Hoe de Zwarten in de Hemel kwamen

| 3 reacties

1.

Op het literaire aspect van dit gedicht ben ik zeer weinig ingegaan. Daar zijn meerdere redenen voor. Op de eerste plaats literaire natuurlijk. De Pillecyn gebruikt zeer weinig retorische middelen. Beeldspraak komt amper voor. Enkel het gedicht als geheel kan als één beeld, een soort allegorie dus, gelezen worden, waarbij de tocht van de zwarten als een soort zuivering gezien kan worden – in die zin is het een contrafactum op de veel vaker voorkomende fabel van de hellevaart[43]. Ook klankfiguren komen weinig tot niet voor.

Het is duidelijk: voor de Filip De Pillecyn die hier aan het woord is, telt enkel de inhoud. Hij wil de lezer een boodschap meegeven, nl. dat de zwarten onschuldig zijn, en dat ze niet gebroken zijn.

Deze totale focus op de plot en zijn betekenis maakt van dit gedicht een bij uitstek politiek gedicht. Geschreven midden in de epuratie-/repressieperiode neemt het een duidelijk standpunt daartegenover in; de auteur kiest partij op een ondubbelzinnige en bijna manicheïstische manier. Zodoende wijst het gedicht als het ware de weg aan de onderzoeker ervan, het gedicht vraagt om een repliek, om een – eveneens politiek – antwoord. Een close-reading op basis van literariteit alleen zou het gedicht totaal onrecht doen. Op de politieke boodschap ingaan betekent overigens helemaal niet dat men het met die boodschap eens zou zijn.

Tenslotte dient nog gewezen op de structuur van het gedicht; ik hoop doorheen mijn analyse te hebben aangetoond, dat het goed in elkaar steekt, met vele expliciete en impliciete verwijzingen binnen de tekst, met een opbouw in niet expliciet genoemde, maar toch onderscheidbare delen en onderdelen. Filip De Pillecyn was een romanschrijver, dat blijkt daaruit nog maar eens. Hij wist hoe een verhaal op en uit te bouwen. Maar een dichter was hij niet. Hoe de zwarten in de hemel kwamen is en blijft een gelegenheidsgedicht van een prozaïst.

2.

Daarenboven is het gedicht in meerderlei opzicht een geschrift dat documentaire waarde heeft, op de eerste plaats op persoonlijk vlak. De Pillecyn was aangehouden wegens collaboratie, en door de rechtbank veroordeeld tot tien jaren hechtenis. Daarenboven was zijn woning geplunderd, en zijn bibliotheek voor een deel gestolen of vernietigd tijdens de septemberdagen. Wie van literatuur en boeken houdt, kan zich best voorstellen wat voor een bijna apocalyptische invloed dat gehad zal hebben. Wanneer je iets dergelijks meemaakt, en je voelt geen schuld, dan moet je dat hoe dan ook verwerken. De Pillecyn deed dat door het schrijven van zijn gevangenis dagboek, Face au mur, dat slechts vele jaren later verscheen, na zijn dood[44]. Ook werkte hij mee aan Opbouw, een tijdschrift voor gedetineerden, vooral voor de collaborateurs onder hen. En hij schreef dit gedicht, dat in dezelfde lijn gezien moet worden.

Daarenboven heeft het gedicht ook ontegensprekelijk een historische documentaire waarde. Het laat zien hoe minstens een van de vooraanstaande collaborateurs de afloop van de oorlog en de persoonlijke gevolgen voor zichzelf zag. Niet enkel voor zichzelf, maar voor de hele groep die men reeds vroeg ‘zwarten’ is gaan noemen. Dat De Pillecyn daarbij geen enkel onderscheid maakt tussen de verschillende categorieën die men binnen die groep van ‘zwarten’ kan onderscheiden, zal wel te wijten zijn aan de onmiddellijkheid van het gedicht. Het lijkt een spontane, directe uiting van de woede en de onmacht die velen die in hetzelfde schuitje zaten, met de schrijver gevoeld zullen hebben. Ik kan hier bij gebrek aan plaats, en omdat ik me tot dit ene gedicht wil beperken, geen vergelijkingen maken met andere literaire teksten waarin deze problematiek gethematiseerd wordt. Maar ik kan me niet van de indruk ontdoen dat het gevoel van onschuldig veroordeeld te zijn bij bijna allen overheerste.

