Poëzie – engagement – actualiteit

| Geen reacties

In de jaren zestig van de vorige eeuw had in de literaire wereld een korte discussie plaats over engagement in de literatuur; dat was een beetje laat gedruppel van een gelijkaardige regenbui die in de jaren vijftig al in Parijs had plaatsgevonden, naar aanleiding van Sartre’s bekende Qu’est ce que la littérature? Daarin brak Sartre een lans voor geëngageerde literatuur; maar hij maakte daarbij wel een uitzondering voor de poëzie – waarschijnlijk enkel omdat hij daar niet echt veel van afwist, anders zou hij zeker wel naar Aragon en Eluard (o.a.) verwezen hebben.

Sindsdien komt die discussie met de regelmaat van een klok terug; terwijl iedereen toch weet dat voor dat soort ‘problemen’ geen enkele oplossing bestaat. Het enige wat je van dichters (en van schrijvers in het algemeen) mag eisen is dat ze goeie gedichten schrijven – volgens ieders geaardheid en gebektheid.

In samenwerking met Radio 1, waar de betrokken gedichten werden voorgelezen, verscheen een bloemlezing van een volgens mij nogal bizarre aard: Alsof er niets is gebeurd. Een jaar NIEUWS in gedichten (Poëziecentrum, Gent, 2017). De gedichten worden geacht een soort ‘commentaar’ te zijn bij de actualiteit – wat vaker niet dan wel lukt; en als het wel lukt levert dat niet bepaald goeie gedichten op.

In feite staat er in heel de bundel slechts één gedicht dat me werkelijk aangesproken heeft: het gedicht ‘Andy’ van Maud Vanhauwaert, geschreven blijkbaar naar aanleiding van de Antwerp Pride Parade. Maar dat kun je enkel weten omdat vóór elk gedicht een korte tekst (van de radioredactie?) staat waarin het gedicht in kwestie ‘gecontextualiseerd’ wordt. Voor de rest heeft dat gedicht met welke actualiteit of met welk engagement dan ook weinig of niets te maken – tenzij je die begrippen zo sterk uitrekt dat quasi alles eronder valt. Dat universalisme maakt trouwens mee de kracht uit van het gedicht.

De meeste andere gedichten zijn vaak erg slecht, en in een viertal gevallen hebben we gewoon met propaganda te maken – uiteraard gaat het dan over Syrië, dat al langer dan 2017 in het ‘nieuws’ is. De gedichten op de bladzijden 11, 17, 35 en 45 bauwen doodgewoon na wat elke dag in de mainstreammedia verschijnt of te horen is over Syrië: een boze Assad, zoveelste incarnatie van het Absolute Kwaad (Hitler! Hitler!) is een oorlog tegen zijn eigen volk begonnen met de bedoeling, blijkbaar, dat uit te roeien. Het verst daarin gaat ene Lotte Dodion op pagina 53 met een gedicht geschreven naar aanleiding van het feit dat in de Saydnaye gevangenis tussen 2011 en 2015 minstens 13.000 mensen zouden zijn opgehangen – tegenstanders van Assad.

Dit is een typevoorbeeld van de platste en meest ongenuanceerde vorm van propaganda: de hyperbolische leugen. Het “bewijs” voor die bewering is gebaseerd op geruchten van anonieme mensen buiten Syrië. De cijfers zelf zijn extrapolaties die geen enkele wetenschapper of rechter ooit zou accepteren. Hoe dom of achterlijk moet je zijn om daarin te geloven? En de verspreider ervan is (weer eens) Amnesty International, dat in heel deze oorlog al meermaals heeft bewezen niets anders te zijn dan de spreekbuis van al Qaeda & Co.

Natuurlijk zijn dichters ook maar mensen, vaak zelfs goedgeloviger en naïever dan anderen. Vandaar dat ze zich zo gemakkelijk laten vangen door een pers, die die naam niet waardig is; ze zouden, als ze dan al gedichten willen schrijven daarover, zich beter eerst grondig documenteren inplaats van hun spontane gevoelens blindelings achterna te lopen. Nogmaals: met gevoelens schrijf je geen gedichten.

