07/07/2012
door Peter
Reacties uitgeschakeld voor Voetnoten – Eindnoten

Voetnoten – Eindnoten

Indien een lange tekst in meerdere pagina’s is uitgesplitst, vindt u de voetnoten meestal als eindnoten op de laatste pagina.

Print Friendly, PDF & Email

04/01/2018
door Peter
Geen reacties

Badiou over Wittgenstein

Alain Badiou noemt zichzelf expliciet marxist en maoïst. Daar heb ik uiteraard geen enkel probleem mee. En nog minder met het feit dat hij zowat een veelschrijver geworden is – en dat op een toch al gezegende leeftijd. En als filosoof. Meestal zijn het kleinere werken, die ofwel aan de actualiteit vasthangen of aspecten van de actualiteit abstraheren en theoretiseren. Vaak is daarbij van dat marxisme weinig, en van dat maoïsme helemaal niets te merken. Waar ik al evenmin een probleem mee heb.

Een van zijn recente publicaties is: L’antiphilosophie de Wittgenstein (Nous, Caen, 2017).

Wittgenstein, en dan vooral de eerste Wittgenstein waar Badiou het hier voornamelijk over heeft, heb ik tamelijk grondig gelezen en zelfs bestudeerd. Dat kan ik afleiden uit de vele randnotities in mijn exemplaar van de Tractatus logico-philosophicus; het is een tweetalige uitgave, met de eerste druk van de Nederlandse vertaling van Willem Frederik Hermans. Geen enkele antiquaar kan met dat volgekribbelde exemplaar nog iets aanvangen.

Voor rechtgeaarde marxisten en maoïsten was Wittgenstein natuurlijk een bourgeois van jewelste, iemand die enkel maar afleidde van de klassenstrijd.

Het zou wat.

Waarschijnlijk hebben er amper rechtgeaarde marxisten en maoïsten bestaan.

Zoals gezegd gaat Badiou’s boekje quasi enkel over de Tractatus, inderdaad het enige boek van Wittgenstein dat hij zelf heeft laten verschijnen. Mede op grond daarvan verwerpt Badiou het latere werk van Wittgenstein, ofschoon ook het tweede grote werk, de Philosophische Untersuchungen, eigenlijk nog door Wittgenstein zelf werd voorbereid; dat het tijdens zijn leven niet verscheen had meer te maken met het verregaande perfectionisme van de auteur dan met iets anders. Het gaat mijns inziens dan ook niet op te doen alsof dat boek niet van Wittgenstein zou zijn. Dat kan zelfs als een vorm van geschiedvervalsing beschouwd worden (zoals Lin Piao een beetje, die ineens op de foto’s met Mao verdween).

Badiou doet dit (en alle andere latere, postuum gepubliceerde werk) af als sofisme en ‘bavardage’, geklets dus. Zou in zo’n onzin dat oude marxisme en maoïsme nog eenmaal tot uiting komen? Want laten we wel wezen: was de Tractatus een systematische, haast wiskundig-deductieve ‘verhandeling’, dan is daarvan niets meer aanwezig in het laatste werk. Elke systeemvorming is daar verdwenen en alles wat overblijft zijn vragen, vragen zonder antwoorden.

Zou Badiou daar niet tegen kunnen? Zou hij niet verder kunnen met denken, filosoferen, leven zonder een systeem – op de een of andere manier?

Nochtans, het begrip ‘antifilosofie’ uit de titel is wellicht veel meer van toepassing op dat latere werk dan op de Tractatus. Het begrip is afkomstig van Lacan en duidt gewoon een filosoof aan, die in zijn werk de filosofie zelf grondig en expliciet in vraag stelt. En inderdaad, er zijn wel wat filosofen die dat niet doen. Maar Wittgenstein behoort daar niet toe, noch de vroegere, noch de latere. Ik zou inderdaad durven stellen: in de mate dat de late Wittgenstein enkel nog vragen stelt zonder zelf antwoorden te geven, haalt hij de fundamenten veel grondiger vanonder de filosofie uit dan de eerste Wittgenstein. In die zin is hij eigenlijk vooral te vergelijken met Nietzsche – vergelijking die Badiou zelf trouwens ook maakt, want ook Nietzsche behoort tot dezelfde categorie van antifilosofen.

Maar als je alles in vraag stelt, dan kom je uiteraard bij het nihilisme uit. Zou het dat zijn wat Badiou wil vermijden, wat hem angst en afschuw inboezemt? Waarschijnlijk wel.

Anderzijds kun je evengoed stellen dat je dan in de mystiek terecht komt. En daar heeft Badiou geen enkel probleem mee, want hij interpreteert de Tractatus inderdaad ook als een mystiek geschrift. Zelf ben ik ook altijd van mening geweest dat zoiets expliciet in het boek aanwezig is. Wittgenstein maakt immers een expliciet onderscheid tussen wat gezegd kan worden en wat zich enkel maar toont: en dat laatste noemt hij ‘het mystieke’. Letterlijk: “6.522  Es gibt allerdings Unaussprechliches. Dies zeigt sich, es ist das Mystische.”

Over dat mystieke is al veel inkt gevloeid, en ik heb nooit begrepen hoe een rationalist als Hermans zich tot dit boek aangetrokken kon voelen. Door het mystieke erin helemaal weg te rationaliseren in zijn commentaren doet hij niet enkel Wittgenstein onrecht aan, hij vervalst hem zelfs. Tegen alle beter weten én tegen de tekst zelf in. Wat dat aspect betreft sluit ik me dus aan bij Badiou, die ondanks zijn marxisme en maoïsme veel opener en breeddenkender blijkt te zijn dan Hermans.

Blijft natuurlijk de vraag naar de aard van dat ‘mystieke’. Daar geeft Wittgenstein geen antwoord op, en Badiou evenmin. Maar als we weten dat vele mystici, en niet van de minsten, en van alle grote religies, God definieerden als ‘niets’, kunnen we wel een vermoeden uiten. Eén beroemd voorbeeld, van Angelus Silesius:

Gott ist ein lauter Nichts,
ihn rührt kein Nun noch Hier;
je mehr du nach ihm greifst,
je mehr entwird er dir.

Zou het kunnen dat we zo opnieuw bij een vorm van nihilisme uitkomen? En dat Badiou zich uiteindelijk tegenspreekt?