Zowel dit persoonlijke als dit historische aspect en vooral de onmacht die ermee gepaard gaat, doen bijna automatisch een zondebokreflex ontstaan. Meestal is dat de weerstand, of de Belgische staat, maar in dit gedicht is het op de eerste plaats de jood. Dat verwondert. Want bij mijn weten komt het antisemitisme in de literatuur in Vlaanderen amper of niet voor. Mij zijn in elk geval geen geschriften in die zin bekend, wel odes aan de ‘Führer’, maar geen anti-joodse gedichten of romans. In Nederland[45], en zeker in Frankrijk daarentegen wel.

Wat dit aspect betreft is dit gedicht dus blijkbaar een unicum. Wordt er daarom misschien zedig over gezwegen?

3.

In de loop van dit opstel ben ik op dat anti-joodse aspect uitgebreid ingegaan. Maar de vraag blijft: hoe moet ik dit beoordelen? Ik kan, zoals intellectuelen meestal plegen te doen, uitgaan van abstracte principes die los van elke sociale, politieke en historische context vrij en onbezwaard hoog in de lucht zweven, en eeuwig dezelfde blijven. Zo zit ik niet in elkaar. Ik ben geen intellectueel.

Elke uitspraak vindt in een context plaats, en moet, ik herhaal het, vanuit die context geanalyseerd en beoordeeld worden. Anti-joodse gevoelens en ideeën bestonden al voor het christendom, maar dit laatste heeft er een fikse boost aan gegeven. Dat betekent dat die ideeën en gevoelens al ongeveer twee millennia in onze contreien aanwezig waren toen De Pillecyn zijn gedicht schreef. Weinige ideeën en gevoelens zullen zo diep in het collectieve onderbewustzijn verankerd zijn geweest als het antisemitisme[46]. Sedert de Franse Revolutie en de emancipatie van de joden in de 18de en 19de eeuw is dat alleen maar sterker geworden. In diezelfde eeuwen kwamen ook de verschillende Europese nationalismen op, en overal in Europa kreeg men meer en meer één zondebok in het oog: de jood. Een van de gevolgen daarvan was het ontstaan van een laatste vorm van extreem nationalisme: het zionisme.

Het mag dan ook niet verwonderen dat dergelijk gedachtengoed ook in Vlaanderen voorkwam, en zeker in de Vlaamse beweging, die toch bij uitstek volks-nationalistisch was[47].

Vergoelijk ik iets door de zaken zo te stellen? Volgens mij niet. Een vooroordeel blijft een vooroordeel, ook als je het in een context plaats. En ik zou de schrijvers van Homeros tot Benno Barnard die aan onzin en baarlijke nonsens geloofden of geloven, op geen enkele manier te eten willen geven.

Ik beschouw het anti-joodse karakter van deze tekst dus als de uiting van een weliswaar minstens onjuiste en zelfs abjecte mening. Het is de uiting van iemand die aan toen erg courante samenzweringstheorieën geloofde. Dergelijk theorieën zijn een vorm van paranoïa: vertrekkend vanuit enkele premissen bouw je een consistent en logisch denksysteem uit, waar weinig tegen in te brengen valt. Je moet immers bewijzen dat de premissen (‘de joden willen de wereld overheersen’, daartoe benutten ze communisme, liberalisme, vrijmetselarij…’) vals zijn, en dat is niet vanzelfsprekend. Je brengt immers iemand van zijn geloof af.

