Hoe de Zwarten in de Hemel kwamen

| 3 reacties

(8)
Het hemels Vlaand’ren kwam hij plots verrassen,
dat rustte in ’t licht, onder de leeuwenvaan;
Renaat, Reimond, Gustaaf en dom van Assche,
hij sprak ze vurig en geestdriftig aan.

Het ‘hemels Vlaanderen’ is waarschijnlijk een toto pro pars, dat alle in de hemel gesitueerde Vlaamse nationalisten on één begrip samenbrengt.

In het derde vers worden dan uit deze veelheid vier met name genoemde figuren voor het voetlicht gebracht, tot wie Borms zich in persoon richt; gelet op de geestdrift en de vurigheid is het blijkbaar de bedoeling deze vier alvast warm te maken voor de grote schare zwarten, die nu nog in het voorgeborchte vertoeven, maar snel hemelwaarts willen gaan.

Wie zijn deze vier personen, die op één na met hun voornaam genoemd worden?

Met ‘Renaat’ is zo goed als zeker Renaat de Rudder bedoeld, die in december 1917 – in de 1ste wereldoorlog dus ! – aan de IJzer sneuvelde; zijn stoffelijke rest werd later bijgezet in de krypta onder de IJzertoren, en een van de vier standbeelden op de hoeken van die toren stelde hem voor. Voor de oudfrontsoldaten en zeker voor de vossen[20] was hij een voorbeeld en een cultfiguur uit die oorlog. De Pillecyn publiceerde in 1931 overigens een brochure over hem[21].

Door deze Renaat de Rudder als eerste te vernoemen legt de dichter een duidelijke band tussen de 1ste en de 2de wereldoorlog; het is trouwens zo dat vele historici nu reeds die twee oorlogen als één enkele beschouwen, mét een onderbreking van twintig jaren. En naarmate de afstand vordert, zal dat waarschijnlijk nog duidelijker worden. In de ogen van de Vlaamse nationalisten sprak die continuïteit overigens vanzelf: de strijd van de frontsoldaten tegen de verfransing liep ononderbroken door in de Vlaamse strijd van het interbellum, en…in de collaboratie tijdens het 2de deel van de grote 20ste-eeuwse oorlog.

De tweede die genoemd wordt is ene Reimond. Uit de volgende strofe kunnen we zonder problemen afleiden dat hier Reimond Tollenaere bedoeld is, een vooraanstaande figuur uit het interbellum en de oorlog. Voor de oorlog was hij kamerlid voor het VNV, en na de bezetting werd hij de eerste commandant van de Dietse Militie/Zwarte brigade. Na de inval van de nazi’s in de Sovjet-Unie riep hij niet alleen op om aan het oostfront te gaan vechten aan de zijde van de Duitsers, maar hij voegde de daad inderdaad bij het woord, en gaf het slechte voorbeeld. Hij sneuvelde er in 1942, en was tot aan het einde van de oorlog, en zelfs nog lang daarna een icoon van de Vlaamsgezinden.[22]

Twee soldaten dus. En dan volgt een ‘Gustaaf’. Wie dat is, is me niet duidelijk. Ik heb aan Gustaaf Verriest gedacht, de broer van de Hugo Verriest, waarover De Pillecyn zijn doctoraat (dat toen de waarde had van een licentiaatsverhandeling nu) schreef. Deze was hoogleraar geneeskunde in Leuven, en stierf in 1918; dat zou dus passen bij de Rudder. En tegenover de soldaat staat dan de geneesheer. Gustaaf Verriest was inderdaad ook Vlaamsgezind, maar niet zeer actief. Ook aan Gustaaf Sap heb ik gedacht, omdat De Pillecyn als medewerker aan Saps De Standaard op een bepaald ogenblik ook politiek dicht bij Sap stond. Maar deze laatste was mijns inziens voor wat de Vlaamse beweging betreft mossel noch vis: weliswaar Vlaamsgezind, maar toch kon hij zich niet losmaken van de katholieke partij. De derde waaraan ik dacht is Gustaaf, ‘Staf’ Declercq, de grote baas van het VNV van 1933 tot aan zijn dood in 1942.

Verderop in het gedicht komt deze ‘Gustaaf’ niet meer voor. Ik ga ervan uit dat Verriest bedoeld is.

Inderdaad, de volgende, Dom van Assche, is een priester en dus zielezorger, terwijl de geneesheer Gustaaf Verriest de lichamen heelt. Beide vormen een mooi geheel, want tesamen staan ze voor het Latijnse spreekwoord ‘mens sana in corpore sano’. En zo krijgen we dus twee soldaten en twee zorgverstrekkers, telkens een uit de 1ste en uit de 2de wereldoorlog. Een door de dichter bedoelde parallellie dus.

