RAF in de poëzie

| Geen reacties

Christian Geissler, die lang sympathisant was, heeft gedichten over de RAF (nee, niet de Royal Air Force) geschreven, en ook Peter-Jürgen Boock, die zelf een tijdlang lid was van de club, heeft enkele gedichten gepubliceerd in dat verband. Maar een hele bundel, en nog door een koele objectieve buitenstaander was me nog niet bekend.

Stefan Heuer: honig im mund/galle im herzen (Lyrik Edition 2000, München, 2007), zo heet die bundel en hij is, zoals u ziet, inmiddels al enkele jaren oud. Hij is wel nog verkrijgbaar, als book-on-demand. Of het een toeval is of niet weet ik niet, maar de bundel bevat welgeteld 68 gedichten, verdeeld in drie afdelingen, die samen de chronologie van de beweging vormen.

De bundel bevat dus drie afdelingen: de eerste heet ‘Prolog’ en bevat tien gedichten; de laatste heet ‘Epilog’ en bevat een enkel gedicht; het korpus zelf tenslotte heet ‘Die Rote Armee Fraktion’ en bevat 57 gedichten. Op drie na dragen alle gedichten een datum als titel, en vlak eronder wordt in een kleiner corpus gezegd wat er op die dag gebeurd is. Daaruit alleen kun je al af en toe iets afleiden over het standpunt dat de auteur zelf inneemt. Zo spreekt hij over de ‘zelfmoord’ van Meinhof, Ensslin, Baader en Raspe. Dat is uiteraard de officiële versie, en die niet noodzakelijkerwijze overeen stemt met de werkelijkheid – ik heb dat al vaker gezegd. Dat betekent overigens niet dat de auteur altijd de officiële versie volgt. Bij de moord (dat is mijn kwalificatie – in Duitsland zou ik daar strafbaar voor zijn – echt waar!) op Wolfgang Grams bv. doet hij dat duidelijk niet. Een citaat uit dat gedicht:

”                                        …ein letzter

blick in die augen (s)eines mörders, mahnmal gegen
einen staat und seine (tradition der) Endlösung – ein
aufgesetzter kopfschuss, und niemand hats gesehen,

falsch: niemand wollte es sehen, niemand durfte es
sehen!, zivile zeugen ohne wert, denn: ein pionier
polizist lügt nicht, basta!…” (p. 73)

Natuurlijk waren er getuigen: de dame van de krantenkiosk had alles gezien en beschreven, maar ze werd zodanig onder druk gezet dat ze alles terugtrok en ook met de pers niet meer durfde spreken. Goede, oude Duitse traditie, sinds de Wilhelminische tijd!

Alle gedichten in de bundel zijn in rijmloze terzinen geschreven. Daarbij denk je uiteraard onmiddellijk aan Dante, maar of dat de bedoeling was? Ook verder zijn alle gedichten op dezelfde wijze gestructureerd: geen hoofdletters en een afwisseling van passages in romein en in cursief; de cursieve teksten zijn afkomstig van RAF-teksten en soms van andere derden, in de andere passages is een anonieme verteller aan het woord. Waar de citaten vandaan komen wordt nergens gezegd, dat moet de lezer zelf maar weten of opzoeken.

Een lyrisch ik is dus niet aanwezig, ja, in de tekst in romein komt het woord ‘ich’ slechts twee keer voor, en telkens in een spreekwoord of andere vaste uitdrukkingswijze. In de cursieve tekst komt het ‘ich’ vaker voor, maar die tekst bestaat dan ook uit citaten, een lyrisch ‘ik’ is daar niet aan het woord.

Afstandelijke lyriek dus, met een zeer hoog sensibiliteitsgehalte, maar zonder ook maar een zweem van sentiment. Een beetje zoals bij ons Willy Roggeman dat van de dichter eiste, en ook zelf toepaste. En goed doordachte lyriek, die geschreven werd op basis van grondige studie van het materiaal, dat blijkt alleszins – ongeacht het feit dat de ‘verteller’ af en toe onrechtstreeks zijn mening laat blijken.

De proloog begint met een gedicht dat ‘Vietnam-Krieg’ heet – éen van de drie zonder datum dus – en het klopt wel dat veel bewegingen – óók gewapende bewegingen, overal in Europa – hun oorsprong vonden in de strijd tegen die oorlog; in Duitsland nog meer dan elders, want daar was het operationele hoofdkwartier van de US-strijdkrachten gevestigd, dat in een van de eerste en schitterendste (ook voor deze appreciatie zou ik in Duitsland vervolgd worden, nog steeds!) acties van de RAF vernietigd werd. Of het veel heeft uitgehaald, denk ik niet, maar de Vietcong en eenieder die met hen sympathiseerde zal er wel dankbaar om zijn geweest.

