25/11/2018
door Peter
Geen reacties

De Waard in de winter

Elly de Waard is een dichteres waarvan ik enkel het vroege werk ken. Nadien heb ik haar niet meer gevolgd; dat heeft niets te maken met de intrinsieke kwaliteit van haar werk, want wat ik van haar gelezen heb vond en vind ik goed, beter in elk geval dan het werk van veel andere, jongere dichteressen.

Dit is een gedicht dat me enigszins typisch lijkt voor die vroege periode van haar werk; het is titelloos:

“Winter. Een scheefgezakte paal,
een hok en witberijpte kassen,
een appelboom balt zich nu samen in zijn kaalte,
knoestige tak.

’t Land is zo duister dat van schapen
alleen het negatief te zien is in het water,
blinkend verdiept in niets.
Uit schoorsteen zichtbaar ademende huisjes.

Het veld is dof, maar gloeit onder zijn stof:
de meest intense kleur
die van een stervend vuur
in as.

Nacht komt niet uit de lucht
maar uit de aarde.”

(Uit: Afstand, Uitgeverij De Harmonie, Amsterdam, 1978)

Zoals gezegd heeft het gedicht geen titel, maar niets belet ons om de woordzin waarmee het gedicht opent ook als titel te zien, temeer daar de winter nogal vaak voorkomt in die vroege gedichten van De Waard. Het hele verdere gedicht is dan een bijna impressionistische uitwerking van die woordzin, een beeld van de winter op een erf waar de mensen enkel nog onrechtstreeks aanwezig zijn: uit de rokende schoorstenen kun je hun aanwezigheid afleiden, zien doe je ze niet.

Dat doet mij sterk denken aan bepaalde winterlandschappen, waar de mens ook op ofwel afwezig is ofwel zo klein en nietig lijkt tegenover de natuur dat zijn aanwezigheid dan amper opvalt. Het tegendeel dus van de meeste winterlandschappen, waar vaak schaatsende figuren op aanwezig zijn, zeker bij Hollandse meesters. Misschien heeft de dichteres wel het een of andere schilderij voor ogen gehad bij het schrijven van dit gedicht, want alles is zo concreet dat het soms wel een beschrijving lijkt.

Julius von Klever – 1876

De stijl is vanaf het begin uitgesproken elliptisch en parataktisch; na de aanvangs-woordzin komt een opsomming van drie aparte elementen die je op een winters verlaten erf kunt aantreffen. Een hok, dat blijkbaar leeg is, en kassen waar blijkbaar niets in groeit. Enkel de appelboom leeft nog duidelijk, maar niet uitbundig naar buiten zoals bomen in de lente gaan doen, maar naar binnen, hij balt zich samen, hij weert zich tegen de koude a.h.w. Men lette op de harde ‘k’ die drie keer voor komt, evenals de iets zachtere ‘t’. De bijstelling ‘knoestige tak’ verscherpt het winterse beeld door in te zoomen op één element van de boom, dat daarmee een pars pro toto wordt.

De enige beweging is de beweging naar binnen, en dat is net zo in de tweede strofe, ook al lijkt daar meer te gebeuren. Maar dat is slechts schijn: de werkwoorden in deze strofe drukken geen beweging uit, maar enkel toestanden: tweemaal ‘zijn’ en dan nog twee geadjectiveerde werkwoorden, die dan nog bij ‘niets’ staan. M.a.w.: de schapen lijken totaal irreëel in de heersende duisternis (is het nacht? een grijze ochtend? avondschemering? of gewoon de grauwte van een doorsnee winterdag?), ze zijn dan wel de enige levende wezens, maar wezens zonder veel leven erin. En het laatste vers, met z’n inversie duidt op een andere maar verwante wijze eveneens zichtbaar én onzichtbaar leven aan. De mensen moeten er wel zijn, gelet op de adem (waarbij de rook onrechtstreeks vergeleken wordt met de adem die in de barre winterkou zichtbaar wordt als je uitademt), maar ook die zie je niet, tenzij onrechtstreeks.

Ook de derde strofe bevat geen echte beweging; drie werkwoorden treden erin op. Op de eerste plaats weer een vorm van ‘zijn’, een vaststelling dus, dan een vorm van ‘gloeien’, maar die eerder denken doet aan het ‘broeien’ van een mogelijk vuur, waarvan niemand weet of het ooit zal uitbreken of gewoon zal uitdoven. Dit laatste lijkt waarschijnlijker, want het derde werkwoord is een vorm van ‘sterven’: het vuur sterft. Maar, zo zal men associëren, het kan en zal zoals de fenix ook weer uit zijn as verrijzen.

De drie strofen tesamen duiden op een toestand van lichte tot grotere verstarring, op een landschap dat bevroren is of op het punt staat te bevriezen, en waar de levende wezens – hoe afwezig ook – zich dan tegen dienen te beschermen – bv. door binnen te blijven, zich op te sluiten in hun ‘huisjes’. Alles in dit landschap lijkt kaal en doods. Een vraag die ik me daarbij stel: in hoeverre is dit gedicht als geheel een metafoor, m.a.w.: in hoeverre is hetgeen hier beschreven wordt een weergave van een innerlijk proces dat in de dichteres zelf plaatsvindt? Er is geen enkele sleutel in het gedicht om die vraag te beantwoorden. Ook de laatste verzen van deze strofe sluiten rechtstreeks bij dat thema aan.

Maar eerst geven ze uitsluitsel over de tijd waarin dit landschap geobserveerd en beschreven wordt: het is duidelijk de avondschemering, het is de nacht die eraan komt, de winterse nacht. En dat die uit de aarde komt is natuurlijk ook geen toeval, de doden rusten in de aarde, maar ook de zaden. Daar wordt echter niet naar verwezen. Wel associeer je als lezer  met de rol van de aarde in vele ritualen, die vooral in mysteriegodsdiensten voorkwamen. Het verblijf in de aarde was een overgang, ofwel naar een ander leven (in de monotheïstische godsdiensten) ofwel naar de herhaling van een eeuwig terugkerende cyclus; in die zin is het Korè, beter bekend als Persephone, die hier opgeroepen wordt.

