Léon Degrelle, Belgisch schrijver en politicus.

| Geen reacties

De titel die ik boven dit stuk zet is natuurlijk een gotspe van jewelste, niet zozeer omdat het waar is wat erin staat, maar vooral omdat het zo manifest onwaar is.

Degrelle was inderdaad een schrijver en de lijst van zijn publicaties is erg lang. Maar zuiver literaire werken zijn daar duidelijk in de minderheid. Het grootste deel van wat hij publiceerde waren ofwel herinneringen, waarin de zaken veelal heel anders werden voorgesteld dan ze in werkelijkheid waren; of politieke pamfletten, waar nu niemand meer iets aan heeft, tenzij wellicht historici. Ik herinner me niet dat ik ooit iets van dat alles gelezen heb.

Léon Degrelle

Zoals zoveel politici was Degrelle ook een mislukte kunstenaar, een dichter in zijn geval, en eentje zonder enige drang tot vernieuwing. Zijn vroege dichtbundels (nog van vóór zijn politieke optreden) heb ik niet gelezen. Maar enkele latere dichtbundels daarentegen wel. De belangrijkste daarvan, eenvoudigweg Poèmes geheten, dateert blijkbaar (het is niet helemaal duidelijk, omdat de uitgave die ik bezit een soort piratenuitgave is) van vlak na de recentste wereldoorlog. Ze getuigen wel van een zeker talent, maar dat zich toch uitsluitend situeert binnen de geijkte vormen: de klassieke alexandrijn wordt gebruikt, er wordt gerijmd, en de onderwerpen zijn niet gespeend van soms sterke melancholieke tonen. Ook de Ardense natuur speelt een belangrijke rol. Maar ook een sterk zelfmedelijden is niet van de lucht. De gedichten erin werden geschreven vlak na de oorlog, zoveel is wel duidelijk.

Het aspect zelfmedelijden is niet aanwezig in een bundel van de Duitse SA-dichter Heinrich Anacker, die rond dezelfde tijd een bundel herfstsonnetten schreef (ik heb het daarover hier al gehad in De gouden herfst van Heinrich Anacker). De natuur daarentegen wel degelijk. Bij beiden zal de nederlaag zeker een rol hebben gespeeld, ook al komt dat niet als zodanig voor in de gedichten. Ook Anacker beschreef op de meest klassieke manier zijn natuurimpressies – waar overigens geen mensen een rol in speelden. Bij Degrelle is er een sterke nostalgie, die bij Anacker afwezig is; bij Degrelle treden wel mensen op, maar het zijn er geen van vlees en bloed, het zijn eerder schema’s, nagebeelde figuren uit een plaatjesboek anno dazumal.

Mensen spelen dus bij beiden amper een rol; waarschijnlijk heeft dat te maken met het feit dat beiden gerust omschreven mogen worden als psychopaten; waarvan het belangrijkste kenmerk is dat ze geen of weinig empathie kennen. En dat ze de mensen in hun omgeving manipuleren, hen als objecten, instrumenten beschouwen die enkel de eigen doeleinden moeten dienen.

Degrelle was daarbij ook nog zwaar katholiek (zoals zovele, vaak de ergste fascisten: Franco bv. maar ook de Kroatische massamoordenaar Ante Pavelic; en de banden tussen fascisten van alle soorten en het Vaticaan zijn welbekend) en ook dat is in zijn poëzie terug te vinden, met name in een andere bundel, die gedichten bevat naar de heilige Theresa van Avila, en die de veelzeggende titel Je te bénis o belle mort draagt. Het is daarbij natuurlijk onmogelijk om niet aan de Franco-slogan ‘Viva la muerte!’ te denken.

Behalve deze twee en de vroegere bundels, die ik niet gelezen heb, heeft Degrelle ook één roman gepubliceerd: La grande bagarre (Flammarion Editeur, Paris, 1951) die verscheen onder het pseudoniem Jean Doutreligne. Bij mijn weten werd deze roman nooit herdrukt. Het is over dit boek dat ik het verder in dit stuk wil hebben.

Maar eerst nog even over de uitgeverij. Flammarion was één van de bekendste Franse uitgevershuizen, en datgene dat zich het meest geëncanailleerd heeft met de Duitsers tijdens de bezetting. Ze hebben dan ook heel wat last gehad bij de bevrijding, maar blijkbaar heeft hen dat niet belet om op dezelfde weg verder te gaan (zoals hierna nog blijken zal). Het pseudoniem zal men nodig hebben geacht om verschillende redenen. Degrelle was een te bekend persoon, die daarenboven actief gezocht werd door het Belgische gerecht, o.m. wegens oorlogsmisdaden. Of dat ‘zoeken’ ook echt iets betekende, is daarbij natuurlijk maar de vraag. Degrelle wist wel wat, ook over nog steeds actieve politiekers. En door een schuilnaam (mét betekenis overigens) te kiezen kon ook de uitgever zelf uit de wind blijven.

1.

Het boek is op de eerste plaats een politieke én een militaire roman, over de invasie van Europa door de Sovjets. Dat past uiteraard volkomen in de ideologie én de praktijk van de schrijver, die op het einde van de oorlog de graad van SS-Sturmbannführer droeg, een midden-officiersgraad dus, maar waarvoor geen studie aan een school voor hogere officieren (‘école de guerre’ of ‘krijgsschool’ in België) nodig was; Degrelle was dus géén stafbrevethouder. Maar door zijn praktijk aan het Oostfront zal hij zeker wel bepaalde zaken hebben geleerd en meegekregen.

