Basiskennis, bv. over Friedrich Engels, en over racisme

| Geen reacties

Meer dan eens heb ik hier verwezen naar de reeks ‘Que sais-je?’ van de Presses Universitaires de France, een reeks waarin je over alle mogelijke en onmogelijke onderwerpen introducties kunt vinden.

Het spreekt vanzelf dat ook in andere taalgebieden reeksen bestaan die daarmee vergeleken kunnen worden, ook al zijn die soms beperkter wat de onderwerpen betreft.

Eén van die reeksen is ‘Basiswissen’ van de Duitse linkse en progressieve uitgeverij PapyRossa in Keulen. Uiterlijk lijkt ze nogal op de Franse reeks: boekjes van een 120 bladzijden, waarin door specialisten op een synthetische manier de basiskennis over een bepaald onderwerp uit de doeken wordt gedaan. Die onderwerpen zijn wel veel beperkter van opzet, en omvatten enkel politicologie, economie en sociaal-politieke geschiedenis. Wat toch al heel wat is, want het gaat hier om kennis over onderwerpen die iedereen direct aanbelangen, kennis over datgene wat de polis samenhoudt én verdeelt, over wat de mensen in eerste instantie bezighoudt vooraleer ze zich met andere vakgebieden kunnen bezighouden, en al zeker met specialisaties binnen die vakgebieden.

Vroeger heb ik er al enkele van gelezen, vaak ter opfrissing van zaken die ik in mijn studententijd al gestudeerd had, maar die ik sindsdien uit het oog was verloren of helemaal vergeten. Dat kan.

De schrijvers van de betrokken boekjes zijn altijd mensen met kennis van zaken, maar zoals gezegd moeten ze wel in de linkse en progressieve hoek gezocht worden; die hoek is overigens breed genoeg om plaats te bieden aan vogels van divers links pluimage en zo hoort het ook; echte partijmensen zijn daar niet bij; de boekjes zijn over het algemeen niet enkel zeer instructief, maar ook kritisch, ook tegenover het eigen gedachtegoed. Dogmatisme en orthodoxie zijn ver te zoeken. De auteurs doen altijd hun best om objectief en wetenschappelijk te zijn, zonder zichzelf te verloochenen.

In mijn studententijd heb ik een cursus ‘marxistische economie’ gevolgd bij Ernest Mandel; dat kon normaal gezien niet voor germanisten, maar ik kon de aanvraag zo draaien dat ik het nodig had voor mijn licentiaatsverhandeling over het werk van Louis-Paul Boon. En ik heb die kennis inderdaad daarvoor kunnen gebruiken. Maar Das Kapital had ik eigenlijk eerder al gelezen, net zoals vele andere marxistische geschriften; zo herinner ik me Neokapitalisme van Leo Michielsen, die ik ook nog even als prof heb gehad. En zovele andere boeken.

Veel van de toen geleerde basisbegrippen ben ik in enkele boekjes uit deze reeks terug tegen gekomen, naast andere onderwerpen uiteraard. Ik kan ze aan politicologen enkel maar aanbevelen. Alleen: ze zijn natuurlijk alle in het Duits geschreven, en ik vrees dat dat voor vele hedendaagse studenten – na decennia van georganiseerde decadentie en afbraak van het onderwijs –  te hoog gegrepen is. Mijn kameraden van de toenmalige pol & soc hadden daar veel minder moeite mee, ook al moest er af en toe iets vertaald worden.

Het recentste dat ik van de reeks las, was: Georg Fülberth: Friedrich Engels (PapyRossa Verlag, Köln, 2018). De auteur is emeritus politicologie van de universiteit van Marburg, en is de auteur van heel wat andere deeltjes in de reeks, vaak eerder van economische aard (zo is er een deeltje enkel over Marx’ hoofdwerk) en van andere boeken bij dezelfde uitgever.