Maar of de dichteres zelf daar ook aan gedacht heeft is niet zeker; er is immers ook hier geen enkel element dat rechtstreeks naar de Griekse of een andere mythologie verwijst. Maar een goed gedicht is altijd meer dan wat in of zelfs tussen de woorden staat. Het evoceert en alludeert, en dat geldt uiteraard ook voor de lezer, voor die misschien zelfs meer dan voor de schrijver zelf.

Elly de Waard heeft hiermee een zeer goed gedicht geschreven, een gedicht dat meer zaken oproept in het geheugen dan er daadwerkelijk in het gedicht zelf staan. Het is ook een zeer plastisch gedicht, in die zin dat je haast onmiddellijk het hele plaatje voor je ziet. Enkel de laatste tweeregelige strofe is abstracter, wellicht omdat het zo duidelijk een afsluiting, bijna een conclusie is.

Of je een bepaalde dichter volgt of niet heeft vaak meer met toeval te maken dan met iets anders. En als je dan bij het herlezen op een gedicht als bovenstaand stuit, dan heb je heel even weer spijt dat je niet alles kunt lezen.

Delen:
Share

23/11/2018
door Peter
Geen reacties

Wolf Wondratschek

Wolf Wondratschek – Foto Spiegel Online

Het navolgende is volgens mij één van de beste Duitse gedichten van de laatste decennia. Het komt uit het op Malcolm Lowry’s meesterwerk geïnspireerde bundeltje Die Einsamkeit der Männer, een hoogtepunt in het lyrisch oeuvre van Wondratschek, maar ook in de gehele Duitse lyriek van na de oorlog. Het is in elk geval een van de gedichten die ik het vaakst gelezen en herlezen heb, en dus bijna uit het hoofd ken. ‘Tequila in Tepoztlán’, zo heet het:

“Gott – gebe denen was zu saufen,
die durch das Morgengrauen laufen,
als gingen sie mit blossen Füssen
über Scherben und Scheiterhaufen

zu einer Kirche hin, um dort zu büssen.
Sie fallen halb und sinken in die Knie.
An Metzgerhaken bluten Stiere aus.
Die Sonne wartet –

sonst wartet keiner auf sie.
Gib ihnen, Gott, noch eine Runde aus,
noch eine letzte Stunde Zeit –

Aufschub, sich zu verkriechen,
bevor die Hunde kommen aus der Dunkelheit
und wie an Dreck an ihnen riechen.”

Wanneer ik dit en andere gedichten van Wondratschek voor het eerst las, weet ik niet meer (ik herinner me wel dat ik zijn grote roman Einer von der Strasse las, onder de notelaar in de zonovergoten tuin van Maxi in Nikitsch), maar ze moeten mij vanaf het begin toch sterk beïndrukt hebben, want sindsdien ben ik Wondratschek blijven lezen.

Hij is ondertussen ook al midden in de zeventig, en dus, zullen zijn uitgever en hijzelf gedacht hebben, tijd om de lyriek eens te verzamelen en in één uitgave samen te bundelen.

Eén uitgave is het niet echt geworden, het zijn dertien boekjes tesamen in een slipcase, die ook afzonderlijk gekocht kunnen worden. Gelukkig maar, want het meeste ervan heb ik natuurlijk. Van de dertien waren er slechts twee die ik niet kende, twee verzamelbundeltjes eigenlijk, die eerder nooit als zodanig verschenen waren, tenzij eentje, maar dan in een zeldzame bibliofiele editie. Dat betekent eigenlijk ook dat hij al ettelijke jaren geen dichtbundel meer gepubliceerd heeft; alsof de lyriek bij zijn jeugd hoorde. Ik heb dus enkel die twee voor mij onbekende boekjes gekocht.

Gedichte für die linke Hand (Ullstein Verlag, s.l., 2018) verzamelt het meeste van wat eerder in losse publicaties verschenen is en nooit gebundeld werd. Daarmee biedt het een goed overzicht van de evolutie van de lyriek van Wondratschek.

De vroegste teksten dateren uit het midden van de jaren zestig, hij zal toen even de twintig voorbij zijn geweest. Ik heb niet de indruk dat hij toen al de zo eigen toon gevonden had, ik denk dat het eerder probeersels waren, maar waar hier en daar toch al wat doorschemerde van de latere dichter, die bij zijn debuut Chuck’s Zimmer niet enkel tien jaren ouder was, maar die zich bij dat debuut ook ontegensprekelijk ontpopte tot een zeer eigenzinnig dichter met een eigen thematiek en een eigen stijl. Die vanaf het midden van deze bundel weer zeer herkenbaar is, want dan komen gedichten voor uit de jaren tachtig, toen hij al van München naar Wenen verhuisd was, waar hij nu nog woont.

De beste cyclus in dit boek is trouwens een langere over Wenen, met vaak herkenbare situaties. Zo gaat de mythe dat ‘der Tod, das muss ein Wiener sein’; Wondratschek varieert daarop op een ironische wijze in het gedicht met de mooie titel ‘Haltestelle Sensengasse’:

“Niemand in der Stadt
ist berühmter als der Tod.
Am Nebentisch ist immer
ein Platz für ihn frei.
Er grüsst herüber.
Welchen Grund hätte man,
unhöflich zu sein?
Im Fahrstuhl drückt er
die gleiche Etage
und folgt dir vor die Tür.
Ohne weiter zu stören,
tritt er ein und bleibt
bis zum Einschlafen.
Keine Angst. Du gewöhnst
dich an seine Geduld.” (p. 69)

De verzameling eindigt met een zeer recent gedicht, geschreven naar aanleiding van het verschijnen van de dagboeken van Fritz J. Raddatz, schrijver en criticus, die met die dagboeken een beetje stof deed opwaaien in de Duitse feuilletons.

