Campert als propagandist en Perquin bij de plietsie

| Geen reacties

Remco Campert is met zijn 88 lentes de laatste overlevende van de Vijftigers. Enige eenheid was er in die groep amper te bespeuren, daar zijn de meeste critici het wel over eens. Leg gewoon het werk van Campert naast dat van Lucebert. Dat heeft hen uiteraard niet belet steeds vrienden te blijven, bij beiderzijds leven en welzijn.

Van Lucebert is geweten dat hij z’n leven lang ‘geëngageerd’ was als dichter, d.w.z. dat hij zich direct betrokken voelde bij de polis en ook met de ‘condition humaine’ in al zijn, vooral negatieve en bittere, aspecten.

Dat negatieve en die bitterheid zijn bij Campert steeds afwezig geweest, tot op de dag van vandaag. Waarschijnlijk heeft dat te maken met een zeker amoralisme (vooral in sommige prozaboeken) en met een lichtheid en daarmee gepaard gaande relativiteitszin, die inderdaad typisch zijn voor hem en zijn werk. Misschien heeft ook zijn herkenbare parlandostijl daarmee te maken.

Maar de achterflap van Camperts recentste dichtbundel, Open Ogen (Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 2018) doet het voorkomen alsof enige vorm van engagement nieuw zou zijn in het werk van Campert, en dat hij nu voor het eerst ‘scherven van de wereld (opraapt) en (omsmelt) tot taal’. Dat klopt natuurlijk langs geen kanten, want ook Campert heeft vanaf het begin van zijn optreden fragmenten van de werkelijkheid in zijn werk op een kritische wijze binnengebracht (men denke alleen al maar aan de titel Berchtesgaden); maar evenmin als Lucebert of de anderen heeft hij zich ooit bezondigd aan partijlyriek. Dat kon ook moeilijk gelet op de context waarin hij schreef (het grootste deel van zijn werk, – en dat van de andere Vijftigers – viel samen met de lange naoorlogse Kondratiëff, maar ook nog deels met het extremistische neoliberalisme, dat wellicht een even lange of langere neerwaartse Kondratiëff inhoudt).

In die bundel komt o.m. het volgende gedicht voor:

“Aleppo

Terwijl in Aleppo bommen
vrouwen doden, kinderen
en hulpverlenende mannen
terwijl stofwolken kelen smoren
huizen neerstorten op rebelse mensen
straaljagers gieren door de lucht

leeft de bedrijver van massamoord voort
Assad is zijn naam
hij spreekt netjes Engels
en knielt in de Moskee voor Allah
heilig tot op het bot” (p.41)

Dit is een slecht gedicht, in mijn ogen zelfs een walgelijk gedicht, omdat het niets meer is dan de weergave van de dagelijkse portie propaganda die Campert uit de geschreven en beeldende mainstream-media van het Westen gehaald heeft. Of je het nou gelooft of niet, maar wat buitenlandse berichtgeving betreft is er in Nederland en Vlaanderen geen enkel dagblad of weekblad (ook bv. een blad als De groene Amsterdammer niet, dat zichzelf nog altijd o zo progressief vindt), en geen enkele televisie- of radiozender die iets anders uitzendt of laat lezen dan propaganda. In het geval van Syrië zou dat inmiddels voor iedereen duidelijk moeten zijn.

Enkele dagen geleden op het VRT-nieuws: een nieuwe aanval met gifgas op onschuldige burgers door het leger van Assad. Beelden van gewonde peuters op draagberries (dat verkoopt natuurlijk goed). Maar verder niets meer van gehoord, niet in andere mainstream-media, niet in buitenlandse media, en evenmin in neutrale media. Een hoax dus. Maar een bericht dat het niet klopte is nooit uitgezonden natuurlijk. Kwestie misschien om Campert toe te laten nog een ‘gedicht’ te maken. Want het is duidelijk: wat hierboven als ‘poëzie’ gepresenteerd wordt, is enkel papegaaienwerk: Campert heeft in de dagbladen gelezen en op teevee gehoord dat Assad zijn volk probeert uit te roeien en hij produceert die rabiate onzin verder zonder ook meer éen enkele eigen gedachte, zonder ook maar éen enkele poging tot kritische (zelf)reflectie.

