Hoe de Zwarten in de Hemel kwamen

| 3 reacties

(11)
Godfried van Boonen riep: “Dat zijn ons broeders,
kruisvaarders zoals ik, die ’t ongeloof overwon,
voor Christus streden zij tegen de rode loeders,
naar ’t woord van de pastoors en pater Morlion”.

Godfried van Bonen (of: Boulogne) is enkel de Vlaamse en eigenlijke naam van degene die de geschiedenis is ingegaan als Godfried van Bouillon, en die een der leiders van de eerste kruistocht was, in de 11de eeuw. Zij veroverden Jeruzalem, en Godfried van Bouillon werd Koning van Jeruzalem uitgeroepen. Onderweg en ter plekke werden de meeste joden en moslims gewoon uitgeroeid.[28]

De deelnemers aan de eerste kruistocht in de elfde eeuw en de deelnemers aan de ‘kruistocht’ tegen het ‘bolsjewisme’, tegen de Sovjet-Unie kortom, worden hier op een wel erg ahistorische wijze naast elkaar gezet en met elkaar in verband gebracht. Maar anderzijds is er natuurlijk een verband, maar dan enkel op een zeer ideëel, ideologisch vlak: in beide gevallen was het ideologische uitgangspunt de verdediging van het Christendom en de katholieke kerk, in het geval van de kruistochten tegen de moslims, in het geval van de Sovjet-Unie tegen de communisten. Dat een dergelijk ideologisch uitgangspunt een vals bewustzijn inhoudt, in die zin dat de werkelijke, achterliggende motieven zedig verzwegen en omsluierd worden, ligt m.i. voor de hand. De werkelijke motieven zijn bijna altijd van economische aard – ongeacht of de deelnemers al dan niet uit ideologische motieven handelden. Dat geldt ook nu – nu de communisten opnieuw vervangen zijn…door de moslims.

De in het laatste vers genoemde pater Morlion, een dominicaan, is wellicht het best bekend als baas van de Katholieke Filmliga. Maar daar heeft De Pillecyn het natuurlijk niet over, want dat was slechts later, na het verschijnen van dit gedicht het geval. In de jaren twintig en dertig was Felix Morlion, net zoals andere ‘pastoors’, vooral bekend als prediker tegen het rode gevaar, tegen het goddeloze communisme. De invloed van die preken kan men moeilijk onderschatten, en zij hebben zeker vele Vlaamse jongens een laatste stoot gegeven om aan de kant van de Duitsers aan het oostfront te gaan vechten. Wat niet belet dat er in elk specifiek geval ook wel andere motieven hebben meegespeeld.

De constituent ‘het woord van de pastoors’ komt nogal droog over, nuchter, hard en zakelijk; het zou bijna als een verwijt kunnen klinken, en ‘de pastoors’ heeft ook iets minachtends. Hier speelt wel een beetje een antiklerikale tendens bij De Pillecyn mee – tendens die hem in het handschrift ook twee keer tegen ‘de kardinaal’ deed schrijven. Maar die heeft hij, zoals gezegd, weggelaten in de gedrukte tekst. Een gewone pastoor is uiteraard van minder belang dan een kardinaal.

Ook Modest van Assche was geen gewone ‘pastoor’, zoals zijn expliciete vernoeming in een vorige strofe en in de volgende bewijst.

(12)
Van Assche Modest ging tot bij Lutgardis;
“Nog steeds hetzelfde”, sprak dees heil’ge vrouw,
“Steeds wordt geslagen dáár waar Vlaand’rens hart is,
doch wees gerust, niet lang meer duurt uw rouw”.

Eerst de patroonheilige van de soldaten, dan pas de patroonheilige van Vlaanderen, meer bepaald van de Vlaamse beweging. Dat werd Lutgard(is), genaamd van Tongeren overigens slechts in de tweede helft van de 19de eeuw, op een ogenblik dus waarop die beweging sterk begon te worden en zich over heel Vlaanderen begon te structuren. En het was niet Rome die haar als zodanig vooropstelde, maar wel de Vlaamse beweging zelf. De reden daarvan was dat zij geen abdis wilde worden, aldus de legende, van een Franstalig klooster, en van Onze Lieve Vrouw de gunst verkreeg om nooit Frans te hoeven spreken.

Overigens was zij ook de patroonheilige van de blinden.

Uit die eerste rol valt ook te verklaren dat de naam Lutgart zo veel voorkwam in het nog katholieke Vlaanderen.