°°°

Het andere boekje bevat eveneens gedichten die veel eerder tot recent afzonderlijk verschenen zijn, in dagbladen of tijdschriften, of gewoon als privégeschenk. Voor de zoon. For a life without a dentist (Raoulito-Gedichte) (Ullstein Verlag, s.l., 2018 – hiervan verscheen in 2014 een bibliofiele editie) bevat inderdaad alle (?) gedichten die Wondratschek in de loop der jaren voor zijn zoon geschreven heeft.

En in deze bundeling staat ook het vers dat eigenlijk het hele lyrische oeuvre van Wondratschek gewoon samenvat: “über den Tod hinaus ohne Hoffnung leben”. Dat is hard en moeilijk. Moeilijker alleszins dan zoals bepaalde naar Engeland uitgeweken Vlaams-Nederlandse dichters doen die, omdat ze niet zonder zin of betekenis kunnen, dan maar het christendom in een of andere vorm (de anglicaanse in dit geval) omarmen. Voor hetzelfde geld en om dezelfde reden (Sinead O’Connor, Cat Stevens) kun je ook de islam omarmen. Waarom niet?

Wondratschek dus niet. Die houding, die ook de mijne is, althans dat probeer ik, gaat terug op Nietzsche. Het is misschien niet zozeer een houding van hopeloosheid (dat ook), maar eerder van totale illusieloosheid, vooral waar het gaat over de verhoudingen tussen mensen, ook tussen vader en zoon. Laat me gewoon de eerste twee gedichten uit deze bundeling citeren; bij sommigen kan het niet anders of ze komen schokkend over. Het eerste telt slechts drie verzen, is titelloos en ik vraag me af of het niet speciaal voor deze bundeling geschreven werd (omdat er geen aanleiding in titel of ondertitel genoemd wordt, zoals in de andere gedichten wel vaak het geval is):

“Eines Tages wird dir dein Kind
ins Gesicht spucken, aber es wird,
wenn du Glück hast, dabei weinen.”(p. 7)

Het klinkt alsof er geen enkele emotie in het spel is hier, alsof er een zakelijke mededeling wordt verstrekt, zoiets als de aankondiging van een vertraging van een trein. Die emotieloosheid is een kenmerk van de poëzie van Wondratschek, en een van de belangrijkste zelfs. Maar het betekent enkel maar dat de emotie van plaats verwisselt: het is de lezer die de volle laag krijgt, en zo weet de lezer ook dat de poëzie van Wondratschek toch een zeer sterke, soms zelfs extreem sterke gevoeligheid verbergt. Ook in het prachtige gedicht waarmee ik dit stukje opende was dat duidelijk, en doorheen het hele oeuvre blijft dat aspect aanwezig. Meestal heeft het betrekking op de verhouding man/vrouw, maar bv. ook de pubertaire balorigheid soms van Chuck in de eerste bundel is enkel maar een doen-alsof. Alle figuren bij Wondratschek zijn extreem kwetsbaar, maar meestal weten ze dat al even extreem goed te verbergen achter machogedrag. Het is geen toeval dat Wondratschek nogal van boksen houdt.

Die drie korte, nuchtere verzen tonen ook de diepe verscheurdheid aan die een ander kenmerk is van deze dichter, kenmerk dat trouwens samenhangt met de genoemde emotieloosheid. In de verhouding tussen de mensen in zijn gedichten (en in zijn proza trouwens evenzeer) lijkt me een duidelijke sado-masochistische trek aanwezig. Spuwen en wenen omdat je spuwt tezelfdertijd.

Ook het tweede gedicht van de bundel, dat gewoon ‘Raoulito’ heet, lijkt zo’n eenvoudige mededeling; maar hier verbergt zich mijns inziens al een beetje bitterheid over het leven en over de volwassenheid:

“Da liegt er,
der kleine Kerl,
in seinem Bettchen
und schläft.

Schade eigentlich,
dass er mit jedem Tag
uns Menschen immer
ähnlicher wird.” (p.8)

In de loop van de tijd en van de gedichten treedt er nochtans wel een verandering op: vader en zoon komen dichter bij elkaar, maar zonder dat dit de basishouding van vervreemding fundamenteel verandert. Goed komt het eigenlijk nooit in het leven, niet tussen man en vrouw, niet tussen vader en zoon, niet tussen vrienden.

Tenslotte voeg ik hier voor mijn onbekende lezers nog een Raoulito-gedicht toe, dat niet in deze bundeling staat, maar enkel verschenen is in het Oostenrijkse dagblad Der Standard. Het zal wel bij vergetelheid ontbreken, want het verscheen al in februari 2016, dus ruim voor deze bundeling werd samengesteld en uitgegeven. En het gedicht is ook nog zeer actueel, actueel geworden eerder, zoals de roman van Vernes waar ik het hier ook al over had.

“Alles aus Stacheldraht
(für Raoulito)

Ich habe sie in Mexiko gesehen,
die Männer auf den Gleisen,
Männer, die gehen und gehen,
jeden Tag ihre vierzig Stunden,
und das Tag und Nacht,
ohne Papiere, ohne Geld,
von Hunden durch Himmel und Hölle gehetzt,
immer den Schienen entlang nach Norden
auf der Suche nach allem, was sein wird.

Die Grenze, von der sie träumen, das Gras,
die Bäume, der Sand, alles aus Stacheldraht.
Aber alles in ihnen blutet schon jetzt.

Sie sind blind vor Durst
und vor Hunger fast schon keine Männer mehr!
Ob Feuer aus einer Ratte eine Mahlzeit macht?
Selbst Kinder nehmen sie ins Visier.

Es sind nicht die, die eine Gitarre dabeihaben.
Nicht einmal das haben sie, was zu rauchen,
und beneiden die, die es hinter sich haben,
um die Zigarette vor ihrer Hinrichtung.

Wenn ein Zug kommt, springen sie nach links
oder nach rechts oder springen auf.

Auch tote Männer brauchen manchmal Glück.”

Delen:
Share

23/11/2018
door Peter
Geen reacties

Broebel

Soms gebeurt het
dat zij recht staat plots
hoog op haar troon
en naar beneden springt,
naar het raam rent.