Zoals bijna alles van Badiou is de tekst vlot leesbaar en kunnen zijn redeneringen goed gevolgd worden. En het is natuurlijk op zich al een verrassing van zijn hand een positief boekje over Wittgenstein te lezen. Maar ook weer niet zo’n verrassing: had hij eerder niet op een positieve wijze over de apostel Paulus geschreven?!

En dat hij daarenboven vergelijkingen trekt tussen die eerste Wittgenstein enerzijds, en Rimbaud en Mallarmé anderzijds neemt mij nog meer voor hem in.

Print Friendly, PDF & Email

04/01/2018
door Peter
Geen reacties

Een anti-katholieke roman van Willem Paap.

Paap behoort grotendeels tot de lange reeks van vergeten schrijvers. Enkel zijn sleutelroman over de beweging van 80, Vincent Haman, heeft nog zeer lang vele oplagen gekend. Van al zijn andere romans – een drietal overigens, meer niet – geldt dat ze inderdaad vergeten zijn. Je kunt ze nog tweedehands vinden of in elektronische vorm bij de  digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren,  ook al heeft minstens één ervan heel wat ophef gemaakt bij verschijnen.

Dat zal niet het geval geweest zijn met De kapelaan van Liestermonde, Roman uit het Priesterleven, dat ik de afgelopen dagen las. Het is de laatste roman van Paap, uit 1910, dus erg lang geleden, toen de Roomse Kerk nog heel haar macht kon uitoefenen. Die macht was uiteraard wel minder in het protestantse Nederland, en al heel zeker in Groningen, waar de auteur van afkomstig was. In Nederland was het katholicisme immers vooral in Brabant en Limburg zeer sterk aanwezig, minder in de andere overwegend protestants-calvinistische provincies.

Het boek in kwestie is duidelijk een tendensroman en doet een beetje denken aan Het Hout van Jeroen Brouwers. Maar er ligt natuurlijk méér dan een eeuw tussen beide romans. De roman van Brouwers zou je een retrospectieve roman kunnen noemen: wat hij vertelt ligt duidelijk in het verleden, op het ogenblik dat zijn roman geschreven werd was het katholicisme in onze contreien zo goed als dood, zeker het katholicisme dat hij beschreef en dat ik ook zelf nog gekend heb (ik heb het boek hier trouwens besproken).

In 1910 was dat vanzelfsprekend totaal anders: de katholieke kerk was nog steeds het machtsinstituut dat ze al eeuwen was, in Nederland wellicht iets minder dan in Vlaanderen, maar toch. Wat men in Nederland ‘de emancipatie van de katholieken’ noemt, was op dat ogenblik, in 1910 dus, al een voltooid proces, ook al zou het nog meer dan een decennium duren vooraleer een katholieke politieke partij het licht (eerder: de duisternis) zou zien.

Verder is Brouwers natuurlijk de veel betere schrijver. Ook zijn roman is een tendensroman, zo heb ik betoogd, maar hij bewijst dat dit genre ook zeer goede boeken kan voortbrengen. Meestal wordt het woord tendens immers nog steeds erg negatief geconnoteerd, waarbij men dan op de eerste plaats aan het socialistisch realisme denkt (dat overigens ook goede romans heeft voortgebracht). De roman van Paap speelt zich af in een dorp, tussen gewone dorpspriesters dus, terwijl het verhaal van Brouwers in een katholiek pensionaat speelt. De hoofdpersonen van beide romans zijn twijfelaars, die van Brouwers iets meer, maar uiteindelijk gooien beiden toch hun kap over de haag en treden de gewone wereld in. Dat was in de vertelde tijd van beide boeken niet vanzelfsprekend, zeker niet in 1910, want dan moest de apostaat zich blijkbaar begeven tussen ‘liberalen en vrijmetselaars’, zoals Paap schrijft. Toch vinden ze de moed ertoe; dat maakt hen tot positieve helden zoals ze in tendensromans geëist worden.

Bij Paap gaat het uiteraard ook niet over seks met kinderen, dat zou nog decennialang een taboe blijven; maar wel over seks met volwassenen, hetgeen toen een even groot taboe geweest moet zijn, zeker in katholieke en algemeen-conservatieve middens. De stelling van Paap is dan ook duidelijk: het onderdrukken van seksualiteit leidt tot allerlei psychische misvormingen en kan op geen enkele manier gezond zijn. De hoofdpersoon vindt als kapelaan een jeugdliefde terug die ongelukkig getrouwd is met een bigotte zemelaar, en voelt zich opnieuw tot haar aangetrokken. En wederzijds. Na een vrijpartij trekt hij zijn priesterkleed uit en gaat zij weg van haar man. Dat is de hele plot, meer niet. Die vrijpartij wordt overigens alleen maar gesuggereerd, op geen enkele manier wordt ze beschreven of zelfs maar aangeduid. Dat kon toen zeer zeker nog niet, en het zou nog tot de jaren zestig duren voor het wel kon.

De tendens, en het didactische gehalte van de roman zijn dus duidelijk. Maar ook redundantie treedt veel op in dit boek, terwijl dat aspect bij Brouwers afwezig was. Die redundantie betreft dan voornamelijk katholieke morele precepten; het boek eindig trouwens met heel wat bladzijden voetnoten uit contemporaine katholieke publicaties over dat soort zaken. Voor vele hedendaagse lezers zal dat aspect het boek wel wat langdradig maken, ook al kun je niet zeggen dat Paap werkelijk overdrijft.

Temeer daar alles gecontroleerd kan worden; er is in het boek trouwens nog een tweede kapelaansfiguur, die eveneens uit de kerk treedt, deze omdat hij verbod gekregen heeft om te schrijven en te publiceren.

En je kunt nog zaken bijleren, die je totaal voor onmogelijk zou houden: dat een priester bv. min of meer verplicht was clandestien een keizersnede toe te passen op een dode vrouw die zwanger was en waarvan de vrucht nog in leven zou kunnen zijn: die vrucht moet nl. gedoopt worden en zodoende gered.

Je houdt het niet voor mogelijk.

Paap geeft de bron aan: Jos Aertnys: Theologia moralis secundum doctrinam S.Alphonsi Mariae de Ligorio, liber VI, N° 43, Quaer. 4°: “Hoe moet de keizersnede van een overleden moeder geschieden?” (oorspronkelijk in het Latijn – de door Paap gebruikte uitgave uit 1901 is in Antwerpen in de ua-bibliotheek aanwezig).