Zoals Sebastiaan voor haar, heeft ook deze officiële heilige een woord van troost over voor de zwarten, met de verzekering dat alles voor hen in orde zal komen.

De volgende in de rij is eveneens een officiële heilige, Sint Ursula.

(13)
Uit ’t koor der maagden rezen jammerklachten :
“Wat staat, sprak Ursula, ons nog te vrezen ?
Meisjes van d.m.s. verkracht in kant en grachten;
sluit gauw de poort voor witten en Canadezen”.

Het verhaal van Ursula (genaamd: van Keulen) en de elfduizend maagden (daarop zinspeelt het eerste vers van de strofe) is bekend uit de zgn. Legenda aurea, een middeleeuwse Latijnse verzameling van heiligenlegendes[29]. Op terugreis uit Rome, waarheen ze met haar groep gevlucht was voor een huwelijkskandidaat, werden zij in Keulen afgemaakt door de Hunnen, omdat zij evenmin met hun leider wilde trouwen. Zoals Sint Sebastiaan wordt zij in de iconografie meestal afgebeeld met pijlen in haar lichaam.

Eén van haar kenmerken was dat zij werd aangeroepen in oorlogstijd, ter bescherming. Zij past daardoor zeer goed in de context van dit gedicht, en de dichter zal het zo ook wel bedoeld hebben.

Het derde en het vierde vers stellen de moord op de elfduizend maagden impliciet gelijk aan de verkrachting van d.m.s.-meisjes tijdens de septemberdagen. D.M.S. staat voor Dietsche MeisjesScharen, dat was tijdens de oorlog een nationaalsocialistische jeugdbeweging voor meisjes.

Werden er vlak na het einde van de bezetting leden daarvan verkracht? Ja, dat gebeurt in elke oorlog, ook nog in de oorlogen die vandaag bezig zijn. Was het een systematische en geplande politiek om die meisjes (en andere die collaboreerden) te verkrachten? Nee, zeer zeker niet. Het waren individuele gevallen, die in elk geval voor een rechtbank behandeld hadden moeten worden, hetgeen maar uiterst zelden gebeurd is. In elk geval is het historisch onjuist om de legendaire gebeurtenissen uit de vierde eeuw gelijk te stellen met de verkrachtingen die inderdaad tijdens de septemberdagen hebben plaats gevonden.

Wat de feiten betreft is dit dus duidelijk een overdrijving, maar binnen het kader van dit gedicht, dat toch op de eerste plaats een apologie voor de zwarten is, past dat natuurlijk helemaal, en ik vrees dat velen het ook wel zo zullen hebben aangevoeld.

Vandaar de oproep in het laatste vers. De ‘witten’ staan natuurlijk voor het verzet; zij werden zo genoemd naar de zgn. ‘witte brigade’, een bekende en actieve afdeling van dat verzet. Of zich veel echte verzetslieden aan dergelijke feiten hebben schuldig gemaakt, durf ik betwijfelen. Het zullen eerder de verzetslieden van het laatste uur geweest zijn, die in het gezagsvacuüm hun kans schoon hebben gezien. Ook wat dat betreft dus is er een discrepantie tussen de feiten en de waarneming ervan. Hetzelfde moet gezegd worden over de vermelding van de ‘Canadezen’. Nergens heb ik ooit gelezen dat die zich meer dan andere geallieerden aan verkrachtingen edm zouden hebben schuldig gemaakt. Ook als men het woord ‘Canadezen’ als een pars pro toto leest voor het geheel van de geallieerde legers, blijft dat zo.

In elk geval blijkt uit deze strofe nog eens hoe bitter de auteur is, hoe hij zichzelf en zijn lotgenoten als slachtoffers ziet en niets anders. Dat ligt uiteraard zeker ook aan het feit dat dit gedicht vlak na de oorlog, tijdens de gevangenschap van De Pillecyn geschreven werd.

De laatste heilige die ten voordele van de zwarten aangesproken wordt is Sint Lucas, dat is de bekende patroonheilige van de schilders.

(14)
En Jan van Eyck ging naar Sint Lucas henen;
hij zei : “Sinds uit het drieluik van het rein lam Gods
rechtvaard’ge rechters spoorloos zijn verdwenen,
gebeurt thans alles recht en wet ten trots”.

Met Sint Lucas is de evangelist van die naam bedoeld, tevens de (vermoedelijke) auteur van de Handelingen der apostelen. Waarschijnlijk zal De Pillecyn het wel niet zo bedoeld hebben, maar feit is dat Lucas van de vier evangelisten de enige van niet-joodse afkomst is. Maar het past wel in de anti-joodse passages (zie supra en infra) in dit gedicht.