Daar staart ze naar de verte
over de daken
naar een ander
die wellicht haar eender is.

Terwijl het verlangen danst in haar ogen
en zij zich uitstrekt languit
naar het duistere licht daarbuiten

met frêle een lijfje dat zindert
als een donkere zon van eeuwige lust
diep vanbinnen.

Delen:
Share

21/11/2018
door Peter
Geen reacties

Een kapitalist met empathie.

En waarom niet, hoor ik hier en daar iemand vragen?! Kapitalisten zijn toch ook mensen, en dus is niets menselijks hen vreemd.

Ook Friedrich Engels was tenslotte een kapitalist.

Ik heb het over Hans Bourlon en zijn boekje: De blik van Bourlon (Roularta Media Group, Roeselare, 2018). Het werd gratis aangeboden bij de Knack, een weekblad dat ik af en toe, maar niet systematisch lees.

Een hele tijd geleden alweer besprak ik hier een eveneens gratis gekregen boekje met columns, van ene Kaaiman (Koen Meulenaere), die in De Tijd schrijft. Die man was een duidelijke ideoloog van rechtse tot zeer rechtse signatuur, zeg maar: iemand die zeer sterk aanleunt bij de nationaal-liberalistische partij, ook wel N-VA genaamd (het streepje zal wel dienen om een al dan niet aanwezig onderscheid met die andere NVA (Nationale Volksarmee) aan te geven. Veel empathie was bij die man niet te vinden.

Ook Hans Bourlon schrijft dus columns, waarvan hij er een deel in dit boekje verzameld heeft. Ik ben natuurlijk niet thuis in de mediawereld, op geen enkele manier, en kende de man dus helemaal niet. Ook zijn columns werden oorspronkelijk gepubliceerd in De Tijd. In het burgerlijke leven is hij vooral bezig als CEO van Studie 100, een bedrijf dat o.m. allerlei TV-programma’s maakt; en dat, zoals je uit sommige stukjes kunt afleiden, internationaal gegaan is, en dus een heuse multinational geworden is.

De columns van Bourlon zijn totaal anders dan die van Meulenaere. Op de eerste plaats door, op een zeldzame uitzondering na, de afwezigheid van politiek en politici erin, die bij Meulenaere eigenlijk alomtegenwoordig zijn. Misschien heeft hij met die figuren ook onbewuste problemen, wie weet. Hoe dat ook zij, wat dat betreft lijkt Bourlon me in elk geval wat gezonder. Ook de stijl van deze laatste is heel anders dan die van Kaaiman, zo anders zelfs dat ik er in het begin moeite mee had, ik moest er echt inkomen. Het is een bijna elliptische stijl, korte tot zeer korte zinnetjes, en als ze al eens iets langer zijn, dan treedt enkel nevenschikking op (‘en’, ‘of’…), zelden of nooit onderschikking. Het is bijna de stijl van kinderteksten. Zou het kunnen dat zoiets wordt opgelegd in de journalistiek? Of dat de geïntendeerde lezers van Bourlon ergens een afwijking hebben in de gebieden van Broca of Wernicke? Of dat doodgewoon het niveau van bepaalde lezersgroepen zo bedenkelijk laag geworden is, dat ze niet meer in staat zijn een gewone, iets langere zin te begrijpen (ik heb het dus expliciet niet over Latijnse periodes en hun equivalenten in moderne talen)? Wie weet al alles?

Ook inhoudelijk zijn deze columns heel anders dan die van Meulenaere; de belangrijkste onderwerpen van Bourlon zijn enerzijds zijn bedrijf en zijn job daarin, en anderzijds de vrienden, de familieleden, zeer persoonlijke zaken eigenlijk, zo zeer zelfs dat de auteur er soms voor gezorgd heeft dat de persoon waarover hij schrijft niet al te herkenbaar is – toch voor de doorsneelezer.

De stukjes over het bedrijf zijn voor mij interessant omdat ze toch een heel kleine blik toelaten op hoe zoiets werkt. Het is een heel beperkte blik natuurlijk, want over de aandeelhouders bv. hoor je niks. Het bedrijf is een Naamloze Vennootschap en dus zullen er naast de oprichters zeker nog andere aandeelhouders zijn. En die zijn niet naamloos. Maar zoals bij zovele andere bedrijven blijven ze wel grotendeels onzichtbaar. Nochtans zijn zij het die het reilen en zeilen van zo’n bedrijf uiteindelijk bepalen, net zoals zij het zijn die de door de werknemers voortgebrachte winst opstrijken en in hun zakken steken, dat is nu eenmaal de kern zelf van het kapitalisme. En de CEO speelt daarin natuurlijk een dubbele rol: hij kan mede-aandeelhouder zijn (dat is het geval met Bourlon), maar hij kan ook een bediende zijn, van een speciale soort dan wel. Maar ook dan staat hij principieel en systematisch aan de kant van de aandeelhouders, niet aan die van de werknemers.

Maar dat soort verhoudingen kom je in deze columns natuurlijk niet tegen. Dat kan gewoonweg niet, want een liberaal als Bourlon zou je gewoon aankijken als de spreekwoordelijke koe naar de trein als je daarover zou beginnen. Liberalen kunnen zich echt niet indenken dat de rijkdom die ze bezitten niet door hen geproduceerd wordt, maar wel door hun werknemers. Schaf die werknemers af en de rijkdom is eveneens foetsie, alles valt gewoon stil. Schaf de aandeelhouders daarentegen af, dan kan alles gewoon door blijven gaan, alleen moet dan natuurlijk worden afgesproken wat er met de winst zal gebeuren. Aandeelhouders zijn niet nodig om een economie winstgevend en draaiende te houden, werknemers wel.