De taal van Paap doet zelden verouderd aan; wel natuurlijk de katholieke gebruiken en gewoontes, die breeduit beschreven worden. Veel ervan was ook mijzelf onbekend, ook al moet het in de jaren vijftig en zestig toch nog zo geweest zijn – vermoed ik toch. Maar ik ben natuurlijk nooit beginselvast geweest, en probeerde als kind al mij aan al die rabiate onzin te onttrekken.

Paap is zoals gezegd grotendeels vergeten. Zoals steeds ten onrechte. Want ook mindere goden verdienen het om bewaard te blijven, heruitgegeven en bestudeerd te worden.

Print Friendly, PDF & Email

25/12/2017
door Peter
Geen reacties

Poëzie – engagement – actualiteit

In de jaren zestig van de vorige eeuw had in de literaire wereld een korte discussie plaats over engagement in de literatuur; dat was een beetje laat gedruppel van een gelijkaardige regenbui die in de jaren vijftig al in Parijs had plaatsgevonden, naar aanleiding van Sartre’s bekende Qu’est ce que la littérature? Daarin brak Sartre een lans voor geëngageerde literatuur; maar hij maakte daarbij wel een uitzondering voor de poëzie – waarschijnlijk enkel omdat hij daar niet echt veel van afwist, anders zou hij zeker wel naar Aragon en Eluard (o.a.) verwezen hebben.

Sindsdien komt die discussie met de regelmaat van een klok terug; terwijl iedereen toch weet dat voor dat soort ‘problemen’ geen enkele oplossing bestaat. Het enige wat je van dichters (en van schrijvers in het algemeen) mag eisen is dat ze goeie gedichten schrijven – volgens ieders geaardheid en gebektheid.

In samenwerking met Radio 1, waar de betrokken gedichten werden voorgelezen, verscheen een bloemlezing van een volgens mij nogal bizarre aard: Alsof er niets is gebeurd. Een jaar NIEUWS in gedichten (Poëziecentrum, Gent, 2017). De gedichten worden geacht een soort ‘commentaar’ te zijn bij de actualiteit – wat vaker niet dan wel lukt; en als het wel lukt levert dat niet bepaald goeie gedichten op.

In feite staat er in heel de bundel slechts één gedicht dat me werkelijk aangesproken heeft: het gedicht ‘Andy’ van Maud Vanhauwaert, geschreven blijkbaar naar aanleiding van de Antwerp Pride Parade. Maar dat kun je enkel weten omdat vóór elk gedicht een korte tekst (van de radioredactie?) staat waarin het gedicht in kwestie ‘gecontextualiseerd’ wordt. Voor de rest heeft dat gedicht met welke actualiteit of met welk engagement dan ook weinig of niets te maken – tenzij je die begrippen zo sterk uitrekt dat quasi alles eronder valt. Dat universalisme maakt trouwens mee de kracht uit van het gedicht.

De meeste andere gedichten zijn vaak erg slecht, en in een viertal gevallen hebben we gewoon met propaganda te maken – uiteraard gaat het dan over Syrië, dat al langer dan 2017 in het ‘nieuws’ is. De gedichten op de bladzijden 11, 17, 35 en 45 bauwen doodgewoon na wat elke dag in de mainstreammedia verschijnt of te horen is over Syrië: een boze Assad, zoveelste incarnatie van het Absolute Kwaad (Hitler! Hitler!) is een oorlog tegen zijn eigen volk begonnen met de bedoeling, blijkbaar, dat uit te roeien. Het verst daarin gaat ene Lotte Dodion op pagina 53 met een gedicht geschreven naar aanleiding van het feit dat in de Saydnaye gevangenis tussen 2011 en 2015 minstens 13.000 mensen zouden zijn opgehangen – tegenstanders van Assad.

Dit is een typevoorbeeld van de platste en meest ongenuanceerde vorm van propaganda: de hyperbolische leugen. Het “bewijs” voor die bewering is gebaseerd op geruchten van anonieme mensen buiten Syrië. De cijfers zelf zijn extrapolaties die geen enkele wetenschapper of rechter ooit zou accepteren. Hoe dom of achterlijk moet je zijn om daarin te geloven? En de verspreider ervan is (weer eens) Amnesty International, dat in heel deze oorlog al meermaals heeft bewezen niets anders te zijn dan de spreekbuis van al Qaeda & Co.

Natuurlijk zijn dichters ook maar mensen, vaak zelfs goedgeloviger en naïever dan anderen. Vandaar dat ze zich zo gemakkelijk laten vangen door een pers, die die naam niet waardig is; ze zouden, als ze dan al gedichten willen schrijven daarover, zich beter eerst grondig documenteren inplaats van hun spontane gevoelens blindelings achterna te lopen. Nogmaals: met gevoelens schrijf je geen gedichten.

Maar het hoeft helemaal niet over Syrië te gaan om slechte tot zeer slechte gedichten op te leveren, vol cliché’s en banaliteiten. Als voorbeelden van zeer slechte poëzie verwijs ik naar de gedichten op bladzijde 35 (waarschijnlijk het allerslechtste van de hele bundel – Jeroen Theunissen zou zich moeten schamen), 69, 79, 81 en 97-99. Annemarie Estor bv. komt in het gedicht ‘De aanslag, de kei en wij’ niet veel verder dan het inderdaad zinloze herhalen van ‘zinloos’; geweld wordt dan bedoeld, zgn. ‘zinloos’ geweld – een uitdrukking die telkens weer uit de rotte mond van het politicaille rolt en die totaal niets betekent. Stelt Estor vragen daarbij? Nee, dat doet zij niet. Maar wellicht is een gedicht niet echt de manier om dergelijke vragen te stellen. Enkele verzen slechts als voorbeeld, ook dit uit een gedicht van Jeroen Theunissen, n.a.v. de vrijlating van Chelsea Manning:

(…)
“Gefolterd, mishandeld, opgesloten,
tot wanhoop gedreven, bijna tot zelfmoord,
ademt Chelsea Manning vandaag lente.

Buiten proportie gestraft omdat ze
wat in honderden duizenden documenten
donker was aan het licht bracht.”
(…)

Edele gevoelens wellicht, en in overeenstemming met de werkelijkheid en de waarheid, maar daarmee schrijf je geen poëzie. Veel te direct, en als er dan eens een figuur gebruikt wordt is het een totaal afgezaagd cliché over donker en licht.