Overigens gebeurde de schuldtoewijzing van de nederlaag van het fascisme aan de joden niet enkel in dit gedicht en in Vlaanderen. In Frankrijk verscheen enkele jaren eerder, maar op het ogenblik dat De Pillecyn aan zijn gedicht werkte, een boek van Maurice Bardèche waarin dezelfde stelling werd verkondigd[48]. Dat boek zou mede aan de basis liggen van wat men later het negationisme of het historisch revisionisme is gaan noemen. Zowel bij Bardèche als bij De Pillecyn worden daarbij twee zaken onbewust gecombineerd: enerzijds het zware anti-joodse atavisme in de christelijke landen, zeker bij extreemrechts, en anderzijds het zoeken naar een zondebok, bij De Pillecyn voor het eigen wedervaren, bij Bardèche voor de terechtstelling van zijn schoonbroer Robert Brasillach.

Het anti-joodse karakter van het gedicht maakt een integraal deel uit van de tekst, er kan en moet niet naast gelezen worden, maar het maakt van het gedicht ook een gedateerde tekst, want dergelijke uitingen zijn vandaag enkel nog in de uiterste rechtse marge van de politiek mogelijk (tenzij men parallellen wenst te trekken…). En in de literatuur helemaal niet meer. En niet enkel omdat ze verboden zijn, denk ik. Misschien is tenminste dit atavisme ondertussen grotendeels verdwenen.

4.

Het tweede hoofdthema van het gedicht is de schuldvraag. Immers, als er een zondebok is, dan moet er ook schuld zijn. Dat de verteller/schrijver van het gedicht zichzelf onschuldig acht, en alle andere zwarten mede, is uit de analyse ten overvloede gebleken: de zwarten zijn de goeden, en al de anderen de slechteriken, zo kun je het, niet eens overdreven, samenvatten.

Maar was Filip De Pillecyn inderdaad zo onschuldig als hij zich in dit gedicht voordoet?

Het is een vraag die zeer moeilijk te beantwoorden valt. Juridisch was hij natuurlijk wel schuldig. Maar ieder dient te weten dat de juridische waarheid in zeer veel gevallen de meest leugenachtige der waarheden is. Wat hem ten laste werd gelegd, waren zijn culturele activiteiten tijdens de bezetting; géén verklikking, géén oproep om de wapens tegen België op te nemen, géén militair engagement, enkel die sterke culturele aanwezigheid, inderdaad op het voorplan, blijkbaar.

In het licht daarvan valt het te begrijpen dat hij zich niet schuldig voelde, en dat hij zich – in tegenstelling tot vele anderen – zelf bij de diensten die de politiefuncties uitoefenden, heeft gemeld. Hier speelt waarschijnlijk een grote mate van naïveteit, zoals die bij intellectuelen wel eens pleegt voor te komen.

Want hoe dat ook zij, zijn culturele activiteiten vonden plaats tijdens een bezetting, en met medewerking (collaboratie) van die bezetter. En hier speelt iets anders: ideologische verblinding. Voor mij is het zovele jaren later duidelijk dat een bezetter een bezetter is, of die nu Frans praat of Duits. En ik denk dat ook in die tijd iemand die wou nadenken al tot die conclusie kon komen. Tenzij die iemand door een ideologisch verblindende bril keek.

Ook dat die Duitse bezetting gebeurde door een door en door misdadig regime kon mijns inziens geweten zijn, ook al moet men er rekening mee houden dat er toen van verre noch van nabij communicatiemogelijkheden bestonden, die we nu wel hebben. Daar komt die ideologische verblinding weer spelen. De Pillecyn was een volksnationalist, het naziregime noemde zich eveneens zo. Het zgn. ‘nationalisme’ van de nazi’s kwam wat het discours betreft, op vele punten overeen met het nationalisme van de Vlaamse Beweging. Dat men langs beide zijden een verwantschap voelde, mag dus niet verwonderen. Bij sommigen leidde dat tot een absolute collaboratie (het opgaan van Vlaanderen in een Groot-Duits rijk), bij anderen tot mildere vormen van collaboratie[49]. Het lijkt me duidelijk dat De Pillecyn tot de laatste groep behoorde. Het lijkt me dan ook onjuist hem een ‘nationaalsocialist’ te noemen[50]. Maar ik geef toe dat in de praktijk het verschil niet altijd duidelijk geweest zal zijn.