De voorspreker is deze keer Jan van Eyck, wellicht de beroemdste van de Vlaamse Primitieven, met name door zijn Het Lam Gods, dat in de Sint Baafs-kathedraal in Gent jaarlijks duizenden bezoekers van over de hele wereld aantrekt. Als topvertegenwoordiger van éen van de belangrijkste Vlaamse schilderscholen, mag hij de groep van in de ogen van de dichter representatieve figuren van Vlaanderen die het voor de zwarten opnemen, afsluiten.

De geschiedenis van het paneel uit Het Lam Gods dat de ‘rechtvaardige rechters’ voorstelt, mag als bekend worden beschouwd: het werd in 1934 gestolen en sindsdien nooit teruggevonden.

Maar het spreekt vanzelf dat Filip De Pillecyn het hier niet op de eerste plaats over dit paneel heeft, maar dat hij de verwijzing overdrachtelijk gebruikt: rechtvaardige rechters zijn verdwenen, met name in de onmiddellijke naoorlogse tijd, tijdens de epuratie/repressie, toen tegen de zwarten inderdaad vaak zeer zware straffen werden uitgesproken, maar die in de loop der jaren toch regelmatig terug werden geschroefd. Dat alles ‘recht en wet ten trots’ gebeuren zou, is weer een in het gedicht passende overdrijving: er zijn enkel witten en zwarten, en daartussen blijkbaar niets.

Deze strofe roept nog een bedenking op: in het derde vers is sprake van ‘rechtvaardigheid’, in het vierde vers van ‘recht en wet’. Welnu, uit mijn eerste jaar rechten herinner ik mij uit de basiscursus ‘Inleiding tot het recht’ (toen gegeven door de toenmalige procureur-generaal bij het Hof van Cassatie Frédéric Dumon – Vlaams-nationalisten zullen wat hij zegt dus ipso facto verwerpen) het kortste hoofdstuk, dat de titel ‘Recht en rechtvaardigheid’ droeg. De teneur van dat amper anderhalve bladzijde lange hoofdstuk was eenvoudig: beide begrippen hebben niets met elkaar te maken.

Ik denk dat dat inderdaad zo is.

De rechter past de wet toe, niet meer en niet minder. Met morele categorieën als rechtvaardigheid kan hij daarbij geen rekening houden. Het recht bestaat uit regels, die toegepast moeten worden. Daarmee is de kous af. Rechters zullen bijna per definitie gewetenloos (moeten) zijn.

Zo is alleszins de praktijk. Of die niet voor aanpassing in aanmerking komt, en het recht eigenlijk naar rechtvaardigheid behoort te streven, is een totaal andere kwestie, die hier niet aan de orde kan komen.

Filip De Pillecyn heeft zich na de bevrijding zelf bij het gerecht aangegeven. Hij zal dus wel enige hoop gekoesterd hebben, en ervan uit zijn gegaan dat hij rechtvaardig behandeld zou worden. Volgens zijn eigen visie, hier en elders, is dat niet gebeurd. Op één punt heeft hij mijns inziens wel gelijk: de veroordelingen van zwarten gebeurden vaak op grond van zgn. in Londen uitgevaardigde ‘besluitwetten’. Die voerden een vorm van retroactiviteit in het strafrecht in; m.a.w.: handelingen die op het ogenblik dat ze gesteld werden op geen enkele manier strafbaar waren, werden dat post factum toch. Dat is uiteraard totaal in strijd met een van de basisuitgangspunten van het strafrecht, dat terugwerkende kracht van de strafwet verbiedt. Maar ook hier gold: macht gaat voor wet.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

3 reacties

  1. Een romancier buiten categorie waar in Vlaanderenland weinig over gesproken wordt is Louis-Ferdinand Céline.

    L-F Céline wordt genoemd als lichtend voorbeeld voor tal van mensen die groot of klein hebben geschreven, toch vraag ik me af wordt hij links of rechts door Mieke en Jan nog wel gelezen?

    Nederlanders lijken wel grotere belangstelling te hebben, zie maar de bij hen erg gesmaakte vertalingen van zowel zijn acht ik-romans als stapels brieven en de commentaren van Emanuel Kummer, Debrot, Versteeg, Keuning, Spork, Hermans en Frans van Woerden. Weliswaar belangrijkste van al: naar men mij zegt zouden daar nogal wat studenten de Franse schrijver opnieuw meer en meer gaan appreciëren.

