God is een Communist – Over het werk van Abraham Eleazer van Collem

| 1 reactie

Abraham van CollemGevraagd naar de belangrijkste socialistische of communistische – het onderscheid zal in de loop van dit opstel nog aan bod komen – dichters van Nederland, zal men geneigd zijn enkel de namen van Herman Gorter en van Henriëtte Roland Holst – van der Schalk te noemen. Het zijn de enigen waaraan nog regelmatig gerefereerd wordt, vooral Gorter[1 – eindnoten zie blz. 10]. Maar het is veelzeggend dat het dan de Gorter is van de Mei en van de Verzen, zeker niet de Gorter van de late communistische lyriek. En Henriëtte Roland Holst dreigt helemaal in de vergetelheid te raken; haar werk omvat immers geen Mei, haar werk is minder avant-gardistisch dan dat van de vroege Gorter, en zij is daardoor minder recupereerbaar.

Een enkeling zal misschien nog verwijzen naar Carel Steven Adama van Scheltema. Maar in zijn werk is het politieke moment toch veel minder uitgesproken dan bij de twee eerstgenoemden.

Maar Abraham van Collem?

Er bestaat een bloemlezing, samengesteld door een van de bêtes noires van ter Braak, A.M. De Jong, Bloemlezing van revolutionaire poëzie, uit 1923, waarin van Collem sterk aanwezig is, samen overigens met Henriëtte Roland Holst en Adama van Scheltema. Gorter daarentegen komt in die bloemlezing niet voor.[2]

In van Vriesland[3] had van Collem nog recht op niet minder dan elf gedichten. Wel is het vreemd dat van Vriesland hem opnam in zijn eerste deel (tot en met de 19de eeuw), terwijl het hele poëtische werk van van Collem in de 20ste eeuw verscheen. Hoe dit zij, het maximum aantal gedichten is dat niet, maar toch zo veel dat eruit kan worden afgeleid dat van Collem voor van Vriesland een niet onbelangrijk dichter was.

Ook in de dikke Komrij[4] komt van Collem voor, in de eerste en de veertiende druk[5] met exact drie gedichten, twee maal dezelfde overigens, alleen: in de eerste druk werden ze blijkbaar uit de oorspronkelijke bundels overgenomen volgens de inhoudstafel, in de veertiende druk uit een bloemlezing.

Een laatste maal werd van Collem dan opgenomen in de in meerdere betekenissen instructieve bloemlezing van Lukas Peregrijn, Al bleef ik eeuwig ongelezen Tijdgenoten der Tachtigers die Tachtig meden of bestreden.[6] In een dergelijke bloemlezing te worden opgenomen, spreekt al vanzelf over wat er literair gezien met je gebeurt, ook al is de ondertitel amper op van Collem van toepassing.

Twee maal heeft men geprobeerd van Collem d.m.v. een bloemlezing opnieuw onder de aandacht te brengen, waaruit hij blijkbaar al snel dreigde te verdwijnen. Eén jaar voor zijn dood was het niemand minder dan Henriëtte Roland Holst[7] zelve die een door van Collems dochter samengestelde bloemlezing[8]> uit zijn werk presenteerde, in 1955 deed Adriaan Morriën[9] het nog eens over.

Het belang van van Collems poëzie in zijn eigen tijd bleek ook uit zijn uitgevers: bijna al zijn werk werd uitgegeven door de firma van Dishoeck in Bussum, die in het eerste kwart van de twintigste eeuw een van de belangrijkste literaire uitgevers was, en zich vooral liet richten door kwaliteit, en door niets anders. Hij kon zich dat veroorloven. En het laatste boek van van Collem werd uitgegeven door Querido, die op dat ogenblik – 1933 schrijven we – een vijftiental jaren bestond, en zich eveneens ontwikkeld had tot een literaire uitgeverij die kwaliteit voorop stelde. Querido was daarbij ook progressief en links, van Dishoeck duidelijk niet, die was apolitiek.

Toch werd het waas van vergetelheid over van Collem hoe langer hoe dichter. Het aantal aan hem gewijde studies bv. is onbetekenend. Er is één boek, Ventende profeet, van Jaap Meijer, die daarvoor niet eens een uitgever vond, en het dan maar in eigen beheer en gestencild uitgaf[10]. Er waren wat necrologieën[11] met het daarbij behorende overzicht van leven en werk, en een zeer recent opstel van Mario Molegraaf over één gedicht van van Collem[12]. Dan wordt hij nog in enkele overzichtswerken genoemd, en daarmee hebben we het wel gehad. Vandaar dat er ook geen bibliografie bij dit opstel gevoegd wordt. Alle nodige verwijzingen kunnen in de voetnoten teruggevonden worden

Jaap Meijer geeft in zijn voormeld boek wel een overzicht van het gehele werk van van Collem, maar hij blijft daarbij zeer oppervlakkig in de bespreking van de bundels en hun inhoud, terwijl hij op de vorm bijna niet ingaat; en hij blijft zeer eenzijdig doordat hij het hele werk terugbrengt tot een meer of minder seculiere uiting van van Collems jodendom, dat dan als een essentie van mens en werk gezien wordt. Het spreekt vanzelf dat de invloed van dat jodendom in het werk aanwezig is, expliciet trouwens in de eerste publicaties; maar ook impliciet in latere publicaties. Maar belangrijk is dat thema of die invloed niet[13]. Van Collem weet het jodendom bewust en expliciet te overstijgen om tot een algemeen-menselijk standpunt te komen. Meijer merkt dat trouwens zelf ook wel op, maar durft daar blijkbaar de juiste conclusies niet uit te trekken: eens een jood, altijd een jood, zo schijnt hij impliciet te zeggen.[14]

Op dat joodse karakter zal ikzelf dus niet al te diep ingaan, tenzij waar dat echt nodig is: in mijn eerste, aan het vroege werk gewijd hoofdstuk: dat behandelt het debuut, het enige prozaboekje van van Collem, en de eerste bundel, uit 1906. Daarna verlaat ik het chronologische pad. Tussen 1917 en 1930 publiceerde van Collem zijn belangrijkste, zijn grote bundels, samen met nog enkele kleinere publicaties. Die zal ik in vijf hoofdstukken behandelen, die telkens als titel een van de hoofdthema’s van die poëzie dragen: van de natuur, van de mensen, van het socialisme, van de poëzie en van God. De volgorde is niet alleen niet onbelangrijk voor dit opstel, maar evenmin voor de filosofie en de levensbeschouwing in het algemeen, zoals die in dit werk voorkomen.

Het is trouwens die levensbeschouwing, die van dit werk een hechte eenheid maakt, veel meer dan dit bij andere, zeer zeker hedendaagse oeuvres het geval is.

Van Collem is mijns inziens ten onrechte vergeten – zoals dat overigens het geval is voor 99% van de dichters die vergeten zijn. In een echte cultuurnatie zoals Frankrijk of Duitsland zou dat trouwens niet gebeuren, denk ik. Maar illusies maak ik mij niet: dit opstel, dat ofwel enkel op het internet zal verschijnen, of wellicht (ook) als brochure, op papier, maar dan in een zeer beperkte oplage, zal er niet voor zorgen dat hij ineens weer in de belangstelling zou komen te staan. Maar misschien dat hier of daar, vroeger of later, iemand op deze tekst stoot, en zegt: die lijkt me interessant, en van Collem gaat lezen.

Dat is voldoende.

Delen:
Share

Eén reactie

  1. Dank voor de informatie

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


16 + zestien =