Of er naast de juridische schuld ook een morele schuld is, moet mijns inziens aan de hand van die andere criteria beoordeeld worden. Het manicheïsme van de tekst Hoe de zwarten in de hemel kwamen moet echter hoe dan ook verworpen worden. Maar dat was een direct gevolg van de omstandigheden waarin het gedicht geschreven werd, en van de directe wonden die nog geen tijd hadden gehad om dicht te groeien.

5.

Blijft tenslotte de vraag hoe dit gedicht geplaats moet worden binnen het gehele oeuvre van De Pillecyn. Is het een schandvlek op dat oeuvre? Volgens mij alvast niet – hoe vooringenomen, verblind en verwerpelijk ik de inhoud ervan ook vind.

Het gedicht vertrekt duidelijk vanuit onmiddellijke impulsen, vanuit een sterke reactie op buitenliteraire gebeurtenissen, en is dus een gelegenheidsgedicht. De Pillecyn heeft het na de bibliofiele uitgave nooit meer heruitgegeven, en in de verschillende verzamelde uitgaven van zijn werk is het evenmin opgenomen. Terecht.

Ik zou hier even willen verwijzen naar twee Franse auteurs: zowel Louis-Ferdinand Céline[51] als Marcel Jouhandeau[52] hebben in hun tijd virulente antisemitische pamfletten geschreven. Zoals bij De Pillecyn behoren die tot de marge van hun werk. Waarbij ook gezegd mag worden dat die Franse pamfletten veel verder gaan dan het gedicht van De Pillecyn. Daarenboven zijn zeker die van Céline zeer goed geschreven, hetgeen ze gevaarlijker maakt.

Toch behoren ze onmiskenbaar tot het oeuvre van die respectieve schrijvers. Uitwissen kan niet meer. Maar ze moeten ook in hun tijd geplaatst en gelezen worden. Hoe de zwarten in de hemel kwamen lijkt me daarbij, wat het antisemitisme karakter betreft, een unicum te zijn in de Nederlandse literatuur in Vlaanderen. Daarom alleen al is het nuttig er kennis van te nemen.

De directe aansluiting van het gedicht aan de politieke en sociale actualiteit heeft m.i. tot gevolg dat de band met de romans van De Pillecyn erg dun is. In die romans speelt de actualiteit immers amper een rol (Aanvaard het leven is daar, samen met de vroege gedichten en enkele verhalen rond de eerste wereldoorlog, een uitzondering op). Ook wat dat betreft is het gedicht dus een vreemde eend in de bijt van De Pillecyns literaire wereld.

Aan de ontegensprekelijke waarde van dat oeuvre doet een dergelijk miskleungedicht geen afbreuk. Schrijvers worden op hun beste werk afgerekend, niet op hun slechtste.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

3 reacties

  1. Een romancier buiten categorie waar in Vlaanderenland weinig over gesproken wordt is Louis-Ferdinand Céline.

    L-F Céline wordt genoemd als lichtend voorbeeld voor tal van mensen die groot of klein hebben geschreven, toch vraag ik me af wordt hij links of rechts door Mieke en Jan nog wel gelezen?

    Nederlanders lijken wel grotere belangstelling te hebben, zie maar de bij hen erg gesmaakte vertalingen van zowel zijn acht ik-romans als stapels brieven en de commentaren van Emanuel Kummer, Debrot, Versteeg, Keuning, Spork, Hermans en Frans van Woerden. Weliswaar belangrijkste van al: naar men mij zegt zouden daar nogal wat studenten de Franse schrijver opnieuw meer en meer gaan appreciëren.

    Die leemte in Vlaanderen intrigeert me een beetje, zie ik dat tekort wel goed en zo ja waarmee zou dat te maken kunnen hebben? Aan de geroemde en zeer geprezen theatermonoloog “Reis naar het einde van de nacht” van Guido Lauwaert zal het zeker niet hebben gelegen!