Dom Modest van Assche was van 1932 tot en met 1945 abt van de Benedictijnerabdij van Steenbrugge; in dat laatste jaar werd hij, beschuldigd van verklikking, twee maal aangehouden, en hij stierf in de gevangenis, die hij mentaal noch lichamelijk aankon. Na een dienst als aalmoezenier tijdens de 1ste wereldoorlog werd hij duidelijk Vlaamsgezind, maar een politieke eersterangsfiguur was hij niet, evenmin als Gustaaf Verriest.

Van dit viertal was Reimond Tollenaere de enige, van wie zonder overdrijving gezegd mag worden dat hij een harde, overtuigde nationaalsocialist was.

Twee leden van dit viermanschap treden ook op in de volgende strofe: Renaat de Rudder en Reimond Tollenaere, waarbij deze laatste nu met zijn volle naam genoemd wordt.

(9)
Toen ging Renaat met Reimond Tollenaere
tot bij Jeanne d’Arc, die d’Engelsen bestreed,
verbrand werd en geheiligd op de altaren;
steeds komt vergelding voor wie onrecht leed.

De twee soldaten tesamen dus. Die zich samen tot een derde, een soldate deze keer, richten om haar voorspraak in te roepen.

Jeanne d’Arc is een enigmatische en iconische figuur, in het Frankrijk waar de Vlaams-nationalisten zo’n grote aversie tegen hadden. In de 20ste eeuw werd zij door paus Benedictus XV heilig verklaard, en wat dat betreft past zij dus wel in het plaatje. Zij streed in de 15de eeuw tegen de Engelsen, die toen een zeer groot deel van Frankrijk bezetten. De Engelsen slaagden erin haar voor de inquisitie te brengen en haar eerst tot levenslang, later ter dood te laten veroordelen. Zij werd inderdaad verbrand, zoals het derde vers stelt, maar zoals reeds gezegd, zes eeuwen later heilig verklaard. Blijkbaar ziet de verteller dit als een voorbeeld voor de zwarten: ook die immers, aldus de verteller, worden ten onrechte vervolgd en zelfs ter dood gebracht. Zoals voor Jeanne zal ook voor hen vergelding komen. ‘Vergelding’ dus, en niet ‘gerechtigheid’. Een lichtere vorm van wraak dus. Het wijst nog eens op het ressentiment bij de verteller, die blijkbaar van oordeel is dat de behandeling van de zwarten na de oorlog in globo onrechtvaardig was.

Belangrijker dan de in het tweede en derde vers opgeroepen historische feiten, is het feit zelf dat Jeanne d’Arc hier opgevoerd wordt. Ik heb er daarnet al even op gezinspeeld: politiek gezien is Jeanne d’Arc een dubbelzinnige figuur, voornamelijk wat de politieke receptie c.q. recuperatie van haar figuur is.

De katholieke kerk kan natuurlijk niet van enige progressiviteit verdacht hebben; door haar heilig te verklaren hebben zij dus een conservatieve figuur van haar gemaakt, wat zij alleszins niet was. Maar het verwondert niet dat ook conservatieve figuren, tot en met Jean-Marie en Marine Le Pen en hun Front National vandaag, zich vaak op haar beroepen.

Maar ook linksen hebben zich meer dan eens op haar beroepen; het duidelijkst was dat tijdens de Duitse bezetting van Frankrijk, toen zowel het Vichy-regime van maarschalk Pétain als de Franse weerstand van haar een iconisch kernsymbool maakten voor dat waar ze voor stonden. Ook in de literatuur rond die tijd komt dat dubbele aspect tot uiting. Zo publiceerde de bekende Franse fascistische schrijver Robert Brasillach de protocollen van het proces tegen Jeanne, met een inleiding van zijn hand[23]; en lang na zijn dood verscheen een boeiend toneelstuk van zijn hand rond deze figuur, toneelstuk dat de titel draagt van het geboortedorp van Jeanne[24]. Maar rond dezelfde tijd schreven de Duitse communistische schrijvers Anna Seghers en Bertolt Brecht een toneelstuk rond de figuur van en het proces tegen Jeanne d’Arc[25].

Verwonderlijk is dat niet echt: Jeanne d’Arc was inderdaad een verzetsstrijdster, en dat aspect werd door de linkse auteurs natuurlijk sterk benadrukt. De tekst van Seghers/Brecht was ook bedoeld als steuntje in de rug voor het Franse verzet. De rechtse auteurs daarentegen zagen vooral om niet te zeggen uitsluitend het nationale aspect van Jeanne d’Arc.

