Hoe de Zwarten in de Hemel kwamen

| 3 reacties

De tweede strofe gaat verder op de ingeslagen inleidende weg:

(2)
Zo’n massa zag Sint Pieter nooit tevoren;
hij zwaait een brief, knorrig en zonder vreugd :
hem werd gemeld, in termen uitverkoren,
“vraag eerst bewijs van burgerhemeldeugd”.

Hier iets belangwekkends aan de hand. In het AMVC-Letterhuis berust het handschrift van De Pillecyns gedicht[10], en de laatste twee verzen van deze strofe luiden daar als volgt:

“De kardinaal schreef hem, in termen uitverkoren,
“Zij krijgen geen bewijs van burgerhemeldeugd”.”

Dat verwees naar kardinaal van Roey, in die tijd primaat van België. In de achttiende strofe word de kardinaal eveneens vermeld, maar in de gedrukte versie valt die ook daar weg.

Het lijkt me voor de hand liggend dat we hier met een volkomen duidelijk en overigens al even volkomen begrijpelijk en aanvaardbaar geval van opportunisme te maken hebben. Immers, als de ‘zwarten’ van iemand behalve zichzelf iets te verwachten hadden, dan wel van de zgn. christen-democraten. In Duitsland kenden die bv. – samen met de liberale FDP – een heuse toeloop van nazi’s. Het zijn trouwens mensen uit de Gestapo, de SD en de SS die in Duitsland in de vijftiger jaren alle ‘democratische’ politie- en geheime diensten weer hebben opgebouwd. Ze kenden het klappen van de zweep. En de rol van het Vaticaan in het doorsluizen van oorlogsmisdadigers naar Zuid-Amerika is bekend.

Het is dus begrijpelijk dat ook in de andere landen de collaborateurs hun hoop vooral stelden in degenen die zich Christen noemden (en die hun naastenliefde inderdaad enkel reserveerden en reserveren voor extreem-rechtsen, geestverwanten wellicht).

Het ‘Bewijs van burgerdeugd’ heette eigenlijk ‘Getuigschrift van burgertrouw’ en werd geëist van iedereen die op een of andere manier met de staat in aanraking wou komen (ambtenaar worden, leveren aan staatsinstellingen, studeren aan een rijksuniversiteit enz.). Volgens Huyse/Dhondt leidde de invoering van dit getuigschrift tot een bijna absolute willekeur.[11] Je kunt het vergelijken met wat vandaag het ‘bewijs van goed gedrag en zeden’ heet. Het spreekt vanzelf dat personen die wegens collaboratie veroordeeld waren noch het ene noch het andere konden krijgen.

(De naam van de betrokkene werd verwijderd)

(Een anekdote. In het begin van de jaren zeventig wou ik aan het diplomatiek examen deelnemen, en vooraf moest ik een ganse waslijst aan vragenformulieren invullen. Daarin werd o.a. gevraagd naar de verblijfplaats en de bezigheden tussen 1940 en 1944 van ouders én grootouders. Beide families zaten zeer diep in het verzet, ik had dus geen moeite om dat in te vullen. Maar het zegt toch wel iets over de rancuneuze aard van een staat, als dertig jaar later nog altijd dergelijke vragen gesteld worden. Hoe het vandaag is, weet ik niet.)

O

In de derde strofe treedt plots een vreemde figuur op, die enkel met twee initialen aangeduid wordt: O.F. was in de tijd waarin dit gedicht geschreven werd uiteraard door iedereen gekend als afkorting van ‘Onafhankelijkheidsfront’. Dat was de overkoepelende organisatie van alle verzetsbewegingen, die onder leiding stond van Fernand Demany, die doorging als een pion van de communistische partij. Eind 1944, begin 1945 hadden in Brussel reusachtige betogingen plaats (tot 200.000 man) van het O.F., mét hun wapens, waarin o.a. de slogan ‘Demany au pouvoir’ sterk gescandeerd werd. Dat zal zeker een van de redenen geweest zijn waarom de wetten op de sociale zekerheid zo vlug gestemd werden in die tijd.

(3)
O.f. is daar, gereed om kwaad te zoeken;
hij schiet vooruit : “mee naar de hel”, brult hij.
Hij pakt horloges af en ringen, loopt te vloeken,
want hij alleen heeft wapens aan zijn zij.

