Hoe de Zwarten in de Hemel kwamen

| 3 reacties

(15)
“Ja”, sprak Sint Lucas, aan wie hij ’t verhaalde,
“daar buiten staat mijn vriend Tony van Os,
die s’Heren lijden op een kruisweg maalde,
als die niet binnen mag, ben ik een os”.

In tegenstelling tot zijn voorgangers krijgt Sint Lucas in bovenstaand strofe nog eens het woord. Filip De Pillecyn was een cultuurmens, en het is geweten dat de schilderkunst ook in het leven van schrijvers vaak een grote rol speelt. Wellicht was die kant van zijn persoonlijkheid uiteindelijk toch sterker dan zijn fascinatie voor het soldatendom.

Tony van Os[30] is een minder bekende Vlaamse schilder, waar De Pillecyn blijkbaar bevriend mee was. Hij werd vooral bekend als schilder van verschillende kruiswegen, waarvan de bekendste misschien de zogeheten ‘Scheldekruisweg’ is, die zich in de kerk van Wijgmaal bevindt.

Van Os stierf in 1945, zoals Modest Van Assche doordat hij het gevangenisregime niet verdroeg en er dodelijk ziek door werd; vandaar dat hij hier samen met de zwarten voor de hemelpoort staat te wachten om binnen gelaten te worden. De keuze van deze figuur zal wel vooral ingegeven zijn door zijn hoofdthema, de kruiswegen.

De Pillecyn zal zichzelf en de andere zwarten goed hebben kunnen vereenzelvigen met het lijden van Christus op weg naar Golgotha. Actualiteit (de dood van van Os), vriendschap en verwantschap (ook de schilderijen van van Os hebben vaak iets dromerigs, melancholieks, mystieks zelfs, zoals sommige teksten van De Pillecyn zelf) en het sterke gevoel mishandeld te zijn, komen in deze strofe samen.

Ook bij deze twee strofen waarin schilders optreden hebben we dus weer de afwisseling tussen oudere figuren en een contemporaine figuur: ofschoon van Eyck en van Os zeer moeilijk met elkaar vergeleken kunnen worden, duidt dit toch een aspect aan van de kunstopvatting van De Pillecyn: traditie moet om zichzelf bewonderd worden, maar ze moet zich ook voortzetten in hedendaagse generaties.

00OOo0

Daarmee is de helft van het middendeel van het gedicht afgehandeld: historische figuren hebben bij verschillende heiligen ten beste van de zwarten gesproken. Die heiligen hebben dat op hun beurt gedaan, nu moeten er resultaten komen. Dat zal in de tweede helft van het middendeel, de strofen 16 tot en met 21 aan bod komen.

Dat is al onmiddellijk het geval in strofe 16, waarin niet meer ten voordele van de zwarten gepleit, maar wel gehandeld wordt.

(16)
Aanstonds trok d’hele stoet, zeer vast besloten,
tot bij den opperbaas van ’s hemels woon,
“Waarom, o Heer, zijn de zwarten uitgesloten”,
weerklonk de vraag vóór Christus (sic – PB) gouden troon.

Gedaan dus met palaveren en pleitredes houden, de hele stoet, dat zijn dus de zwarten die voor de hemelpoort staan te wachten alsmede degenen die voor hen gepleit hebben, richten zich tot Christus zelf, die als opperbaas maar knopen moet doorhakken. Misschien kunnen we hierin een toepassing zien van het zgn. ‘Führerprincipe’ zoals het in Duitsland genoemd werd, maar dat in alle fascistische en totalitaire bewegingen uit de jaren twintig tot veertig van de vorige eeuw werd voorgeschreven en toegepast.

Er stelt zich hier wel een theologisch probleem. Binnen de drievuldigheid (Vader, Zoon en Heilige Geest) werd wel degelijk een hiërarchie gezien, laten we zeggen een soort taakverdeling. En de eigenlijke opperbaas was niet de Zoon, maar wel de Vader. In de eerste eeuwen van het christendom werden daarover concilies gehouden, en is er bloed gevloeid.

Maar ik ga ervan uit dat De Pillecyn weliswaar katholiek was, maar waarschijnlijk niet theologisch beslagen. Hoe dat ook zij, deze problematiek is totaal secundair ten opzichte van het hoofdthema van het gedicht (de schuld of onschuld van de zwarten), en ik zal er dus niet verder op in gaan.

(17)
Hij die de sjach’raars uit den tempel bande,
en om rechtvaardigheid en liefde stierf,
keek streng en strekte zijn doorboorde handen :
“Mijn rijk behoort wie dood voor ’t recht verwierf”.

Zoals van een leider verwacht mag worden, aarzelt hij niet, maar zegt hij direct en expliciet waar het op staat. Deze strofe stelt religieuze en politieke problemen waar wel op ingegaan moet worden.