Toch is het uitgangspunt van dit door-en-door ideologische geschrift volledig fout. De laatste tweehonderd jaar is Rusland c.q. de Sovjet-Unie c.q. Rusland op geen enkele manier ooit een bedreiging geweest voor het Westen. In die hele periode heeft Rusland één enkele keer militair doorgestoten buiten de eigen grenzen, en dat zonder eerst aangevallen te zijn: midden negentiende eeuw vielen ze aan richting zuiden, tegen het Ottomaanse rijk; de Engelsen en de Fransen waren er toen al als de kippen bij om Rusland aan te vallen: dat leidde tot de zgn. ‘Krimoorlog’. In 1912, 1936 en nog eens in 1968 werd daarover een Engelse propagandafilm gemaakt onder de titel The charge of the light brigade (de titel komt van een gedicht van Tennyson). Wie ooit in Londen geweest is en daar enkele monumenten bezocht heeft, wéét wat voor een martiaal volk daar over ’t water woont; of beter gezegd wellicht: wat voor een snoeverige, zelfingenomen heersende klasse, die nog altijd niet door heeft dat haar rijk voorbij is, en zich dus maar aan de zijde van die andere schurkenstaat, de VS schaart.

(Je vraagt je echt af of er ooit iets verandert in de geschiedenis; of is het zo dat de geschiedenis zo extreem langzaam gaat dat echte veranderingen slechts mondjesmaat, om de zoveel eeuwen plaatsvinden? Maar dan nog, het is verbijsterend wanneer je ziet hoe dezelfde krachten op dezelfde manier bezig zijn als in de negentiende eeuw. Enkel de VS zijn er intussen bijgekomen.)

Het eerste hoofdstuk van de roman kun je beschouwen als een soort introductie. Zowel de traditionele aversie tegen de Russen (zeer versterkt uiteraard sinds 1917) komt erin tot uiting, maar ook reeds eenzelfde aversie tegen Mao en de Chinezen (p. 15) en tegen de ‘democratie’ in het Westen, met name de bedrieglijke verkiezingen aldaar. Veel blijft dan niet meer over in de ogen van de verteller. Het is dan ook geen toeval dat de weinige keren dat de naam van Hitler valt (vb. p. 104) het op een positieve manier gebeurt. Dat gebeurt in het vierde hoofdstuk, ‘Johnny’ geheten naar een van de hoofdfiguren, en het is geen toeval dat in datzelfde hoofdstuk de president van Frankrijk belachelijk wordt gemaakt en neergezet als een twijfelende, aarzelende saletjonker, die enkel aan eten denkt.

De oorlog die de auteur beschrijft is een atoomoorlog, vandaar wellicht de titel van het tweede hoofdstuk, ‘Les tapis’. Heel Europa, te beginnen met belangrijke plaatsen in Engeland wordt door de Russen platgebombardeerd met atoombommen. Het is opvallend dat de auteur dat blijkbaar vanzelfsprekend vindt. Maar daardoor slagen de Russen er wel in binnen de kortste keren alle verzet te breken en Europa, dat zich door z’n democratische aard niet kan verdedigen, volledig te overrompelen, eerst Duitsland uiteraard en dan al heel vlug Frankrijk en Spanje. De andere landen in het Westen spelen blijkbaar niet mee; wellicht bestaan ze niet in de ogen van Degrelle/Doutreligne.

Ook dat scenario is volledig uit de lucht gegrepen. De Sovjet-Unie had in de oorlog die pas voorbij was ongeveer 26 miljoen mensen verloren en de infrastructuur was voor een groot deel vernietigd. Daarom alleen al is het ondenkbaar dat ze zelfs maar dachten aan een invasie van West-Europa. Een dergelijk scenario was sinds 1917 een zuiver propagandascenario, dat door alle burgerlijke partijen (niet enkel de fascistische partijen dus) gebruikt werd. De angst voor de (judeo)bolschewieken moest en zou erin gestampt worden (voorheen en nu de angst voor de Russen). Dat was nog het geval in 1976 toen de fascistoïde generaal Robert Close zijn L’Europe sans défense publiceerde, waarin exact hetzelfde scenario uitgewerkt werd als in de roman van Degrelle. De kameraden van wat toen nog AMADA heette liepen er hoog mee op (en ik moet toegeven: ook ik ben in diezelfde val getrapt toen).

“Pour sauver, il faut tuer”, zo wordt in Degrelles’ roman gesteld, en ‘C’est pour les sauver que je les tue’ (pp. 52 en 78) wanneer gewone burgers gedood worden. En dat klinkt bijna letterlijk zoals de ‘responsibility to protect’ dat vandaag de dag gebruikt wordt door NAVO, VS en andere schurken om onschuldigen om te brengen om economische belangen te beschermen. Nu worden daarvoor de zgn. ‘mensenrechten’ ingeroepen; toen Degrelle zijn roman schreef waren die er wellicht al, maar te vers om al te gebruiken. Wie van de twee, Degrelle of de huidige moordzuchtigen daarbij het meest cynisch is, behoeft niet beantwoord te worden. Overigens ook toen ging het vooral om economische belangen (daar gaat het uiteraard altijd om): zo is op pagina 66 sprake van ‘nos bases pétrolières du Proche-Orient’ (herhaald op pagina 201) en op pagina 202 van ‘nos installations pétrolifères du Venezuela’. ‘Nos’, ‘onze’ dus. En op dezelfde plaatsen als nu, vandaag.