In het reeds vermelde handschrift van Hoe de zwarten in de hemel kwamen luidden de eerste drie verzen licht anders:

“Een O.F.man, gewoon zich te verschuilen,
Springt uit een hoek: “mee naar de hel”, brult hij.
Hij pakt horloges af en ringen, loopt te huilen,”

‘Vloeken’ is sterker dan huilen, dat daarenboven ook nog een andere betekenis heeft dan ‘schreeuwen’ of ‘brullen’. Opvallend is ook dat er in de handschriftversie slechts één individu optreedt, terwijl het in de gedrukte versie een collectiviteit geworden is, het onafhankelijkheidsfront als geheel. Met andere woorden: alle leden ervan worden over één kam geschoren, het zijn allemaal dieven blijkbaar, zo suggereert het derde vers. ‘Gewoon zich te verschuilen’ vind ik concreter en dus beter dan hetgeen het in de gedrukte tekst geworden is. Maar hier speelde natuurlijk de rijmdwang – en wellicht het feit dat De Pillecyn toch geen dichter was.

Dat onmiddellijk na het vertrek van de Duitsers het O.F. de enige beweging was die wapens droeg, klopt; er werd toen trouwens sterk aangedrongen door de geallieerden, met name de Amerikanen en de Engelsen, om de verzetsbewegingen zo snel en zo volledig mogelijk te ontwapenen, hetgeen dan ook snel gebeurde in België. Maar toen De Pillecyn en consoorten werden opgepakt, vormden echte en laattijdige verzetslieden inderdaad de enige gewapende macht. En de politieke macht komt uit de loop van een geweer.

(4)
Satan is droef; wel kreeg hij vele gasten,
gendarmes bij de vleet, een auditeur of tien,
veel rechters ook, toen hem een brief verraste :
“Geen zwarten in ons hel”, schreef hem Stalin.

De dichter van dit stuk denkt duidelijk manicheïstisch: er zijn goeden en slechten, met amper iets daartussen. Het officiële christendom heeft het manicheïsme weliswaar al zeer vroeg veroordeeld en verboden, maar dat belet niet dat er sterke relicten van aanwezig zijn gebleven in het christendom zelf, bv. de quasi absolute tegenstelling tussen goed en kwaad, hemel en hel, God en Satan.

In deze vierde strofe wordt de negatieve pool opgeroepen. De aanwezigen in de hel zijn niet toevallig gekozen: er worden drie soorten figuren genoemd, die tot het gerecht behoren: gendarmes houden de zwarten aan, auditeurs vorderen straffen tegen hen, en rechters spreken die straffen uit. Dat zij zich in de hel bevinden duidt er weer op dat zij aan de slechte kant staan, dat zij schuldig, zondig zijn c.q. geweest zijn. En ofschoon dat niet met zoveel woorden gezegd wordt, zijn de zwarten dus de slachtoffers.

Zij horen in de hel dus niet thuis, maar opvallend: niet Satan trekt die conclusie, maar Stalin himself. Die is dus de opperste baas van de hel, baas over het kwaad. Het gedicht werd geschreven in een tijd toen Stalin nog helemaal niet de boeman was, die hij nu geworden is. Integendeel: zelfs zijn tegenstanders waren vol lof over hem[12]. Maar De Pillecyn was wel volledig geïndoctrineerd door de ideologie van een kwaadaardig nationalisme, dat in zijn vreselijkste en gewelddadigste vorm samenviel met het nationaalsocialisme. Daarmee hadden de zwarten gecollaboreerd. En de hoofdvijand van dat nationaalsocialisme was vanaf het begin op de eerste plaats het marxisme geweest en wat als de incarnatie ervan gezien werd, de Sovjet-Unie. Dat stond al te lezen in Mein Kampf.[13]

Nu wordt enkel nog gesproken over de jodenvervolging en de judeocide door de nazi’s, maar in de jaren dertig en veertig spraken die voortdurend over de joods-bolsjewistische samenzwering, en over het joods-bolsjewistische ‘Untermenschentum’. M.a.w.: joden en communisten werden steeds tesamen genoemd, zij waren voor de nazi’s slechts twee kanten van één munt. Dat daar ook soms nog het liberalisme bijkwam, spreekt die stelling niet tegen, want de nazi-ideoloog Rosenberg beschouwde in zijn Der Mythos des XX. Jahrhunderts [14] het marxisme als een afgeleide van Verlichting en liberalisme. De grote vijand van rechts en extreemrechts kortom, was de Sovjet-Unie, de personen die haar incarneerden en de ideologie waarvoor die stonden.

