Thomas Graftdijk: In de mijn

| Geen reacties

In zijn korte leven heeft Thomas Graftdijk amper drie boeken gepubliceerd, één prozaboek en twee dichtbundels. Grote of belangrijke literatuur is het niet, en het is dus begrijpelijk dat hij als auteur vergeten is. In die twee bundels staat er slechts éen enkel gedicht dat mij aangesproken heeft, het staat in zijn debuutbundel Lachend op de achterste rij (Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, s.d.), en het heet ‘In de mijn’:

“Van steenkoollaag tot laag, langs schommelende
kabels van het bijna niet meer weten,
klim je langzaam door de jarenlange schacht

die van de oorsprong naar het hoegenaamde einde
leidt, uit ingestorte tunnels en kanalen, langs de
breuklijn van het allerlaatste licht omhoog,

bereikt ineengevouwen als een kreeft uiteindelijk
de rand van het verlaten territorium en valt,
en valt opnieuw om steeds opnieuw te vallen.” (p.31)

Een eerste reden waarom dit gedicht me aansprak heeft met het gedicht in kwestie of met poëzie in het algemeen geen uitstaans. Het heeft wel ermee te maken dat ik als het ware tussen mijnwerkers ben opgegroeid, dat de mijn en het werk aldaar voortdurend thuis aanwezig waren, op de eerste plaats omdat de vader daar werkte (begonnen in de ondergrond, maar al snel omhoog gekropen om bediende te worden), maar eerder nog door het feit dat in het café dat de moeder hield veel mijnwerkers kwamen. Als ik als kind ’s morgens opstond om naar de kleuterschool te gaan, zat de keuken vol mijnwerkers die de nacht hadden gedaan (sommigen nog zwart in het gezicht) en langs achter binnen konden (in de dorpen in de jaren vijftig hoefde je niets op slot te doen) om zichzelf pintjes en jenevers in te schenken. En de keuken hing vol damp van de sigaretten. Niks geen politieke correctheid inzake gezondheid. Oud werden ze meestal toch niet.

Maar dat zijn persoonlijke anekdotes, die wel een zekere gevoeligheid hebben achtergelaten, maar verder inderdaad niet noodzakelijkerwijze tot poëtische gevoeligheid leiden, al dan niet over mijnen en/of mijnwerkers.

Bron: L1 (de regionale omroep van de provincie Limburg)

Het gedicht hierboven gaat ook helemaal niet over mijnen, maar over het leven zelf, én over geboorte. De mijn is niets anders dan een zuivere metafoor (een ‘objective corralative’ in de zin van Eliot), waarbinnen dan weer andere metaforen optreden. En dat aspect maakt het gedicht toch wel boeiend. Dat de schacht waarvan sprake is in het derde vers naar de levensloop als zodanig, die van elckerlyck dus, verwijst, wordt bewezen door het volgende, het vierde vers, waarin expliciet een oorsprong en een einde genoemd worden. Waarom er sprake is van een ‘hoegenaamd’ einde is niet duidelijk, maar waarschijnlijk heeft dat betrekking op het wijd verspreide geloof in een hiernamaals, in het feit dat, zoals men dan zegt, de dood het einde niet is, maar dat er een soort ziel zou bestaan die dan op haar eentje verder leeft, ergens.

Ook het tweede vers is een beetje raadselachtig. De lift die de mijnwerkers naar beneden en terug naar boven brengt hangt uiteraard aan kabels, zoals alle liften, vermoed ik. En het ‘niet meer weten’ kan in die context duiden op een automatisch of een onbewust proces, iets dat vanzelf, routineus gebeurt, bijna zonder weten van de betrokkenen zelf, zoals dat met de meeste zaken in het leven zelf gebeurt. Zonder routine is waarschijnlijk geen leven mogelijk.

Maar de weg die hier bewandeld wordt mag dan al een gebaande weg zijn, een weg die je als het ware instinctief volgt, in de tweede strofe treedt ook nog iets anders op. Even instinctief, even onbewust, maar toch even anders. De ‘ingestorte tunnels en kanalen’ vind je inderdaad ook in een mijn die al lang in gebruik is, maar hier hebben we weer met een metafoor te maken, een metafoor in de metafoor: als het leven geen pretje is, dan betekent dat ook dat het voor een groot deel uit verlies bestaat, uit kwetsuren, uit pijn. De dichter zegt dat nooit op een expliciete wijze, maar onrechtstreeks. Het ‘allerlaatste licht’ sluit weer aan bij het ‘hoegenaamde einde’, het is de dood als einde van een leven.

Maar de tunnels en kanalen waar de dichterlijke ik, en met hem elckerlyck, door moet kunnen ook op de geboorte slaan; ook dat is een tocht door een schacht naar het licht, weliswaar niet het allerlaatste, maar toch. Het enige licht wellicht, en dus ook het allerlaatste. Een kind in de baarmoeder ligt daar inderdaad ‘ineengevouwen’ vooraleer het die baarmoeder verlaat. Dat ‘verlaten territorium’ kan in mijn visie op een dergelijk proces slaan, maar het is uiteraard ook weer een nieuwe metafoor voor het leven (binnen de mijnmetafoor die ook op het leven slaat).

Leven en dood, geboorte en dood hangen zodoende in dit gedicht symbiotisch aan elkaar vast, zoals ze dat ook in de werkelijkheid doen. En die woorden komen in het gedicht niet voor, dat blijft impliciet én het biedt mogelijkheid voor meerdere, maar toch steeds verwante interpretaties. Zo zullen sommigen de verwijzing naar geboorte wellicht niet (willen) zien.

Het einde is wellicht de sterkste metafoor binnen het gedicht. Maar is dat zo op zich, of omdat het een duidelijke, zij het misschien niet bewuste allusie is op een van de beroemdste en bekendste gedichten uit de wereldliteratuur? Ik bedoel natuurlijk ‘Hyperions Schicksallied’ van Hölderlin, waarin het o.m. heet:

Es schwinden, es fallen
      Die leidenden Menschen
          Blindlings von einer
               Stunde zur andern,
                      Wie Wasser von Klippe
                             Zu Klippe geworfen,
                                    Jahr lang ins Ungewisse hinab.”

Of die verwijzing nu bedoeld is of niet, doet er niet toe. Het beeld van Graftdijk heeft eigenlijk dezelfde kracht als dat van Hölderlin, waarbij vanzelfsprekend Hölderlin de grotere dichter is. Dat zou ik eigenlijk niet hoeven te zeggen.

Eén gedicht dat me aanspreekt. Kan het zijn dat dit het enige gedicht van Graftdijk is dat de moeite waard is om bewaard te blijven in een of andere bloemlezing? Ik ben het even gaan nakijken boven: in de dikke Komrij staan twee gedichten van hem, waaronder inderdaad dit ‘In de mijn’; ik wist het echt niet. In de dikke Pfeijffer daarentegen komt hij niet meer voor.

En er moet een foto bestaan van mijn moeder als ze in de lift uit de mijnschacht komt, zwart nog in het gezicht. Na een bezoek natuurlijk. Ik kan die foto niet terugvinden.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.