Badiou’s loflied op de politiek

| Geen reacties

Er zijn boeken waarvan je kunt zeggen: ik ben het eens met quasi alles wat erin staat, maar toch geloof ik er helemaal niets van. Dan zijn de feiten en de analyses wel juist in mijn ogen, maar kunnen ze niet of zo goed als niet worden toegepast wegens allerlei praktische bezwaren waar geen rekening mee wordt gehouden.

Marxisten zijn daar nogal sterk in. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat marxisten de beste sociale en politieke analyses maken die mogelijk zijn, ja ook nu nog. Maar misschien bewijzen ze juist daardoor dat het zo moeilijk is ze ook in de werkelijkheid toe te passen. Omdat de werkelijkheid altijd rijker is, onvoorspelbaarder is en wispelturiger dan welke analyse of welke theorie ook. Dat is trouwens een van de belangrijkste redenen waarom economie géén wetenschap is: je moet rekening houden met zovéél parameters dat dat onmogelijk is. Daarom is economie grotendeels nog steeds hetzelfde als wichelroedelopen: natte-vinger-werk.

Filosofie onder de vorm van socratische gesprekken heeft enkele voordelen op filosofie in de ge-eigende, essayistische vorm: de lectuur ervan is meestal veel gemakkelijker, de ideeën worden op een eenvoudiger wijze verwoord en zo kunnen meer mensen bereikt worden dan met een droog en technisch essay. Wat niet betekent dat die laatste niet nodig zouden zijn; maar ze moeten aangevuld worden.

Dat is zo’n beetje wat gebeurt in Alain Badiou avec Aude Lancelin: Eloge de la politique (Flammarion, Paris, série Café Voltaire, 2017).

Zoals het hoort handelt het eerste hoofdstuk van de vraaggesprekken over de juiste betekenis van het woord ‘politiek’ enerzijds en, daaruit afgeleid, van het woord ‘democratie’ anderzijds. Beide termen zijn uiteraard zeer nauw verweven. Badiou stelt twee opvattingen van ‘politiek’ tegenover elkaar: op de eerste plaats die van Machiavelli, die erop neerkomt dat politiek de kunst is van het liegen en bedriegen. Die definitie van ‘politiek’ komt overal ter wereld overeen met de werkelijkheid. Dat lijkt me inderdaad een bewijsbaar feit te zijn.

Om daar een andere vorm van ‘politiek’ tegenover te stellen gaat Badiou niet terug naar de Grieken, maar gaat hij uit van de tegenstelling tussen enerzijds ‘justice’ (recht(vaardigheid)) en anderzijds ‘pouvoir’ (‘macht(suitoefening)). Daarbij stelt hij het volgende:

“…il se pourrait bien qu’en réalité la justice soit incompatible avec le pouvoir. Du coup, la perspective concernant la politique change: le pouvoir d’Etat pourrait n’être qu’un instrument transitoire, nécessaire pendant toute une séquence de l’histoire, mais appelé à disparaître, au profit de l’installation d’une justice qui, en quelque sorte, serait au mains de l’humanité elle-même.” (p.11)

De enige (tegen)macht die daarvoor zou kunnen zorgen, tegen alle liberalisme en kapitalisme in, zou het communisme zijn, wat betekent dat men ervan uitgaat dat men moet ‘mettre les choses en commun, et à se placer sous l’impératif du bien commun.’ (p.23 – ik cursiveer) Daarmee gaat hij terug naar de etymologische wortels van het begrip ‘communisme’; dat doet hij ook met het begrip ‘democratie’, na te hebben vastgesteld dat wat vandaag ‘democratieën’ genoemd wordt, er helemaal geen zijn: wij leven overal in zgn. ‘oligarchieën’, en dat is op zeer vele gebieden het totale tegendeel van een ‘democratie’.

Maar dat communisme als tegenmacht betekent eigenlijk niets: ‘Et puis il y a, il y a faiblement, ou il n’y a presque pas, ou il y a déjà eu plus fortement, une autre voie.” (p. 23) zo stelt hij met een mooie zin. Meer dan die twee mogelijkheden, kapitalisme of communisme ziet hij niet; en waarschijnlijk zijn die er ook niet als je doorredeneert. Soms is het niet enkel de logica, maar ook de werkelijkheid zelf die ‘tertium non datur’ zegt. Terecht.