Het boekje is duidelijk géén biografie. Ik weet niet eens of er (goede) biografieën van Engels (of van Marx of van Lenin etq) bestaan, ik heb ze in elk geval niet gelezen, ook vroeger niet. Dit boekje bevat wel een biografisch deel (het hele tweede hoofdstuk), maar de nadruk ligt toch uitdrukkelijk op de rol en de betekenis van Engels naast en met Marx. Maar dat alles is uiteraard niet los te zien van de eigenlijke biografie.

Wat de hele communistische wereldbeweging van vroeger, en wat vandaag nog vele communisten ‘vergeten’ is: Friedrich Engels was een doodgewone kapitalist. Hij kwam uit een familie die mede-eigenaar was van de firma Ermen & Engels in – of all places – Manchester. Die firma werkte met katoen, en Friedrich is er zeer lang aan verbonden geweest, tot hij zich terug kon trekken en voortaan verder kon rentenieren van het door zijn arbeiders verdiende en door hem toegeëigende geld. Op die manier onderhield hij ook Marx en zijn familie grotendeels. Het moederbedrijf in Rheinland-Westphalen is op dit ogenblik overigens een industrieel museum.

Wat me verder opvalt is het feit dat zowel Engels als Marx (en later Lenin) ervan uitgingen dat de proletarische revolutie eigenlijk voor de deur stond. Geen kleine vergissing, want het kapitalisme heeft zich tot de dag van vandaag taaier getoond dan wie ook ooit gedacht had toen. En ook de auteur van deze inleiding gaat ervan uit dat het kapitalisme zich wellicht opnieuw zal kunnen aanpassen en omvormen, m.a.w. dat het ook nu nog niet op de mestvaalt van de geschiedenis zal belanden – waar het eigenlijk thuishoort.

Georg Fülberth (Bron Wikipedia)

Maar dat is een ander paar mouwen. En de auteur Georg Fülberth heeft daarover in dezelfde reeks een klein boekje, Kapitalismus geschreven, maar daarnaast ook een veel uitgebreider boek over de geschiedenis van het kapitalisme: G Strich – kleine Geschichte des Kapitalismus. Dat heeft inmiddels al enkele drukken gekend, en terecht. Het weet niet enkel de grondslagen van het kapitalisme raak te schetsen, maar vooral de ontwikkeling die dat systeem doorheen de eeuwen gekend heeft. En nee, hij voorspelt helemaal niets, ook geen einde van het systeem. Daar twijfelt hij zelfs aan.

Wat dat betreft vergist hij zich trouwens, vind ik. Het systeem op zich zou misschien nog wel een lange tijd kunnen voortbestaan, maar wat men gemelijk ‘de opwarming van de aarde’ noemt zal daar waarschijnlijk roet in het eten gooien. Want die kan enkel gestopt worden als de groei stopt, en groei is accumulatie, en accumulatie is de motor van het kapitalisme.

Maar Engels dus. Zijn rol als tweede viool blijkt belangrijker te zijn geweest dan vaak gedacht. Zo zouden de drie delen van Das Kapital waarschijnlijk nooit verschenen zijn zonder zijn toedoen. Maar daarnaast zijn ook zijn eigen werken van zeer groot belang, op de eerste plaats, zo zegt Fülbert, de zgn. Anti-Dühring, een kanjer die later blijkbaar toch een heel klein beetje heeft bijgedragen tot de vorming van een marxistische (later: marxistische-leninistische) doxa; en dit laatste woord kun je in deze context vertalen als ‘verstarring’. Een voorbeeld daarvan is volgens Fülberth de invulling van het begrip ‘plan’. Engels (en Marx) spreken daar expliciet over, maar volgens de auteur was het nooit de bedoeling dat een planbureaucratie zoals in de Sovjet-Unie daarvoor zou zorgen. Ook dat was uiteindelijk een vorm van verstarring met alle nu gekende gevolgen van dien.

Dan doen de Chinezen het inderdaad beter, zoals Brecht voorspelde.

Het belangrijkste werk van Engels is het late Der Ursprung der Familie, des Privateigenthums und des Staats, dat waarschijnlijk ook het eerste boek van Engels geweest is dat ik gelezen heb (in de Nederlandse vertaling verschenen bij Pegasus in Amsterdam); en het is datgene dat me toch het meest beïnvloed heeft én overtuigd wellicht.