Bommentapijt

Terwijl de (atoom)bommen verder op Europa vallen, de aanvallers anoniem blijven (dat is typisch voor dergelijke propagandistische geschriften: de ‘vijand’ wordt nooit geïndividualiseerd, zodoende kan de lezer zich ook niet met hem vereenzelvigen) en de ‘helden’ zich tevergeefs verdedigen, komen ook nog andere acute en hedendaagse problemen aan bod; ook hier weer vraag je je af: verandert er wel ooit iets? Die problemen worden als terloops opgeworpen, het boek is immers geen  écht politiek pamflet en essayistische stukken komen er niet in voor; maar dat belet niet dat ze er zijn en dat die problemen blijven haken in de geest van de lezer.

Wanneer je stelt dat de Amerikanen de opvolgers zijn van de nazi’s dan word je gewoonweg weggelachen en net niet opgesloten in een krankzinnigengesticht. En nochtans: wat was de kern van de naziheerschappij? Wereldoverheersing, inderdaad. En wat is de kern van de heerschappij van de VS? Wereldoverheersing, inderdaad. En waar ligt de geografische kern van die drang om de wereld te overheersen? In het Euraziatische kernland, inderdaad. Wie dat beheerst, beheerst de gehele wereld. Het is niet enkel Brzeziński die zo redeneerde, die theorie dateert eigenlijk al van het begin van de twintigste eeuw (en wellicht van nog veel vroeger, ik heb het niet nagekeken).

En Degrelle moet die lang vóór de Amerikanen goed gekend hebben, want hij geeft de kern ervan zeer goed weer:

“L’Europe? Une lagune au bout de l’Asie, d’une Asie d’un milliard d’Asiatiques. Une presqu’île, comme l’Indochine ou comme la Corée. Rien de plus.
L’Espagne de Charles-Quint a manqué l’unification de l’Europe.
La France de Napoléon a manqué l’unification de l’Europe.
L’Allemagne de Hitler a manqué l’unification de l’Europe.
Les Soviets, eux, en deux ans, l’ont faite.
Mais même ce langage-là est dépassé. L’ancien slogan est devenu vide de sens. Ce n’est plus de l’Europe, c’est de l’Eurasie qu’il s’agit. C’est l’Eurasie que l’U.R.S.S. unifie.” (pp. 185-186 – vet van mij).

Deze dialoog geeft heel goed weer waar het ook vandaag over gaat, waarom vandaag opnieuw alles in gereedheid wordt gebracht om het kernland van Eurazië aan te vallen en uit te schakelen. Heel de strategie van de NAVO en de VS is enkel en alleen daarop gebaseerd. En niet het omgekeerde; ook vroeger kwamen de aanvallers uit het Westen, of het nu de Teutoonse ridders waren (zie de film Aleksandr Nevski van Eisenstein, die ook een waarschuwing was aan het adres van de nazi’s) of de nazi’s. Ook later in het boek (pp. 206-207 met name) wordt daarover geredekaveld, en wordt uitgekeken naar een mogelijke toekomst van Europa zonder de Russen. Maar uiteindelijk overheerst toch eerder de indruk dat de protagonisten zich bij de overheersing van de Russen neerleggen, zeker in het laatste hoofdstuk.

Andere politieke problemen die aangesneden worden zijn o.a.: het probleem van Palestina (p.171): ook hier weet Degrelle inderdaad de clou te treffen: nadat hij erg frank stelt dat de Sovjet-Unie geen concentratiekampen nodig had zoals Himmler omdat de joden zichzelf al verzameld hadden in Palestina, stelt hij zeer juist: “La Palestine était ainsi devenue comme une sorte d’extension de notre pays dans le Proche-Orient.” En hij verwijst met name naar de bankiers, het financiekapitaal dus. Wat tegenstrijdig is met andere van zijn uitgangspunten: zo ziet hij overal rassenstrijd in plaats van klassenstrijd (zowel tussen joden en Arabieren, als bv. tussen blanken en zwarten in de VS (pp. 216-217)).

Er worden zeer terloops nog andere politieke problemen vermeld, maar met het voorgaande heb ik de belangrijkste, en dat zijn die die ook vandaag nog actueel zijn, wel aangeraakt. Je kunt niet naast het feit kijken dat Degrelle wel een zeker politiek doorzicht had, dat hij de vinger wist te leggen op de kern van de zaak. Maar daar houdt het dan ook mee op. Op één zaak na, die het ook wel waard is te citeren:

“Tant pis si notre génération paye l’avenir! Et nous savons que nous le payerons. Mais si un jour, dans cinquante ans, dans cent ans, dans deux cents ans, l’univers soviétique s’effondre, il faut qu’un embryon de notre peuple ait subsisté, qui dégagera du chaos le débris qui frémiront encore, débris allemands, débris européens, n’importe, débris humains.” (p. 210)

Behalve de betekenisvolle en misschien onbewuste verwijzing naar een ander boek, eveneens van een bekende fascist, dat kortaf Les décombres heette (wat een synoniem is van ‘débris’) is het toch opmerkelijk dat Degrelle hier het einde van de Sovjet-Unie voorspelde, op relatief korte termijn. Nu kun je natuurlijk altijd zeggen dat elke voorspelling wel uitkomt als je maar lang genoeg wacht, maar toch. Vermoedelijk ging iedereen ervan uit dat de Sovjet-Unie niet zou verdwijnen op de manier en het tijdstip waarop het uiteindelijk toch gebeurd is. Degrelle is in 1994 gestorven en heeft het dus nog meegemaakt. Hij zal wel tevreden zijn geweest. Want dat ‘embryon de notre peuple’ heeft zich intussen ontpopt tot wat het nog is en altijd al was: het rabiaatste en ranzigste fascisme dat denkbaar is. Het draagt andere kleren dan vroeger, dat is waar; zo is het vandaag liberaal waar het vroeger socialistisch was; zo is het vandaag eerder conservatief waar het vroeger eerder revolutionair was (herinner u hoe Bart de Wever in het begin zó sterk de nadruk legde op het feit dat zijn nationaal-liberalistische partij zeker géén revolutionaire partij was; hij wist zeer goed waarom hij dat zei). Maar in de kern is het niet veranderd.

