Badiou over Wittgenstein

| Geen reacties

Alain Badiou noemt zichzelf expliciet marxist en maoïst. Daar heb ik uiteraard geen enkel probleem mee. En nog minder met het feit dat hij zowat een veelschrijver geworden is – en dat op een toch al gezegende leeftijd. En als filosoof. Meestal zijn het kleinere werken, die ofwel aan de actualiteit vasthangen of aspecten van de actualiteit abstraheren en theoretiseren. Vaak is daarbij van dat marxisme weinig, en van dat maoïsme helemaal niets te merken. Waar ik al evenmin een probleem mee heb.

Een van zijn recente publicaties is: L’antiphilosophie de Wittgenstein (Nous, Caen, 2017).

Wittgenstein, en dan vooral de eerste Wittgenstein waar Badiou het hier voornamelijk over heeft, heb ik tamelijk grondig gelezen en zelfs bestudeerd. Dat kan ik afleiden uit de vele randnotities in mijn exemplaar van de Tractatus logico-philosophicus; het is een tweetalige uitgave, met de eerste druk van de Nederlandse vertaling van Willem Frederik Hermans. Geen enkele antiquaar kan met dat volgekribbelde exemplaar nog iets aanvangen.

Voor rechtgeaarde marxisten en maoïsten was Wittgenstein natuurlijk een bourgeois van jewelste, iemand die enkel maar afleidde van de klassenstrijd.

Het zou wat.

Waarschijnlijk hebben er amper rechtgeaarde marxisten en maoïsten bestaan.

Zoals gezegd gaat Badiou’s boekje quasi enkel over de Tractatus, inderdaad het enige boek van Wittgenstein dat hij zelf heeft laten verschijnen. Mede op grond daarvan verwerpt Badiou het latere werk van Wittgenstein, ofschoon ook het tweede grote werk, de Philosophische Untersuchungen, eigenlijk nog door Wittgenstein zelf werd voorbereid; dat het tijdens zijn leven niet verscheen had meer te maken met het verregaande perfectionisme van de auteur dan met iets anders. Het gaat mijns inziens dan ook niet op te doen alsof dat boek niet van Wittgenstein zou zijn. Dat kan zelfs als een vorm van geschiedvervalsing beschouwd worden (zoals Lin Piao een beetje, die ineens op de foto’s met Mao verdween).

Badiou doet dit (en alle andere latere, postuum gepubliceerde werk) af als sofisme en ‘bavardage’, geklets dus. Zou in zo’n onzin dat oude marxisme en maoïsme nog eenmaal tot uiting komen? Want laten we wel wezen: was de Tractatus een systematische, haast wiskundig-deductieve ‘verhandeling’, dan is daarvan niets meer aanwezig in het laatste werk. Elke systeemvorming is daar verdwenen en alles wat overblijft zijn vragen, vragen zonder antwoorden.

Zou Badiou daar niet tegen kunnen? Zou hij niet verder kunnen met denken, filosoferen, leven zonder een systeem – op de een of andere manier?

Nochtans, het begrip ‘antifilosofie’ uit de titel is wellicht veel meer van toepassing op dat latere werk dan op de Tractatus. Het begrip is afkomstig van Lacan en duidt gewoon een filosoof aan, die in zijn werk de filosofie zelf grondig en expliciet in vraag stelt. En inderdaad, er zijn wel wat filosofen die dat niet doen. Maar Wittgenstein behoort daar niet toe, noch de vroegere, noch de latere. Ik zou inderdaad durven stellen: in de mate dat de late Wittgenstein enkel nog vragen stelt zonder zelf antwoorden te geven, haalt hij de fundamenten veel grondiger vanonder de filosofie uit dan de eerste Wittgenstein. In die zin is hij eigenlijk vooral te vergelijken met Nietzsche – vergelijking die Badiou zelf trouwens ook maakt, want ook Nietzsche behoort tot dezelfde categorie van antifilosofen.

Maar als je alles in vraag stelt, dan kom je uiteraard bij het nihilisme uit. Zou het dat zijn wat Badiou wil vermijden, wat hem angst en afschuw inboezemt? Waarschijnlijk wel.

Anderzijds kun je evengoed stellen dat je dan in de mystiek terecht komt. En daar heeft Badiou geen enkel probleem mee, want hij interpreteert de Tractatus inderdaad ook als een mystiek geschrift. Zelf ben ik ook altijd van mening geweest dat zoiets expliciet in het boek aanwezig is. Wittgenstein maakt immers een expliciet onderscheid tussen wat gezegd kan worden en wat zich enkel maar toont: en dat laatste noemt hij ‘het mystieke’. Letterlijk: “6.522  Es gibt allerdings Unaussprechliches. Dies zeigt sich, es ist das Mystische.”

Over dat mystieke is al veel inkt gevloeid, en ik heb nooit begrepen hoe een rationalist als Hermans zich tot dit boek aangetrokken kon voelen. Door het mystieke erin helemaal weg te rationaliseren in zijn commentaren doet hij niet enkel Wittgenstein onrecht aan, hij vervalst hem zelfs. Tegen alle beter weten én tegen de tekst zelf in. Wat dat aspect betreft sluit ik me dus aan bij Badiou, die ondanks zijn marxisme en maoïsme veel opener en breeddenkender blijkt te zijn dan Hermans.

Blijft natuurlijk de vraag naar de aard van dat ‘mystieke’. Daar geeft Wittgenstein geen antwoord op, en Badiou evenmin. Maar als we weten dat vele mystici, en niet van de minsten, en van alle grote religies, God definieerden als ‘niets’, kunnen we wel een vermoeden uiten. Eén beroemd voorbeeld, van Angelus Silesius:

Gott ist ein lauter Nichts,
ihn rührt kein Nun noch Hier;
je mehr du nach ihm greifst,
je mehr entwird er dir.

Zou het kunnen dat we zo opnieuw bij een vorm van nihilisme uitkomen? En dat Badiou zich uiteindelijk tegenspreekt?

Zoals bijna alles van Badiou is de tekst vlot leesbaar en kunnen zijn redeneringen goed gevolgd worden. En het is natuurlijk op zich al een verrassing van zijn hand een positief boekje over Wittgenstein te lezen. Maar ook weer niet zo’n verrassing: had hij eerder niet op een positieve wijze over de apostel Paulus geschreven?!

En dat hij daarenboven vergelijkingen trekt tussen die eerste Wittgenstein enerzijds, en Rimbaud en Mallarmé anderzijds neemt mij nog meer voor hem in.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


twintig − 12 =