Maar het hoeft helemaal niet over Syrië te gaan om slechte tot zeer slechte gedichten op te leveren, vol cliché’s en banaliteiten. Als voorbeelden van zeer slechte poëzie verwijs ik naar de gedichten op bladzijde 35 (waarschijnlijk het allerslechtste van de hele bundel – Jeroen Theunissen zou zich moeten schamen), 69, 79, 81 en 97-99. Annemarie Estor bv. komt in het gedicht ‘De aanslag, de kei en wij’ niet veel verder dan het inderdaad zinloze herhalen van ‘zinloos’; geweld wordt dan bedoeld, zgn. ‘zinloos’ geweld – een uitdrukking die telkens weer uit de rotte mond van het politicaille rolt en die totaal niets betekent. Stelt Estor vragen daarbij? Nee, dat doet zij niet. Maar wellicht is een gedicht niet echt de manier om dergelijke vragen te stellen. Enkele verzen slechts als voorbeeld, ook dit uit een gedicht van Jeroen Theunissen, n.a.v. de vrijlating van Chelsea Manning:

(…)
“Gefolterd, mishandeld, opgesloten,
tot wanhoop gedreven, bijna tot zelfmoord,
ademt Chelsea Manning vandaag lente.

Buiten proportie gestraft omdat ze
wat in honderden duizenden documenten
donker was aan het licht bracht.”
(…)

Edele gevoelens wellicht, en in overeenstemming met de werkelijkheid en de waarheid, maar daarmee schrijf je geen poëzie. Veel te direct, en als er dan eens een figuur gebruikt wordt is het een totaal afgezaagd cliché over donker en licht.

Staat er dan niks goeds in de bundel behalve het al vermelde gedicht van Vanhauwaert? Ook al is de kwaliteit over het algemeen erg slecht, dat belet niet dat er tussen het opvallende kaf ook wel een beetje koren te vinden is af en toe, maar te weinig om er een boek mee te vullen. Een mooi voorbeeld is ‘Een woede’ (p.15) van Charles Ducal:

“Er is een woede op komst die alles veranderen zal,
die als een reinigende storm door de hoofden
zal spoelen, en de straat opgaan in een machtig getal.

Nu nog loopt de een blind, de ander doof,
in het zelfbedrog juist te zien, scherp te horen,
bestookt door omroepers van het geloof

dat zolang de vleespot niet overloopt
van onze offers, er niet wordt gedeeld en gegeten,
want de pot is tenslotte van één, dat is zo

vanzelfsprekend dat het woede zal zijn,
een machtige woede die eindelijk zal spreken,
krant en tv onderbreken, de pot openbreken,

de angst voorbij.”

Het volstaat om even grondig te lezen en vooral op de klanken te letten om te zien dat taal hier een zeer sterke rol speelt. Deze dichter schrijft met woorden, met taal, niet met gevoelens, zelfs niet met gevoelens van woede, daarvoor is het gedicht te onderkoeld gehouden. Het gedicht is ook niet gebonden aan de of een actualiteit, het is gewoon universeel, en zou bv. een gevoel kunnen oproepen dat naar de achttiende eeuw verwijst, met zijn vele pamfletten, jacqueries en andere opstanden die uiteindelijk culmineerden in de Grote Woede van 1789.

Ironisch en zelfs sarcastisch zonder het te willen is de tweede strofe, omdat die zonder enig probleem toegepast kan worden op de vele blinden en doven die ook aan deze bundel hebben bijgedragen.

Geëngageerd is het gedicht uiteraard wel, maar ook op een universele wijze, zonder dat naar concrete gebeurtenissen verwezen wordt, of zonder dat iets dergelijks zelfs maar vernoemd wordt. Het is ook geëngageerd door de profetische toon die, zij het licht, merkbaar is: de woede wordt in de toekomst geplaatst, zonder dat duidelijk wordt of die toekomst dichtbij of veraf ligt. Ducal is niet de eerste of de enige die vandaag op die manier een gevoelen verwoordt dat blijkbaar in de lucht hangt. Enkele jaren geleden reeds verscheen in Frankrijk een pamflet van een Comité Invisible, dat L’insurrection qui vient heet. En de laatste kleine publicatie van de Duitse dichter Clemens Schittko heet: Der Aufstand kommt so oder so.

De door Radio 1 en het Poëziecentrum uitgegeven anthologie ondertussen leidt er enkel toe om afkerig te worden van elk soort engagement en van elke verwevenheid van poëzie en actualiteit. Een miskleun is het.

 

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


16 − 8 =