Harmen Wind, nacht, Umnachtung

| Geen reacties

Harmen Wind was een Fries en Nederlands dichter, waarvan ik enkele decennia geleden een viertal bundels gelezen heb. Het waren vroege bundels. Daarna heb ik hem niet meer gevolgd; hetgeen niets te maken had met de kwaliteit van zijn werk. Dat is, wat dichters betreft, bij mij zelden het geval; het ligt eerder aan het toeval dan aan iets anders. Te veel dichters die je zou moeten volgen. En te weinig dichters die er echt bovenuit steken.

Bron: Leeuwarder Courant

Een van die bundels van Harmen Wind was een thematische bundel, die Het Gesticht heette. Hij dateerde uit 1989 en wat het thema was, bleek al uit de titel. In die bundel tond o.m. ook het volgende, treffende gedicht:

“N A C H T

Gehurkt, de vingers in de oren,
zit Abe in de keukenkast:
de onderduiker die hij was.
Ik zie hem, hij weet zich verloren,
wacht met zijn oude aktentas
tegen zich aan geklemd gelaten
op het geschreeuw van de soldaten.
Hij kreeg een kwaal die nooit genas:

het nabestaan. In al zijn dromen
regent het, regent het maar as.
Ik ben alweer te laat gekomen;
hij is, achter een leren jas,
door het verleden meegenomen.
Zacht tikt de meter van het gas.” (p. 14)

De titel van het gedicht is natuurlijk een metafoor, want alle ‘gebeurtenissen’ in het gedicht spelen zich af tijdens de dag. De ‘nacht’ zit in de beschreven figuur zelf, die een psychoticus is met als bepalend kenmerk paranoia. En die paranoia is volkomen terecht in dit geval.

Overigens, in mijn herinnering zit ergens een studie over paranoia waaruit bleek dat, wanneer die gedetecteerd werd als ziekte, er quasi altijd ook effectief, in de werkelijkheid sprake was van vervolging of achtervolging. M.a.w.: de diagnose kwam niet uit de lucht vallen. Die studie moet inmiddels jaren oud zijn, maar ik kan mijn geheugen niet openwringen om er iets meer over te weten te komen. Enkel nog dat het een studie was aan de universiteit van Amsterdam – als ik me niet vergis. Maar het lijkt me eigenlijk vanzelfsprekend dat paranoia uit de werkelijkheid voortkomt.

Hoe dat ook zij, wat met ‘nacht’ bedoeld wordt is dus wat in het Duits (een taal die hier wel enigszins past, zoals zal blijken) ‘Umnachtung’ heet. Het werd en wordt nog steeds gebruikt om bv. de jaren aan te duiden die Hölderlin in zijn toren in Tübingen verbleef, ‘in geistlicher Umnachtung’ zoals het volledig luidde. Of de jaren die Jakob van Hoddis (Hans Davidsohn) in gestichten verbleef, tot hij in 1942, met vele van zijn lotgenoten, naar Sobibor werd afgevoerd.

Dat de protagonist van dit gedicht eveneens joods zou zijn, kan enkel expliciet blijken uit zijn naam, die in het tweede vers genoemd wordt: Abe is de verkorte voornaam Abraham. Het derde vers is niet voldoende om tot dat joods-zijn te besluiten, want er waren ook andere dan joodse onderduikers, ook al zijn deze laatste wel ruim in de meerderheid geweest.

Het vierde vers doet mij denken aan een van de beroemdste passages uit L’être et le néant van Sartre, nl. dat deel dat handelt over ‘le regard d’autrui’. Men herinnert zich wellicht nog hoe Sartre daarin beschrijft hoe iemand onder de blik van een ander a.h.w. tot een object wordt gemaakt, vernietigd wordt bijna. Sartre geeft een specifiek voorbeeld, maar het feit zelf kan zich in allerlei omstandigheden voordoen, zeker wanneer machtsverhoudingen in het spel zijn, bv. wanneer de blik van een politieagent of van een soldaat op je valt. In zo’n geval is de kogel niet ver meer.

