Johan Brouwer als romancier

| Geen reacties

Brouwer door Nol de Koning (1940)

Een bankrover, een moordenaar, een Spanjestrijder (na aanvankelijke sympathie voor de fascisten uiteindelijk aan de kant van de Republiek, tegen Franco), eerst calvinist dan katholiek, een Nederlands verzetsstrijder gefusilleerd door de moffen, doctor in de Spaanse letterkunde met een proefschrift over de Spaanse mystiek. Hoe veel te kort ook, Johan Brouwer (1898-1943) heeft alleszins een erg avontuurlijk leven geleid.

En hij heeft ook aardig wat geschreven: in de jaren vijftig van de vorige eeuw verscheen bij Van Oorschot zijn Verzameld Werk in drie forse delen. Antiquarisch zijn die nog wel te vinden. Net zoals zijn twee romans trouwens, die ik onlangs las: Vandaag geen spreekuur, het verborgen leven van een oude stad verscheen in 1932 onder het pseudoniem Johannes Geerlinck; en De schatten van Medina-Sidonia verscheen in 1939 onder het pseudoniem Maarten van de Moer, maar werd na de oorlog onder zijn eigen naam heruitgegeven onder de titel In de schaduw van den dood. Beide romans zijn op z’n minst interessant en verdienen eigenlijk een grondiger studie dan ik hier geven kan; maar misschien kunnen deze enkele notities een aanzet geven aan een of andere student om zich erover te buigen.

In het begin van de lectuur kan de stijl misschien een hindernis zijn, maar dan toch maar een lichte, waar je snel overheen bent. Die stijl sluit aan bij de prozastijl van het expressionisme en, in het kielzog daarvan de zgn. nieuwe zakelijkheid. Veelal korte tot zeer korte zinnen, en sommige paragrafen bestaan bijna uitsluitend uit ellipsen.

De inhoud zelf van beide boeken heeft veel minder vandoen met die beide stromingen in de literatuur. In beide boeken kun je zelfs elementen terugvinden van allerlei genres, van het magisch realisme over de detective tot de avonturen- of jongensroman. Dat is trouwens een van de elementen die ook vandaag nog de lectuur ervan aantrekkelijk maakt: de afwisseling tegenover een toch vaste achtergrond, die, zoals de ondertitel al zegt, in het eerste geval een oude Hollandse grachtenstad is, en in het andere geval de Spaanse burgeroorlog.

Magisch realisme en mystiek hebben niets met elkaar te maken, desalniettemin zou je kunnen zeggen dat iemand die zich voor mystiek interesseert wellicht ook aangetrokken zal zijn door die literaire stroming. Zoals zo vaak is het daarenboven zo, dat die begrippen erg vaag zijn en, vandaar, toch wel met elkaar in verband kunnen worden gebracht, als men dat persé wil. Maar hoe dat ook zij, Brouwer moet zich tot beide zeer sterk aangetrokken hebben gevoeld. Dat uit zich bv. ook door het feit dat in de Spanjeroman af en toe verwezen wordt naar een professor Ten Hoef, waarbij de ik-persoon college’s heeft gevolgd. Ik denk dat we daarin zonder meer de psycholoog Ten Haeff kunnen zien, die gespecialiseerd was in wat toen ‘parapsychologie’ genoemd werd, een vak dat nu waarschijnlijk uit alle universitaire curriculae verdwenen is.

In de Spanjeroman komen ook enkele discussies voor over mystiek zelf, op een ogenblik dat de ik in het Escuriaal verblijft. Maar veel belangrijker is de zoektocht naar een op twee plaatsen verborgen schat; de hoofdpersoon is daarachter gekomen toen hij, in opdracht van de Republikeinen en na op een dergelijke manier verwond te zijn geweest dat hij niet meer kon deelnemen aan gevechtshandelingen, allerlei oude boeken en documenten inventorieerde. Zo kwam hij bij een document uit de 16de eeuw uit, waarin sprake is van die schat. Hij gaat daar, samen met anderen, naar op zoek, vindt die plaatsen ook, maar op het cruciale moment treedt telkens een geestesverschijning op, die hen zo’n angst inboezemt dat ze niet verder doen. Of dat inbeelding is of niet is dan stof voor discussies, waar de protagonisten zelf niet uitkomen. Wel brengen ze het in verband met een mogelijk voorleven van een ziel na de dood, waar noch de verteller noch de andere figuren een laatste woord over uitspreken. Twijfel troef dus, alom.