Een firma als Studio 100 is er eentje van een bijzondere soort. Er worden geen voorwerpen geproduceerd, maar grotendeels TV-programma’s gemaakt (de pretparken die er ook bij horen zijn nog iets anders); de mensen die er werken zijn dus grotendeels erg creatief, zelfs als ze voor de techniek moeten zorgen of uitvoeren, spelen en zingen. Sommige van die mensen treden in deze columns wel eens op, en het moet gezegd: althans in deze stukjes komt de grote baas naar voren als een begripvol en invoelend man. Dat mag ook wel als je CEO bent, denk ik. Het is wel zo dat dergelijke jobs heel vaak ingevuld worden door psychopaten (Johnny Thijs van de post was daar een typevoorbeeld van), maar dat is hier duidelijk niet het geval. Ik heb de indruk dat Bourlon echt blijk geeft van empathie. Misschien heeft dat iets met de aard van het bedrijf te maken?

Dat blijkt nog meer als hij over echt persoonlijke zaken schrijft, zoals reünies van zijn vroegere school, over kinderen in zijn familie, over begrafenissen, over een ongeval in een Duits pretpark dat tot hun groep behoort enz. Grotendeels het gewone leven van een gewone Vlaamse man, wat die verder ook doet.

Boven zei ik dat Bourlon een liberaal is; maar zeer expliciet géén liberaal zoals Meulenaere, géén nationaal-liberalist. Een progressieve liberaal is hij, en daarmee sluit hij eigenlijk aan bij een oude liberale traditie: de symbiose tussen rechtse opvattingen op sociaal-economisch vlak en progressieve opvattingen op levensbeschouwelijk vlak. Dat zal zeker iets te maken hebben met de creatieve aard van zijn bedrijf. Dat internationaal gericht is en dus geen boodschap heeft aan nationalisme van welke aard ook, dat blijkt voortdurend ook zonder expliciete politieke opinies. Zo staat hij bv. positief tegenover moslims, en voelt zich nogal gegeneerd als hij op een bijeenkomst naast Gerolf Annemans komt te zitten.

Kaaiman en Bourlon: twee columnisten, twee rechtsen, maar één conservatief en één progressief. Beide op hun manier liberaal, maar toch een wereld van verschil. Het verkrampte Vlaanderen dat terug wil naar de 19de eeuw, en een heel wat progressiever Vlaanderen dat zich open opstelt en onbevangen naar de wereld kijkt.

Maar ik heb ze wel allebei graag gelezen; hun columns zijn enerzijds ontspannend en anderzijds leer je altijd wel iets bij. En het helpt natuurlijk ook om je eigen inzichten en opvattingen te toetsen en wellicht bij te stellen of aan te scherpen.

Delen:
Share

20/11/2018
door Peter
Geen reacties

Blank of Wit (in tijden van politieke correctheid)

“Toen ze kwamen waren we bang.
Maar de witte geesten lachten
en we liepen dichterbij, wilden
ze betasten, de geschenken die
ze brachten uit de andere wereld.

Maar nee – uit de stokken die
ze bij zich hadden sprong vuur
en hij viel, hij viel, onze
hoofdman viel, en hij viel,
mijn vriend, mijn buurman.

En wat schrokken wij
een verschrikkelijke schrik,
alsof het hele dorp viel.

Pas later leerden wij tellen
van ze, ja het tellen hebben
de witte gasten ons gebracht;
nu weten wij dat er acht man
uit ons dorp werden gedood

de dag dat de witten kwamen.”

(Uit: Hans van Pinxteren: Alsof ik stof ben, In de Knipscheer, Amsterdam, 1989, p. 11)

Bovenstaand gedicht moet ik aan het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw gelezen hebben, dat is dus bijna dertig jaar geleden. Ik zal het toen wel een goed gedicht gevonden hebben, want dat vind ik nu nog. Ook al was er toen van enige politieke correctheid geen sprake; het bestond wel, met name in de Verenigde Staten, waar het in de jaren zeventig aan enkele universiteiten werd uitgevonden, waar vandaan het zich dan verder verspreidde – zoals elk klassiek virus.

Toen, in 1989 (jaar waarin het gedicht in een bundel verscheen) was ikzelf nog helemaal ongecompliceerd links én progressief. En zelf vind ik dat ik dat nu nog altijd ben. Is er dan (n)iets veranderd? Toch wel. Meer voor anderen dan voor mezelf zijn er vragen gerezen bij dat linkse en progressieve, meer overigens bij het progressieve dan bij het linkse. Wanneer je de politiek correcte roedels achterlijk, dogmatisch en soms effenaf gevaarlijk vindt, dan behoor je ineens blijkbaar niet meer tot de progressieven, maar tot de conservatieven, zelfs de reactionairen.

En wat heeft dat alles met dat gedicht te maken?

Het zal duidelijk zijn dat het gedicht over kolonialisme gaat, over de botsing van beschavingen, een letterlijke en dodelijke botsing dan, en over de mogelijke gevolgen ervan (hoewel dat laatste niet echt uit de verf komt, dat blijft helemaal impliciet). Het gedicht zegt helemaal niet over welke beschavingen het gaat, waar het gebeurde zich afspeelt, welke kolonies en dus welke inboorlingen en kolonisten in het vizier worden genomen. Eigenlijk zegt het gedicht helemaal niets concreets, en toch is het door en door concreet…in zijn algemeenheid.

Het eerste vers van de eerste strofe kan moeilijk nog duidelijker zijn: ‘ze’ staat tegenover ‘wij’. Een derde partij is nergens te zien. ‘Wij’ stelt bang te zijn voor ‘ze’. Waarbij ‘wij’ blijkbaar thuis is, in de eigen omgeving, het eigen woongebied, het eigen dorp. En de ‘ze’ komt daar aan, vanwaar wordt niet gezegd, wel staat even verder het woord ‘gasten’, maar blijkbaar zijn die ‘ze’ dan toch wel bizarre gasten, van een eerder onfrisse soort.