De Abe uit het gedicht heeft het echter overleefd. Alhoewel: de kwaal waaraan hij lijdt wordt expliciet genoemd: ze heet ‘nabestaan’. Dat kan letterlijk genomen dus enkel nog een bestaan zijn dat komt na het eigenlijke bestaan. M.a.w.: wat hij heeft meegemaakt heeft hem zó sterk getekend, dat hij tot echt leven niet meer toe kan komen, dat hij enkel nog vegeteren kan in een gesloten cocon van angst, voor de rest van een zinloos geworden leven.

In zekere zin zijn allen die dat hebben overleefd ten diepste getekend; wel uit zich dat op vele verschillende wijzen, waarbij het schrijnendste wellicht de vele zelfmoorden na dato zijn, zoals die van de Italiaanse schrijver Primo Levi, of van de Poolse schrijver en dichter Tadeusz Borowski (auteur van o.a. This way for the gas ladies and gentlemen), die zich zelfmoordde met gas, of van de Oostenrijks-Belgische essayist Jean Améry (auteur van o.a. Hand an sich legen, een minutieus tractaat over zelfmoord en waarom je het niet zou doen). Anderen (en zo heb ik er éen gekend, die in Dachau tussen de lijken had gelegen, maar er net op tijd van tussen was gehaald toen de Amerikanen aankwamen) spraken amper nog, maar zaten dagenlang in een hoekje van een café voor zich uit te staren. Maar ook degenen die ogenschijnlijk een normaal leven hebben gevoerd daarna, moeten hun leven lang meer dan op hun hoede zijn geweest.

Ofschoon het gedicht slechts twee strofen telt, kun je er toch een sonnet in herkennen. Het volstaat de eerste strofe te splitsen in twee kwatrijnen, de tweede in twee terzinen. Het sterkste woord van het gedicht aan het begin van die tweede strofe kan trouwens als een volta gelezen worden. Wat de persoon nog blijft zijn wel dromen van een zeer bijzondere soort: nachtmerries, waarin voortdurend sprake is van een dubbele regen. Het eerste ‘het regent’ kan dan op de gewone grauwe grijsheid van een regendag, of van een verloren leven slaan. Maar het tweede slaat duidelijk op iets anders, dat eveneens grijs is: as. De asse van al diegenen die door de crematoria van de vernietigingskampen werden uitgespuwd. Er zijn heel wat getuigenissen daarvan (net zoals van de geur trouwens).

De ‘ik’ bij het begin van het derde vers van de tweede strofe is niet enkel de dichterlijke ik, degene dus die beschrijft én interpreteert wat er met en rond Abe gebeurt; hij is ook deelnemer: toezichter, oppasser, of hoe je het ook noemen wil. Als zodanig staat hij in een machtsverhouding tot Abe, die die toezichter heel gemakkelijk associëren kan met andere, vroegere toezichters. De ‘leren jas’ wijst mijns inziens naar Gestapo-agenten. Of die inderdaad van die lange leren jassen droegen weet ik niet, maar ze worden wel steeds op die manier voorgesteld.

Het laatste vers is wellicht het wrangste. Het klopt inderdaad dat gasmeters tikten. Misschien doen de nieuwste modellen dat nog steeds, dat weet ik niet. Maar het woord ‘gas’ is, gelet op de voorafgaande verzen, op de eerste plaats een verwijzing naar de vergassingen in de kampen. Waarbij het tikken naar de seconden verwijst die nog resten voor het definitieve einde daar is. Het tikken van de klok dus, zoals in een voor een dode uurwerkmaker geschreven kleengedichtje van Gezelle:

God geeft den tijd bij dag en jaar,
ach neen, bij kleene tikskes maar,
en ’t laatste tikske komt aleer
men ’t peist of weet, eilaas, te zeer!
De wijzer wijst elke uur en tijd,
maar de uur niet dat gij schuldig zijt
te sterven! Zijt dus voorbereid,
de wijzer wijst naar de eeuwigheid.

Sterven en sterven is toch twee, zou je kunnen zeggen. Het plots sterven in de negentiende eeuw, en het vaak jarenlange sterven in de twintigste eeuw. Wat is er in die tussentijd gebeurd dat het leven én het sterven vaak veel gruwelijker geworden zijn, en veel massaler dan vroeger? Of is dat maar schijn, en is het tegendeel het geval?

Ik weet het niet.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.