Teruggevonden: Karl Heinz Pawla

| Geen reacties

Soms verveelt een mens zich een beetje, en dan gaat hij – zeker als hij al wat ouder is – op zoek naar bepaalde zaken uit zijn verleden, zijn jeugd; zaken die hem toen getroffen hebben, maar die hij niet echt meer kan situeren en terugvinden.

Zo herinnerde ik mij een gedicht dat ik gelezen moet hebben in mijn studententijd. Wanneer juist weet ik niet meer (maar wel weet ik nu dat het na 1968 geweest moet zijn), en evenmin weet ik nog waar, zowel wat de publicatie zelf betreft (gehoord? in een tijdschrift gelezen? zo ja, welk tijdschrift?) of wat de plek was waar het gebeurde. En het is moeilijk te achterhalen, temeer daar de ULB, waar ik studeerde, veel meer op Frankrijk, zeg maar: Parijs gericht was dan op Duitsland. Maar ik studeerde wel wat toen nog germaanse filologie heette, en Duits was mijn tweede hoofdtaal.

Het enige wat ik mij wel nog herinnerde was het onderwerp: het gedicht ging over iemand die in een rechtszaal zijn behoefte had gedaan en zijn achterste dan had afgeveegd met enkele documenten die op de pupiter van de rechter lagen. En ik herinner me nog zeer goed hoe hard ik daarmee toen gelachen heb, hoe schitterend ik het vond. Net zoals de tekeningen van Reiser, Cabu of Wolinski in Charlie Hebdo c.q. Harakiri. Vandaag vraag ik me trouwens af of het ludieke in Duitsland (en dan met name in Berlijn) niet veel meer uitgesproken was dan in Parijs. Waarschijnlijk wel, want figuren als Fritz Teufel en Dieter Kunzelmann zijn me in het Parijs van die tijd niet bekend. Maar ik kan me vergissen.

Normaal gezien moesten de weinige gegevens die ik had voldoende zijn om het gedicht in kwestie terug te vinden, want op het internet zou het zeker staan. In mijn geheugen was het een ‘ballade’ en geen ‘lied’, wat de zaak al moeilijker maakte; de naam van de betrokkene herinnerde ik me ook maar vaag, zodat ik steeds weer bij Tsjechische en/of Slovaakse websites terecht kwam, waar ik verder niks mee kon. Maar toch: na een beetje zoeken had ik het gevonden. Mijn reactie was nog steeds dezelfde: hartelijk lachen met deze schitterende schelmenstreek. En ik schrijf het gedicht hier even over, zodat ook de potentiële lezer de ernst even kan laten voor wat hij is, en de lachspieren een beetje oefenen.

“Lied vom Terroristen Karl Heinz Pawla

Hört die Schandtat von dem frechen
Karl Heinz Pawla aus Berlin:
Dieser schwarze Sohn von Tschechen
ohne Zucht und Disziplin,
lange Haare, ungewaschen
und die Hände in den Taschen,
trat er vor das Landgericht
als ein schlimmer Bösewicht.

Finster stand der Lichtesscheue
in Justizias heilgem Haus,
ohne Demut, ohne Reue,
und zog sich die Schuhe aus.
Alle Bürger warn erschrocken,
als er dastand in den Socken,
und er grinste ins Gesicht
den hohen Herrn vom Landgericht.

Schließlich trieb ers immer bunter,
ohne Zucht und ohne Scham,
ließ er seine Hosen runter,
weil ihm ein Bedürfnis kam:
In Justizias heilgen Hallen
ließ er hinter sich was fallen
mitten in das Landgericht:
Sowas tut ein Deutscher nicht!

Das ging den Richtern an die Ehre,
ihre Würde war beschmutzt.
Des Gesetzes ganze Schwere
haben sie darob benutzt
und den Strolch ins Loch geschmissen,
weil er aufs Gericht geschissen,
und so siegten Zucht und Pflicht
vorm Berliner Landgericht.