In de Hollandse roman treedt dat magische op via een mefistofelische figuur, die Valslag heet, en die allerlei psychologische experimenten uitvoert op mensen die daar zelf niets van afweten, en die hij vaak zelfs in de dood voert. De dokter waar hij assistent bij was, Scherpenzeel, heeft hij trouwens effectief vermoord, zoals de hoofdpersoon, opvolger van Scherpenzeel, al heel vlug doorheeft. Deze opvolger is eerder een rationeel en bedachtzaam type, die niet geneigd is in allerlei magie te geloven, maar de experimenten van zijn collega gewoon gevaarlijk acht, en ertegen in gaat. Deze roman munt uit door een sfeerschepping die ook zeer sterk denken doet aan bepaalde zwartwitfilms uit de jaren twintig en dertig, uit het expressionisme dus, maar meer nog uit het Frankrijk van de jaren dertig, genre Quai des brumes e.a. De auteur weet die sfeer goed op te roepen, waar die oude Nederlandse grachtenstadjes zich wellicht ook goed toe lenen.

Net zoals in de Spanjeroman gaan ook hier de protagonisten in diepe kelders en onderaardse verborgen gangen op zoek niet naar een schat deze keer, maar naar het geheim van een verborgen graf – dat ze ook daadwerkelijk vinden, maar weer afsluiten zonder er verder nog iets over te zeggen. Omdat de eigenlijke intrige van beide romans nogal breed is, kun je deze uitweidingen niet beschouwen als structuurfouten; ze behoren en scheppen mee de atmosfeer van het hele boek. Opvallend is wel dat de ‘geheimen’ steeds in verborgen, onderaardse, moeilijk te vinden plaatsen gezocht moeten worden. Een onbewuste weergave van het onbewuste – de enige plaats inderdaad waarin het magische, het mystieke, maar ook het constructieve en creatieve gevonden kunnen worden, en als delfstof naar boven, naar het licht van de bewuste wereld gebracht kunnen worden.

De hoofdpersoon in de Hollandse roman is ook een soort detective, want hij gaat op zoek naar bewijzen voor de moord op zijn voorganger, en met name naar de dader Valslag. Die uiteindelijk ook bekent tegenover de ik, maar op ’t einde van het boek definitief verdwijnt. Je kunt je afvragen of deze Valslag niet gewoon een personificatie is van  wat soms het metafysische Kwaad genoemd wordt; dokter Scherpenzeel en diens opvolger, de hoofdpersoon, kunnen dan als zijn tegenpolen worden gezien, en de hele roman als een queeste in detectivevorm naar de verhouding tussen Goed en Kwaad in het individu, in de mens en in de wereld.

Dat detective-aspect is grotendeels afwezig in de Spaanse roman, maar daarin treedt een ander belangrijk aspect op: het politieke. Dat uiteraard ook gezien kan worden als een slagveld waar Goed en Kwaad elkaar ontmoeten en bestrijden, zonder dat, in de roman of elders, een van beide ooit zou kunnen winnen.

Het is trouwens vreemd gesteld met dat politieke aspect. De ik gaat inderdaad naar Spanje om zich aan te sluiten bij de Republikeinse troepen en hij vertoont echt moed in de strijd, wordt zelfs gewond. Maar toch had hij ook een andere reden om naar Spanje te gaan: een vroeger Spaans vriendinnetje dat hij terug wil vinden. Welke van die twee redenen nu de doorslag geeft, wordt nooit duidelijk, en zal dat in hoofde van de ik zelf ook wel niet geweest zijn. In hoeverre dit alles autobiografisch is, weet ik niet. Maar er bestaat een biografie van Brouwer (die ik niet gelezen heb), en wellicht kan daar uitsluitsel gevonden worden: Hendrik Henrichs: Johan Brouwer, Zoeker, Ziener en Bezieler (Open Domein 19/De Arbeiderspers, Amsterdam, 1989).