Deze en de vorige strofe sluiten impliciet aan bij de strofe over Tony van Os; immers, deze was bekend als schilder van kruiswegen, en in heel dit gedicht schildert De Pillecyn de lijdensweg van de zwarten af als een equivalente kruisweg. Het mag dus niet verwonderen dat het lijden van Christus ook letterlijk opgeroepen wordt in dit gedicht. Wat de zwarten ondergaan is immers, in de ogen van de dichter, niet meer of niet minder dan een onvrijwillige ‘navolging Christi’.

Vandaar de verwijzing naar Christus’ dood in vers twee, en naar zijn doornagelde handen in vers drie.

Vers één daarentegen verwijst naar een bekende passage uit het Nieuwe Testament; alleen: het woord ‘sjacheraars’ komt in de tekst van het NT niet voor. Mijns inziens verwijst De Pillecyn hier impliciet naar de zesde strofe van het gedicht: wat daar omschreven werd, komt immers letterlijk neer op ‘sjacher’, en dat is – ik ,verwijs ook opnieuw naar het Marx-citaat – blijkbaar een kenmerk van ‘de’ jood.

Impliciet wordt dus gezegd dat Christus de joden uit de tempel verjoeg. Waarschijnlijk wordt dit niet expliciet gezegd, omdat De Pillecyn hoe dan ook intelligent genoeg was om te weten dat Christus zelf een jood was – net zoals het merendeel van de vroege christenen trouwens. Zo expliciet als Goebbels kon of wilde hij dus niet zijn.[31]

Men mag er trouwens eveneens van uitgaan, dat De Pillecyn minstens het Nieuwe Testament goed kende. En zowel Mattheus (21:12-13) als Marcus (11:15-19) hebben het over ‘geldwisselaars’ en ‘duivenverkopers’, Johannes (2:13-25) daarentegen heeft het over ‘geldwisselaars’ en ‘handelaars in runderen, schapen en duiven’; terwijl Lucas (19: 45-46) tenslotte het enkel en alleen over ‘handelaars’ heeft. Wanneer iemand die duidelijke woorden vervangt door het woord ‘sjacheraars’ heeft dat uiteraard een betekenis; er wil minstens de schijn gewekt worden van een tegenstelling tussen Christus en de joden, die er eigenlijk niet is. Het eeuwenoude verwijt dat de joden Christus vermoord hebben, is onzinnig, want totaal anachronistisch: het waren joden die een andere jood lieten kruisigen. Van enig christendom was nog geen sprake in die eerste jaren.

Het laatste vers tenslotte stelt weer eens het ‘recht’ voorop. Zoals hierboven al uitgelegd, bedoelt de auteur daarmee niet het geheel van rechtsregels die op een bepaald ogenblik van toepassing zijn (het zgn. ‘positief recht’), maar wel het abstracte en morele begrip ‘rechtvaardigheid’, dat met het eerste geen uitstaans heeft.

Vervolgens richt Christus zich tot zijn eerste opvolger, de eerste paus van Rome, die zoals in het Nieuwe Testament, een niet echt standvastig karakter blijkt te hebben.

(18)
“Petrus”, riep hij, “wat hebt gij nu bedreven ?”
Die stotterde : “Een brief van de overheid”.
“Wat die moest schrijven, liet zij ongeschreven,
de plaats der zwarten weze hier bereid”.

Zoals bij de tweede strofe hierboven, dient ook hier de versie van het handschrift te worden aangehaald, omdat die duidelijk afwijkt van de gedrukte tekst:

“Petrus”, riep hij, “wat hebt gij nu bedreven?”
Die stotterde: “Een brief van de kardinaal”.
“Wat die moest schrijven liet hij ongeschreven,
Breng ras de zwarten naar de hemelzaal”.

Ook hier is dus de verwijzing naar ‘de kardinaal’ uiteindelijk weggevallen, en zeker om dezelfde opportunistische redenen: zowel De Pillecyn zelf als de andere zwarten verwachtten waarschijnlijk wel iets van een mogelijke tussenkomst van kardinaal van Roey. Deze heeft zich inderdaad meermaals uitgesproken voor een rechtvaardige oplossing van het zgn. ‘repressievraagstuk’; maar dat was later, toen de meeste zwarten al opnieuw in vrijheid waren gesteld.

Hoe dan ook, het woord ‘overheid’ dat in de plaats kwam, is natuurlijk veel vager en breder: er kan de politiek-administratieve overheid mee bedoeld zijn, maar evenzeer de kerkelijke overheid. Elke overheid kortom, die iets aan het lot van de zwarten had kunnen doen, en dat niet gedaan heeft.

Het laatste vers klinkt een beetje plechtiger dan dat van de handschriftversie, en past dus beter bij de figuur die aan het woord is, i.c. Christus. Of speelt hier weer rijmdwang?

In de volgende drie strofen komen de anti-joodse gevoelens van de auteur dan weer tot uiting, veel scherper en duidelijker nu dan voorheen, waar zij eigenlijk enkel neerbuigend als sjacheraars werden neergezet. De auteur schijnt hier concrete gevolgen uit deze visie voor te staan, en op te roepen tot geweld.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

3 reacties

  1. Een romancier buiten categorie waar in Vlaanderenland weinig over gesproken wordt is Louis-Ferdinand Céline.

    L-F Céline wordt genoemd als lichtend voorbeeld voor tal van mensen die groot of klein hebben geschreven, toch vraag ik me af wordt hij links of rechts door Mieke en Jan nog wel gelezen?