Staat er dan niks goeds in de bundel behalve het al vermelde gedicht van Vanhauwaert? Ook al is de kwaliteit over het algemeen erg slecht, dat belet niet dat er tussen het opvallende kaf ook wel een beetje koren te vinden is af en toe, maar te weinig om er een boek mee te vullen. Een mooi voorbeeld is ‘Een woede’ (p.15) van Charles Ducal:

“Er is een woede op komst die alles veranderen zal,
die als een reinigende storm door de hoofden
zal spoelen, en de straat opgaan in een machtig getal.

Nu nog loopt de een blind, de ander doof,
in het zelfbedrog juist te zien, scherp te horen,
bestookt door omroepers van het geloof

dat zolang de vleespot niet overloopt
van onze offers, er niet wordt gedeeld en gegeten,
want de pot is tenslotte van één, dat is zo

vanzelfsprekend dat het woede zal zijn,
een machtige woede die eindelijk zal spreken,
krant en tv onderbreken, de pot openbreken,

de angst voorbij.”

Het volstaat om even grondig te lezen en vooral op de klanken te letten om te zien dat taal hier een zeer sterke rol speelt. Deze dichter schrijft met woorden, met taal, niet met gevoelens, zelfs niet met gevoelens van woede, daarvoor is het gedicht te onderkoeld gehouden. Het gedicht is ook niet gebonden aan de of een actualiteit, het is gewoon universeel, en zou bv. een gevoel kunnen oproepen dat naar de achttiende eeuw verwijst, met zijn vele pamfletten, jacqueries en andere opstanden die uiteindelijk culmineerden in de Grote Woede van 1789.

Ironisch en zelfs sarcastisch zonder het te willen is de tweede strofe, omdat die zonder enig probleem toegepast kan worden op de vele blinden en doven die ook aan deze bundel hebben bijgedragen.

Geëngageerd is het gedicht uiteraard wel, maar ook op een universele wijze, zonder dat naar concrete gebeurtenissen verwezen wordt, of zonder dat iets dergelijks zelfs maar vernoemd wordt. Het is ook geëngageerd door de profetische toon die, zij het licht, merkbaar is: de woede wordt in de toekomst geplaatst, zonder dat duidelijk wordt of die toekomst dichtbij of veraf ligt. Ducal is niet de eerste of de enige die vandaag op die manier een gevoelen verwoordt dat blijkbaar in de lucht hangt. Enkele jaren geleden reeds verscheen in Frankrijk een pamflet van een Comité Invisible, dat L’insurrection qui vient heet. En de laatste kleine publicatie van de Duitse dichter Clemens Schittko heet: Der Aufstand kommt so oder so.

De door Radio 1 en het Poëziecentrum uitgegeven anthologie ondertussen leidt er enkel toe om afkerig te worden van elk soort engagement en van elke verwevenheid van poëzie en actualiteit. Een miskleun is het.

 

Print Friendly, PDF & Email

09/07/2017
door Peter
Geen reacties

09-07-17 – Een biografie van Gudrun Ensslin

Op bladzijde 174 van haar biografie van Gudrun Ensslin (Poesie und Gewalt; das Leben der Gudrun Ensslin, Klett-Cotta, Stuttgart, 2017) schrijft Ingeborg Gleichauf:

“Auch an die Ideale der Demokratie habe sie zunächst geglaubt, dann aber seien ihr durch die Erfahrung der Spiegel-Affäre, der Wiederaufrüstung, der Notstandsgesetze und des Umgangs mit dem Nationalsozialismus deutliche Zweifel gekommen. Sie sei gegen Mauern gerannt mit ihrem Wunsch, innerhalb demokratischer Regeln sich einzusetzen für mehr Gerechtigkeit. In Wirklichkeit gehe es, so habe sie erkannt, letzlich immer nur um das Recht  des Stärkeren.”

De ‘erlebte Rede’ wijst erop dat de schrijfster zelf hier niet aan het woord is; ze parafraseert de woorden van Bernward Vesper op het zgn. Kaufhausbrandprozess. Maar het feit dat ze dat zo uitgebreid doet (meer dan ik hierboven citeer) betekent mijns inziens dat ze wel achter deze woorden staat.

Ingeborg Gleichauf

Het zijn woorden die mij uit het hart genomen zijn, omdat ik ze iets scherper verwoord voor mijzelf lang en vaak herhaald heb; ooit ben ik begonnen aan studies in de rechten (na mijn germaanse) en in de tweede kandi ben ik daarmee gestopt, omdat ik inzag dat er helemaal geen recht was (over rechtvaardigheid wil ik het niet eens hebben, dat is een puur en letterlijk hersenspinsel), maar dat elk recht in laatste analyse enkel en alleen maar het recht van de sterkste was. En dat het dus nooit om recht ging, maar enkel om macht. Toen – ik was nog jong, even de twintig voorbij – was dat voor mij een verbijsterende vaststelling. Maar een die volkomen juist is, daar ben ik tot op de dag van vandaag van overtuigd.

Wat kun je na dat inzicht nog doen? Dat moet ook een van de vragen geweest zijn die Gudrun Ensslin (en met haar vele anderen toen, in Duitsland en elders) zich gesteld heeft.

Je kunt in de politiek gaan om macht te verwerven. Dat deden bv. de politieprovocateurs Joschka Fischer en Daniel Cohn-Bendit. Iets veranderd hebben ze niet, het zijn enkel de meest cynische politgangsters geworden die je je kunt indenken. Dan liever nog de wanhoop die aan de basis ligt van wat ‘terrorisme’ genoemd werd en wordt (maar het in het geval van bv. de RAF helemaal niet is), en die meer nog dan bij Ensslin bij Ulrike Meinhof zo goed detecteerbaar was: het volstond haar columns in Konkret te volgen. Een derde mogelijkheid is zich uit de politiek en de wereld terugtrekken, zich enkel nog bezighouden met de ‘poëzie’ uit de titel van Gleichaufs boek. Een combinatie is ook mogelijk; daarbij hou je je met literatuur, filosofie, kunst etc. bezig, maar volg je de politiek nog (eigenlijk met totale walg, verachting en tegenzin, maar je kunt blijkbaar niet zonder, ‘abschalten’ blijkt niet mogelijk) en schrijf je er ook nog over, zoals hier.

Ensslin heeft duidelijk voor het ‘geweld’ gekozen. Alhoewel, ‘gekozen’?

De schrijfster laat dat eigenlijk in het midden; ze stelt wel vast dat Ensslin op verscheidene tijdstippen van haar leven voor een keuze geplaatst werd, maar ze weet dat niet echt hard te maken. Volgens mij kan ze dat ook niet, omdat van enige ‘keuze’ eigenlijk weinig sprake is. Je rolt erin. En dat andere, veel gevaarlijkere terrorisme, het staatsterrorisme, speelt daarin een cruciale rol. De escalatie toen, in Duitsland, is op de eerste plaats van de staat gekomen.

