Hoe de Zwarten in de Hemel kwamen

| 3 reacties

(19)
“Kap’tein Michiel, hoofd van mijn dapp’re troepen,
trek thans uw zwaard en zet uw helm maar op,
ga naar het voorgeborcht de zwarten roepen,
sla ’t sjachervolk de oren van de kop”.

Degene die hier door Christus aangesproken wordt is de aartsengel Michaël, en de uitroep is niet bepaald een voorbeeld van de liefde waar het christendom beweert voor te staan. De oproep bevat twee afzonderlijke zaken: op de eerste plaats moet Michaël de zwarten gaan halen uit het vagevuur, waar ze nog steeds verblijven, in afwachting van gebeurlijk toegelaten te worden tot de hemel. Maar daarvoor hoeft Michiel zich niet te omgorden met zijn zwaard, of zijn helm op te zetten. Wel sluit dit perfect aan bij die strofen in het begin van het gedicht waarin het soldatendom min of meer verheerlijkt werd, in de personen van de Rudder en Tollenaere enerzijds, van Jeanne D’Arc en Sint Sebastiaan anderzijds.

Op de tweede plaats bevat de oproep van Christus het bevel om de joden (het ‘sjachervolk’) de oren van de kop te slaan. Een dergelijke oproep tot geweld zou nu uiteraard niet meer kunnen. Freilich waakt! Wie dit nu nog zou schrijven en publiceren, of zelfs maar publiek uitspreken, zou zonder twijfel voor de rechtbank eindigen. Ook al gaat het om een literaire tekst.

Maar in die tijd (we schrijven eind jaren veertig) waren de wetten en bepaalde zieltjes nog niet zo fijngevoelig. Daarenboven dient men dergelijke uitingen ook te lezen in een context waarin anti-joodse uitingen nog steeds gebruikelijk waren, ook bij mensen die niet vanuit een sterk nationalistisch standpunt redeneerden. Dergelijke atavismen verdwijnen niet op slag en stoot. Daarenboven moet men deze uitingen lezen in de politieke context waarin de auteur schreef: de repressie kwam als een tsunami over de zich van geen schuld bewuste schrijver De Pillecyn heen, en in dergelijke gevallen zoekt men een voor de hand liggende zondebok. En dat was in de nationalistische culturele context de jood.

In de romans van Filip De Pillecyn komen, als mijn geheugen me niet bedriegt, geen anti-joodse passages voor. Maar dat het wel in zijn persoonlijkheid aanwezig was, wordt bewezen door volgende uitspraak:

“Wij weten allemaal waar de ras-erfelijke eigenschappen van Braun en Strauss vandaan komen. Minder geweten is het dat Hymans, over Holland heen, de bronnen van zijn inspiratie in een verwantschap met de naam Goldstein en Salomon put. Bloed liegt niet. En dat bloed is tegen Vlaanderen.”[32]

Deze tekst verscheen in het tijdschrift Pallieter in 1922. De vooroordelen tegen de joden waren dus al heel vroeg aanwezig in het denken van De Pillecyn. Toch is deze tekst in zijn duidelijkheid een uitzondering. Later komen heel af en toe nog wel eens veel zachtere sneren naar de joden voor[33], maar over het algemeen mag men stellen, dat dit punt voor de schrijver De Pillecyn niet belangrijk was. Hoe de zwarten in de hemel kwamen is in dit oeuvre wel degelijk een uitzondering.

Een laatste aspect voor wat de context van dit gedicht betreft, kan de invloed zijn van anti-joodse geschriften als de beruchte Protocollen van de Samenkomsten der Wijze Ouderlingen van Sion, zoals de Nederlandse titel luidt. Deze werden in de jaren dertig in Vlaanderen uitgegeven door wat toen toch een der belangrijkste uitgeverijen in Vlaanderen was; en die daarenboven uitgesproken katholiek was, nl. Lannoo in Tielt[34].

De tekst van de zgn. protocollen werd voorafgegaan door een eerste deel, dat de nogal cynisch klinkende titel ‘Jodendom en Christelijke Naastenliefde’ draagt, en waarin jodendom en christendom op een systematische manier tegen elkaar worden gezet, op een dergelijke manier dat de joden niet enkel de gebeten hond zijn, maar dat zij echt worden voorgesteld als de antichrist zelve.