Sommigen hebben geprobeerd Marx en Engels tegen elkaar uit te spelen en van Engels een voorloper van het reformisme te maken, maar daar klopt inderdaad weinig van, de laatste geschriften van Engels en zeker zijn briefwisseling met Bebel en andere leiders van de Duitse sociaal-democratie tonen dat wel aan. Iets als ‘Engelsismus’ bestaat niet en heeft nooit bestaan; Marx en Engels waren en zijn een eenheid (in tegenstelling met Lenin en Stalin waar men later ook een dergelijke eenheid van heeft willen maken).

Het voorlaatste hoofdstukje gaat over ‘Engels’ Renegaten’. Dat is natuurlijk wel plezant, want het woord ‘renegaat’ was een van de vele scheldwoorden in het marxistisch-leninistische woordenboek. Maar dat soort renegatendom is wel begrijpelijk: wanneer je merkt dat je verwachtingen in een zeer verre toekomst liggen kun je twee dingen doen: ofwel verzaken, ofwel je verwachtingen bijstellen tot die van de dag. Dat betekent nog helemaal niet dat je de weg moet opgaan van een Doriot of een De Man. Als ik kijk hoevelen er indertijd in of rond MLB georganiseerd waren en hoevelen daarvan zijn overgebleven, dan zie ik er maar één: Wiebe.

De individuen zijn vervangen of verdwenen; maar de beweging zelf is voortgegaan, heeft zich met andere individuen vernieuwd en veranderd. Niet iedereen heet Friedrich Engels of Karl Marx.

°°°

Van een heel andere orde is in dezelfde reeks een boekje over Rassismus und Antirassismus van Wulf D. Hund, ook al een emeritus, in de sociologie aan de universiteit van Hamburg.

Het is een boekje dat inderdaad zéér synthetisch is; daardoor heb ik er ook zeer veel uit geleerd, ondanks het feit dat ik het met zijn basisuitgangspunten volkomen oneens ben. Men kan al wel raden wat die uitgangspunten zijn: op de eerste plaats een totale uitbreiding van het begrip ‘racisme’, met de neiging om werkelijk alles daaronder te laten vallen; en daarnaast een in mijn ogen even ongeoorloofde vermenging en verwisseling van discriminatie enerzijds en racisme anderzijds.

Maar misschien is dat nog niets vergeleken met het effect dat dit boekje op mij had: door de bijna extreem doorgedreven nuanceringen, waardoor alles en niets racisme is, waardoor antiracisme vaak een vorm van racisme is en omgekeerd, krijg ik de neiging om me met dat probleem totaal niet meer te bemoeien, omdat je hoe dan ook niets goed kunt doen en altijd terechte of onterechte verwijten naar je kop krijgt. Nochtans weet de auteur best waarover hij het heeft, want hij is een van de betere Europese specialisten op het gebied van racismeonderzoek; het boekje is dikker dan doorsneedeeltjes in de reeks, en dat komt vooral door de zeer uitgebreide bibliografie achteraan. Mensen die zich op een wetenschappelijke manier, aan een universiteit, willen bezighouden met de theorievorming rond racisme en antiracisme moeten, zo zou ik zeggen, hiermee beginnen; activisten kunnen het beter links laten liggen.

Buiten woord vooraf en inleiding omvat het boekje amper vier hoofdstukken, maar die zijn wel zeer gecomprimeerd en omvatten eigenlijk in nuce de hele problematiek waarover het gaat, alsmede de geschiedenis ervan, te beginnen bij de oude Grieken.