Van een roman die zich afspeelt tijdens de Spaanse burgeroorlog, door iemand die daar effectief aan meedeed aan Republikeinse kant, zou je een militant boek kunnen verwachten, maar dat is het helemaal niet. Je kunt je zelfs afvragen of het onderwerp inderdaad de Spaanse burgeroorlog is: niet enkel omdat de ik op de eerste plaats wegens een vriendin naar Spanje vertrekt (dat zei ik al), maar vooral omdat die burgeroorlog eigenlijk vooral optreedt als een decor, een achtergrond waardoor de eigenlijke verhalen een historische context krijgen. De hoofdpersoon wordt snel gewond, en vanaf dat ogenblik doet hij eigenlijk vooral intellectueel werk, plus werk in de republikeinse medische diensten. Het is dan ook geen toeval dat de eerste titel van het boek naar de zoektocht naar de verborgen schat verwees, terwijl de tweede titel enkel onrechtstreeks in verband gebracht kan worden met de oorlog.

De hoofdpersoon treedt trouwens eerder op als toeschouwer dan als deelnemer, zeker na zijn verwonding. Hij zegt ook expliciet en meermaals dat hij tot geen enkele partij behoord, maar enkel antifascist is. Wat hij waarneemt is niet fraai, want het is vooral de voortdurende ruzie tussen de verschillende fracties binnen het republikeinse kamp, waarvoor volgens hem vooral de communisten met hun dogmatisme verantwoordelijk zijn, maar ook de anderen. Ofschoon hij die conclusie niet trekt, is nu wel algemeen geweten dat éen van de oorzaken van Franco’s overwinning inderdaad gezocht moet worden in de verscheurdheid en de politieke sabotagespelletjes binnen het republikeinse kamp. Brouwer sluit hier dicht aan bij wat ook anderen al vaststelden en schreven, niet op de laatste plaats Orwell natuurlijk (naast vele anderen, die evenzeer in mindere of meerdere mate ontgoocheld raakten in de Spaanse communistische partij).

Overigens had ook de eerste, de Hollandse roman In de schaduw van den dood kunnen heten, want op een andere manier is ook daar de dood alom aanwezig: de vermoorde dokter die het uitgangspunt van het boek en de erin beschreven zoektocht is, de andere aan Valslag te wijten doden, de graven tenslotte die onderaards gevonden worden, net zoals de protagonisten in de Spaanse roman een oude grafkelder van de Scipio’s ontdekken, waar een deel van de schat verborgen zou zijn. Historisch klopt dat weliswaar niet (de grafplaats van de Scipio’s bevindt zich langs de Via Appia in Rome), maar het wijst erop hoe de auteur gebruik maakt van allerlei elementen die op de eerste plaats in het boek geloofwaardig moeten zijn.

Brouwer lijkt me vooral sterk in het scheppen van atmosfeer; de structuur van zijn beide romans is – gewild – eerder los, hetgeen de auteur genoeg vrijheid verleent bij het uitwerking van de intrige en de thema’s, zonder dat het hem zoveel vrijheid geeft dat hij allerlei min of meer los van elkaar staande deelintriges kan verwerken. De eenheid blijft steeds bewaard, ook al is het een losse eenheid. En die eenheid is misschien nog het sterkst aanwezig in wat beide boeken verbindt: een zoektocht, in beide gevallen naar het diepe van de aarde: visita interiora terrae rectificandoque invenies occultam lapidem, zoals dat bij de alchemisten heette.

En die steen, dat is de ik zelf die, op zoek naar zichzelf, dat zelf uiteindelijk ook weet te vinden. Ofschoon dat laatste in de romans niet zo duidelijk is: de hoofdpersoon van de Hollandse roman is al een meesterfiguur, een evenwichtig, volwassen arts; en als de hoofdpersoon van de Spaanse roman terug in Nederland aankomt, is zijn zoektocht nog lang niet voleindigd. In zekere zin kun je zelfs zeggen dat ze (opnieuw) begint.

Maar hoe dat ook zij: beide romans zijn nu nog zeer goed leesbaar en verdienen zeker een heruitgave. Alleen zouden we daarvoor – ik herhaal het – een cultuurnatie moeten zijn. Wat jammer genoeg niet het geval is.

 

Bron: Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, Collectie Verzetsliteratuur, [2826]

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


tien − 5 =