2.

Het politieke en het militaire mag dan al het belangrijkste en meest in het oog lopende aspect van deze roman zijn, toch is het uiteraard niet het enige aspect. Dat aspect wordt gedragen door en uitgebeeld aan de hand van personages, die weliswaar niet echt goed uit de verf komen (ze moeten zoals in elke roman à thèse de stellingen aanschouwelijk maken) maar toch voldoende geïndividualiseerd worden om soms iets meer te zijn dan alleen maar de woordvoerders en incarnaties van bepaalde stellingen, een soort marionet van de auteur dus, en niet meer.

Het boek telt drie hoofdpersonen: twee mannen, Patton en Johnny, en één vrouw, Daisy. Deze laatste is de eigenlijke hoofdpersoon, de ik die het verhaal vertelt. Johnny en Daisy zijn doorsnee Amerikaanse namen, Patton is de naam van een bekende Amerikaanse generaal, maar die is geen figuur in de roman. Maar je mag er wel van uitgaan dat Degrelle door éen van zijn protagonisten zo te noemen een zekere bewondering uitdrukt. Verwonderlijk is dat niet: Patton was een anti-semiet, en hij wou met de moffen (hij bewonderde de SS) samenwerken om tegen de Sovjet-Unie op te trekken; daarenboven had hij een doorslaggevende rol bij het keren van het von Rundstedt-offensief. Maar voor de rest hebben de werkelijke Patton en de romanfiguur niets met elkaar te maken.

De figuur van Johnny is in de roman belangrijker; dat blijkt al uit het feit dat een hoofdstuk (het vierde, dat is dus het middenhoofdstuk van het boek, dat zeven hoofdstukken telt) zijn naam draagt.

Het is met deze Johnny dat de eigenlijke hoofdpersoon, Daisy, een verhouding aanknoopt, die uitloopt op een zwangerschap op een ogenblik dat Johnny zelf al gesneuveld is; ook Patton zal iets later sneuvelen. Op het einde van het boek blijft van de drie dus enkel Daisy nog over. Die zichzelf dan als dood beschouwt; en dat is wellicht de reden waarom ze zich lieert met een van de Russische bezetters, een Astakov, een bewaker. Onuitgesproken wordt gesuggereerd dat zij geen andere keuze heeft, zeker gelet op dit:

“Des centaines d’Asiates me dépassent, grimaçants, invariablement obscènes. Mais les bêtes aussi sont obscènes, les fortes et bonnes bêtes de mon ancien kolkose andalou, aux yeux si honnêtes alors. Elles s’élancent au-dessus de moi par rafales, étalons monstrueux, taureaux monstrueux, boucs monstrueux, et leur rut me bat violemmant au passage. (p.224 – vet van mij)

Hier is iets belangrijks aan de hand: de seksuele en psychische achtergrond van de persoonlijke verhoudingen in deze roman worden geëvoceerd – onbewust echter, zonder dat de auteur zelf het heel goed beseft.

Er wordt op de eerste plaats een duidelijk onderscheid gemaakt (ook elders in het boek trouwens) tussen de anderen – niet enkel de Aziaten, ook de zwarten, de mongolen, de sovjet-untermenschen enzoverder – die blijkbaar niet in staat zijn tot liefde, maar enkel tot geilheid, tot bronst; vandaar ook de vergelijking met dieren. Maar opvallend is het feit dat daar niets tegenover wordt gesteld; in theorie wel natuurlijk, maar echte liefdesscènes tussen Johnny en Daisy zijn er niet. Toch niet van seksuele aard. Wat er nog het meest nabij komt is de eerste paragraaf op pagina 114, wanneer zij zich voor hem uitkleedt. Maar onmiddellijk vermengen zich de beide hoofddriften die de late Freud onderscheidde: eros en thanatos. Want inderdaad, zij voorvoelt dat Johnny gaat sterven en het lijkt erop dat ze zich juist daarom aan hem geeft.

En op pagina 124 sterft hij dan ook effectief in haar armen. Psychoanalytisch is de scène belangrijk, maar stilistisch is het één enkele grote gemeenplaats, zoals alle scènes in dit boek die van verre of van nabij met liefde te maken hebben. Het is alsof Degrelle niet in staat is om dat te beschrijven. Of om dat te beleven? Een hele tijd geleden heb ik het hier kort gehad over een roman van de beruchte Duitse neonazi Karl-Heinz Hoffmann, Verrat und Treue, ein an Tatsachen orientierter Roman, waarin eveneens liefdesscènes voorkomen van een even clichématig en bedenkelijk allooi; scènes uit ‘gewaagde’ stationsromannetjes van vroeger, meer stelt dat niet voor, eerder minder. Wat ik mij nu afvraag: is dit gewoon stilistische onkunde of is dit een symptoom?

Het laatste, me dunkt. We hebben in beide gevallen te maken met mensen, schrijvers die zich duidelijk niet op een positieve manier kunnen inleven in andere personen, die daar geen enkele of toch zeer weinig voeling mee hebben, die, kortom een duidelijk gebrek aan empathie vertonen. Wanneer we dan ook nog weten dat Degrelle een politiek manipulator was zoals je ze zelden tegenkomt (blijkbaar erkende hij enkel in Hitler zijn meester) dan ligt de diagnose voor de hand: we hebben te maken met een geval van psychopathie.