Gleichauf begint met een inleiding waarin ze allerlei vroegere werken over de RAF bespreekt, en met name de fouten daarin; die komen er steeds op neer dat zaken geponeerd worden, die niet hard gemaakt kunnen worden aan de hand van documenten of getuigenissen. Die zijn er inderdaad zeer weinig wat het leven van Ensslin betreft, en dat begint al met haar jeugd.

Meestal worden de oorzaken van houdingen zoals de hare in de jeugd gezocht, maar in dit geval was weinig of niets te vinden, en dus vonden eerdere schrijvers maar gewoon wat uit. Dat doet Gleichauf niet, en dat is inderdaad een pluspunt van haar biografie; ze stelt inderdaad vast dat Ensslin in een idyllische omgeving opgroeide, maar stelt ook duidelijk dat die idylle een landschappelijke idylle is, en dat over de opvoeding in het ouderlijk huis weinig of niets geweten is. Dat belet niet dat je kunt vaststellen dat ook andere kinderen uit het gezin op de een of andere manier problemen hadden (over de na Gudrun geborenen weet ik niets); vermoedelijk moet er in het ouderlijk huis toch iets mis zijn geweest. Daar is natuurlijk op de eerste plaats de afwezigheid van de vader (hij deed legerdienst in de Wehrmacht tijdens de eerste oorlogsjaren) gedurende haar eerste levensjaren; en de moeder lijkt eerder nogal gevoelskoud geweest te zijn; en daar komt dan nog de algemene politieke context bij: nazibewind en oorlog. Plus daarbij het feit dat vader dominee Ensslin géén nazivriend was, integendeel.

Gleichauf weet ondanks het gebrek aan materiaal de sfeer in het landelijke Baden-Württemberg toch goed weer te geven. En dat geldt eveneens voor de schooljaren van Gudrun (een uitstekende leerlinge) en haar eerste studiejaren in Tübingen, waar ze Germaanse studeerde. Tübingen moet toen nog veel meer dan nu een klein stadje geweest zijn, een dorp bijna, iets zoals Leuven hier. Zoals dat met zovele studenten het geval is, werd zij hier zelfstandig en volwassen. Alhoewel dat zelfstandige er al eerder was, want net zoals een latere RAF-kompaan, Johannes Thimme, heeft zij een jaar in de USA verbleven in een uitwisselingsprogramma. Blijkbaar is ook daar weinig van geweten, want de schrijfster gaat er niet echt op in. Het lijkt echter wel zo dat haar ervaringen aldaar positiever waren dan die van Thimme zovele jaren later.

Maar Tübingen speelde ook op een andere manier een sleutelrol in haar leven: ze leerde er haar eerste grote liefde kennen, waar ze trouwens een zoon mee zou hebben: Bernward Vesper. Er is heel veel gespeculeerd over Ensslins verhouding tot haar twee mannen, maar uiteraard weet niemand er het fijne van, ook Gleichauf niet, maar die geeft het ten minste toe, en laat de ranzige speculaties van sommige anderen gelukkig achterwege. Feit is gewoon dat ze een blijkbaar goed koppel vormden, die zelfs een eigen uitgeverij startten, maar die slechts een publicatie of twee had (voor zover ik het kan overzien toch): Gegen den Tod, waarin teksten werden samengebracht van de belangrijkste Duitse auteurs, tegen de atoombewapening, is daarvan wel de bekendste. Toen, in de jaren zestig van de vorige eeuw was dat een hot item, niet enkel maar toch op de eerste plaats in Duitsland. Nu lijkt iedereen zich daarbij neer te leggen.

Iets later engageerde ze zich ook daadwerkelijk, in het verkiezingsteam van Willy Brandt, in de sociaal-democratie dus. Verwonderlijk? Ik ben eerder geneigd om ook hier gewoon naïviteit te zien, en niets dan dat. Ze had trouwens blijkbaar al snel door dat ze voornamelijk als secretaresse misbruikt werd, en dat ze in die kringen eigenlijk niets te zoeken had.

In dat boek – Gegen den Tod dus – kwam ook een kort gedicht voor van een bekende nazidichter, Hans Baumann (vlak na een tekst van Anna Seghers – je houdt het niet voor mogelijk!), en daarover kwam heel wat kritiek. Misschien had dat eerder iets te doen met Vesper, die immers de enige zoon was van die andere nazidichter Will Vesper. De zoon heeft samen met Ensslin trouwens nog het plan gekoesterd om een verzameld werk van vader Will Vesper uit te geven. Hoe ondoorgrondelijk naïef kun je in godsnaam zijn. Want die oude Vesper had niets ingezien en niets (bij)geleerd, tot het einde van zijn dagen was hij politiek dezelfde gebleven. Ik ben in het bezit van een typoscript van hem uit de jaren vijftig, dat dat bewijst.

Naïviteit van Ensslin? Of toch een al te sterke gebondenheid aan de jonge Vesper? Wie zal het zeggen. Feit is enkel dat zij het niet gemakkelijk zal gehad hebben met hem, die nooit van zijn vader los is kunnen komen, wiens vader als een doem over hem is blijven hangen, wat zeer zeker ook een rol gespeeld zal hebben in zijn latere zelfmoord.

Maar toen was Gudrun al lang in Berlijn en waren ze, in vriendschap overigens, uit elkaar gegaan. Gudrun had in Berlijn een nieuwe grote liefde gevonden, die naar de naam Andreas Baader luisterde, en die een absolute anarchist was wat zijn persoonlijkheid en zijn handelwijze betrof. En wellicht ook een macho tegenover vrouwen. Ook speelde ze daar in een kortfilm, waarvan vele onnozelaars later beweerden dat het een pornofilm was. Totale onzin, want ik heb die film gezien: het gaat gewoon over een jonge vrouw die in bed ligt terwijl in de gang steeds meer poststukken door de brievenbus komen. Voor zover ik me herinner loopt die jonge vrouw inderdaad soms naakt door het beeld, en eindigt het als ze aan tafel zit te eten. Het is extreem lang geleden dat ik de film zag (en ik herinner me niet meer waar), dus wat sommige zaken betreft kan ik me vergissen. Hoe dat ook zij, met porno had hij absoluut niks te maken, dat is fantasie van rechtse rakkers en rukkers.

