Een anti-katholieke roman van Willem Paap.

| Geen reacties

Paap behoort grotendeels tot de lange reeks van vergeten schrijvers. Enkel zijn sleutelroman over de beweging van 80, Vincent Haman, heeft nog zeer lang vele oplagen gekend. Van al zijn andere romans – een drietal overigens, meer niet – geldt dat ze inderdaad vergeten zijn. Je kunt ze nog tweedehands vinden of in elektronische vorm bij de  digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren,  ook al heeft minstens één ervan heel wat ophef gemaakt bij verschijnen.

Dat zal niet het geval geweest zijn met De kapelaan van Liestermonde, Roman uit het Priesterleven, dat ik de afgelopen dagen las. Het is de laatste roman van Paap, uit 1910, dus erg lang geleden, toen de Roomse Kerk nog heel haar macht kon uitoefenen. Die macht was uiteraard wel minder in het protestantse Nederland, en al heel zeker in Groningen, waar de auteur van afkomstig was. In Nederland was het katholicisme immers vooral in Brabant en Limburg zeer sterk aanwezig, minder in de andere overwegend protestants-calvinistische provincies.

Het boek in kwestie is duidelijk een tendensroman en doet een beetje denken aan Het Hout van Jeroen Brouwers. Maar er ligt natuurlijk méér dan een eeuw tussen beide romans. De roman van Brouwers zou je een retrospectieve roman kunnen noemen: wat hij vertelt ligt duidelijk in het verleden, op het ogenblik dat zijn roman geschreven werd was het katholicisme in onze contreien zo goed als dood, zeker het katholicisme dat hij beschreef en dat ik ook zelf nog gekend heb (ik heb het boek hier trouwens besproken).

In 1910 was dat vanzelfsprekend totaal anders: de katholieke kerk was nog steeds het machtsinstituut dat ze al eeuwen was, in Nederland wellicht iets minder dan in Vlaanderen, maar toch. Wat men in Nederland ‘de emancipatie van de katholieken’ noemt, was op dat ogenblik, in 1910 dus, al een voltooid proces, ook al zou het nog meer dan een decennium duren vooraleer een katholieke politieke partij het licht (eerder: de duisternis) zou zien.

Verder is Brouwers natuurlijk de veel betere schrijver. Ook zijn roman is een tendensroman, zo heb ik betoogd, maar hij bewijst dat dit genre ook zeer goede boeken kan voortbrengen. Meestal wordt het woord tendens immers nog steeds erg negatief geconnoteerd, waarbij men dan op de eerste plaats aan het socialistisch realisme denkt (dat overigens ook goede romans heeft voortgebracht). De roman van Paap speelt zich af in een dorp, tussen gewone dorpspriesters dus, terwijl het verhaal van Brouwers in een katholiek pensionaat speelt. De hoofdpersonen van beide romans zijn twijfelaars, die van Brouwers iets meer, maar uiteindelijk gooien beiden toch hun kap over de haag en treden de gewone wereld in. Dat was in de vertelde tijd van beide boeken niet vanzelfsprekend, zeker niet in 1910, want dan moest de apostaat zich blijkbaar begeven tussen ‘liberalen en vrijmetselaars’, zoals Paap schrijft. Toch vinden ze de moed ertoe; dat maakt hen tot positieve helden zoals ze in tendensromans geëist worden.

Bij Paap gaat het uiteraard ook niet over seks met kinderen, dat zou nog decennialang een taboe blijven; maar wel over seks met volwassenen, hetgeen toen een even groot taboe geweest moet zijn, zeker in katholieke en algemeen-conservatieve middens. De stelling van Paap is dan ook duidelijk: het onderdrukken van seksualiteit leidt tot allerlei psychische misvormingen en kan op geen enkele manier gezond zijn. De hoofdpersoon vindt als kapelaan een jeugdliefde terug die ongelukkig getrouwd is met een bigotte zemelaar, en voelt zich opnieuw tot haar aangetrokken. En wederzijds. Na een vrijpartij trekt hij zijn priesterkleed uit en gaat zij weg van haar man. Dat is de hele plot, meer niet. Die vrijpartij wordt overigens alleen maar gesuggereerd, op geen enkele manier wordt ze beschreven of zelfs maar aangeduid. Dat kon toen zeer zeker nog niet, en het zou nog tot de jaren zestig duren voor het wel kon.

De tendens, en het didactische gehalte van de roman zijn dus duidelijk. Maar ook redundantie treedt veel op in dit boek, terwijl dat aspect bij Brouwers afwezig was. Die redundantie betreft dan voornamelijk katholieke morele precepten; het boek eindig trouwens met heel wat bladzijden voetnoten uit contemporaine katholieke publicaties over dat soort zaken. Voor vele hedendaagse lezers zal dat aspect het boek wel wat langdradig maken, ook al kun je niet zeggen dat Paap werkelijk overdrijft.

Temeer daar alles gecontroleerd kan worden; er is in het boek trouwens nog een tweede kapelaansfiguur, die eveneens uit de kerk treedt, deze omdat hij verbod gekregen heeft om te schrijven en te publiceren.

En je kunt nog zaken bijleren, die je totaal voor onmogelijk zou houden: dat een priester bv. min of meer verplicht was clandestien een keizersnede toe te passen op een dode vrouw die zwanger was en waarvan de vrucht nog in leven zou kunnen zijn: die vrucht moet nl. gedoopt worden en zodoende gered.

Je houdt het niet voor mogelijk.

Paap geeft de bron aan: Jos Aertnys: Theologia moralis secundum doctrinam S.Alphonsi Mariae de Ligorio, liber VI, N° 43, Quaer. 4°: “Hoe moet de keizersnede van een overleden moeder geschieden?” (oorspronkelijk in het Latijn – de door Paap gebruikte uitgave uit 1901 is in Antwerpen in de ua-bibliotheek aanwezig).

De taal van Paap doet zelden verouderd aan; wel natuurlijk de katholieke gebruiken en gewoontes, die breeduit beschreven worden. Veel ervan was ook mijzelf onbekend, ook al moet het in de jaren vijftig en zestig toch nog zo geweest zijn – vermoed ik toch. Maar ik ben natuurlijk nooit beginselvast geweest, en probeerde als kind al mij aan al die rabiate onzin te onttrekken.

Paap is zoals gezegd grotendeels vergeten. Zoals steeds ten onrechte. Want ook mindere goden verdienen het om bewaard te blijven, heruitgegeven en bestudeerd te worden.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


2 × 1 =