Dat wordt wellicht bevestigd door andere seksueel getinte scènes in de roman, die in tegenstelling tot de positief gemeende wel degelijk beter geschreven zijn, alsof de auteur zich daar beter in thuis voelde. Het zijn scènes van een door en door sadistische aard. De daders van die sadistische acties heb ik al genoemd, het zijn alle ‘Untermenschen’ die met de Russen vanuit Azië Europa overstromen. Slachtoffers zijn op de eerste plaats de vrouwen, meer expliciet de hoofdpersoon Daisy. Maar die kan zich bevrijden. Opvallend is het feit dat het massa’s zijn (des foules, maar ook: ‘Un prolétariat en délire, sadique comme toutes les foules en délire contenues maladroitement pendant longtemps.’ – p. 120) die zich sadistische gedragen, die de vrouwen (‘nous, les sept Américaines’, maar ook anderen, nonnen bv. – pp. 120 e.v.) vernederen, vastgrijpen en verkrachten.

Klik voor een grotere afbeelding.

Wat eveneens opvalt is dat bij de beschrijving van echte gevechtshandelingen dit soort sadisme niet optreedt; er komen wel wrede scènes in voor, waar de gemiddelde lezer wel van zal gruwen, maar de toon is dan eerder nuchter, beschrijvend, afstandelijk. Degrelle heeft aan het Oostfront uiteraard wel wat gezien en meegemaakt. Eén voorbeeld: “Le plus pénible, ce sont les corps décomposés des enfants, serrant sous eux parfois, un jouet, une balle de caoutchouc, une petite pelle roullée.” (p. 173) Ik heb het woord ‘pénible’ vet gezet, omdat het niet zozeer het gebrek aan schrijftalent aantoont, maar veel eerder een totaal gebrek aan empathie – gebrek dat mijns inziens niet enkel verklaard kan worden door de oorlogsomstandigheden.

Degrelle was, naast een devoot katholiek, ook een macho, iemand die je enkel als behorend tot de soldateska kunt omschrijven. Masochisme en sadisme vormen de twee keerzijden van één enkele munt (in een totaal andere context heeft Martinus Nijhoff dat beter dan wie ook verwoord, nl. in zijn gedicht ‘De soldaat die Jezus kruisigde’), en dat katholicisme kun je dan beschouwen als de masochistische kant, het soldateske als de sadistische kant. Dat beide altijd samen voorkomen, betekent niet dat er geen gradaties kunnen zijn, zowel in een bepaalde persoon als binnen een bepaalde persoon in verschillende contexten: in de oorlog overheerste bij Degrelle het sadisme, vlak na de oorlog, toen hij zijn devote katholieke en natuurgedichten schreef wellicht de masochistische kant.

Maar er is meer: Degrelle kiest als hoofdpersoon een vrouw, de genaamde Daisy. Voor een macho als Degrelle is dat op z’n zachtst gezegd vreemd. En de meest voor de hand liggende verklaring is volgens mij het feit dat zich daarachter een verborgen, nooit bewust geworden laat staan aanvaarde homoseksualiteit verbergt. Het is geweten dat onder de soldateska homoseksualiteit tamelijk verspreid was. Ernst Röhm is natuurlijk de naam die het eerst opkomt, maar het was (en is?) veel algemener dan dat. Dat Degrelle getrouwd was en meerdere kinderen had is daar niet mee in tegenstrijd. Het feit dat hij een vrouw kiest, laat de schrijver toe enerzijds sadistische machtsfantasieën te ventileren en anderzijds masochistische onderwerpingsfantasieën. Het lijkt me ook volkomen voor de hand te liggen dat de schrijver zelf zich daar niet van bewust was.

Die omkering van de werkelijkheid heeft trouwens ook op een ander vlak plaats. Zo zegt een van de Russische overweldigers: “La femme est un instrument de production physique au service de la collectivité. Elle ne présente socialement d’intérêt que dans la mesure où elle accroît la puissance de la communauté soviétique.” (p. 192) Dit is echt het uitgangspunt van alle historische fascismen, op de eerste plaats het nazisme en met de politiek van de Sovjet-Unie had dit niets, maar dan ook niets te doen, integendeel. Om het met Hitler te zeggen: “Das Ziel der weiblichen Erziehung hat unverrückbar die kommende Mutter zu sein.” (p. 460 – oorspronkelijke uitgave, jaar 1941 van Mein Kampf; men denke ook aan het ‘Ehrenkreuz für deutsche Mütter’, in goud wanneer ze er acht of meer geworpen hadden).

Dit alles kadert in een grotere psychologische metafoor, die het hele boek door optreedt, en die ook zeer actueel is: het overspoeld worden, het stromen, de dijken die breken, watervloeden enzoverder enzovoort. Ook deze metafoor heeft psychoanalytisch gezien twee kanten; maar de belangrijkste is toch wel de angst voor zelfverlies, voor het oplossen. Het is wat Freud de ‘doodsdrift’ noemde, in tegenstelling tot de eros of libido, de levensdrift zeg maar. Tot op de dag van vandaag is dit begrip controversieel, ook binnen psychoanalytische kringen. Maar wellicht heeft dat meer met de naam dan met iets anders te maken, want zoals Freud dat opvatte (zware destructiviteit vooral, met inbegrip van zelfvernietigingsdrang, agressie en geweld) kun je het in de werkelijkheid wel degelijk vaststellen. Of de naam ‘doodsdrift’ goed gekozen is of niet, is daarbij van ondergeschikt belang.