Het eerste hoofdstuk gaat over racisme als een vorm van sociale verhouding; zijn kernpunt – voor zover ik het zie – is dat racisme altijd een construct is, dat als uitgesproken of onuitgesproken ‘bedoeling’ heeft werkelijke tegenstellingen in de maatschappij te verdoezelen; en die tegenstellingen zijn dan van sociaal-economische aard. Het is eigenlijk wat alle activisten zeggen, en wat voor psychologen vanzelfsprekend is: door een categorie van ‘anderen’ te creëren wordt tussen ‘ons’ een corporatistische samenhang geschapen die er in feite niet is. Dat is juist, maar ik heb de indruk dat hij dat niet voldoende, of niet duidelijk genoeg uitwerkt, zeker niet in het laatste hoofdstuk – over antiracisme – waar je dat toch zou mogen verwachten. In de plaats krijg je daar een warboel die neerkomt op de evocatie van de strijd van allen tegen allen, want allen zijn in het bezit van het grote antiracistische gelijk.

Misschien is dat ook wel zo.

De twee tussenliggende hoofdstukken zijn dan in elk geval heel wat instructiever. Hoofdstuk twee handelt over vormen van racistische discriminatie. Deze titel wijst al op een van de twee grote fouten die ik in het begin vermeldde. Racisme is geen discriminatie, maar wel een van de oorzaken van discriminatie. Naast vele andere oorzaken. Ze vallen dus hoegenaamd niet samen. In de wetten die sinds enkele decennia in West-Europa uitgevaardigd werden tegen discriminatie komt dat overigens duidelijk tot uiting, zo heet het bv. in artikel 1 van de Nederlandse grondwet: “Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan”.

Dit tweede hoofdstuk gaat in op zes verschillende vormen waaronder ‘racisme’ zich volgens Hund in de geschiedenis heeft voorgedaan: cultuur versus barbarendom, zuiver tegenover onzuiver, uitverkorenen en verdoemden, geciviliseerden en wilden, blanken en kleurlingen, volwaardigen en minderwaardigen. De auteur toont goed aan hoe deze verschillende tegenstellingen zich opvolgden in de tijd, maar daarbij ook als het ware in elkaar vloeiden, en tot op de dag van vandaag vaak bleven voortbestaan, al dan niet op een aangepaste manier. Daarbij gaat hij duidelijk anachronistisch te werk. Hij stelt zelf dat vóór de achttiende eeuw ‘racisme’ als concept niet bestond, maar hij past het wel toe. Wetenschappelijk gezien kan dat niet.

Het probleem is dat veel van deze zaken direct gelinkt zijn aan discriminatie, maar met racisme niets of weinig te maken hebben. De ‘zuiveren’ (Katharen) en de ‘uitverkorenen’ (Christenen of Joden) zijn duidelijk godsdienstige categorieën. Je kunt op basis daarvan discrimineren – wat ook gebeurde en gebeurt – maar met racisme heeft dat niets te maken. Niet elke discriminatie is racistisch. De laatste categorie bv. zou best eerder op gehandicapten kunnen slaan, die evenmin een ras vormen. Op p. 40 citeert hij een uitspraak van Khomeini volgens dewelke het hele lichaam van een ongelovige (en dus niet enkel de uitscheidingen en afscheidingen) onrein is, per definitie. Dat zegt veel over de zieke geest die Khomeini was, maar is geen racisme. Maar hij geeft wel toe, dat wat dit alles betreft er nergens onder de vorsers op dit gebied overeenstemming te vinden is.

Belangrijk in dit hoofdstuk is ook zijn kritiek, niet op de Verlichting zelf, maar op het misbruik dat ervan wordt gemaakt (p. 54 e.v.). Hier was ik even verbijsterd, want wat blijkt: één van de grondleggers van het racisme zoals het tot in de 20ste eeuw bleef bestaan was Immanuel Kant, éen van de grondleggers van de Verlichting (het is zijn definitie van Verlichting die het vaakst wordt aangehaald). De idee dat rassen eigenlijk niet zouden bestaan (een idee van Herder, reeds) noemt hij naïef, waar ik in kan komen, maar hij stelt wel niets in de plaats. In hoeverre mag je nog verschillen vaststellen? En in hoeverre mag je je daarop steunen, en op welke wijze, om actie te voeren?

