Hendrik Conscience

| Geen reacties

Een kanjer van jewelste is het, dat boek over Hendrik Conscience waar ik het vandaag even over wil hebben. De grote onleesbare, Hendrik Conscience herdacht (Academia Press, Gent, 2016), zo heet de reader die door Kris Humbeeck, Kevin Absillis en nog enkele anderen werd samengesteld over ‘de man die zijn volk leerde lezen’. Deze overjaarse slogan komt in haast elk opstel in deze bundel een of enkele malen terug, en ik vermoed dat daarin de hand van de eerste samensteller, Humbeeck, te vinden is; ook op zo’n manier zorg je immers voor eenheid in een verder nogal disparate bundeling. Ik kan me voorstellen dat de meester van de ceremonie gewoon aan de deelnemers gesuggereerd heeft om toch minstens één keer in hun tekst die slogan te gebruiken. En als dat niet zo gebeurd is, dan is het in elk geval een mooi toeval.

Zelf moet ik Conscience gelezen hebben tussen mijn tiende en mijn vijftiende. Vroeger kan ik me moeilijk voorstellen, en na mijn vijftiende las ik al andere dingen. Die boeken waren aanwezig bij een buurvrouw; haar (bastaard)zoon, die rond september 1944 hals-over-kop naar Brussel vluchten moest, had ze daar achtergelaten. Hoeveel het er waren weet ik niet meer; zeker tussen de tien en de twintig en alle in oude uitgaven (nog 19de-eeuwse?) mét de afbeeldingen uit die tijd. Veel herinner ik me er overigens niet van, enkel dat ik blijkbaar geen enkele moeite had om ze te lezen, en zelfs dat ze mij aanspraken (dat zal wel niet met alle het geval zijn geweest, maar toch met vele blijkbaar). Onleesbaar was hij voor mij dus helemaal niet.

Sindsdien heb ik nooit meer iets van Conscience gelezen.

Het boek begint met een lange inleiding van meer dan honderd bladzijden. Daarin wordt vooral de receptiegeschiedenis van Conscience en zijn werk behandeld, vanaf het begin tot aan het voorliggende boek. Ofschoon er twee auteursnamen bij staan, heb ik toch de indruk dat deze inleiding vooral uit de pen van Humbeeck komt; de snelle, vlotte, soms ironische stijl – die loopt als een trein, kun je zeggen – lijkt me daarop te wijzen. Het is zeer interessant te zien hoe Humbeeck een stof, die bij anderen wel saai zou blijven, zeker gelet op het onderwerp, zeer boeiend kan maken.

En je leert er op die manier ook heel wat van. Zo heb ik nooit geweten hoe belangrijk Conscience was op Europees vlak, ja, dat er in Frankrijk zelfs een verzameld werk van hem verscheen in het Frans. Het tweede deel van het boek bevat één opstel dat op dit aspect gedetailleerder ingaat, met name op de receptie van Conscience, via Duitsland, in Tsjechoslowakije.

Er zijn in deze inleiding wel enkele kleine foutjes op te merken: zo was Céline géén lid van de PCF, zoals op p. 65 waarschijnlijk door een stilistische onnauwkeurigheid gesuggereerd wordt; en de laïciteit in Frankrijk vloeit voort uit de wet op de scheiding van kerk en staat uit 1905: voordien was dat probleem er dus niet (p. 165).

Daarnaast heb ik nog enkele andere, belangrijkere opmerkingen.

Voor wat de leesbaarheid van Conscience betreft, wordt nooit expliciet en uitgebreid verwezen naar de vele taal- en spellingsveranderingen die sinds de 19de eeuw in het Nederlands plaatsvonden, en die ervoor zorgden dat quasi alle oudere teksten in het Nederlands, zeker die uit de 19de eeuw, moeilijk leesbaar geworden zijn, toch voor de doorsnee lezer. Vergelijk met Balzac: je zult natuurlijk veel meer de imparfait du subjonctif bij hem tegenkomen dan bij hedendaagse schrijvers, maar voor de rest is zijn taal quasi gelijk aan die van vandaag. Hetzelfde geldt voor Engelse of Duitse schrijvers. Dat is een heuse handicap van het Nederlands, zeker voor hen die Nederlands als een vreemde taal aanleren.

Humbeeck – want dat komt heel zeker uit zijn pen – speelt ook Filip de Pillecijn uit tegen Gerard Walschap, als zijnde de nationaal-socialist tegen de humanist. Dat is natuurlijk veel te kort door de bocht. Nergens wijst Humbeeck op de verwantschap tussen Houtekiet en de roman waar de zelfverklaarde nationaal-socialist Knut Hamsun de Nobelprijs mee haalde: Hoe het groeide, zo werd die in het Nederlands vertaald. Waarbij ook opvalt dat Houtekiet een leidersfiguur is (‘Führer’ in het Duits), terwijl de protagonisten in de meeste werken van De Pillecijn dat helemaal niet zijn; dat zijn eerder gewone mensen.