Hoe je dat communisme dan bereikt, is al een iets moeilijker kwestie. Vier grondprincipes somt hij in een volgend, aan dat communisme gewijde hoofdstuk op. Maar ook daar begint hij weer met het woord zelf, dat enerzijds geweigerd en verdrongen wordt (door degenen die het zouden moeten gebruiken), en anderzijds gecriminaliseerd (door de échte machthebbers). Zelf eist hij het woord op voor wat het is, en stelt als eerste voorwaarde om tot dat communisme te komen: “…qu’il faut arracher l’appareil productif au contrôle de la propriété privée.” (p.35) En hier hebben we nu net wat ik in de eerste paragraaf van dit stukje schreef: ik ben het met deze zin volledig eens, maar zie niet in hoe je dat zou kunnen bereiken op een ogenblik dat die eigenaars (aandeelhouders van de grote financiële en productiebedrijven, die op wereldschaal handelen) meer macht hebben dan ooit tevoren in de geschiedenis. Ik geloof er niet in.

Zonder dat hij erop ingaat (zou hij dat niet durven, omdat het te pessimistisch is, en een marxist altijd optimistisch moet zijn?) gaat hijzelf uit van wat de enige weg is die uiteindelijk gevolgd zal en/of kan worden (een weg trouwens die op de eerste plaats voor de mensen, maar ook voor de kapitalisten zelf, een impasse is):

“La concentration de capital est si intense aujourd’hui qu’on peut s’interroger sur sa capacité à offrir des moyens de survie à l’humanité toute entière.” (p.43)

Inderdaad, zou ik zeggen. Temeer – en ook daar wijst hij terloops op, tot twee keer toe (pp. 44 en 94) – daar de processen binnen het systeem onvermijdelijk tot een grote oorlog moeten voeren.

Elders, in een ander boekje (Je vous sais si nombreux… Editions Fayard, Ouvertures, Paris, 2017) citeert hij in dat verband Lenin: ofwel zal de revolutie ervoor zorgen dat er geen oorlog komt, ofwel zal de oorlog als laatste consequentie de revolutie hebben. Dat ging op aan het begin van de 20ste eeuw, maar nu nog? Er is een belangrijke zaak die in geen van beide boekjes voorkomt (en evenmin in het gros van het andere werk van Badiou): de ecologische verschijnselen, de klimaatverandering dus. Waarschijnlijk zullen we op dat vlak moeten uitgaan van het worst case-scenario, hetgeen betekent dat wel die oorlog met alle chaos en anarchie vandien mogelijk is, maar die revolutie verder weg raakt dan ooit.

Revolutie? Wishfull thinking. Op z’n best. Zeker als zijn remedie neerkomt op analyseren, uitleggen, praten. Maar dat ziet hijzelf als eerste in, zoals uit zijn conclusie blijkt, waaruit ik een lang stuk wil citeren:

“La vérité est que le capitalisme est en pleine expansion. Il est en train de dominer de façon active la totalité de l’Asie, et l’Afrique toute entière, pour l’instant zone de pillage impérial, finira par entrer dans le jeu mondial réglé de la production et des échanges. Nous sommes au tout début d’une très longue marche. Par conséquent, il n’y a pas à être extraordinairement surpris que les toutes premières tentatives de communisme, en Russie ou en Chine, qui ont expérimenté à partir de rien et en rupture avec des milliers d’années un type de société postnéolithique, se soient soldées par des échecs. Elles se sont elles-mêmes conçues à l’intérieur de l’idée d’un succes rapide, voire complet, qui était l’idée du marxisme officiel de l’époque. Un succes immédiat qui faisait que la catégorie de révolution ne peut être q’une catégorie événementielle, une rupture qui ouvre à des difficultés bien plus considérables que celles qu’elle résout.” (p. 134)

Om te weten wat die nodige omwenteling dan wel betekent, waarmee ze vergeleken moet worden, moeten we even naar dat laatsgenoemde boekje grijpen, dat twee teksten bevat, éen van een voordracht in het Lycée Henri IV in Parijs

(overigens en tussen haakjes: kan iemand zich voorstellen dat in een Vlaamse middelbare school iemand van dat hoge kaliber en met die revolutionaire opvattingen een voordracht zou mogen geven? ik vrees van niet)

en korte antwoorden op dertien politieke stellingen.

Het belangrijkste inzicht – zo noem ik het, want het klopt volledig, ook al is dit inzicht dan volgens mij volledig origineel in die zin dat niemand vóór Badiou dat zo geformuleerd heeft – komt neer op de stelling dat de noodzakelijke communistische revolutie niet verwijst naar de Russische of de Franse revolutie, maar naar de … neolithische revolutie. Ik was echt verbaasd toen ik dat las, maar inderdaad: met die revolutie (die erop neerkomt dat de menselijke soort zich op bepaalde plaatsen definitief ging vestigen en aan landbouw ging doen) ontstond voor het eerst een produktie-overschot en, vandaar, een klasse die zich dat overschot ging toe-eigenen. Dat was natuurlijk een heel lang proces. En een mogelijke of wenselijke communistische revolutie zou net aan die klassenheerschappij een einde moeten stellen.