Gelet op de uitgever kan ik mij indenken dat dit geschrift meer invloed heeft gehad dan de al even beruchte brochure van Jef van de Wiele[35], waarin joden niet enkel vergeleken worden met ratten en muizen, maar waarin letterlijk wordt opgeroepen ze uit te roeien. Of met een in dezelfde lijn liggende brochure van de eeuwige Ward Hermans[36].

Overigens was het antisemitisme in de politiek van het interbellum manifest aanwezig, zeker in Vlaams-nationale kringen[37]. Ofschoon hij zelf toen niet direct politiek actief was (in partijpolitieke zin), zal De Pillecyn van die stromingen en standpunten zeker kennis hebben gehad, en zullen ze zijn al aanwezige vooroordelen zeker bevestigd zoalniet versterkt hebben.

Tenslotte is er nog de houding van De Pillecyn als directeur van het middelbaar onderwijs tijdens de oorlog[38]. Op bevel van de Duitsers werd toen een apart onderwijs georganiseerd voor joodse kinderen in scholen waar ook enkel joden onderwijs mochten geven. Filip De Pillecyn heeft aan de uitvoering van die maatregelen zonder voorbehoud meegewerkt, maar dat geldt ook voor zijn hiërarchische oversten, en trouwens voor het hele onderwijsdepartement. Behalve het feit dat deze apartheid in zijn ideologie paste, kan men hem dat dan ook moeilijk verwijten. Temeer als men weet dat joden zelf voorstander waren en nog zijn van aparte joodse scholen. Met dien verstande echter dat dit nu gebeurt op vrijwillige basis, dat iedereen er leraar kan worden en dat grosso modo hetzelfde programma gevolgd wordt als elders, met eigen aandachtspunten.

De volgende strofe gaat in dezelfde antisemitische trant verder. Meer zelfs, werden de joden in het begin gewoon gezien als sjacheraars in van alles en nog wat, hier gaat de schrijver duidelijk verder.

(20)
Israël had de zwarten kaal gestolen,
wijl Mozes lachend toekeek op zijn volk;
“Loof Jehova met cymbels en violen”,
zong hij, “met zon en donderwolk”, (sic – PB)

Met ‘Israël’ wordt het jodendom bedoeld, de staat die die naam draagt bestond immers nog niet of amper toen De Pillecyn zijn gedicht schreef. Op dit ogenblik is het in onbruik geraakt, maar vóór de jaren vijftig en zestig was het de gewoonte dit metoniem te gebruiken om de joden aan te duiden, zeker in het Frans.

In het handschrift luidde het eerste vers van deze strofe overigens betekenisvol anders, nl.: “Daar zaten zij, tot op het hemd bestolen”. M.a.w.: in de handschriftversie was de directe anti-joodse sneer nog niet aanwezig. Daaruit kan worden afgeleid dat dit aspect niet zomaar, in een opwelling aan de pen van de auteur ontsnapte, maar dat hij wel degelijk de bedoeling had anti-joods uit de hoek te komen.

Het is een feit dat tijdens de septemberdagen veel geplunderd werd, maar zonder enig onderzoek terzake, durf ik wel stellen dat bij die plunderingen geen joden betrokken waren, noch van verre noch van nabij. De weinige joden die nog overgebleven waren, zaten wellicht nog ondergedoken; de oorlog was immers nog niet voorbij, en het Ardennenoffensief van de Duitsers bewees dat de kansen op korte termijn nog konden keren. En die weinigen hadden wel andere zaken aan hun hoofd.

Het is geweten dat ook de woning van Filip De Pillecyn tijdens die septemberdagen geplunderd en grotendeels vernietigd werd. Voor iemand die zich van geen enkele schuld bewust was, moet dat meer dan hard aangekomen zijn. Hier lijkt me het psychologische fenomeen van de zondebok een doorslaggevende rol te spelen. Iemand als De Pillecyn immers, voor wie het mystische, in bloed en bodem gedrenkte begrip ‘volk’ van doorslaggevende betekenis was, zal zich amper hebben kunnen voorstellen dat het zijn eigen volk was dat zijn woning plunderde en brandschatte. Dus moest iemand anders de schuld daarvoor dragen. En wat lag voor een volksnationalist meer voor de hand dan naar de joden te wijzen, die immers gedurende heel de jaren twintig tot en met veertig van bijna letterlijk alles wat er mis ging, de schuld kregen?