Wat verder in die eerste strofe geschetst wordt is eigenlijk een clichébeeld van de eerste ontmoetingen tussen Europese ‘ontdekkingsreizigers’ en autochtone volkeren elders in de wereld, Afrika, Zuid-Amerika en Amerika op de eerste plaats (Azië minder – ook al is het best mogelijk dat de auteur bij het schrijven aan Indonesië heeft gedacht, Nederlander zijnde). Die ontmoetingen zijn meer dan eens beschreven, soms tot in het karikaturale toe: kralen als geschenken, men denke ook aan het ‘zilverpapier’ dat tot in de jaren vijftig door brave Vlaamse kinderen gespaard werd voor de ‘negerkes in de Congo’. Die geschenken betekenden voor de nieuwelingen, de zgn. ‘gasten’ niets, waren van geen waarde. In de geesten van de ‘inboorlingen’ hadden ze dat wellicht wel, verwezen ze wellicht wel naar een onbekende ‘andere wereld’, die nieuwsgierig maakte.

Maar de tweede strofe zegt al direct wat voor een hypocrisie zich verborg achter dat ‘lachen’ en achter die voor de gever stompzinnige ‘geschenken’ voor een bende achterlijken, waarvan je je kon afvragen of dat nog wel mensen waren. De ‘stokken’ zijn natuurlijk geweren. Letterlijk zal deze passage wel niet kloppen; ik bedoel in die zin dat ze onmiddellijk, direct begonnen te schieten. Maar lang zal het niet geduurd hebben. De bekendste en nog steeds in velerlei talen en uitgaven verspreide tekst waarin je dat allemaal kunt nalezen, is die van Bartolomé de las Casas. Maar er zijn uiteraard ook andere.

Moord en plundering, uitbuiting en ziekte, dat is grosso modo wat de veroveraars gebracht hebben. In die zin is de bijna absolute tegenstelling tussen ‘wij’ en ‘zij’ volkomen terecht. En, kun je er eigenlijk aan toe voegen, het is ook dezelfde dichotomie die zovele eeuwen later door Frantz Fanon gedetecteerd werd toen hij stelde dat een totale en absolute breuk met de kolonialist en het kolonialisme nodig was – zonder enige vorm van compromis dan ook. Of dat mogelijk is, is een andere vraag.

De derde, samenvattende strofe wijst er mijns inziens op dat Van Pinxteren niet echt een eersterangsdichter was: er heerste teveel schrik, in de taal dan. ‘Verschrikkelijke schrik’ wijst erop dat de dichter eigenlijk geen woorden heeft voor wat hij wil uitdrukken, het is te voor de hand liggend, te banaal. Natuurlijk is die angst er in dergelijke (en andere) confrontaties, maar in een gedicht is het beter dat niet zo direct uit te spreken, maar op de een of andere manier te suggereren. Een dergelijke directheid hoort mijns inziens eerder thuis in zuiver militante poëzie, die het over actuele, punctuele zaken heeft. En die meestal veel slechtere poëzie oplevert dan dit gedicht toch nog altijd is.

De vierde is een beetje cynisch, omdat hier het zgn. ‘beschavings’werk van de kolonialisten wordt opgeroepen. Hebben ze die wilden immers niet het christendom gebracht, en scholen opgericht en hen leren lezen en schrijven, de ondankbare meute? Dat hebben ze in zekere zin, ook al kun je je natuurlijk afvragen wat daar geleerd werd behalve totale onderdanigheid aan de heren en meesters. En hoevelen waren er nog over na de moordpartijen, die eeuwenlang voortduurden op vele plaatsen? Acht man in één dorp is al veel; maar hoeveel van dergelijke dorpen zijn er geweest? En waar niet acht personen, maar het ganse dorp werd uitgeroeid? Tot op de dag van vandaag vaak?

Het gedicht eindigt droogweg met een afzonderlijk afsluitend vers: de dag van een eerste, later nog zo vaak overal ter wereld gevolgde naqba, die generaties lang in het geheugen van volkeren gegrift wordt en daar doorwerken blijft, begrijpelijkerwijze.

In dat vers is sprake van ‘witten’, evenals in de eerste en de vierde strofe. Toen ik dit gedicht voor het eerst las, stelde ik mij bij dat woord geen enkele vraag, ook al was het ongebruikelijk blanken ‘witten’ te noemen. Wellicht heb ik toen gedacht dat de auteur dat woord koos om een verder onuitgesproken contrast met ‘zwarten’ weer te geven; of wellicht omdat voor vele autochtonen die blanken inderdaad ‘wit’ genoemd worden, ook al zijn ze het niet. Zoals de Chinezen niet geel zijn, en de roodhuiden niet rood. Enkel de zwarten zijn wel degelijk zwart. Of het woord ‘neger’ toen, in 1989 nog in zwang was, weet ik niet. Het is in elk geval pas bij het einde van het millennium dat het woord in de woordenboeken een negatieve connotatie kreeg.

Vandaag de dag is het zo dat je al niet meer van jezelf mag zeggen dat je blank bent; nee: ‘wit’ moet het zijn volgens de politiek correcte roedels. Hans van Pinxteren was dus, zo zou je kunnen stellen, zijn tijd wel wat vooruit. Overigens is het in bijna alle Europes talen inderdaad ‘wit’; enkel de zuidelijke Romaanse talen Spaans, Portugees en Italiaans gebruiken eenzelfde vorm als ons ‘blank’ – maar die betekent daar naast ‘blank’ ook ‘wit’. Bewijst dat alles iets? Nee, totaal niets.

In de praktijk is ‘wit’ alleen iets totaal anders dan ‘blank’. Zelfs de ‘albasten boezems’ van 18de-eeuwse rococodames waren niet echt wit – tenzij op schilderijen natuurlijk. Het volstaat om eens naar de verschillende wittinten te kijken die je bij verven vindt om je daarvan te overtuigen. Misschien dat ik ooit nog een dagje wit zal worden – als ik met carnaval mijn gezicht wit zal schilderen, of misschien wel zwart, om Zwarte Piet te spelen.

Maar het gedicht van Van Pinxteren blijft voor mij een goed, en zelfs een ‘juist’ gedicht. Alleen deed het me even nadenken, ook over andere, maar eigenlijk niet ter zake doende en lullige zaken. Die er blijkbaar hoe langer hoe meer toe doen, en de plaats innemen van de echt essentiële zaken.