Het einde van de proloog heet ’14. Mai 1970′ en gaat over de bevrijding van Andreas Baader uit een leeszaal, waar hij – gevangene zijnde – met toestemming onderzoekswerk deed. Die actie en die datum luidden het begin, de geboorte in van wat ongeveer twintig jaar lang de RAF zou gaan heten. In die proloog komt nog een tweede gedicht zonder datum voor, dat ‘Ulrike Meinhof’ heet: het schetst kort en krachtig het leven van Ulrike tot dan toe, de omslag bij het blad Konkret om te eindigen ‘statt kur die begegnung mit dem restlichen leben’ (p.13). Het lijkt erop dat de auteur een ziektegeschiedenis zou willen suggereren (het woord ‘Kur’), maar dat wordt niet doorgetrokken in de rest van de bundel. Dus vergis ik me wellicht.

Waarom enkel aan haar een afzonderlijk gedicht gewijd wordt, en niet eveneens aan Ensslin, Baader en Raspe is niet echt duidelijk, maar het zal wel zijn omdat zij de meest enigmatische figuur was. Ze komt overigens ook op een cryptische manier enkele keren terug in de gedichten, nl. als ‘Anna’. Het is zeer weinig geweten, maar de RAF-leden gebruikten codenamen: Ulrike was dus ‘Anna’, Gudrun was ‘Grete’ enz.

Het derde gedicht zonder datum heet ‘Bewegung 2. Juni’, en is dus aan die parallelbeweging gewijd, waarvan de overblijvende leden later trouwens in de RAF zouden opgaan. Naast die twee waren er nog wel enkele gewapende groepen actief in het Duitsland van die jaren; vooral ‘Roter Zorn’ en ‘Rote Zora’, de zgn. ‘Feierabendterroristen’ waren erg actief in de week-ends, en hebben wel wat overwinningen geboekt; in dit gedicht komen ze als zodanig niet voor.

In het korpus zelf heeft de auteur de feiten en hun datum goed weten te kiezen, in elk geval zo dat een min of meer juist beeld ontstaat van wat de RAF geweest is, hoe haar leden gestreden hebben, in bepaalde gevallen daarbij de dood vonden. Zoals gezegd blijft de auteur grotendeels afstandelijk en neemt hij nooit direct een standpunt in; indirect wel, zoals al aangegeven, maar zelden. ‘9. November 1974’ is een goed voorbeeld: er zijn meer citaten dan elders, zodat cursief en romein elkaar in evenwicht houden, en de afstandelijkheid is zo mogelijk nog groter dan elders; wat de auteur in dit gedicht oproept is dan ook de foltering (dwangvoeding zoals bij ganzen) en uiteindelijke dood van Holger Meins – een feit dat zeer velen naar de RAF heeft geleid en ook in de rest van Europa tot betogingen en meer leidde:

“9.November 1974

Holger Meins stirbt an den Folgen des Hungerstreiks

schweigsam und hager, zelluloid bereits in der wiege,
gewissensgeprüft, bewegte bilder wie magneten, das
öffentlich-rechtliche schiff für die suche verlassen, die

im boot hätte enden können (stattdessen: festschnallen,
zwei handschellen um die fussgelenke, ein dreissig cm
breiter riemen um die hüfte…von rechts der arzt auf’n

hocker mit ‘nem kleinen brecheisen)/starbuck auf dem
weg, links links zum bäcker zur demo, der dreiminütige
alleingang, s/w cocktail-werbung, der schritt zur tat usw.

usf. (damit geht er zwischen die lippen, dann zwischen
die zähne und hebelt die auseinander und schnitt: ein schnitt
skelettierter mensch, zweiundvierzig kilo mit bart, fern

jeder hungersnot die selbstbestimmte dürre (von links
die maulsperre. verwendet wird ein roter magenschlauch,
mittelfingerdick) // ein ende nach Shakespeare, applaus” (p.33)

Veel van de verwijzingen hier hebben betrekking op het beroep en de studies van Meins: deze was cameraman en cineast.