    Nederlanders lijken wel grotere belangstelling te hebben, zie maar de bij hen erg gesmaakte vertalingen van zowel zijn acht ik-romans als stapels brieven en de commentaren van Emanuel Kummer, Debrot, Versteeg, Keuning, Spork, Hermans en Frans van Woerden. Weliswaar belangrijkste van al: naar men mij zegt zouden daar nogal wat studenten de Franse schrijver opnieuw meer en meer gaan appreciëren.

    Die leemte in Vlaanderen intrigeert me een beetje, zie ik dat tekort wel goed en zo ja waarmee zou dat te maken kunnen hebben? Aan de geroemde en zeer geprezen theatermonoloog “Reis naar het einde van de nacht” van Guido Lauwaert zal het zeker niet hebben gelegen!

    Kent de meerderheid der Vlamingen geen Frans genoeg (meer) om zich door de spreekmuziek, schrijfdans en straattaal van jongleur Céline nu eens vloekend dan weer lachend een weg te kunnen banen?

    Zijn de gelauwerde ver-taalde romans voldoende gekend, zijn ze misschien niet genoeg nieuwerwets gebekt, te ABN Standaardnederlands of verraderlijk anders dan het origineel gestemd?

    Of moeten we het eerder zoeken in zaken die verband houden met “vervlaamsing, anglofolie en francopathie” waardoor onmerkbaar Franse cultuur blindheid in blik en hoofden is ontstaan?

    Heeft woordkunstenaar Louis-Ferdinand Céline in Nederlandstalig België geen vrienden meer die hem in een top 10 of als verplichte lectuur hebben aangeprezen?

    En wat moeten we denken van de mening van onze landgenoot en “grand célinien” Marc Laudelout die vindt: Ferdinand schrijft veel te expressief om “de doorsnee introverte en meer gesloten Vlaming” sans gêne te kunnen passioneren…?

    Is er met Céline alias Dr. Destouches echter niet verschrikkelijk veel meer aan de hand: is hij mee schuldig aan Holocaust en collaboratie, monsterlijke gruwelen die slachtoffers, nakomelingen en het collectief geheugen nooit ofte nooit zullen pardonneren; hij bleek niet vies van racisme, onverbeterlijk dwarsliggen plus slopende kritiek op alle mogelijke kerken en heilige werken; waardoor zowel machtige tegenstrevers als brave burgers in koor die “povere docteur en gemene pamfletteur” eeuwig tot hel en verdoemenis condamneren. Maar is ook dat typisch voor Vlaanderen en in Brussel, Wallonië, Frankrijk en Nederland zoveel anders?

    Zelfs voor wie van dat hatelijk verleden niets af zou weten: Monsieur Ferdinand heeft in zijn spreken hoe dan ook een “vrij vranke cynische mulle” en etaleert een pessimistisch-realistisch wereld- en mensbeeld, een zwarte visie en luidop denken waarmee “de doorsnee correcte en minzame Vlaming” het minstens in de dagelijkse omgang nogal moeilijk heeft? En vandaar mogelijks het genadeloos afkraken in bepaalde kringen: “Die vent is niet meer en niet minder dan een misrekende en zelfbeklagende kwal waarover men in alle talen zwijgen zal!”

    Of is het slechts een beetje van dat alles? Is hij simpel slachtoffer van de lawines van academische en artistieke lettermachines?Trop c’ est trop! We doen en laten ons brein via nieuwe media aan de lopende band met duizend beelden en heet van de naald klaarkomen. Louis-Ferdinand avec ses délires, ses histoires, c’ est démodé, afgezaagd, ancienne alliance, inbinden, du passé. Behalve een handvol fijnproevers of gepensioneerden lezen we in de maalstroom van competentie, competitie,commercie gewoon geen veeleisende boeken van dat kaliber meer. Hoe groot is het verlies als de laatste reisgenoten van de fabelachtige Céline hem vroeg of laat ook nog de rug toekeren? Of maken we ons nodeloos zorgen: komt zelfs voor hopeloze ongelovigen op het einde van de nacht hoe dan ook de ochtend niet weer aan de horizon gloren?!

  2. Peter, ik zoek naar uw volledige tekst over «Hoe de zwarten in de hemel kwamen». Ik vind er maar twee, klopt dat?
    Prof. E. Waegemans
    Hoofdredacteur «Filip De Pillecyn Studies»

    • Beste Professor Waegemans,

      Ik begrijp uw vraag niet goed. Er is nl. maar één enkele tekst over dat gedicht, gesplitst in tien delen. Met die tweede tekst bedoelt u waarschijnlijk de vermelding van de titel ervan in de recensie van de reader over ‘Verbrande schrijvers’?
      Ik zal u de hele tekst doorsturen via email.

      Met vriendelijke groeten,
      Peter Bormans

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


drie × 1 =