kreeg ik een bh,
één met Hello Kitty erop.

Vanuit haar buik bonkte de briesende stierenkop.
Een holte is pas een leegte als er niets meer in past.

Langzaam fossiliseerden we in twee aparte wezens.
Het is niet zeker

wie van ons het insect en wie
de barnsteen werd.” (Kameleon pp. 54-55)

De stierenkop is natuurlijk een symbool (elke lezer moet maar voor zichzelf uitmaken wat erdoor gesymboliseerd wordt, symbolen zijn bijna altijd binnen een bepaalde marge vrij interpreteerbaar), maar tezelfdertijd is het een surrealistisch beeld; je hoeft maar even je ogen te sluiten om een passend schilderij te ontdekken of in je geest te maken, (het zal er eentje van Max Ernst zijn waarschijnlijk). Maar het overgrote deel van het gedicht is in een lichte parlandostijl geschreven, die soms inderdaad erg direct klinkt (het witlof bv.), maar waar toch voortdurend een lichtere of sterkere ironische ondertoon in meeklinkt.

Dat is natuurlijk heel wat om het simpele uiteengroeien van moeder en dochter op te roepen. Symbolisme, ironie, surrealisme, parlando…Van een kameleon gesproken.

Ik ben benieuwd hoe Charlotte Van den Broeck zich verder zal ontwikkelen.