Want in die drie decennia ging iedereen ervan uit dat er zoiets als een ‘joods probleem’ bestond. Voor mij liggen twee boeken uit de jaren dertig, die expliciet bedoeld waren om tegen het heersende antisemitisme in te gaan[39]. Het zijn readers waaraan belangrijke intellectuele figuren uit het interbellum meewerkten.

Op zichzelf is het al vreemd dat er toen een dergelijk probleem ontwaard werd. Want of men het begrip ‘jood’ nu in de meest brede of de meest enge zin interpreteert[40], de joden vormden in die jaren in West-Europa een zeer minieme minderheid. Het waren de niet-joden die een probleem hadden, en die zich lieten meesleuren door volks-nationalistische, racistische politieke bewegingen. Dat komt natuurlijk ook omdat iedereen in die tijd nog in termen van ‘ras’ dacht. Zo komen er in een der voormelde boeken opstellen voor, die expliciet vertrekken van het begrip ‘ras’ – ook al interpreteren zij het genuanceerder dan de nazi’s, waartegen zij zich keren[41]. De bedoelde opstellen zijn en blijven ‘racistische’ opstellen en vele uitspraken erin zouden vandaag niet meer kunnen zonder minstens de dreiging met de rechtbank.

(Een anekdote: wanneer mijn moeder erg boos was op mijn vader schold zij hem uit voor ‘smèrege jüd’ (smerige jood); mijn moeder heeft nooit een jood van verre of nabij gezien, wist helemaal niet wat een jood voorstelde, hoe hij er uitgezien zou hebben of waar hij voor stond.)

Dat alles zijn uitingen van een zeer diep geworteld atavisme in de zgn. christelijke landen. Ook Filip De Pillecyn zal als kind, als jongeling, als volwassene minstens een keer per jaar gehoord en meegepreveld hebben: ‘Orémus et pro perfidis judaeis’, éen van de gebeden tijdens de hoogmis van Goede Vrijdag[42]. Cynisch klinkt wel de verwijzing in het tweede vers naar Mozes, want het is net in deze mis dat de tweede lezing Mozes en Aaron oproept om een jong lam te slachten, dat in de christelijke paastheologie de voorafbeelding van Christus is. Maar nogmaals: De Pillecyn was geen theoloog.

Ook de laatste verzen wijzen op eenzelfde onbegrip: volgens de christelijke theologie is er immers geen afzonderlijke joodse God die Jehova zou heten; dat is slechts een naam voor de éne God. Het lijkt erop alsof De Pillecyn in dit gedicht teruggrijpt naar een tegenstelling uit het vroegste christendom, en wel naar Marcion, die een bijna absolute tegenstelling vooropstelde tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Dit Marcionisme werd door de kerk al heel vroeg verworpen.

In de volgende strofe, die we als de laatste van het hoofdgedeelte van het gedicht kunnen beschouwen, gaat de auteur nog een laatste keer op de ingeslagen, anti-joodse weg verder.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

3 reacties

  1. Een romancier buiten categorie waar in Vlaanderenland weinig over gesproken wordt is Louis-Ferdinand Céline.

    L-F Céline wordt genoemd als lichtend voorbeeld voor tal van mensen die groot of klein hebben geschreven, toch vraag ik me af wordt hij links of rechts door Mieke en Jan nog wel gelezen?

    Nederlanders lijken wel grotere belangstelling te hebben, zie maar de bij hen erg gesmaakte vertalingen van zowel zijn acht ik-romans als stapels brieven en de commentaren van Emanuel Kummer, Debrot, Versteeg, Keuning, Spork, Hermans en Frans van Woerden. Weliswaar belangrijkste van al: naar men mij zegt zouden daar nogal wat studenten de Franse schrijver opnieuw meer en meer gaan appreciëren.