Die doodsdrift is mijns inziens eveneens aanwezig achter een andere gebeurtenis: de zwangerschap van Daisy en het afbreken daarvan. Op pagina 138 – Johnny, de vader is al dood – wordt die zwangerschap uitgesproken in een stijl die volledig die is van de stationsromannetjes, vol valse sentimentaliteit en clichés (zie ook p. 167). Eens temeer blijkt daaruit dat de vertelster en in dit geval dùs de auteur zich onmogelijk kan inleven in een ander, in dit geval dus in een zwangere vrouw. Empathie betekent ook etymologisch ‘invoelen’, ‘inleven’, en is een levensnoodzakelijke eigenschap om in het sociale verkeer mee te kunnen. Iets later (p. 175) wordt zij door een bende Mongolen onder handen genomen zodat zij haar kind verliest. Ik vraag mij af in hoeverre hier een onbewuste wens verwoord wordt, de wens om, zoals Heine het stelt, ‘nie geboren (zu) sein’. Het fascisme is inderdaad levensvijandig en levensverachtend – ondanks de schijn van het tegendeel meer zo dan welke andere ideologie ook – en dus lijkt me mijn stelling niet overdreven.

Hoe dat komt is natuurlijk een andere zaak. Daar komen twee ontwikkelingen samen: op de eerste plaats een persoonlijke ontwikkeling. In het geval van Degrelle weet ik daar niets van. Het enige dat ik wel zeker weet is dat het milieu waarin hij opgroeide zeer zwaar katholiek was én uiterst rechts. Maar dat betekent niet veel. Dit toont de grenzen van een psychoanalytische verklaring op basis van fictionele teksten alleen. Die zeggen wel iets natuurlijk, maar niet alles en niet genoeg. Ook uit de latere ontwikkeling kun je zaken afleiden, maar ook dan geldt dat je niet tot de echte kern, die in de vroege jeugd te vinden is, kunt doordringen. Of toch zeer zelden. Bij Rebatet bv. is er veel dat wijst op misbruik in de jeugd; bij Degrelle zijn die aanwijzingen er niet. Daar spelen wellicht andere psychische problemen zoals een ziekelijk katholicisme (katholicisme is natuurlijk altijd ziekelijk – zoals de andere monotheïstische godsdiensten – maar er zijn wel gradaties).

Ik heb al gewezen op het feit dat het bijna steeds massa’s zijn, die in dit boek effectief sadistisch optreden. Daarbij denk je natuurlijk eerst aan Cannetti’s Masse und Macht, maar ook hier is Hitler zelf al duidelijk genoeg in zijn meermaals impliciet en zelfs soms expliciet uitgesproken verachting voor de massa’s die hij zo goed wist te manipuleren…net zoals Degrelle zelf trouwens. Allen die massa’s hebben beleefd of geobserveerd zijn het erover eens dat in een massa duidelijk ik-verlies optreedt, dat de massa één groot geheel wordt of dreigt te worden, zoals een overstromende kolkende rivier. Dat gaat van Freud over Reich tot Fromm en Canetti. En vele anderen. Het optreden van massa’s in deze roman van Degrelle sluit daar naadloos bij aan. En zelf is hij via zijn hoofdpersoon, explicieter over de massa’s dan wie dan ook:

“Personnellement, j’ai des idees bien nettes sur le troupeau humain, le plus bestial de tous les troupeaux.

Le civilisation n’est qu’un vernis qui saute au feu des grandes passions grégaires. Ces tourmentes sont comme une libération de l’animal-homme. Elles le démusèlent. Il se rue. Il retrouve son état naturel. L’état naturel de l’homme n’est pas la civilisation. La civilisation n’est qu’un accident: l’animal, c’est la substance. Après des milliers d’années de religion, de moeurs policées, l’animal, en cinq minutes, se retrouve instinctivement.

L’homme est une bête. Encore les bêtes sont-elles souvent de braves bêtes. Mais l’homme, lui, est souvent une sale bête.” (pp. 64-65)

Deze passage lijkt mij de kern te bevatten van het hele boek, en waarschijnlijk van de fascistische persoonlijkheid van Degrelle en van de meeste fascisten, zeker de ‘harde’ onder hen. En dat op tweeërlei wijze.

Freud zou het bovenstaande waarschijnlijk volledig onderschrijven, want het komt overeen met zijn late opvattingen over de ‘beschaving’ (Das Unbehagen in der Kultur uit 1930). In Freudiaanse termen komt het bovenstaande neer op het feit dat het ‘Es’ het op een bepaald ogenblik overneemt, wat enkel tot volledige chaos en ontwrichting zal leiden, of…tot oorlog. In de oorlog wordt de bestiale kant van de mens, de ongecontroleerde driften, de min of meer vrije teugel gelaten, iets dat in La grande bagarre duidelijk ook gebeurt. Maar aan de andere kant en in bijna totale tegenstrijd met het vorige gebeurt dat op een min of meer geordende wijze: oorlog is geordende destructie. De tegenstrijdige krachten die Freud in het zonet genoemde geschrift onderkende, komen hier ahw samen in een symbiose. Enkel spreken van ‘mensenverachting’ is dus niet voldoende, het gaat aan de kern van de zaak voorbij.