Naar Berlijn was ze gegaan om aan een doctoraat over de schrijver Hans Henny Jahnn te werken; in Berlijn had ze nl. een ‘Doktorvater’, zoals dat toen heette gevonden. Maar Berlijn is natuurlijk Tübingen niet. De radicalisering van de studentenbeweging ging daar veel sneller en veel grondiger, zeker na de moord op Benno Ohnesorg. Maar ook hier weet Gleichauf een door iedereen overgenomen mythe te ontkrachten, nl. dat Gudrun in een openlijke meeting toen al tot de gewapende strijd zou hebben opgeroepen. Waarschijnlijk was ze daar niet eens aanwezig.

Soit, feit is dat ze effectief actief meedeed aan wat de ‘Kaufhausbrand’ is gaan heten; het woord zelf zegt al waarover het gaat. Maar toen was er inderdaad nog een keuze: twee van de vier aangeklaagden (Thorwald Proll en Horst Söhnlein) zijn wel actief gebleven, maar hebben de stap naar de RAF niet gezet. Waarom Ensslin dat wel deed, is eigenlijk evenmin duidelijk. Gleichauf laat doorschemeren dat Baader er voor iets tussen zat, maar dat is niet bewezen. Het valt mij op dat zij de mannen rond Ensslin eigenlijk eerder negatief benadert. Bewust of niet? Hoe dan ook, na hun proces ging het langzamerhand in de richting RAF, maar welke elementen daar allemaal een rol in speelden is niet duidelijk, nog steeds niet. Wel dat de bevrijding van Baader (die was aangehouden en in een instellingsbibliotheek mocht gaan ‘studeren’) een uiteindelijke trigger was; daarna moesten ze onderduiken, omdat een beambte zwaar gekwetst was door een revolverschot. Bewust afgevuurd door de ‘normale’ krimineel die ze hadden meegenomen omdat ze zich zelf niet goed vertrouwden, of niet?

De warenhuisbrandstichtingen van 2 april 1968 in Frankfurt.

En zo niet, in opdracht van wie handelde die dan? Hier is iets cruciaals aan de hand, waar Gleichauf totaal niet op ingaat. Alle molotovcocktails en alle wapens, ontstekingsmechanismen en ontploffingsmateriaal uit deze vroege periode werden geleverd door ene Peter Urbach, waarvan bewezen is dat hij voor een geheime dienst werkte (met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de BND, want naderhand kon hij met een valse identiteit naar de VS). Vanaf het allereerste begin wisten de geheime diensten dus wat er gebeuren ging, en konden ze alles van dichtbij volgen. Dat ze zelf hun mannetjes hadden in die vroege groep is daarentegen eerder onwaarschijnlijk, dat gebeurde pas vanaf de zgn. tweede generatie.

Het is een lacune van jewelste dat de schrijfster daar helemaal niets over weet te zeggen. Temeer daar vanaf dat ogenblik Gudrun Ensslin als individu amper nog bestaat: zoals de andere is ze gewoon deel van een groep geworden: geen ‘ik’ meer, maar enkel nog ‘wij’. Maar anderzijds is het ook begrijpelijk: hier valt nog minder te bewijzen aan de hand van documenten dan reeds het geval was met de jeugdjaren van Ensslin. De verdere geschiedenis is natuurlijk bekend, de aanhouding, het verblijf in de gevangenissen, Stammheim en de dodennacht aldaar.

Maar ze had het minstens mogen vermelden als mogelijkheid. Zoals ze ook de officiële these betreffende dood van Baader, Ensslin, Raspe niet klakkeloos had moeten overnemen. Ze had minstens moeten verwijzen naar de boeken van Lehmann en Weidenhammer, die ik besproken heb in Stammheim revisited). Ze hoeft de these van de moord niet voor juist te houden, maar ze had ook hier de mogelijkheid moeten vermelden. Temeer daar ze over de dood van Ulrike wél zegt dat er twijfels zijn. Daarom vraag ik me af of ze de boeken van Weidenhammer en Lehmann wel kent; in de BRD zijn die uiteraard totaal doodgezwegen.

Bon, soit. Het hele boek door heeft Gleichauf de nadruk gelegd op de literaire begaafdheid van Gudrun, vanaf haar vroege jeugd eigenlijk al. Ze houdt dat goed vol, overal waar het mogelijk is, d.w.z. waar er documenten aanwezig zijn. Opvallend, en wat ik zeker niet wist: Gudrun Ensslin schreef zelf gedichten. Er is een brief van haar bekend, gericht aan Günter Eich, waarin ze hem gedichten van haar hand toestuurt en hem vraagt wat hij ervan vindt. Jammer genoeg is het antwoord van Eich niet te vinden, evenmin als de betreffende gedichten. Maar het is mogelijk dat Christiane Ensslin nog veel materiaal van haar zuster heeft, en misschien zijn daaronder ook deze (en andere?) gedichten? Als dat zo zou zijn, hoop ik dat ze vooralsnog uitgegeven zouden worden.

Uit de laatste jaren zijn er natuurlijk – behalve sommige later uitgegeven brieven – wel teksten van haar bekend: die werden verzameld in het door Pieter Bakker-Schut uitgegeven das info. Zelden heb ik zulke bizarre teksten gelezen als in dat tamelijk dikke boek. Het zijn teksten die door de gevangenen uit de RAF via hun advocaten verspreid werden onder de andere gevangen (steeds van de RAF), en dus niet enkel van haar. Ofschoon er heel wat van haar instaan. Als ik mij goed herinner hadden die teksten zo’n reuzegroot abstractiegehalte, dat ze niets meer te maken hadden met welke werkelijkheid dan ook, maar eigenlijk een totale en zelden geziene autonome tekstsoort vormden. Maar misschien vergis ik mij, het is allemaal zo lang geleden.