Maar soit. Plezanter zijn de uitweidingen over het onnozele kieken, ofte de minkukel die Geert van Istendael heet, en die het blijkbaar bestond een lezing te houden over Conscience in het Consciencejaar 2012 (tweehonderd jaar na de geboorte, honderd jaar na de grote Consciencefeesten in Antwerpen) zonder Conscience gelezen te hebben, en die dat ook nog toegaf. En die tezelfdertijd, zoals de eerste de beste Taliban, er ook voor pleitte het standbeeld van Conscience op het Conscienceplein alhier – nee, niet op te blazen, gewoon te ‘verwijderen’ en te ‘vervangen’. Wat is Humbeeck braaf als hij voor dit heerschap enkel dit overheeft: “Voor een kampioen volksverheffing als Geert van Istendael, die in zijn lezing aangeeft Bavo en Lieveken te kennen, valt Consciences maatschappelijke engagement natuurlijk te licht uit.” (p. 95)

De conclusie die Humbeeck en Absillis trekken uit dit overzicht van bijna tweehonderd jaar Consciencereceptie is wel duidelijk:

“Ook wij zijn ervan overtuigd dat de literaire bewaardatum van Conscience overschreden is. De kans is gering dat zijn werk – evenals dat van zovele andere ooit geconsacreerde Vlaamse schrijvers, van Gezelle, Streuvels en Teirlinck via Claes, Gijsen en Walschap tot Ward Ruyslinck, Hugo Raes en Ivo Michiels – in de toekomst nog door veel niet-professionals zal worden gelezen. Maar dit betekent nog niet dat het oeuvre van Conscience niet modern is en ons niets te vertellen heeft over de manier waarop wij, meer dan twee eeuwen na de geboorte van de schrijver, onszelf op de een of andere manier modern blijven voelen.” (p.101)

Hier hadden de samenstellers toch even van de gelegenheid gebruik moeten maken, vind ik, om aan te geven hoe dat zo komt, en waarom dat in Frankrijk, Duitsland, Engeland (en waarschijnlijk evenzeer in andere landen) niet zo opvallend gebeurt. Natuurlijk zijn dat grotere naties, maar juist daarom zou de overheid bij ons een rol moeten spelen: een reeks als de Pléiade is ook in de Nederlanden mogelijk, maar enkel gesubsidieerd. Maar daartoe zouden de Nederlanden een cultuurnatie moeten zijn, en dat is niet het geval; enkel de drastische besparingen op alle vormen van cultuur van de regering Rutte in Nederland bewijst dat al. Maar de echte Taliban doen het inderdaad beter.

En of die bewaardatum echt overschreden is, weet ik nog zo niet. Ik heb me in elk geval voorgenomen het eens te proberen, met een novelle, waarvan de titel inmiddels een spreekwoordelijk geworden type aanduidt (ik heb het zelf ooit nog in een gedicht gebruikt): Baes Gansendonck (de 19de-eeuwse uitgave uiteraard). Ik zal er hier wellicht over berichten.

De rest van het boek bevat dus afzonderlijke opstellen over afzonderlijke aspecten van het leven en/of het werk van Conscience. Daarbij worden drie romans in afzonderlijke opstellen behandeld, nl. twee bekende historische romans, De Kerels van Vlaanderen en De Boerenkryg, en dan nog een moderne roman, Felix Roobeek. Die opstellen zijn respectievelijk van de hand van Kris Humbeeck, Kevin Absillis en Paul Pelckmans. Het zijn misschien de drie belangrijkste opstellen in het tweede deel van het boek, omdat ze de tekst van de romans benaderen op een literatuursociologische manier, die wel een beetje doet denken aan de manier van Lucien Goldmann, maar zonder diens marxistische context. Zij brengen de tekst dus op de eerste plaats in verband met contemporaine gebeurtenissen uit de tijd van Conscience, maar soms ook met latere gebeurtenissen. Humbeeck doet dat in een brief aan Conscience, en hij eindigt met uithalen naar ‘Albrecht Rodenbach of godbetert Cyriel Verschaeve’ (p.171) Daarmee verwerpt hij al de recuperatie van Conscience door de zgn. ‘Vlaamse Beweging’. Absillis gaat daarin nog verder, door te pogen Conscience te zuiveren van enkele blamen die hij dankzij die ‘beweging’ meetorst: racisme en alle andere vormen van reactionair denken zoals ze geïncarneerd zijn in de Nationaal-Liberalistische Partij, ook wel zwarte partij genoemd. Dat zijn woorden van mij, niet van Absillis.

Het opstel van Pelckmans past daar goed bij, want hij behandelt een uitgesproken contemporaine roman van Conscience, waarin het gaat over malversaties aan de beurs en zo. De auteur had daarbij een uitgebreidere vergelijking kunnen maken met bepaalde romans uit Frankrijk, met name L’Argent van Zola, dat rond dezelfde tijd verscheen en eveneens een kritiek op het kapitalisme inhield, maar dan wel veel scherper dan bij Conscience – die toch altijd weer braaf blijft.

Andere opstellen gaan over andere zaken dan specifieke romans, maar zijn wel even leerzaam. Zo wist ik helemaal niet dat Eekhoud Conscience bewonderde en over hem geschreven had; heel veel hadden ze volgens mij toch niet gemeen, behalve wellicht de liefde voor de Kempen. Het opstel over Theodoor van Rijswyck en Conscience bewijst dat ook toen al scherpe concurrentie en jaloezie heerste tussen schrijvers, wat overigens ook vriendschap niet uitsloot (men denke een eeuw later aan Claus en Boon). Ook de vele verfilmingen van het werk van Conscience komen aan bod, evenals zijn operalibretto’s en zijn pogingen om in Nederland door te breken. En een mooi opstel van Hans van de Voorde over het café bij Conscience en in diens tijd.

Het is eigenlijk te veel om op te noemen, en daar komt dan nog bij dat er geen enkel opstel instaat dat ik minder vind, of dat me verveeld zou hebben. Een volgehouden kwaliteit. Waarbij nog komt dat het boek doorgaand ruim geïllustreerd is, ook met illustraties uit de oorspronkelijke 19de-eeuwse uitgaven.

Een schitterende reader kortom, en die je bijna zin zou doen krijgen om Conscience opnieuw te gaan lezen. Maar bij die ene novelle (twee à drie uurtjes lectuur) die ik hierboven vermeldde, zal het in dat geval wel blijven.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


1 × twee =