Er staan er zo nog meer in de bundel: nog één waar Assad eveneens genoemd wordt, en één waarin Orban op dezelfde negatieve manier genoemd wordt. In diezelfde pers is Orban natuurlijk ook een gebeten hond, net zoals de Polen trouwens.

Maar het eerste gedicht van de bundel heet Zaventem en gaat uiteraard over de aanslag aldaar. Zoals een ander over de aanslag in de dancing Bataclan gaat. Maar ziet Campert dan niet in dat degenen die die aanslagen hier plegen exact dezelfde onbenullen zijn die in Syrië gingen vechten tégen Assad?? Wat je over deze laatste en zijn regime verder ook mag denken: van alle regimes in het Midden-Oosten was het gewoon het liberaalste en het seculierste regime. Wat Campert eigenlijk doet is de moordenaarsbendes steunen, die door het Westen direct of indirect zijn opgericht, betaald en bewapend.

Dergelijke prietpraat verkopen als ‘poëzie’ stuit me eigenlijk zo zeer tegen de borst, dat ook de rest van de bundel me begint tegen te zitten. Die rest gaat over oorlogsherinneringen, over de rol en de betekenis van poëzie, er zijn enkele in memoriams enz. En ook de dood is een constante in deze bundel, wat niet verwondert natuurlijk. Campert schreef ook vroeger al grotendeels parlando, ik heb het zonet al gezegd. Maar hier gaat hij (door onkunde?) nog verder: veel meer dan losse notities zijn het niet meer; door een grijsaard op een kalenderblaadje genoteerd. Beeldspraak, klankeffecten, retorische figuren enz., ze zijn quasi volledig afwezig.

Als het niet van Remco Campert maar van Jos van Zeveneken was geweest zou geen enkele uitgever dit hebben gepubliceerd.

°°°

Veel beter van kwaliteit, maar even bizar voor de rest is de recentste publicatie van Ester Naomi Perquin: Lange Armen, gedichten over de politie (Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2018). Er staat zelfs een woord vooraf in van iemand die tekent als ‘Erik Akerboom, politiemens, korpschef’ (sic!).  Iets dergelijks verwacht ik van regimes die over het algemeen als dictatoriaal of totalitair gekenschetst worden door wat dan, al even totalitair trouwens, ‘opiniemakers’ genoemd worden. Maar niet in een regime dat door zichzelf meestal als ‘democratisch’ omschreven wordt.

Zou het iets te maken kunnen hebben met het instituut van Dichter des Vaderlands? Op het ogenblik neemt Perquin die functie waar in Nederland. Veel meer dan de verplichting om een bepaald aantal gedichten te schrijven over publieke onderwerpen houdt dat weliswaar niet in, en die onderwerpen kunnen natuurlijk door de dichter in kwestie zelf gekozen worden, maar evengoed kan het schrijven gebeuren op uitnodiging, zoals hier het geval was. Daar komt nog bij dat Perquin een tijdje gewerkt heeft als gevangenenbewaker en dus het milieu (in brede zin) wel een beetje kent.

Maar toch. Ik kan me onmogelijk voorstellen dat bv. iemand van de Vijftigers een gedicht over de Wouten, de Russen of andere Koddebeiers geschreven zou kunnen hebben, tenzij in negatieve zin. Van dat laatste zijn wel voorbeelden te vinden, denk ik, met name bij Vinkenoog. Maar ik zou het moeten nazien. Hoe dan ook, vele van de schrijvers van na de oorlog bereikten een hoogtepunt in de jaren zestig, en men hoeft maar aan provo te denken om te weten hoe politievriendelijk alles toen was. Lucebert heeft niet voor niets ook een ‘Verdediging van de provo’s’ geschreven, direct of indirect tegen politieoptredens. En Jan Wolkers gaf wegens zo’n optreden de prozaprijs van de gemeente Amsterdam terug.

’t Kan natuurlijk verkeren. En dat doet het ook.

Toen wisten de schrijvers wat de eerste, fundamentele en essentiële rol van de politie was. Nu weten ze dat niet meer.

Maar dat belet niet dat Perquin zich ook hier een meester in haar vak toont. Het moet niet gemakkelijk zijn zomaar gedichten uit je mouw te schudden over een onderwerp waar je weinig of geen feeling mee hebt. Maar Perquin zal wel een groot inlevingsvermogen hebben. Waarvan ik mij alleen afvraag of het wellicht, soms toch een beetje al te exclusief is.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


elf − 11 =