Behalve de vroegere schrijvers-journalisten die het over haar hadden, en die ze in haar inleiding en sporadisch ook nog in de tekst zelf weerlegt en onderuit haalt, valt het op hoe quasi iedereen positief spreekt over Gudrun, over het kind, de tiener, de studente, de activiste, ja zelfs de gevangene. Er is een vriend uit haar kindertijd die dat eveneens doet, nl. de componist Helmut Lachenmann. In een ‘Musik mit Bildern’ genoemde compositie naar het bekende sprookje van Andersen, en eveneens getiteld Das Mädchen mit den Schwefelhölzern, maakt hij in afdeling 15, ‘Litanei’ genoemd, gebruik van een tekst van Gudrun uit das info, een tekst die inderdaad zoals Gleichauf stelt, erg poëtisch aandoet (waarschijnlijk was hij niet zo bedoeld). Ik laat die litanie hier even volgen:

 

der kriminelle, der wahnsinnige, der selbstmörder – sie verkörpern
diesen widerspruch. sie verrecken in ihm. ihr verrecken verdeutlicht
die ausweglosigkeit/ohnmacht des menschen im system: entweder
du vernichtest dich selbst oder du vernichtest andere, entweder tot
oder egoist. in ihrem verrecken zeigt sich nicht nur die vollendung
des systems: sie sind nicht kriminell genug, sie sind nicht wahnsinnig
genug, sind nicht mörderisch genug, und das bedeutet, ihren schnelleren
tod durch das system im system. in ihrem verrecken zeigt sich
gleichzeitig die verneinung des systems: ihre kriminalität, ihr wahnsinn,
ihr tod ist ausdruck der rebellion der zertrümmerten subjekte
gegen ihre zertrümmerung, nicht ding, sondern mensch.
(schreibt auf unsere haut.)
Gudrun Ensslin, begin 1975

oOo

Ingeborg Gleichauf  heeft een biografie geschreven die veel meer vragen oproept dan ze beantwoordt. Maar ik vrees dat het in dit geval niet anders kan, en dat we gewoon met onze frustratie daarover moeten blijven zitten. Maar het is zonder meer goed natuurlijk dat we eindelijk ook eens iets over Gudrun te lezen krijgen dat positiever is dan het doorsnee hetzerig proza van het journaille dat over de RAF schrijft, en dat haar zodoende door de schrijfster heel wat meer recht wordt gedaan dan in vorig meestal leugenachtig proza. Alleen jammer wat de gezagsgetrouwheid van de schrijfster betreft. Een heel klein beetje Ensslin’sche opstandigheid ware beter geweest.

Op de achterflap van de biografie van Hans Henny Jahnn van Thomas Freeman staat het volgende te lezen (uit welk boek van Jahnn het afkomstig is, weet ik niet) dat wonderwel aansluit bij het citaat waar ik deze tekst mee begon:

“Und während sich das meinem Auge Wunderbare vollzieht, vermehren sich die Raubzüge aller Lebewesen gegen den Schwächeren, der gefressen wird. Auch viele der Frösche werden gefressen. Es ist keine Schuld, der Schwächere zu sein. Es ist Schicksal. Und so dampft der Schmerz in den Duft des Frühlings hinein. Die warmen Ströme der Luft schmecken fade. Es ist, wie es ist. Und es ist fürchterlich.”

Inderdaad, het is vreselijk, maar zo is het. En daar helpt geen lievemoederen aan, en evenmin bommen of aanslagen.

Print Friendly, PDF & Email

09/07/2017
door Peter
Geen reacties

09.07.17 – Chomsky en Vltchek over het terrorisme van het Westen

Uit de lectuur van dit boek met gesprekken tussen beide auteurs kun je niet anders dan dezelfde dwingende conclusie trekken, nl. dat individuele acties totaal niets helpen. We leven in een crimineel systeem en op alle gebieden en vlakken worden we door criminelen geregeerd, zowel in grote privébedrijven als in de publieke sector. En als daar ergens een crimineel wordt opgeblazen of neergelegd zal ik daar natuurlijk geen traan om laten, maar politiek gezien is het absoluut nutteloos: binnen de kortste keren wordt de vacante plaats ingenomen door een andere kleinere of grotere crimineel.

De rol van het Westen in de wereldpolitiek vanaf 1945 tot op de dag van vandaag (niet helemaal, zo voorzien ze wel moeilijkheden in Syrië, maar als ze hun gesprekken afsluiten zal het nog een jaar duren voor ook daar het kruitvat ontploft), en dan vooral zoal niet uitsluitend in wat vroeger de ‘derde wereld’ genoemd werd, dat is het onderwerp van de gesprekken. Bij de naam van Chomsky moet natuurlijk geen kanttekening worden gemaakt, hij is de meest vooraanstaande van wat in de VS ‘liberals’ genoemd worden, dat zijn niet zozeer linksen als wel progressieven. De andere was mij niet bekend, maar hij is duidelijk linkser dan Chomsky zelf, waarschijnlijk omdat hij veel meer op het terrein aanwezig en actief is als documentairemaker.

Maar bon, daar gaat het niet om. In negen hoofdstukken worden de tussenkomsten van het Westen, dat zijn voornamelijk de VS, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk geschetst in de rest van de wereld. Het begint met de erfenis van het kolonialisme, waarvan meestal gezegd wordt dat het grotendeels eindigde in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Maar niets is minder waar. De oorlogen in het Midden-Oosten zijn nog altijd koloniale oorlogen, oorlogen om grondstoffen, pipelines, olie enz. Fundamenteel is er niets veranderd, en hoe zou het ook kunnen, vermits het systeem niet veranderd is.

Een belangrijk hoofdstuk is dat over India en China. India wordt door het Westen natuurlijk de hemel ingeprezen, terwijl China evenzeer verketterd wordt. Maar als je de invloed van beide economische systemen op de overgrote meerderheid van de bevolking bekijkt, dan kun je, als je alle ideologische vooroordelen achter je kunt laten, enkel tot de conclusie komen dat het Chinese systeem bij verre te prefereren valt. Maar dan moet je natuurlijk eerst door de propagandamachine van het Westen kunnen kijken. Een ander hoofdstuk gaat net over propaganda en de media, met heel wat concrete voorbeelden, met name hoe instellingen zoals de BBC effenaf aan voorafgaande censuur doen. Ze noemen het zo niet, maar het komt er wel op neer.

Maar ook dat is niet nieuw voor degenen die regelmatig nieuwsberichten volgen. Al onze kranten en weekbladen kun je – als het papier ervoor zou deugen – enkel als wc-papier gebruiken, want het is werkelijk niks anders dan een vaak weerzinwekkende combinatie van faits divers en regelrechte propaganda. Alles wat in onze kranten, en zeker de ‘betere’ zoals De Morgen en De Standaard verschijnt over bv. Poetin of Syrië of Oekraïne is pure propaganda: leugens en laster. En dat geldt evenzeer voor de mainstream-pers elders in het Westen.

