Victor J. Brunclair herlezen

| Geen reacties

Een van de goede initiatieven wat betreft de heruitgave van oudere literatuur uit Vlaanderen is de reeks ‘Literatuur in Vlaanderen 1900-1950’, onder redactie van Els van Damme en de alomtegenwoordige – wat dat betreft lijkt hij wel een broer van God himself – Yves T’Sjoen, en uitgegeven bij Academia Press in Gent.

Totnogtoe verschenen daarin vier delen, à rato van één per jaar. Dat is erg weinig, want er zijn vast en zeker veel meer schrijvers en werken uit die periode die voor heruitgave in aanmerking komen. Twee delen per jaar lijkt me eigenlijk een minimum. Maar bon, we leven natuurlijk wel in Vlaanderen, niet bepaald – ik herhaal het nog maar eens, indentreure – een cultuurnatie.

De recentste uitgave in de reeks bevat het grootste gedeelte van het dichterlijke werk van Victor J. Brunclair. Decennia geleden had ik dat al eens gelezen, maar ik wist er niets meer van. Ik heb nog les gehad van Paul Hadermann, en het zal in de context van die lessen geweest zijn, dat ik ook Brunclair gelezen heb. Vermoed ik.

Het boek bevat enkel zijn vier bundels. De vroege, enkel in tijdschriften verschenen gedichten, en de late, enkel in het letterenhuis aanwezige gedichten werden niet opgenomen, zonder dat de beide editeurs verklaren waarom. Nochtans stelt de kwantiteit van die losse gedichten niet veel voor; het boek zou er niet veel omvangrijker door geworden zijn.

Anneleen de Coux (overigens, waarom mag zij niet vermeld worden op het kaft en op de titelpagina? in dit geval is het schrijven van een nawoord immers veel belangrijker en vergt meer werk dan het eigenlijke editeren) begint haar nawoord terecht met verwijzingen naar de enige twee auteurs die iets dieper zijn ingegaan op het werk van Brunclair. Op de eerste plaats Paul de Wispelaere, die mijns inziens toch wel mild is voor Brunclair; en op de tweede plaats Geert Buelens in zijn standaardwerk, die zeer zeker niet mild is voor Brunclair. Wel is het zo dat de mening van deze twee overeenkomt met die van het overgrote merendeel van de literatuurhistorici: Brunclair is een epigoon van Van Ostaijen, die niets persoonlijks heeft toegevoegd, en dus een slecht dichter is.

De Coux gaat daar duidelijk zij het genuanceerd tegen in, en na lectuur van de gedichten in kwestie kan ik haar daarin wel volgen. Een bloemlezinkje met de goede gedichten uit de vier bundels zou maar heel dunnetjes uitvallen, maar de gedichten zijn er wel. Dat betekent dat ook de anderen, die Brunclair als dichter op de eerste plaats als een epigoon beschouwen, gelijk hebben. Maar niet enkel van Van Ostaijen. Met name in de eerste helft van zijn eerste bundel zijn er ook heel wat invloeden van Wies Moens bemerkbaar; dat uit zich vooral in de bijbelse taal en beeldspraak die Brunclair soms gebruikt, en die bij de vroege Moens een van de opvallendste stijlkenmerken is. Maar misschien valt dat niet zo op omdat de verzen van Moens meestal zeer beknopt en synthetisch zijn, terwijl Brunclair het veel langere vers van een Werfel of van vele andere Duitse en Franse expressionisten hanteert.

Maar ondanks alle nuances valt ook bij een tweede lectuur onmiddellijk op dat vele gedichten van Brunclair vooral nabootsingen zijn van gedichten van Van Ostaijen, soms – zoals in ‘Berceuse’ – tot in de titel toe. Maar het is al even duidelijk dat hij het talent van zijn grote voorbeeld op geen enkele manier kon evenaren. Maar ook de eigen weg van een Burssens is hij niet gegaan, of kon hij niet gaan. Deze laatste keek waarschijnlijk op dezelfde manier naar Van Ostaijen op als Brunclair, maar in zijn poëzie heeft hij de directe invloeden al snel achter zich gelaten om een eigen weg en een eigen stijl te zoeken en ook te vinden. Een kwestie van talent en aanleg? Of eerder de ongedurigheid en de wispelturigheid van Brunclair, waardoor hij zich eigenlijk niet goed concentreerde op wat hij deed? De biografie die ik hier enkele jaren geleden besprak zou op dit laatste kunnen wijzen.