Die Moral von der Geschichte:
Kommt dich ein Bedürfnis an
vorm Berliner Landgerichte,
laß nichts fallen, deutscher Mann!
Mach dich lieber in die Hose,
statt wie jener sittenlose
Terrorist und Bösewicht,
scheißen auf das Landgericht!”

(1969)

Uit de mooie geschiedenis ervan die geschreven werd door lid Ulrich Enzensberger (inderdaad, de veel jongere broer van de dichter) weet ik dat Pawla eveneens lid was van de roemruchte commune 1 (Ulrich Enzensberger: Die Jahre der Kommune I, Berlin 1967-1969, Kiepenheuer & Witsch, Köln, 2004). Dat is ook de enige plek waar enkele zeldzame foto’s van Pawla te vinden zijn, eentje zelfs met zijn toenmalige advokaat, de inmiddels tot het neonazisme bekeerde Horst Mahler.

Wat er verder van Pawla geworden is? Daar is nergens iets over te vinden. Ondergedoken in de anonimiteit als het ware. Vast staat enkel dat hij zich niet heeft laten verleiden door een van de gewapende groepen die iets later ontstonden. Iemand die z’n broek afdoet in een gerechtszaal lijkt me niet de meest geschikte kandidaat daarvoor: veel te weinig gewoon idealisme, laat staan totaal overtrokken idealisme. Hij is trouwens niet de enige geweest om in die anonimiteit te verdwijnen. Irene Goergens bv. deed mee aan de Baaderbevrijding en hoorde zodoende bij de stichtsters van de RAF; maar na haar gevangenisstraf uitgezeten te hebben heeft niemand nog iets van haar gehoord.

Wie het gedicht in kwestie geschreven heeft, is me evenmin bekend. Misschien wel een collectief uit de commune 1. Nu geldt het gewoon als een anoniem gedicht.

Zeker in het licht van de opkomst van de zgn. Alternative für Deutschland, kan dit gedicht een heel ander, een veel vrolijker en aangenamer alternatief bieden, een ludiek anarchistisch alternatief. Niet dat ik me ook maar enige illusie maak wat dat betreft. Het gedicht is op een doorzichtig ironische manier geschreven vanuit het standpunt van een typische Duitse ‘Spiessbürger’, culminerend in  ‘Sowass tut ein Deutscher nicht!’. Ook is het natuurlijk goed dateerbaar door bepaalde opvattingen van die ‘Spiesser’: lange haren horen niet, je mag als je voor je Meesters staat de handen niet in de zakken houden. Wie heeft het in zijn jeugd niet gehoord en meegemaakt?

Schijten moet je op die mentaliteit, zoalniet letterlijk, dan toch minstens figuurlijk.

Het “Schijtmanneke” – Musée de Flandre, Cassel

P.S.: Diana is veel slimmer en intelligenter dan ik, en ze bezit daarenboven een uitzonderlijk doorzettingsvermogen. Ze heeft het dan ook ver gebracht in de wereld en de maatschappij: ze is er gekomen!

Wat je van mij onmogelijk kunt zeggen.

Maar om het kort te houden: het gedicht hierboven is helemaal niet anoniem. Er is wel degelijk een auteur; en zij heeft die teruggevonden. Het is de mij totaal onbekende Volker von Törne (ook wel schrijvend onder het pseudoniem Graaf von Windei).

Je kunt nog zo veel lezen, altijd is er wel iets of iemand die je niet kent maar die je wel had moeten kennen. Daartoe hoort die von Törne, die heel jong gestorven is, en wiens Im Lande Vogelfrei, Gesammelte Gedichte (Klaus Wagenbach, Berlin, 1984) amper een tweehonderd bladzijden telt – maar wel kwalitatief hoogstaande bladzijden meestal.

In de Wunderhorn van hedendaagse Arnims en Brentano’s zou het gedicht zeker voorkomen, maar wellicht ook anoniem. Misschien is dat wel het hoogste dat een dichter bereiken kan, zeker een progressieve als von Törne: dat teksten van je gemeengoed worden, dat iedereen je tekst kent, maar niemand meer weet wie nou ook weer de dichter ervan was.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


1 + vijftien =