Maar volgens Badiou is daartoe een soort mentaliteitswijziging noodzakelijk, die erop neerkomt de Ander te erkennen als equivalent van het ik. Ik is een ander en een ander is steeds ik. Het is een idee die hij ophangt aan uitspraken van vier filosofen (eigenlijk één schrijver, één psychoanalyticus en twee filosofen): Hugo, Sartre, Lacan en Hegel. Hij had zeker ook Spinoza en vooral Lévinas kunnen citeren, maar moest zich natuurlijk beperken. Hoe dan ook, zijn basisstelling is de volgende: “C’est quand même dans la rencontre de deux consciences que chaque conscience se constitue comme conscience.”

In al zijn beknoptheid komt zijn stelling neer op wat Dirk Van Duppen met Jan Hoebeke hier bij ons beargumenteerd heeft in hun boek De supersamenwerker. Maar met die stelling ben ik het eigenlijk minder eens.

Het is inderdaad zo dat zonder empathie, zonder herkenning van ik in de Ander, geen samenwerking, geen vooruitgang edm mogelijk is. Dat klopt. Maar het tegendeel, het egoïsme, het nationalisme, de uitsluiting van de Ander tot en met de objectivatie van die Ander en, vandaar, zijn vernietiging zijn evenzeer in de mens aanwezig; de liberalen hebben geen ongelijk én de communisten hebben geen ongelijk. Die tegenstelling is er in de menselijke natuur. En op dit ogenblik overheerst de kwalijkste kant van die tegenstelling. Dus komt het erop aan die kwalijke kant te onderdrukken en de goeie kant te bevorderen.

Vraag is natuurlijk: hoe doe je dat? Gramsci, die in dit verband ook een plaats verdient, ook al noemt Badiou hem niet, wist het ook niet. De heersende neoliberale ideologie zit overal, zoals een gas dat door alle kieren en spleten sluipt en alles verstikt en kapotmaakt. En Badiou geeft zelf aan dat het nog niet voorbij is, ook al is hij zoals het hoort zeer voorzichtig met voorspellingen, toch duidt hij enkele malen erg expliciet de mogelijke zekerheid van een derde wereldoorlog aan – ik heb het al gezegd.

En over de ecologische rampen die er deels al zijn, maar vooral op komst zijn, zwijgt hij.

En nergens staat hoe dat alles, ik bedoel: het tegengaan van die nefaste, dodelijke ontwikkelingen, hoe dat in de praktijk gebeuren moet. Maar waarschijnlijk kan dat ook niet. Iedereen weet wel dat je een revolutie niet kunt ‘maken’ zoals dat in de jaren zestig nog gedacht werd; een revolutie vindt plaats als de tijd rijp is, en niemand kan voorspellen wanneer dat juist is, of waar dat gebeuren zal. En het volstaat te kijken naar Griekenland, waar doodgewone sociaal-democraten, maar wel eerlijke (blijkbaar bestond dat nog, je gelooft je eigen ogen niet!) geprobeerd hebben op een doodgewone reformistische wijze iets te veranderen ten voordele van de gewone mensen; hoe die op hun knieën zijn gedwongen, vernederd, figuurlijk afgemaakt, gedwongen om alle mogelijke maatregelen te stemmen die hen door de Europese gangsters werden opgelegd, dan weet je het wel.

Zelfs gewone positieve veranderingen ten voordele van de 90 % kunnen dus niet meer in dit Europa, laat staan dat je aan een revolutie zou denken! Het ongenoegen van die 90 % zal enkel en alleen extreem-rechts en het fascisme ten goede komen; en of er na de volgende oorlog nog genoeg zal overblijven om iets anders te proberen is maar de vraag. Maar hier in Vlaanderen kunnen ze alvast beginnen met ergens een nieuw torentje met ‘Nooit meer oorlog ‘ erop, te bouwen.

Groot gelijk als de PvdA hier stelt niet te willen regeren. En als ze het toch doen, dan weet je: ze zijn de weg opgegaan van Die Linke in Duitsland, van Syriza in Griekenland, en ze zullen uiteindelijk ook door het stof naar hun Europese kapitalistische meesters kruipen en smeken om toch maar minister te kunnen blijven.

Badiou is een meester van de theorie, maar ik vrees dat hij er in de praktijk helemaal niks van zou bakken.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


twaalf − 8 =