O

Het is dan ook geen toeval dat na Stalin in de volgende twee strofen de joden zelf opdraven:

(5)
“Weg naar het voorgeborchte”, riep hij snel.
Daar zat de fine fleur van ’t jodendom te gapen,
Abram en Isaac, Ruth en Ezechiël,
Loth en nog and’ren die met hun dochters slapen.

Het ‘voorgeborchte’ wordt ook wel ‘vagevuur’ genoemd, een plaats tussen hemel en hel, waar zielen verblijven van hen die weliswaar vrij zijn van zonden, maar die niet gedoopt zijn (zoals kleine kinderen bv., gestorven voor het doopsel). Die zielen kennen wel de zaligheid, maar kunnen God nooit aanschouwen.

Of de joden door de katholieke kerk daar gesitueerd werden, heb ik niet kunnen achterhalen, maar gelet op het feit dat zij collectief als godsmoordenaars gezien werden, zou me dat verwonderen. Hoewel anderzijds de door De Pillecyn genoemde figuren allen uit het Oude Testament komen, daar een positieve rol speelden, en dus wel degelijk in aanmerking kwamen voor het ‘voorgeborchte’. ‘De fine fleur van ’t jodendom’ klinkt erg denigrerend, maar de opsomming in de laatste twee verzen lijkt me eerder toevallig: twee aartsvaders, Ruth de Moabitische, een voorbeeld van trouw en goedheid in het naar haar genoemde Bijbelboek, en een profeet.

Het laatste vers verwijst expliciet naar Genesis 19:30-38, maar De Pillecyn draait de zaken wel volledig om. In de bijbel is het immers niet Lot die met zijn dochters slaapt, maar zijn het de dochters die hun vader dronken voeren om zich dan door hem te laten bevruchten. Het zijn dus de dochters die de kwade geesten zijn, Lot zelf is helemaal onschuldig. Dat De Pillecyn dit gegeven omdraait kan betekenen dat hij zijn bijbel niet kent, hetgeen toch eerder onwaarschijnlijk lijkt. Het lijkt dus eerder erop dat dit met opzet gebeurt, om een duidelijk antisemitisch vooroordeel nog eens extra in de verf te zetten. Andere incest tussen vader en dochter is mij uit de bijbel overigens niet bekend. Wel bestaat er een zgn. ‘leviraatshuwelijk’ (man trouwt de weduwe van zijn gestorven broer), maar dat heeft met incest uiteraard niets te maken (ook al gold dat vroeger vaak wel zo).

Joden zijn dus mensen ‘die met hun dochters slapen’. In zijn algemeenheid is dit een anti-joodse uitspraak, die bedoeld is vooroordelen te bevestigen en aan te wakkeren.

Dat anti-joodse element gaat verder in de zesde strofe, tevens de laatste van het stuk dat als inleiding beschouwd kan worden:

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

3 reacties

  1. Een romancier buiten categorie waar in Vlaanderenland weinig over gesproken wordt is Louis-Ferdinand Céline.

    L-F Céline wordt genoemd als lichtend voorbeeld voor tal van mensen die groot of klein hebben geschreven, toch vraag ik me af wordt hij links of rechts door Mieke en Jan nog wel gelezen?

    Nederlanders lijken wel grotere belangstelling te hebben, zie maar de bij hen erg gesmaakte vertalingen van zowel zijn acht ik-romans als stapels brieven en de commentaren van Emanuel Kummer, Debrot, Versteeg, Keuning, Spork, Hermans en Frans van Woerden. Weliswaar belangrijkste van al: naar men mij zegt zouden daar nogal wat studenten de Franse schrijver opnieuw meer en meer gaan appreciëren.

