Moordballaden

| Geen reacties

Ik kan me vergissen, maar ik dacht dat enkel in het Engels zoiets als een ‘murder ballad’ bestaat, een subgenre van de algemene literaire balladevorm. Dat belet overigens helemaal niet dat dit subgenre ook in andere literaturen de facto aanwezig is. Dat is het zeer zeker wel. Alleen krijgt het soms gewoon andere namen: ‘Moritat’ in het Duits bv. duidt zo’n moordballade aan. Het meeste bekende voorbeeld ervan is wellicht de ‘Moritat von Mackie Messer’ van Brecht en Weil.

Het wordt meestal gezien als een gezongen iets, een lied. Zo wordt in het Nederlands het verhaal van Heer Halewijn meestal aangeduid als het ‘Lied van Heer Halewijn’. Maar elders wordt het even duidelijk een ‘ballad’ genoemd. Het begrip ‘lied’ is natuurlijk breder, maar een ballade valt er wel degelijk onder.

Formele kenmerken zijn er weinig: het moet een strofisch gedicht zijn, meestal met strofen van acht of vier verzen; maar ook van twee, zoals Halewijn; waarbij wel in het oog gehouden moet worden, dat die acht gemakkelijk door twee gedeeld kunnen worden, en die twee (in dat geval zijn de verzen meestal langer) even gemakkelijk gesplitst kunnen worden tot vier verzen, zodat we telkens vier verzen per strofe hebben. En tenslotte moet het een verhalend gedicht zijn, het behoort dus tot de epiek en duidelijk niet tot de lyriek; enkel met de dramatiek zijn kleine overlappingen mogelijk, omdat in sommige ballades inderdaad een vraag- en antwoordspel optreedt tussen verschillende personages: ook dat vinden we terug in Heer Halewijn.

Over het begrip ‘ballade’ bestond er een inleiding van de hand van Gottfried Weissert, in de reeks ‘Realienbücher für Germanisten’ van het Verlag J.B. Metzler. De reeks is nog te verkrijgen bij uitgeverij Springer (via amazon.de). De boekjes bevatten synthetische maar zeer degelijke inleidingen tot hun onderwerp, mét een uitgebreide bibliografie voor degenen die verder wil studeren. Je kunt het vergelijken met de Franse reeks ‘Que sais-je?’, maar met dien verstande dat de Franse titels heeft over omzeggens alle gebieden van wetenschap.

Rekening houdend met deze vormaspecten kan je vaststellen dat in het boekje Moordballaden, op ware moorden gebaseerde gedichten, samengesteld door Bart FM Droog (Uitgeverij Vliedorp, Houwerzijl, 2017) geen enkele echte ballade voorkomt, en slechts enkele gedichten die met heuse ballades enige kleine verwantschap vertonen.

Ze hebben met zgn. ‘moordballades’ dus enkel het onderwerp gemeen, niet de vorm. Voor de rest zegt dat overigens helemaal niets over de kwaliteit van de door Bart Droog opgenomen gedichten. Zoals steeds bij dergelijke thematische bloemlezingen varieert die nogal – hetgeen ook bij andere bloemlezingen zo is.

De bloemlezing bevat gedichten van 45 deelnemers, en het overgrote merendeel ervan zijn me totaal onbekend. Dat ligt natuurlijk aan mij: ik volg de actualiteit van de poëzie niet meer op de voet. De gedichten zijn chronologisch gerangschikt, volgens de datum van de moord waarover ze het hebben: van 5 juni 754 tot 29 december 2011. Een extreem lange periode dus, maar het overgrote deel ervan heeft wel betrekking op moorden vanaf de 20ste eeuw. Klassieke ballades, die als genre vooral met de romantiek in verband worden gebracht, in alle Europese talen trouwens, zoek je dus tevergeefs; evenals andere bekende ballades trouwens van min of meer bekende auteurs. Laat me slechts één voorbeeld noemen, dat me nu te binnen schiet omdat ik het als tiener uit het hoofd heb moeten leren: de ‘Ballade van Mac Baine’ van Ben van Eysselsteijn’. Die ballade nam overigens de vorm aan van een refrein, mét aanroeping van de ‘prince’ boven de laatste strofe – een écht vaste vorm heeft de ballade niet.

Misschien het bekendste voorbeeld van balladeliteratuur in de Nederlandse letteren zijn de Kennemerland balladen van W.J. Hofdijk, uit het midden van de 19de eeuw, in volle romantiek dus. Het zijn echt klassieke voorbeelden van het genre, waaraan je zowel de verschillende vormen kunt aflezen als de onderwerpen; ik vermoed trouwens dat er ook moordballades bij zijn, maar om daarvan zeker te zijn zou ik ze moeten herlezen. Ook al zijn er varianten in het aantal verzen, in strofebouw, in de lengte van de verzen, toch zijn de verschillen eerder klein.

Zeker vergeleken met de bloemlezing van Bart Droog, waarin van een vaste vorm helemaal geen sprake is. Maar dat hoeft ook niet. Het enige criterium dat altijd van toepassing hoort te zijn is, zo dunkt me, het verhalende karakter. Daarbij is dus een verteller aanwezig, maar die blijft mooi neutraal op de achtergrond, anders vloeit het gedicht al snel over naar de lyriek. En dat gebeurt in deze bundel wel vaak. Een voorbeeld over de moord op Willem van Oranje in 1584:

“BALTHAZAR G.