Delen:
Share

20/11/2018
door Peter
Geen reacties

Pompeï

Tot voor enkele jaren bestond er in Frankrijk een door Hachette uitgegeven reeks ‘La vie quotidienne…’; die reeks moet vele, vele decennia bestaan hebben, en eigenlijk bestaat ze nog: delen eruit worden immers heruitgegeven, maar dan wel digitaal. Of er nog nieuwe delen verschijnen weet ik niet. Maar het is in elke geval een formule die aansloeg, anders zou die reeks niet zo lang hebben bestaan. Waarbij je dan ook nog rekening moet houden met het feit dat een op zich goed idee naar de knoppen geholpen kan worden door slechte uitvoerders. De enkele delen die ik gelezen heb waren echter niet enkel geschreven door universitaire specialisten terzake, maar deze auteurs konden ook nog eens goed schrijven voor een publiek dat toch grotendeels uit niet-vaklui bestond.

Er is in die reeks ook een deel verschenen over het dagelijks leven in Pompeï, deel dat ik nooit gelezen heb. Voor kort las ik wel: Mary Beard: Pompeii, het dagelijks leven in een Romeinse stad (Rainbow Pockets, Amsterdam, 2018 – het is de pocketeditie van een boek dat eerder bij Athenaeum – Polak & Van Gennep verscheen). Beard kende ik al van een TV-programma over Civilisations en ik vond dat ze dat zeer goed deed (net zoals Schama trouwens, die in dezelfde reeks ook meewerkte als presentator).

Eigenlijk is het boek bedoeld om te lezen vooraleer je in Pompeï op bezoek gaat, maar ik heb het gekocht en gelezen omdat ik er al geweest ben, twee jaar geleden. Het jaar tevoren had ik een tamelijk zware operatie ondergaan en omdat die goed gelukt was, gunde ik mezelf een cadeautje. Het was met een reisgezelschap, wat eigenlijk dom van me was. Ik had het door Diana moeten laten organiseren, dan was het beter geweest. Niet dat het slecht was, ik ben nogal snel tevreden, vaak al met een dooie mus, maar als we het alleen hadden gedaan zouden we veel langer en uitgebreider Pompeï bezocht en bekeken hebben. En hadden we niet in zo’n prachtig maar slecht hotel verbleven: voortdurend weggejaagd door het onvriendelijke personeel van de plaats waar we wilden ontbijten, en met slecht eten ook nog (ik vond het wel doenbaar, maar ik was een van de weinigen blijkbaar; ik zeg het: een dooie mus).

Het boek van Beard zou goed in die reeks van Hachette gepast hebben, alleen is het wat dikker en uitgebreider dan de boeken in die reeks. In negen hoofdstukken en een epiloog schetst zij zeer grondig en gedetailleerd een beeld van hoe de mensen toen geleefd moeten hebben. Net zoals de mensen nu, zo ben ik geneigd te concluderen en te denken. Het hele boek lijkt me inderdaad één illustratie bij een stelling die ik tot nog toe enkel bij Willem Frederik Hermans expliciet verwoord heb gezien, nl. dat de enige vooruitgang technische vooruitgang is. In hoeverre dat inderdaad klopt weet ik niet, maar de beschrijving van het leven in Pompeï is wat mij betreft inderdaad zeer herkenbaar op menselijk vlak, en dat betekent eigenlijk zowel het privéleven, het familiale leven als het publieke, zeg maar het politieke leven. Uiteraard zijn er grote verschillen. Om er maar één belangrijk te noemen: toen moesten de verkozen politici hun eigen geld gebruiken om te zorgen voor allerlei publieke diensten; net zoals nu moesten ze dus wel rijk tot stinkend rijk zijn, maar de politiekers van vandaag willen enkel nog rijker worden en dus zoveel mogelijk stelen en roven, zowel van elkaar als vooral van hun onderdanen.

Wat me ook beviel in het boek is een andere herkenbaarheid: ik kon eigenlijk de weg gewoon volgen, mede dank zij het vele fotomateriaal dat Beard tussen haar tekst inlast (jammer genoeg enkel in zwart/wit), en door het plannetje bij het begin van haar boek. Sommige zaken herkende ik onmiddellijk, zo de tempel van Isis, waar ik mezelf heb laten fotograferen; alleen bleek die foto mislukt te zijn, ook al jammer genoeg. Of bijvoorbeeld de beeltenis van een hond bij de ingang van een huis; of afbeeldingen in het voor de rest inderdaad niet zo bijster interessante bordeel. Alsof je een tweede keer door de stad wandelt eigenlijk, alleen nu met een meer verstaanbare gids.

Maar wat me aan het boek wel opviel was het feit dat er blijkbaar nog zoveel onzekerheden zijn, zoveel zaken waar de specialisten, de archeologen het oneens over zijn, of die ze gewoon (nog) niet begrijpen. Zelf dacht ik dat ondertussen alles al wel ontdekt en verklaard zou zijn. Niet dus. En dat gaat dan niet enkel over de juiste betekenis van bepaalde hermetische afbeeldingen, maar ook over de vraag of bepaalde godsdiensten daar al aanwezig waren of niet. Het Christendom met name. Joden waren er wel, wat wordt afgeleid uit het feit dat er een kosjere variant van de plaatselijke vissaus (‘garum’) aangeboden werd. Christelijke relicten of andere tekenen die op hun aanwezigheid wijzen zijn er daarentegen niet. Maar volgens mij was dat gewoon nog te vroeg, zeker wanneer je weet dat de vroegste vermeldingen bij Romeinse auteurs uit de tweede eeuw stammen.

Zelf zou ik dit boek ook aanraden aan degenen die van plan zijn Pompeï te bezoeken. Het is een boeiend geschreven inleiding voor een groot publiek (de specialisten krijgen op ’t eind een uitgebreid becommentarieerde bibliografie erbij, wat hen in staat stelt verder te gaan), en samen met een kaart van de stad genoeg om enkele aangename uren, en zelfs een of twee hele dagen door te brengen.