Hier past een zeer korte verwijzing naar Jan Tervaert, de eerste roman van Filip De Pillecyn van na de oorlog. De hoofd- en titelfiguur van dit verhaal – een positieve held – is een verzetsstrijder, tegen de Franse bezetter in de achttiende eeuw, ten tijde van de zgn. Boerenkrijg. Kortom: in de ogen van De Pillecyn worden verzetsstrijders tegen de Fransen en tegen de Engelsen positief beoordeeld. Dat de Duitsers tussen 1940 en 1944 hier ook een bezettende macht waren, wordt blijkbaar niet ingezien; en het verzet daartegen wordt dan uiteraard ook negatief beoordeeld. Een vorm van schizofrene verblinding?

Na in het vorige te zijn opgeroepen om tussen te komen ten voordele van de zwarten, treedt in de volgende strofe Jeanne d’Arc nog eens op, nu als handelende persoon:

(10)
Zij ging subiet bij d’heilge der soldaten;
toen zij (sic – PB) de onversaagde Sint Sebastiaan :
“Wie als soldaten huis en erf verlaten,
zullen als strijders d’hemel binnen gaan”.

Jeanne rept zich naar de beschermheilige van o.a. de soldaten, de uit vele afbeeldingen, waarop hij meestal aan een boom gebonden en doorzeefd met pijlen staat afgebeeld, welbekende Sint Sebastiaan.

Ofschoon dit uit bovenstaande strofe niet blijkt, is de algemene houding van De Pillecyn tegenover het verschijnsel ‘soldaat’ eerder dubbelzinnig, om niet te zeggen tegenstrijdig. Tot het einde van de jaren dertig is hij bijna onvoorwaardelijk antimilitarist, daarna schuift zijn houding op naar een aanvaarding van militarisme; toch is mij geen uiting van hem bekend waarin hij oproept om aan het Oostfront te gaan strijden. Maar zich daartegen verzet heeft hij evenmin, integendeel: hij aanvaardde dat Vlamingen aan de kant van de Duitsers vochten[26].

En ondanks zijn lang aanhoudend principieel antimilitarisme speelden soldaten toch in niet minder dan zes romans en verscheidene verhalen van zijn hand een hoofdrol. Het bekendst daarvan is zeker De soldaat Johan. Wat de soldaat in De Pillecyns werk en leven betekende wordt wellicht het duidelijkst verwoord door Kris Humbeeck:

“En soldaat-zijn, dat is een kwestie van absolute offervaardigheid voor het heil van de gemeenschap, van onvoorwaardelijke trouw aan een volk dat dezelfde taal spreekt en met de inzet van al zijn kracht een stukje van de door God geschapen aarde in bezit heeft kunnen nemen.”[27]

Filip De Pillecyn was dus gefascineerd door het verschijnsel soldaat, en die fascinatie had twee kanten: enerzijds is er de ‘absolute offervaardigheid’ en ‘onvoorwaardelijke trouw’, waar Humbeeck het over heeft. Het spreekt vanzelf dat frontervaringen, zoals ook De Pillecyn zelf ze heeft meegemaakt in de 1ste wereldoorlog, ertoe leiden dat extreme gevoelens en gemoedstoestanden bij de mens naar boven komen, en door de extreme situatie van de loopgravenoorlog, waar allen op allen zijn aangewezen, kan dat inderdaad tot een zeer sterk gevoel van onderlinge verbondenheid voeren, waar in het specifieke Belgische geval dan nog de tegenstelling kwam tussen de Nederlands onkundige officieren en de piotten.

Dezelfde ervaring heeft tot het antimilitarisme van De Pillecyn gevoerd; want ondanks mogelijke gevoelens zoals tevoren vermeld, heeft hij ook gezien wat oorlog aanrichten moet in en met mensen – in negatieve zin dan, de gruwel van elke oorlog. De twee laatste verzen wissen dat aspect volledig uit, er blijven enkel de strijders over, over al de rest wordt de spons geveegd: waarvoor gestreden werd, hoe de doden zelf tegen hun strijd aankeken, enz. Daarenboven zijn deze verzen ook anderszins zwak, want ‘soldaat’ en ‘strijder’ zijn in hun algemeenheid bijna synoniemen. Het is alsof De Pillecyn de oorlogservaringen niet goed weet te verwoorden – in poëzie dan toch.

Ook de volgende strofe gaat verder op de ingeslagen soldateske weg.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

3 reacties

  1. Een romancier buiten categorie waar in Vlaanderenland weinig over gesproken wordt is Louis-Ferdinand Céline.

    L-F Céline wordt genoemd als lichtend voorbeeld voor tal van mensen die groot of klein hebben geschreven, toch vraag ik me af wordt hij links of rechts door Mieke en Jan nog wel gelezen?