Grüne Bildungswerkstatt (GBW) Wenen – Voordracht van socioloog en racisme-onderzoeker Wulf D. Hund op 3 juni 2014.

Het derde hoofdstuk is in zekere zin een spiegel van het tweede. ‘Rassismen made in Germany’ heet het, maar ook al ligt de nadruk zoals uit de titel blijkt, op Duitsland en zijn geschiedenis, toch kun je heel veel daarvan extrapoleren naar andere landen. De auteur spreekt hier wel zichzelf tegen. Hij stelt het hele boek door dat racisme een construct is, dat groepen tot ‘ras’ gemaakt worden. In zekere zin klopt dat natuurlijk, en het beste kun je dat aflezen aan de geschiedenis van het antisemitisme; dat was tot grosso modo einde 19de eeuw antijudaïsme, een puur godsdienstig iets dus; pas met het opkomen van de nationale staten en dito nationalismen werd van de joden een ras gemaakt; dat culmineerde in het nationaal-socialisme.

Maar met de islam, dat hij vlak na dat antisemitisme behandelt, gebeurt dat duidelijk niet. Islamofobie (een woord dat hij overigens niet gebruikt) heeft wel met culturele en godsdienstige onderscheiden te maken, maar is geen racisme. Blijkbaar weegt hier de politieke correctheid, ook van emeriti door. Hetzelfde geldt trouwens wanneer hij de neiging vertoont antizionisme gelijk te stellen met antisemitisme (p. 70), ofschoon dat tezelfdertijd aanleiding geeft tot een niet door hem en volgens mij tot nog toe door niemand duidelijk beantwoorde vraag: “Damit verbunden ist ein weiteres Problem, das sich allgemein in die Frage fassen lässt, ob jemand sowohl rassistisch diskriminiert werden als auch selbst Rassist sein kann.” (p. 70)

Typisch Duits lijkt me inderdaad het antislavisch ‘racisme’ waar de volgende afdeling over gaat. En één voorbeeld van hoe dit vooroordeel (eerder dan racisme) na de oorlog werd overgenomen door ‘democratische’ Duitse politiekers en veranderd in anticommunistische vooroordelen is wel genoeg. Net zoals de houding tegenover de Zigeuners (Roma en Sinti); de hoogste Duitse rechtbank, vergelijkbaar met ons Hof van Cassatie, wees in 1956 een eis tot schadevergoeding wegens racistische vervolging af: “Seiner Auffassung nach hätte bei der Verfolgung ‘nicht die Rasse als solche’ im Vordergrund gestanden, sondern die ‘asozialen Eigenschaften der Zigeuner’: das ‘höchste deutsche Gericht […] erklärte die Sinti und Roma samt und sonders für ‘asozial’ und ‘hielt es’, wie Wippermann (2005b, 447) es formuliert hat, für ‘rechtens’ ‘Asoziale’ in Konzentrationslager zu deportieren.” (p. 92) Het is al vaker gezegd: in Duitsland bestaat enerzijds nazisme en anderzijds democratisch nazisme en het ene kan zonder problemen van het ene ogenblik op het andere in het andere overgaan en omgekeerd.

De laatste twee afdelingen gaan over koloniaal racisme en eugenetisch racisme. Het spreekt vanzelf dat racisme hier een grote rol speelt, maar naast andere aspecten, die niet noodzakelijkerwijze met racisme te doen hebben (‘lebensunwertes Leben’). Het staat eenieder vrij om alle oorzaken van discriminatie terug te voeren tot één enkele oorzaak en die dan ‘racisme’ te noemen, maar ten eerste moet je dat dan expliciet zeggen, en ten tweede brengt dat waarschijnlijk niets bij.

In de wetten tegen discriminatie die ik vernoemde komt trouwens ook ‘geslacht’ voor als discriminatiecategorie. Waarom dat dan ook niet onder ‘racisme’ gerangschikt? Maar het komt op geen enkele manier voor in dit boekje. Dat ik toch wel graag gelezen heb, want het zet hoe dan ook aan tot nadenken.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.