    Die leemte in Vlaanderen intrigeert me een beetje, zie ik dat tekort wel goed en zo ja waarmee zou dat te maken kunnen hebben? Aan de geroemde en zeer geprezen theatermonoloog “Reis naar het einde van de nacht” van Guido Lauwaert zal het zeker niet hebben gelegen!

    Kent de meerderheid der Vlamingen geen Frans genoeg (meer) om zich door de spreekmuziek, schrijfdans en straattaal van jongleur Céline nu eens vloekend dan weer lachend een weg te kunnen banen?

    Zijn de gelauwerde ver-taalde romans voldoende gekend, zijn ze misschien niet genoeg nieuwerwets gebekt, te ABN Standaardnederlands of verraderlijk anders dan het origineel gestemd?

    Of moeten we het eerder zoeken in zaken die verband houden met “vervlaamsing, anglofolie en francopathie” waardoor onmerkbaar Franse cultuur blindheid in blik en hoofden is ontstaan?

    Heeft woordkunstenaar Louis-Ferdinand Céline in Nederlandstalig België geen vrienden meer die hem in een top 10 of als verplichte lectuur hebben aangeprezen?

    En wat moeten we denken van de mening van onze landgenoot en “grand célinien” Marc Laudelout die vindt: Ferdinand schrijft veel te expressief om “de doorsnee introverte en meer gesloten Vlaming” sans gêne te kunnen passioneren…?

    Is er met Céline alias Dr. Destouches echter niet verschrikkelijk veel meer aan de hand: is hij mee schuldig aan Holocaust en collaboratie, monsterlijke gruwelen die slachtoffers, nakomelingen en het collectief geheugen nooit ofte nooit zullen pardonneren; hij bleek niet vies van racisme, onverbeterlijk dwarsliggen plus slopende kritiek op alle mogelijke kerken en heilige werken; waardoor zowel machtige tegenstrevers als brave burgers in koor die “povere docteur en gemene pamfletteur” eeuwig tot hel en verdoemenis condamneren. Maar is ook dat typisch voor Vlaanderen en in Brussel, Wallonië, Frankrijk en Nederland zoveel anders?

    Zelfs voor wie van dat hatelijk verleden niets af zou weten: Monsieur Ferdinand heeft in zijn spreken hoe dan ook een “vrij vranke cynische mulle” en etaleert een pessimistisch-realistisch wereld- en mensbeeld, een zwarte visie en luidop denken waarmee “de doorsnee correcte en minzame Vlaming” het minstens in de dagelijkse omgang nogal moeilijk heeft? En vandaar mogelijks het genadeloos afkraken in bepaalde kringen: “Die vent is niet meer en niet minder dan een misrekende en zelfbeklagende kwal waarover men in alle talen zwijgen zal!”

    Of is het slechts een beetje van dat alles? Is hij simpel slachtoffer van de lawines van academische en artistieke lettermachines?Trop c’ est trop! We doen en laten ons brein via nieuwe media aan de lopende band met duizend beelden en heet van de naald klaarkomen. Louis-Ferdinand avec ses délires, ses histoires, c’ est démodé, afgezaagd, ancienne alliance, inbinden, du passé. Behalve een handvol fijnproevers of gepensioneerden lezen we in de maalstroom van competentie, competitie,commercie gewoon geen veeleisende boeken van dat kaliber meer. Hoe groot is het verlies als de laatste reisgenoten van de fabelachtige Céline hem vroeg of laat ook nog de rug toekeren? Of maken we ons nodeloos zorgen: komt zelfs voor hopeloze ongelovigen op het einde van de nacht hoe dan ook de ochtend niet weer aan de horizon gloren?!

  2. Peter, ik zoek naar uw volledige tekst over «Hoe de zwarten in de hemel kwamen». Ik vind er maar twee, klopt dat?
    Prof. E. Waegemans
    Hoofdredacteur «Filip De Pillecyn Studies»

    • Beste Professor Waegemans,

      Ik begrijp uw vraag niet goed. Er is nl. maar één enkele tekst over dat gedicht, gesplitst in tien delen. Met die tweede tekst bedoelt u waarschijnlijk de vermelding van de titel ervan in de recensie van de reader over ‘Verbrande schrijvers’?
      Ik zal u de hele tekst doorsturen via email.

      Met vriendelijke groeten,
      Peter Bormans

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


5 × 4 =