Het was een algemene praktijk, niet enkel in de BRD, maar in alle fascistische en fascistoïde staten om tegenstanders die een hongerstaking deden dwangmatig te voeden. In de bundel is trouwens ook een gedicht gewijd aan de veel minder bekende Sigurd Debus, die op dezelfde manier gefolterd werd en erin bleef. Over het algemeen kan gesteld worden dat de auteur uit de veelheid van feiten en gebeurtenissen die de geschiedenis van de RAF vormden zeer goed de belangrijkste of meest opvallende weet te kiezen en zodoende op een lyrische wijze een goed beeld weet te schetsen van die geschiedenis.

De derde afdeling, de zgn. ‘epiloog’ bevat slechts één gedicht, dat gewijd is aan de vrijlating van Brigitte Mohnhaupt. Volgens ‘kenners’ zou dat de leidster van de tweede RAF-generatie zijn geweest, maar met ‘kenners’ moet je natuurlijk altijd erg oppassen – of ze nou al dan niet Aust heten. Het enige dat vaststaat is dat zij zich bezighield met de logistiek van de groep, en dat zij derhalve vele en uiteenlopende contacten gehad moet hebben – ook in vaak erg duistere milieus. Vierentwintig jaar heeft zij gezeten. Nazi- en andere terroristen van rechts hebben nooit zo lang gezeten, nooit; meestal werden ze na enkele jaren al vrijgelaten. Ik ben benieuwd wat de NSU-leden (Nationalsozialistischer Untergrund) in München gaan krijgen, en hoeveel daarvan ze effectief zullen uitzitten.

Uit alles wat ik totnogtoe over deze bundel zei, kan al worden afgeleid dat het kunst-matige aspect de bovenhand voert, m.a.w. dat we te maken hebben met intellectuele, in zekere zin maniëristische, poëzie. De auteur is een poeta faber en zeker geen poeta vates; maar hij is ook – en het begrip ‘faber’ houdt dat al in – een poeta doctus. Dat uit zich uiteraard op de eerste plaats door het feit dat de gedichten gegrond zijn op een grondige studie van het onderwerp, vandaar ook de vele cursief gezette citaten. Maar ook daarbuiten komen wel heel wat verwijzingen voor, op de eerste plaatsnaar politiek of politici uit die tijd: Horst Mahler en Otto Schily bv. broederlijk naast elkaar: de ene is een nazi geworden, de ander minister van binnenlandse zaken van de BRD. Wat het ergste is, hangt natuurlijk van eenieders persoonlijke inschatting af.

Maar er zijn ook heel wat andere allusies, soms op een andere manier grappig, soms zelfs cynisch aandoend, maar wel telkens toepasselijk. In het gedicht over de Schleier-ontvoering bv. (p.42) wordt gesproken van het ‘ende einer dienstfahrt’: dat is de titel van een verhaal van Heinrich Böll, die jaren later de openbare mening en vooral Bild-Zeitung – Der Stürmer van de democratie zou je kunnen zeggen – en hun hetz- en moordpropaganda op de korrel zou nemen. Ook liedjes worden soms gebruikt, het laatste vers van het gedicht over de ontvoering van Peter Lorenz (p. 35) luidt bv.: ‘so ein tag, so wunderschön wie heute…’; op p. 52 wordt naar de film ‘High Noon ‘ verwezen, op p. 40 naar het Grimmsche sprookje van Roodkapje, op p. 69 naar de film Die Stille nach dem Schuss van Volker Schlöndorff, gebaseerd op de autobiografie van RAF- en Bewegung 2. Juni-lid Inge Viett. En zo zijn er nog wel wat voorbeelden te rapen.

Bij het faber-aspect van deze poëzie hoort volgens mij ook het feit dat het de lezer niet echt gemakkelijk wordt gemaakt om ‘erin’ te komen. Het meest opvallende stijlkenmerk is de ellips, die zelfs in de citaten vaak voorkomt. Enkele voorbeelden slechts:

“in oberkassel, villa an villa, sicherheit von kameras
und schusshemmendem glas trügerisch: gefährdungs-
stufe zwei für den wichtigsten manager des landes,” (p. 70)

en:

ernst zimmermann), nach einem schuss ein halber tag

bis dass der tod sie scheidet// (die westeuropäische
guerilla erschüttert das imperialistische system), zurück
im ebenerdigen büngalow, und keine verwertbare spur” (p. 64)

en:

“im kommerz des shop ville in den hinterhalt; ein kostüm
im schaufenster, alle sinne dicht am stoff, applikation,
der schnitt das letzte bild im auge – erschöpftes und

kassiertes viertel, drei viertel mit plattfuss zur strassen-
bahn: zählen, cleanen, den mund abwischen, weiter!” (p. 54)

Maar eigenlijk kan elk gedicht in dit verband geciteerd worden, want de ellips is inderdaad allesoverheersend; uit hetgeen ik al geciteerd heb kan overigens ook afgeleid worden, dat je toch, als lezer, zelf ook een beetje op de hoogte moet zijn van de RAF-geschiedenis om echt te kunnen volgen.