    Nederlanders lijken wel grotere belangstelling te hebben, zie maar de bij hen erg gesmaakte vertalingen van zowel zijn acht ik-romans als stapels brieven en de commentaren van Emanuel Kummer, Debrot, Versteeg, Keuning, Spork, Hermans en Frans van Woerden. Weliswaar belangrijkste van al: naar men mij zegt zouden daar nogal wat studenten de Franse schrijver opnieuw meer en meer gaan appreciëren.

    Die leemte in Vlaanderen intrigeert me een beetje, zie ik dat tekort wel goed en zo ja waarmee zou dat te maken kunnen hebben? Aan de geroemde en zeer geprezen theatermonoloog “Reis naar het einde van de nacht” van Guido Lauwaert zal het zeker niet hebben gelegen!

    Kent de meerderheid der Vlamingen geen Frans genoeg (meer) om zich door de spreekmuziek, schrijfdans en straattaal van jongleur Céline nu eens vloekend dan weer lachend een weg te kunnen banen?

    Zijn de gelauwerde ver-taalde romans voldoende gekend, zijn ze misschien niet genoeg nieuwerwets gebekt, te ABN Standaardnederlands of verraderlijk anders dan het origineel gestemd?

    Of moeten we het eerder zoeken in zaken die verband houden met “vervlaamsing, anglofolie en francopathie” waardoor onmerkbaar Franse cultuur blindheid in blik en hoofden is ontstaan?

    Heeft woordkunstenaar Louis-Ferdinand Céline in Nederlandstalig België geen vrienden meer die hem in een top 10 of als verplichte lectuur hebben aangeprezen?

    En wat moeten we denken van de mening van onze landgenoot en “grand célinien” Marc Laudelout die vindt: Ferdinand schrijft veel te expressief om “de doorsnee introverte en meer gesloten Vlaming” sans gêne te kunnen passioneren…?

    Is er met Céline alias Dr. Destouches echter niet verschrikkelijk veel meer aan de hand: is hij mee schuldig aan Holocaust en collaboratie, monsterlijke gruwelen die slachtoffers, nakomelingen en het collectief geheugen nooit ofte nooit zullen pardonneren; hij bleek niet vies van racisme, onverbeterlijk dwarsliggen plus slopende kritiek op alle mogelijke kerken en heilige werken; waardoor zowel machtige tegenstrevers als brave burgers in koor die “povere docteur en gemene pamfletteur” eeuwig tot hel en verdoemenis condamneren. Maar is ook dat typisch voor Vlaanderen en in Brussel, Wallonië, Frankrijk en Nederland zoveel anders?

    Zelfs voor wie van dat hatelijk verleden niets af zou weten: Monsieur Ferdinand heeft in zijn spreken hoe dan ook een “vrij vranke cynische mulle” en etaleert een pessimistisch-realistisch wereld- en mensbeeld, een zwarte visie en luidop denken waarmee “de doorsnee correcte en minzame Vlaming” het minstens in de dagelijkse omgang nogal moeilijk heeft? En vandaar mogelijks het genadeloos afkraken in bepaalde kringen: “Die vent is niet meer en niet minder dan een misrekende en zelfbeklagende kwal waarover men in alle talen zwijgen zal!”

    Of is het slechts een beetje van dat alles? Is hij simpel slachtoffer van de lawines van academische en artistieke lettermachines?Trop c’ est trop! We doen en laten ons brein via nieuwe media aan de lopende band met duizend beelden en heet van de naald klaarkomen. Louis-Ferdinand avec ses délires, ses histoires, c’ est démodé, afgezaagd, ancienne alliance, inbinden, du passé. Behalve een handvol fijnproevers of gepensioneerden lezen we in de maalstroom van competentie, competitie,commercie gewoon geen veeleisende boeken van dat kaliber meer. Hoe groot is het verlies als de laatste reisgenoten van de fabelachtige Céline hem vroeg of laat ook nog de rug toekeren? Of maken we ons nodeloos zorgen: komt zelfs voor hopeloze ongelovigen op het einde van de nacht hoe dan ook de ochtend niet weer aan de horizon gloren?!

  2. Peter, ik zoek naar uw volledige tekst over «Hoe de zwarten in de hemel kwamen». Ik vind er maar twee, klopt dat?
    Prof. E. Waegemans
    Hoofdredacteur «Filip De Pillecyn Studies»

    • Beste Professor Waegemans,

      Ik begrijp uw vraag niet goed. Er is nl. maar één enkele tekst over dat gedicht, gesplitst in tien delen. Met die tweede tekst bedoelt u waarschijnlijk de vermelding van de titel ervan in de recensie van de reader over ‘Verbrande schrijvers’?
      Ik zal u de hele tekst doorsturen via email.

      Met vriendelijke groeten,
      Peter Bormans

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


1 × een =