    Die leemte in Vlaanderen intrigeert me een beetje, zie ik dat tekort wel goed en zo ja waarmee zou dat te maken kunnen hebben? Aan de geroemde en zeer geprezen theatermonoloog “Reis naar het einde van de nacht” van Guido Lauwaert zal het zeker niet hebben gelegen!

    Kent de meerderheid der Vlamingen geen Frans genoeg (meer) om zich door de spreekmuziek, schrijfdans en straattaal van jongleur Céline nu eens vloekend dan weer lachend een weg te kunnen banen?

    Zijn de gelauwerde ver-taalde romans voldoende gekend, zijn ze misschien niet genoeg nieuwerwets gebekt, te ABN Standaardnederlands of verraderlijk anders dan het origineel gestemd?

    Of moeten we het eerder zoeken in zaken die verband houden met “vervlaamsing, anglofolie en francopathie” waardoor onmerkbaar Franse cultuur blindheid in blik en hoofden is ontstaan?

    Heeft woordkunstenaar Louis-Ferdinand Céline in Nederlandstalig België geen vrienden meer die hem in een top 10 of als verplichte lectuur hebben aangeprezen?

    En wat moeten we denken van de mening van onze landgenoot en “grand célinien” Marc Laudelout die vindt: Ferdinand schrijft veel te expressief om “de doorsnee introverte en meer gesloten Vlaming” sans gêne te kunnen passioneren…?

    Is er met Céline alias Dr. Destouches echter niet verschrikkelijk veel meer aan de hand: is hij mee schuldig aan Holocaust en collaboratie, monsterlijke gruwelen die slachtoffers, nakomelingen en het collectief geheugen nooit ofte nooit zullen pardonneren; hij bleek niet vies van racisme, onverbeterlijk dwarsliggen plus slopende kritiek op alle mogelijke kerken en heilige werken; waardoor zowel machtige tegenstrevers als brave burgers in koor die “povere docteur en gemene pamfletteur” eeuwig tot hel en verdoemenis condamneren. Maar is ook dat typisch voor Vlaanderen en in Brussel, Wallonië, Frankrijk en Nederland zoveel anders?

    Zelfs voor wie van dat hatelijk verleden niets af zou weten: Monsieur Ferdinand heeft in zijn spreken hoe dan ook een “vrij vranke cynische mulle” en etaleert een pessimistisch-realistisch wereld- en mensbeeld, een zwarte visie en luidop denken waarmee “de doorsnee correcte en minzame Vlaming” het minstens in de dagelijkse omgang nogal moeilijk heeft? En vandaar mogelijks het genadeloos afkraken in bepaalde kringen: “Die vent is niet meer en niet minder dan een misrekende en zelfbeklagende kwal waarover men in alle talen zwijgen zal!”

    Of is het slechts een beetje van dat alles? Is hij simpel slachtoffer van de lawines van academische en artistieke lettermachines?Trop c’ est trop! We doen en laten ons brein via nieuwe media aan de lopende band met duizend beelden en heet van de naald klaarkomen. Louis-Ferdinand avec ses délires, ses histoires, c’ est démodé, afgezaagd, ancienne alliance, inbinden, du passé. Behalve een handvol fijnproevers of gepensioneerden lezen we in de maalstroom van competentie, competitie,commercie gewoon geen veeleisende boeken van dat kaliber meer. Hoe groot is het verlies als de laatste reisgenoten van de fabelachtige Céline hem vroeg of laat ook nog de rug toekeren? Of maken we ons nodeloos zorgen: komt zelfs voor hopeloze ongelovigen op het einde van de nacht hoe dan ook de ochtend niet weer aan de horizon gloren?!

  2. Peter, ik zoek naar uw volledige tekst over «Hoe de zwarten in de hemel kwamen». Ik vind er maar twee, klopt dat?
    Prof. E. Waegemans
    Hoofdredacteur «Filip De Pillecyn Studies»

    • Beste Professor Waegemans,

      Ik begrijp uw vraag niet goed. Er is nl. maar één enkele tekst over dat gedicht, gesplitst in tien delen. Met die tweede tekst bedoelt u waarschijnlijk de vermelding van de titel ervan in de recensie van de reader over ‘Verbrande schrijvers’?
      Ik zal u de hele tekst doorsturen via email.

      Met vriendelijke groeten,
      Peter Bormans

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


4 + zes =