    Kent de meerderheid der Vlamingen geen Frans genoeg (meer) om zich door de spreekmuziek, schrijfdans en straattaal van jongleur Céline nu eens vloekend dan weer lachend een weg te kunnen banen?

    Zijn de gelauwerde ver-taalde romans voldoende gekend, zijn ze misschien niet genoeg nieuwerwets gebekt, te ABN Standaardnederlands of verraderlijk anders dan het origineel gestemd?

    Of moeten we het eerder zoeken in zaken die verband houden met “vervlaamsing, anglofolie en francopathie” waardoor onmerkbaar Franse cultuur blindheid in blik en hoofden is ontstaan?

    Heeft woordkunstenaar Louis-Ferdinand Céline in Nederlandstalig België geen vrienden meer die hem in een top 10 of als verplichte lectuur hebben aangeprezen?

    En wat moeten we denken van de mening van onze landgenoot en “grand célinien” Marc Laudelout die vindt: Ferdinand schrijft veel te expressief om “de doorsnee introverte en meer gesloten Vlaming” sans gêne te kunnen passioneren…?

    Is er met Céline alias Dr. Destouches echter niet verschrikkelijk veel meer aan de hand: is hij mee schuldig aan Holocaust en collaboratie, monsterlijke gruwelen die slachtoffers, nakomelingen en het collectief geheugen nooit ofte nooit zullen pardonneren; hij bleek niet vies van racisme, onverbeterlijk dwarsliggen plus slopende kritiek op alle mogelijke kerken en heilige werken; waardoor zowel machtige tegenstrevers als brave burgers in koor die “povere docteur en gemene pamfletteur” eeuwig tot hel en verdoemenis condamneren. Maar is ook dat typisch voor Vlaanderen en in Brussel, Wallonië, Frankrijk en Nederland zoveel anders?

    Zelfs voor wie van dat hatelijk verleden niets af zou weten: Monsieur Ferdinand heeft in zijn spreken hoe dan ook een “vrij vranke cynische mulle” en etaleert een pessimistisch-realistisch wereld- en mensbeeld, een zwarte visie en luidop denken waarmee “de doorsnee correcte en minzame Vlaming” het minstens in de dagelijkse omgang nogal moeilijk heeft? En vandaar mogelijks het genadeloos afkraken in bepaalde kringen: “Die vent is niet meer en niet minder dan een misrekende en zelfbeklagende kwal waarover men in alle talen zwijgen zal!”

    Of is het slechts een beetje van dat alles? Is hij simpel slachtoffer van de lawines van academische en artistieke lettermachines?Trop c’ est trop! We doen en laten ons brein via nieuwe media aan de lopende band met duizend beelden en heet van de naald klaarkomen. Louis-Ferdinand avec ses délires, ses histoires, c’ est démodé, afgezaagd, ancienne alliance, inbinden, du passé. Behalve een handvol fijnproevers of gepensioneerden lezen we in de maalstroom van competentie, competitie,commercie gewoon geen veeleisende boeken van dat kaliber meer. Hoe groot is het verlies als de laatste reisgenoten van de fabelachtige Céline hem vroeg of laat ook nog de rug toekeren? Of maken we ons nodeloos zorgen: komt zelfs voor hopeloze ongelovigen op het einde van de nacht hoe dan ook de ochtend niet weer aan de horizon gloren?!

  2. Peter, ik zoek naar uw volledige tekst over «Hoe de zwarten in de hemel kwamen». Ik vind er maar twee, klopt dat?
    Prof. E. Waegemans
    Hoofdredacteur «Filip De Pillecyn Studies»

    • Beste Professor Waegemans,

      Ik begrijp uw vraag niet goed. Er is nl. maar één enkele tekst over dat gedicht, gesplitst in tien delen. Met die tweede tekst bedoelt u waarschijnlijk de vermelding van de titel ervan in de recensie van de reader over ‘Verbrande schrijvers’?
      Ik zal u de hele tekst doorsturen via email.

      Met vriendelijke groeten,
      Peter Bormans

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


3 × vier =