    Die leemte in Vlaanderen intrigeert me een beetje, zie ik dat tekort wel goed en zo ja waarmee zou dat te maken kunnen hebben? Aan de geroemde en zeer geprezen theatermonoloog “Reis naar het einde van de nacht” van Guido Lauwaert zal het zeker niet hebben gelegen!

    Kent de meerderheid der Vlamingen geen Frans genoeg (meer) om zich door de spreekmuziek, schrijfdans en straattaal van jongleur Céline nu eens vloekend dan weer lachend een weg te kunnen banen?

    Zijn de gelauwerde ver-taalde romans voldoende gekend, zijn ze misschien niet genoeg nieuwerwets gebekt, te ABN Standaardnederlands of verraderlijk anders dan het origineel gestemd?

    Of moeten we het eerder zoeken in zaken die verband houden met “vervlaamsing, anglofolie en francopathie” waardoor onmerkbaar Franse cultuur blindheid in blik en hoofden is ontstaan?

    Heeft woordkunstenaar Louis-Ferdinand Céline in Nederlandstalig België geen vrienden meer die hem in een top 10 of als verplichte lectuur hebben aangeprezen?

    En wat moeten we denken van de mening van onze landgenoot en “grand célinien” Marc Laudelout die vindt: Ferdinand schrijft veel te expressief om “de doorsnee introverte en meer gesloten Vlaming” sans gêne te kunnen passioneren…?

    Is er met Céline alias Dr. Destouches echter niet verschrikkelijk veel meer aan de hand: is hij mee schuldig aan Holocaust en collaboratie, monsterlijke gruwelen die slachtoffers, nakomelingen en het collectief geheugen nooit ofte nooit zullen pardonneren; hij bleek niet vies van racisme, onverbeterlijk dwarsliggen plus slopende kritiek op alle mogelijke kerken en heilige werken; waardoor zowel machtige tegenstrevers als brave burgers in koor die “povere docteur en gemene pamfletteur” eeuwig tot hel en verdoemenis condamneren. Maar is ook dat typisch voor Vlaanderen en in Brussel, Wallonië, Frankrijk en Nederland zoveel anders?

    Zelfs voor wie van dat hatelijk verleden niets af zou weten: Monsieur Ferdinand heeft in zijn spreken hoe dan ook een “vrij vranke cynische mulle” en etaleert een pessimistisch-realistisch wereld- en mensbeeld, een zwarte visie en luidop denken waarmee “de doorsnee correcte en minzame Vlaming” het minstens in de dagelijkse omgang nogal moeilijk heeft? En vandaar mogelijks het genadeloos afkraken in bepaalde kringen: “Die vent is niet meer en niet minder dan een misrekende en zelfbeklagende kwal waarover men in alle talen zwijgen zal!”

    Of is het slechts een beetje van dat alles? Is hij simpel slachtoffer van de lawines van academische en artistieke lettermachines?Trop c’ est trop! We doen en laten ons brein via nieuwe media aan de lopende band met duizend beelden en heet van de naald klaarkomen. Louis-Ferdinand avec ses délires, ses histoires, c’ est démodé, afgezaagd, ancienne alliance, inbinden, du passé. Behalve een handvol fijnproevers of gepensioneerden lezen we in de maalstroom van competentie, competitie,commercie gewoon geen veeleisende boeken van dat kaliber meer. Hoe groot is het verlies als de laatste reisgenoten van de fabelachtige Céline hem vroeg of laat ook nog de rug toekeren? Of maken we ons nodeloos zorgen: komt zelfs voor hopeloze ongelovigen op het einde van de nacht hoe dan ook de ochtend niet weer aan de horizon gloren?!

  2. Peter, ik zoek naar uw volledige tekst over «Hoe de zwarten in de hemel kwamen». Ik vind er maar twee, klopt dat?
    Prof. E. Waegemans
    Hoofdredacteur «Filip De Pillecyn Studies»

    • Beste Professor Waegemans,

      Ik begrijp uw vraag niet goed. Er is nl. maar één enkele tekst over dat gedicht, gesplitst in tien delen. Met die tweede tekst bedoelt u waarschijnlijk de vermelding van de titel ervan in de recensie van de reader over ‘Verbrande schrijvers’?
      Ik zal u de hele tekst doorsturen via email.

      Met vriendelijke groeten,
      Peter Bormans

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


17 + 3 =