Maar hoe dit alles ook zij, het literairhistorisch belang van Brunclair, zowel als persoonlijkheid als door zijn werk, staat wel vast. En zoals de uitleidster terecht stelt is dat op zich al voldoende om zijn werk opnieuw uit te geven. In mijn zo-even genoemde recensie van de biografie had ik naar die heruitgave gevraagd. Met dit boek ben ik dus al op mijn wenken bediend. Nu nog de bloemlezing uit het pamflettistische en journalistieke werk. Want daar zouden wel eens verrassingen tussen kunnen zitten.

Er is nog éen punt waarop ik het met Anneleen de Coux volledig eens ben: onze appreciatie van de eerste reeks uit de tweede bundel. Die reeks heet ‘Gestalten’ en is de beste reeks uit het boek; hier geen sprake van epigonisme, maar wel een persoonlijke stem. Dit is de weg waarop hij als dichter verder had moeten gaan. Soms doet hij dat nog in hetgeen daarop nog volgt, maar te zelden naar mijn smaak. Laat mij het laatste gedicht uit die reeks in z’n geheel citeren:

“IN MEMORIAM

De steven van een schip zo wonderwit
doorsneed de zee
met fee
Astrid
Over de gangway heen-terrassen stonden in massa zwart
trad zij in onze stad, trad zij in ieder hart.
De wiekslag van een vogel uit het hoge Noorden
gracielijk vergleed hij in haar handgebaar
Fris en minzaam waren hare woorden
en als een meer zo klaar.

Het meer! Waarvan zij in haar ogen ook de weerschijn droeg
daar was het dat een schiksel blind en dwaas haar sloeg
Zij die het voorhoofd hoog dit leven tegentrad
daar aan de blanke slaap werd zij zo sterk getroffen
de zonbezongen boomkruin wuifde wat
en van een vorstlijk lichaam was nog slechts het korte ploffen

Zeg mij nu niet: zovelen sneven in de golven
of: grauwvuur heeft de gravers in een mijn bedolven
Allen wacht de vale stond van stervensnood
en dood is dood
Zij was een kind
verliefd op zon en water verdarteld in de wind
Als zich naar onze kust de stijve steven wendde
kwam zij als uit de wonderwereld der legende
en zo was ook haar heengaan naar het geenzijds van de tijd

Hoe wordt nu nog ons purperen treurenis verblijd?
O stille wijding! Aan de drempel van ons hart gekomen
uit verten wazig en ijlwijd
werd zij naar een gebied geleid
over de stof in ’t heiligdom der dromen”

Brunclair was een zelfverklaard republikein, maar ook als zodanig niet echt consequent, zoals uit dit gedicht blijkt. Het gebruik van leestekens (hier en elders) had moeten verklaard worden (of verbeterd, eengemaakt) door beide editeurs (van Damme en T’Sjoen), maar die doen dat niet. Dat is een legitieme keuze natuurlijk (het origineel is even inconsequent).

Wel nog éen opmerking over het nawoord: op pagina 275 suggereert De Coux dat de Wispelaere Brunclair van racisme beschuldigd zou hebben. Wanneer je het boekje van de Wispelaere leest, zie je direct dat dit helemaal niet het geval is. Het gebruik van het woord ‘senegaalneger’ verwijst gewoon naar Senegalezen die tijdens de eerste wereldoorlog dienst deden in het Franse leger, en het begrip zwarte kunst werd toen meestal weergegeven als ‘negerkunst’ of, in het Duits, ‘Negerplastik’ – zoals een beroemd werk van Einstein uit die tijd heette. De Wispelaere was veel te intelligent en te genuanceerd in zijn denken om daar racisme achter te zoeken. En politieke correctheid bestond niet toen hij zijn boekje over Brunclair schreef.

Ik zie dan ook niet in waarom bepaalde gedichten ‘in onze tijd moeilijk (zouden) liggen’. Misschien is Anneleen de Coux hier zelf het slachtoffer van de onbewuste interiorisatie van voor mij alleszins verwerpelijke politieke correctheid?

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


drie × 3 =