Hij wou geen maagden in een paradijs
Wel adeldom en een groot geldbedrag
Daarnaast moest hij aan nog iets groters denken
Het ging om roem en glorie en ontzag
En om de aandacht die men hem zou schenken
Hij was geen onbenul; hij telde mee!

Te lang al had hij zich diep laten krenken!
Zo’n type dus, net als die Mohammed B.:
Geloof, gepaard met hevig niet goed wijs
Al gaat de vergelijking verder mank:
De Prins had niets van Pim weg, godzijdank” (p.14)

Het gedicht is van ene Jaap van den Born, die mij verder onbekend is. Een verhalend gedicht heeft hij niet geschreven; de feiten worden weliswaar vermeld, maar niet verteld; de psychologie van de dader is het eigenlijke onderwerp van dit gedicht. Boeiend is wel hoe de dichter beide moorden met elkaar verbindt. En wat het gedicht in mijn ogen tot een goed gedicht maakt, is het laatste vers, met zijn dubbelzinnigheid.

Een ander goed gedicht, maar te lang om te citeren, is ‘EN IK’ (pp. 29-32) van een mij al even onbekende Lianne van Gemert. Dit heeft wel degelijk raaklijnen met de klassieke ballade: er is een verhaal, maar dat zeer synthetisch, in korte verzen verteld wordt, en dat wordt afgewisseld door een soort refrein, waarin de vertelster zelf als ‘ik’ optreedt. Zij maakte dus deel uit van het verhaal.

Ook het gedicht van samensteller Bart Droog behoort tot de betere van de bundel: ‘ZOVEEL MEER’ heet het, en er treedt een ik/wij in dialoog met anderen en met de aangehaalde, maar niet vertelde feiten. Het gedicht van Ruben van Gogh is eveneens meer empathische inleving dan verhaal. En hetzelfde kan gezegd worden van dit gedicht van Wim van Til, mij eveneens onbekend, die zich zeer goed weet in te leven in de psyche van de dader zelf:

“(-)

Ze was nooit van mij geweest als niet het lot
mij woorden in de handen dreef, mijn god, wat
stond mij hier te wachten op het pad en waar
moest ik nog schuilen om gevaar te weren
zij was daar, ik was daar, een offer meer en minder
zij sprak mij aan, haar stem als van een kind, er welde
een lust in mij dat wachtte op haar bevel, de woorden
die ik zocht, zag ik, zongen uit haar keel, ik hoorde niet, ik
zag haar zinnen zich verzetten en met een knik sprak
zij mij aan, nog eens en weer, er stak in mij een vuur,
en ongeremd verklankte ik haar keel, het uur sloeg twee,
de zon scheen, zwakke wind van zee, het woord
in mijn handen knapte, haar keel sloot alles af, ik bracht
haar thuis, althans een eind op weg, het Zuiderkruis.” (p. 60)

‘Woord’-‘moord’: er is slechts een letter verschil; ook daarop speelt de dichter, alsmede – in bredere zin – met het verband tussen feiten en woorden, werkelijkheid en verhaal, werkelijkheid en waan. Het enige dat ik in dit gedicht niet begrijp is de verwijzing in het laatste vers naar het Zuiderkruis. Tenzij het een metafoor zou zijn en naar de hemel of het hiernamaals zou verwijzen.

Het is niet mogelijk uiteraard alle gedichten uit deze anthologie aan te halen, maar eentje, een kort wil ik toch nog citeren. VLEESPRIKBORD van Diana Ozon heeft nog veel minder van de ballade dan de meeste andere gedichten; maar Ozon is een podiumbeest, iemand die haar teksten liever op een podium brengt dan ze te publiceren (dit laatste doet ze overigens ook). Het is ook binnen deze bundel een gedicht met een heel eigen stijl, en het doet een beetje aan rap denken, of andere ritmische voordrachtwijzen. Dat maakt het ook al uniek in deze bloemlezing. Het gedicht gaat over de moord op Theo van Gogh:

“Vrije woord
haatrapmoord
in de goot

Lichaamstaal
spreekt het laatst
van de straat

Vlijmscherp mes
botte pen
vermoord mens

De film stopt
een gat brandt
naar het licht” (p. 72)

In al zijn strenge beknoptheid vind ik ook dit een goed gedicht; het verhalende element is er nog, maar tot een absoluut minimum beperkt, en waarschijnlijk enkel nog duidbaar omdat je weet hebt van wie Van Gogh was en hoe hij aan zijn einde is gekomen: doordat zijn lijf door de dader gebruikt werd als een vleesprikbord om zijn messen kwijt te raken. Cru beeld? Nee, eerder een exact beeld, en dat ook aangeeft hoe moslimextremisten kafirs zien.

Het is dus al bij al, en ook al beantwoorden de gedichten meestal niet aan de globale titel, een mooie bloemlezing geworden, die ik graag las. Bart FM Droog zorgde voor een beknopte inleiding, die soms wel een beetje ironisch overkomt – wat geen bezwaar is en dus geen kritiek inhoudt. En de gedichten worden gevolgd door beknopte toelichtingen erbij, en door een korte bibliografie.

Je kunt de bundel in de winkel kopen, maar hem ook hier gratis bekijken en als pdf-bestand downloaden.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


tien + 20 =