Voor zover hij er al ooit van gehoord had, zal Degrelle alles behalve een aanhanger van Freud of de psychoanalyse geweest zijn. Jammer misschien, want het enige dat psychoanalyse werkelijk doet, is: inzicht verschaffen. En van daaruit kan dan misschien, wellicht, desalniettemin, niettegenstaande verholpen worden aan bepaalde kwalen. Maar ook dat zou slechts individueel zijn, om op grote schaal aan dat soort zaken te verhelpen is een andere maatschappij nodig. Anderen zullen zeggen: een andere mens. Maar daar twijfel ik aan, volgens mij zal de mens niet veranderen, tenzij onder directe en indirecte invloed van omstandigheden. Net zoals het in laatste analyse de omstandigheden zijn die hem tot oorlog en destructie drijven. Dat is dan het tweede aspect.

3.

Het is mogelijk nog dieper in te gaan op deze roman, zeker vanuit het in bovenstaand tweede deel gebruikte psychoanalytische standpunt. Dat zou echt zeer gedetailleerd uitgewerkt kunnen worden. Voor wat de romanfiguren zelf betreft zou dat waarschijnlijk geen nieuwe inzichten opleveren, maar de argumentatie zou wel steviger worden. Zo is er het feit van de grote bewondering die Degrelle koesterde voor Hitler en die ook in dit boek nog aanwezig is (naast de duidelijke bewondering voor een Amerikaanse fascistoïde figuur als Patton). Dat heeft uiteraard met de Vaderfiguur te maken (die nooit een vader geworden is, ten gevolge van een slechte afwikkeling van het Oedipus-complex). Je zou zelfs kunnen spreken van een lijn die loopt van de Vader over Christus naar Hitler etq.

Dat is heel vaak het geval trouwens, en niet enkel als het over Hitler gaat. Soteriologische impulsen in de zin van het verlangen naar een verlosser zijn veel sterker verbreid dan over het algemeen gedacht wordt. Dat is slechts één van de redenen die het belang aantonen om politiek óók via de psychologie en de psychoanalyse te benaderen. Vaak worden die bewonderaars dan op hun beurt ook grotere of kleinere ‘soters’ – zoals Degrelle.

Wellicht heb ik in het voorgaande toch wel één grote fout gemaakt: ik ben er nl. van uit gegaan dat de romanfiguren projecties zijn van de schrijver, Léon Degrelle zelf. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar is het helemaal niet. Dostojevski valt op geen enkele manier samen met Raskolnikov of Kirilov of… Maar er zijn in al die figuren wel psychische elementen aanwezig die je ook in de schrijver terugvindt. Elke schrijver projecteert immers aspecten van zichzelf in zijn figuren, of in zijn gedichten zelfs. Nadat Paul Claes in een essay erop gewezen had dat Claus nogal veel woorden gebruikte van het woordveld ‘klem’ begon Claus die te schrappen in een volgende herdruk. Hij voelde zich duidelijk betrapt en hield daar niet van, ook al was dat daar zeer onschuldig.

Hetzelfde geldt uiteraard voor een Léon Degrelle als die de pen hanteert. Maar daar komt dan wel bij dat Degrelle niet op de eerste plaats schrijver was, maar wel militair en politicus van de gevaarlijkste soort. In zo’n geval is het altijd goed om ook de onbewuste drijfveren en neigingen van die mensen te leren kennen, te leren plaatsen en duiden binnen een theoretisch-praktische context als de psychoanalyse – hoe omstreden die in de ogen van sommigen ook moge zijn.

In dit geval moet ik wijzen op een van de grootste meesterwerken van de psychoanalyse, dat jammer genoeg nog steeds veel te weinig bekend is. Het betreft: Klaus Theweleit: Männerphantasien, 1. Frauen, Fluten, Körper, Geschichte; 2. Männerkörper, zur Psychoanalyse des weissen Terrors (Stroemfeld/Roter Stern, Frankfurt am Main/Basel, 1985, 2de druk in één deel). Voor mij was het een van de beklemmendste en angstaanjagendste boeken ooit. Toen ik in het begin van de jaren zeventig in Heidelberg een grondige jaarcursus ‘Psychoanalytische Literaturwissenschaft’ volgde, was het nog niet verschenen, anders zouden we er wel diep op in zijn gegaan. Maar ook daarna heeft het nog ettelijke jaren geduurd vooraleer ik het leerde kennen.

Voor dit opstel heb ik het niet herlezen, maar voor een gedetailleerde analyse, waarbij dan wellicht ook nog andere werken van Degrelle betrokken zouden moeten worden, zou dat toch wel noodzakelijk zijn. Maar hier volstond mijn geheugen wel, denk ik. Het boek behandelt grotendeels de fascistische en fascistoïde tendensen en figuren uit de twintigste-eeuwse Duitse geschiedenis en doet dat voornamelijk aan de hand van min of meer literaire geschriften, bv. van Ernst Jünger en Ernst von Salomon. Dat zijn wel de bekendsten en belangrijksten. Het bevat ook enorm veel beeldmateriaal en is voor een wetenschappelijk werk zeer vlot geschreven; soms wordt zelfs spreektaal niet geschuwd. Het enige dat eraan ontbreekt is een goede, uitgebreide index.

Het boek staat dus in een bekende en sterke traditielijn, die vanzelfsprekend begint met Freud zelf; daarnaast is Theweleit vooral schatplichtig aan, of beter misschien: sluit hij zich bewust maar kritisch aan bij Wilhelm Reich en zijn Massenpsychologie des Faschismus, bij Elias Canetti en zijn Masse und Macht, en bij Erich Fromm en zijn Anatomie der menschlichen Destruktivität. Ik heb die drie namen hiervoor al even genoemd. Om bepaalde negatieve aspecten van de menselijke natuur goed te begrijpen zijn die boeken onontbeerlijk. Politici, zowel van links als van rechts, houden daar natuurlijk niet van: zowel in fascistische regimes als in de meeste socialistische regimes waren ze gewoon verboden als zijnde contra-revolutionair. Het zal wel eerder zo geweest zijn dat die politici bang waren om in een niet-ideologisch gekleurde spiegel te kijken en zo zichzelf te ontdekken als zijnde wat ze openlijk niet willen zijn. In dat opzicht verschilt een Degrelle eigenlijk amper van andere, zichzelf democratisch noemende politici.