Het hele gedicht door komen ook onderstrepingen en doorhalingen voor, verwijzingen naar filmtechnieken en eigenlijk toch nog wel heel wat rijm. Behalve eindrijm; als dat al voorkomt is het meestal een halfrijm. Maar stafrijmen zijn er, bv. de ‘w’ en de ‘f’ in de volgende strofe:

“der griff an den hörer, an die waffen, die einkaufsliste
(haferflocken/kindergries = einziges saki-fressen) ver-
zeichner verluste und wächst weiter – alle für einen,

die musketiere immer öfter auf verlorenem posten” (p. 49)

Ook de herhaling van ‘ver’ valt op, en de ritmische overgang van ‘i’ naar ‘ö’ in het laatste vers. Meest komen echter binnenrijmen voor, die soms zelfs vlak na elkaar optreden, zonder een ander woord ertussen: “stadt, statt” (p. 13), “und im hort//kein wort” (p. 14), “wollt ihr euren sohn noch retten, schickt ihm geld und/zigaretten” (p. 54), “kriecht so mancher auf dem rumpf durch den sumpf” (p. 74) enz.

Het meest opvallend voor mij – maar naar ik vrees voor de doorsneelezer niet; of onderschat ik die? – is het gebruik van één tmesis; dat is een retorische figuur die in literaire teksten zeer zelden voorkomt, en als hij er is wijst hij op het maniëristische, kunst-matige karakter van de betrokken tekst:

“kein klopapier für hirn statt arsch, vom hdj in die taz,
rück- (fehler im herbst, einsicht ist der erste schritt
zur besserung – wäre ein erster schritt gewesen) und

vorschau (entwicklung der revolutionärer front in der
metropole, drei kräfte zu bündeln)/…” (p.59)

De tmesis bestaat in de splitsing van ‘rück-(schau)’ en ‘vorschau, en het tussenvoegen van een stuk tekst tussen die twee.

Een laatste opvallend verschijnsel is het optreden, vooral in het begin van de bundel, van perifrase: ook dat maakt de lectuur er niet gemakkelijker op, want je moet vaak gaan opzoeken over wie of wat het juist gaat: zo is er sprake van ‘die zeitung mit den vier grossen buchstaben’: dat is natuurlijk een gemakkelijke: BILD; ‘die stadt der liebe’ voor Parijs is eigenlijk al een cliché; en welke ‘die stadt an der elbe’ is, weet zeker in Duitsland ook iedereen; in het gedicht waar dit uitkomt maakt hij ook een al te gemakkelijk grapje over Baaders voorliefde voor een bepaald merk auto’s:

“in der stadt an die elbe die augen auf die produkte
der bayerischen motoren werke; strassensperren

als reusen für den ganz bestimmten fang/ bärtiger
mann, blonde frau am steuer eines blauen (b(aader)
m(einhof) w(agens), …” (p. 25)

‘der sohn des wüstenfuchses’ kan zeker voor buitenlanders al iets moeilijker liggen: maar in de eerste helft van de jaren zeventig was een zoon van Erwin Rommel burgemeester van Stuttgart, waar ook Stammheim deel van uitmaakte.

Ik heb van Stefan Heuer verder niets gelezen, maar deze bundel lijkt me wel goed en interessant genoeg om dat alleszins in overweging te nemen. Dit is immers lyriek naar mijn hart, en niet enkel wegens het onderwerp dat mij nog steeds evenzeer intrigeert als het de auteur blijkbaar doet. En de afstandelijkheid die door de gebruikte retorische middelen bewerkt wordt, past dubbel bij het onderwerp: enerzijds is de RAF hoe dan ook geschiedenis geworden (ook al is het BKA nog steeds op zoek naar leden die nog steeds ondergedoken zijn, en naar nog onbekende leden – hopelijk zullen ze noch de enen noch de anderen ooit vinden), maar anderzijds – en dat is het belangrijkste – de lezer wordt niet gevoelsmatig benaderd, hem wordt niet gevraagd zich in te leven, maar wel om na te denken.

Alsof Brecht zelve aan het woord is.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vier × drie =