Men moet wel ook weten dat in de buurt ook Herculaneum ligt, waar Beard trouwens regelmatig naar verwijst; die site is kleiner en beter bewaard dan Pompeï, en er loopt vaak minder volk rond. Dat hebben we toen ook bezocht, maar ook daar kregen we niet voldoende tijd, doordat het een door anderen georganiseerde reis was.

En iets meer naar het zuiden lag dan Paestum, dat ik eigenlijk al een heel leven had willen zien. Ik had nooit gedacht dat het er nog van zou komen. Van de drie sites vond ik dat de overweldigendste, de indrukwekkendste, maar ook de ontroerendste. Ze zeggen me wel wat, die oude Griekse en Romeinse godinnen en goden.

Delen:
Share

20/11/2018
door Peter
Geen reacties

Celan Jaarboek

Tussen 1987 en 2007 zijn bij het universitaire Winter Verlag in Heidelberg negen delen verschenen van het Paul Celan Jahrbuch. Zoals het hoort werden die jaarboeken elke keer weer een beetje dikker. Qua inhoud verschilden ze niet zoveel van elkaar of van soortgelijke publicaties; het zijn boeken die deelstudies bevatten, vaak zeer gedetailleerd of over slechts één gedicht.

Na 2007 verscheen er niets meer.

Tot dit jaar dan Celan-Jahrbuch 10 verscheen, deze keer bij Königshausen & Neumann in Würzburg, en nog steeds onder de leiding van Hans-Michael Speier, die ook al uitgever was van de vorige delen. Waarschijnlijk zullen er op de een of andere manier moeilijkheden geweest zijn met de vorige uitgever, maar daar vernemen we vanzelfsprekend niets over.

(Tussen haakjes. Ook in Duitsland treedt soms heel wat kommer en kwel op bij wetenschappelijke publicaties. Zo is Klett-Cotta al jaren bezig met een prachtig project: de uitgave van het volledige dagboek van Graaf Kessler, in negen delen. Voor de delen 2 tot en met 9 werd subsidie verleend, en die zijn dan ook alle min of meer op tijd verschenen in prachtbanden; voor het eerste deel echter werd geen subsidie verleend, en dat verschijnt dus met omzeggens tien jaar vertraging, op het einde van deze maand.)

Maar Celan dus. Het nieuwe jaarboek bevat een vijftiental nieuwe opstellen, van even zo veel auteurs. Daarbij zijn heel wat ouwe getrouwen van het Celan-onderzoek zoals Marlies Janz of Barbara Wiedemann, maar ook andere, voor mij onbekende vorsers.

Over de teksten zelf valt niet veel te zeggen. Dergelijke boeken zijn nu eenmaal op de eerste plaats bedoeld voor specialisten, zowel in de enge zin (Celan-specialisten) als in de bredere zin (germanisten). Wel lijkt mij, zonder dat dat ergens wordt aangekondigd, dat de opstellen deze keer rond één thema cirkelen. ‘Cirkelen’ inderdaad, want zoals gezegd: het boek heeft geen inleiding, behalve op kaft en titelpagina is de samensteller afwezig (er is trouwens ook geen index en geen bibliografie), alsof deze eigenlijk snel een aantal opstellen bij elkaar heeft gegraaid en in een boek gegoten.

Paul Celan

Vergelijkingen, sporen van andere kunstenaars in het werk van Celan, dat viel me het eerst op. Daar zijn Brecht, Szondi, Giacometti e.a. Het zijn geen uitgebreide vergelijkingen, daartoe zou wellicht een afzonderlijk boek nodig zijn, en sommige aanwezigheden, zoals die van Brecht, zijn eigenlijk al lang bekend, vooral dat gesprek over bomen. Maar Petro Rychlo (beter bekend wellicht als samensteller van een bloemlezing met dichters uit de Boekovina – en een van hen dus die Celan in een context en een traditie wisten te plaatsen, die hier grotendeels onbekend waren), Rychlo dus weet toch heel wat meer op tafel te brengen over de verhouding tussen de beiden. Waarbij ik me echter geërgerd heb in dit opstel is dat de schrijver de Dreigroschenoper verwart met Mahagonny (p.193). Zoiets mag niet, en het bewijst dat de samensteller, Speier, zijn werk niet goed heeft gedaan. Of heeft die uitgeverij misschien geen correctoren in dienst?

Andere bijdragen gaan over de bibliotheek van Celan, over vertalingen van Celans gedichten, over correspondenties enz. Ook interessant zijn enkele interviews over de aanwezigheid van Celan in het begin van de jaren vijftig op een ‘Tagung’ van de Gruppe 47. Hoe hij daar afgewezen werd was bekend; in dit opstel wordt daarop dieper ingegaan en worden bepaalde ‘feiten’ gerectifiëerd of toch genuanceerd.

Het boeiendst vond ik nog een bijdrage van Germinal Civikov over een eigenlijk onopvallend thema in de nagelaten gedichten, dat van de weerwolf met de vredesduif. Dat opstel gaat op die onrechtstreekse manier ook dieper in op de verhouding tussen Celan en Jünger (een voor enkele jaren uitgegeven brief van Celan aan Jünger had nogal wat stof doen opwaaien in het Duitse literaire wereldje), maar toont vooral zeer goed aan hoe Celan de werkelijkheid, vooral het oude en nieuwe antisemitisme zoals hij dat zag, in zijn poëzie verwerkte.

Een boek voor specialisten, ja zeker; maar ik denk dat anderen er ook iets aan hebben. Misschien zelfs zij die Celan nog maar amper kennen, waarom niet. Om je in een dichter te verdiepen moet je – naast het werk zelf natuurlijk -, ergens beginnen, en een dergelijke reader is daarvoor altijd nuttig. Want ondanks alle gespecialiseerdheid biedt zo’n werk toch altijd een breed beeld van een oeuvre.

Delen:
Share