Klik voor een grotere afbeelding

Daarom alleen al is het mijns inziens belangrijk romans als deze te lezen, en te zien welke gevaarlijke impulsen in het onderbewuste van die schrijver-politicus aanwezig waren. Die zijn namelijk op de een of andere manier ook aanwezig in het onderbewuste van politici die geen fictie schrijven; alleen zijn ze dan natuurlijk moeilijker detecteerbaar. Tenzij de krankzinnigheid en de almachtsdromen zó voor de hand liggen dat je er echt niet naast kunt kijken. En nee, ik heb het niet over Yi of Poetin. Die zijn berekenbaar.

Uit deze roman, samengelezen met alle andere vermelde werken kun je, moet je wellicht tot de conclusie komen dat er inderdaad een onherstelbare menselijke natuur bestaat, waarin de Freudiaanse doodsdrift een grote rol kan spelen: het zij als directe agressiviteit en vernietigingsdrang, bv. in oorlogen, het zij als reductie naar voorbewuste toestanden, het oplossen in ‘wateren van oorsprong’. Beide zijn kanten van één munt. Als dat inderdaad zo is, dan kan de mens als soort niet verbeterd worden. Zeker niet door de psychoanalyse, die niet geneest maar enkel tot inzicht kan brengen, individuen, géén massa’s. Dan kunnen ook oorlogen e.d.m. niet uitgesloten, niet verhinderd worden. Tenzij wellicht wanneer de maatschappelijke en economische ontwikkeling de kans zou krijgen zo door te gaan tot ze dergelijke zaken onnodig zou maken. De impulsen zouden nog bestaan, maar bij gebrek aan objectieve omstandigheden die ertoe nopen, niet meer verwerkelijkt worden. Het zou een tijdperk zijn zonder antagonistische tegenstellingen – om voorzitter Mao nog even uit de kast te halen.

Maar is dat in de praktijk mogelijk? Alles wijst op het tegendeel, nl. dat de mensheid opnieuw met de snelheid van een stuurloze ICE naar een nieuwe wereldoorlog en naar de zwaarst denkbare natuurrampen raast. Zou het dan inderdaad niet veel beter zijn dat de mensheid gewoon zou verdwijnen, voorgoed?!

Zei de doodsdrift in hem.

Post-Scriptum

Het bovenstaande was in eerste versie klaar toen ik – eerder door toeval, jammer genoeg – op de volgende publicatie stootte, die geïnspireerd werd door het boek van Theweleit dat ik hierboven noemde; Theweleit schreef er zelfs een nawoord bij. Het betreft: Jonathan Littell: Le sec et l’humide Une brève incursion en territoire fasciste (Editions Gallimard, Paris, 2008). Ik kende het niet.

Hij doet eigenlijk grotendeels hetzelfde als ik in het tweede deel van dit opstel deed: vanuit de psychoanalyse van Theweleit een boek analyseren, een boek van…Léon Degrelle, inderdaad. Gelukkig wel een heel ander boek, nl. La campagne de Russie 1941-1944. Dat is geen roman, maar een politieke documentaire, een verslag van eigen belevenissen aan het Oostfront.

Behalve het voor de hand liggende feit dat Littell veel beter schrijft dan ik, verschilt zijn boek ook anderszins van wat ik hier te berde breng. Zo gaat hij niet diep en grondig in op de politieke betekenis van het boek dat hij analyseert. In mijn eerste deel heb ik dat wel gedaan, en terecht, denk ik. Wanneer een tekst (het weze een roman, een gedicht, een essay) zich expliciet aanbiedt als ook een politieke tekst, dan lijkt het me normaal dat een criticus daar ook op een politieke wijze op reageert.

Enkel het eerste hoofdstuk gaat expliciet over de politieke Degrelle, het is soort korte biografische schets met uiteraard de nadruk op zijn fascistisch engagement. Bij het begin van het tweede hoofdstuk, ‘Des Mots’, stelt de auteur dan uitdrukkelijk: “Ce n’est pas en fait de la politique de Degrelle qu’il sera question ici, mais de son langage” (p. 24) En dat doet Littell dan ook schitterend, met heel veel citaten uit Degrelle’s dikke boek, veel meer citaten dan ikzelf uit La grande bagarre gebruikt heb in mijn tekst. Dat Littell daarbij sommige zaken die ik aanneem betwijfelt, ligt eveneens voor de hand; zo gaat hij ervan uit dat er bij Degrelle geen sprake is van een verborgen homoseksualiteit. Het boek dat ik hier bespreek wijst daar mijns inziens wel degelijk op.

Het boekje van Littell is ook geïllustreerd. Het omslag bv. toont een foto van Degrelle aan het Oostfront, foto die bijna doet denken aan sommige kunstwerken.  Van een andere, onvrijwillige oostfrontstrijder die naar de naam Beuys luisterde? Ik weet niet goed waar die associatie vandaan komt, misschien is ze wel onterecht.

Hoe dat ook zij, het boekje is zoals het hoofdwerk van Theweleit zelf, een aanrader.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.