Opvallend is een verschil tussen beide auteurs: Chomsky is veel optimistischer voor wat de toekomst betreft dan Vltchek, alhoewel ook hij inziet dat we voor cruciale jaren en decennia staan, en dat de kans inderdaad bestaat dat de mensheid gewoon zichzelf zal vernietigen. Die hoop komt voort uit de situatie in Zuid-Amerika vooral, en uit het feit dat de VS duidelijk op de terugweg zijn, economisch, politiek enz. Maar niet militair zou ik eraan toevoegen. En een kat in het nauw maakt rare sprongen. Overal is de VS bezig een derde wereldoorlog voor te bereiden, in Oekraïne, in het Baltikum, in het Midden-Oosten, rond de Zuid-Chinese Zee, tegen Noord-Korea enz.

Weinig toch, zo op het eerste én tweede zicht om optimistisch over te zijn. Maar anderzijds weet je nooit hoe de zaken zich zullen ontwikkelen. De VS zou niet de eerste zijn waarvan later blijkt dat het een reus op gebarsten lemen voeten was.

Maar wat kunnen we tegen dat alles doen? Zeker geen obscurantismen steunen, denk ik. Ik vrees eerder dat we helemaal niets kunnen doen. Als we de quasi allemaal controleerbare feiten in dit boek onder ogen zien, dan blijkt dat het Westen veel te sterk en oppermachtig is om ook maar iets tegen te doen. Bij sommigen leidde en leidt dat tot wanhoopsdaden. Begrijpelijk, maar zoals gezegd: er komen enkel andere criminelen in de plaats wanneer er ergens een verdwijnt. Of het systeem moet vanzelf in elkaar storten, wat mogelijk is; of die derde wereldoorlog breekt inderdaad uit. Dan kan iets gebeuren.

Maar wie wil dat, die ineenstorting of die oorlog? Niemand toch. Plus, zelfs als dat gebeurt, dan is de mens zo dat hij eerst allerlei extreem-rechtse fantasten zal gaan volgen. Wat de zaken enkel maar erger zal maken.

Nee, geen prettige vooruitzichten die uit dit boek voortkomen. Maar hopen op een status quo is al even dwaas. Dat bestaat niet, en als het bestaat, dan duurt het zo kort dat je er beter geen rekening mee houdt.

Print Friendly, PDF & Email

05/07/2017
door Peter
Geen reacties

05.07.17 – Wiel Kusters verzameld

Het debuutbundeltje van Wiel Kusters, een oor aan de grond uit 1978 begint met een citaat van Kouwenaar. Naast o.a. Michel Bartosik is Kusters degene die zich het intenst met het werk van Kouwenaar heeft beziggehouden, hij is er trouwens ook op gepromoveerd. En toch valt bij het lezen in zijn nieuwe boek op dat er eigenlijk erg weinig invloed van Kouwenaar op zijn eigen dichtwerk te bespeuren valt. Zoals gezegd, was dat bij Enquist een beetje anders.

Wiel Kusters: Leesjongen, Verzamelde gedichten 1978-2017 (Uitgeverij Cossee, Amsterdam, 2017) is niet wat het lijkt; het zijn weliswaar inderdaad ‘verzamelde’ gedichten, maar niet alle bundels en gedichten uit het omvangrijke oeuvre komen erin terug; het is eerder een bloemlezing, een ruime bloemlezing daaruit. Ook een ander punt wijst daarop: van enige chronologie is geen sprake: de gedichten zijn thematisch gerangschikt in zes afdelingen; daarbinnen komen zowel oudere als recentere gedichten voor. Dat zie je al onmiddellijk aan het bladbeeld: klassieke rijmende gedichten als sonnetten komen voor naast gedichten die vaste versvormen of strofevormen achter zich laten en ook amper rijm kennen. Wanneer je het werk van Kusters een beetje gevolgd hebt, dan weet je dat die laatste chronologisch eerst moeten komen; slechts in zijn recentere bundels is Kusters klassieke vormen gaan gebruiken.

Die afwisseling is op zich trouwens boeiend en bevordert de lectuur. Evenals de nieuwe rangschikking van de gedichten. Het is alsof je een heel nieuw boek leest. Soms herken ik hier en daar een gedicht, maar de meeste herken ik niet, ook al moet ik ze meestal wel gelezen hebben. Wel valt het me toch op dat er blijkbaar minder uit de eerste bundels werden overgenomen.

Die eerste bundels waren voor mij persoonlijk zeer herkenbaar. Kusters is afkomstig uit een Nederlands mijnwerkersgezin, en de mijnen plus mijnwerkers waren de achtergrond van die eerste bundels, maar ook het hoofdthema. Mijn vader werkte bij de mijn van Eisden (weliswaar niet in de ondergrond) en in het café van mijn moeder kwamen veel mijnwerkers langs; ik herinner me nog levendig dat ik als kind van enkele jaren ’s morgens in de keuken kwam en dat die vol zat met mijnwerkers die de nacht hadden gedaan en nu een borreltje zaten te drinken en te paffen. Daar waren ook heel wat Nederlanders bij, want de Nederlandse mijnen werden eerder gesloten dan de Belgische.

Dat thema moest echter al vlug plaats maken voor andere thema’s; Kusters nagelde zich niet vast aan dat éne thema. Een titel van een latere bundel, Velerhande gedichten thematiseert dat trouwens in de titel zelf al; en ettelijke jaren eerder had Jacques Hamelink al een Gemengde tijd gepubliceerd. Je ontkomt niet aan je eigen postmoderne tijd; op de een of andere, weze het amper zichtbare manier sluipt die toch ergens binnen. Dat is trouwens geenszins erg.

In een korte verantwoording op het einde somt hij zelf de aan bod komende thema’s op: daar is vooreerst de biografie, waar ‘liefde en vriendschap’ als tweede nauw bij aansluit; maar er zijn uiteraard ook verbanden met de andere afdelingen, eigenlijk is de opdeling een beetje arbitrair. Wat evenmin een bezwaar is.

Het boek eindigt met zeventien nieuwe gedichten, die op een enkel na allemaal gewijd zijn aan verjarende of – meestal – gestorven collega’s (o.a. zijn promotor Sötemann). Om te eindigen wil ik daar eentje van citeren:

“Uitvaart van Gerrit Kouwenaar

Wij zaten rond jouw kist, gelaten maar zonder
gezicht, verzonken in ieder
gedicht dat van jou gelezen werd.

Waarvan je hebt geweten dat jij er
voorgoed niet meer
toe deed.

Toen zwenkten naar jouw nabestaan
de vleugeldeuren open.
Vlucht en redding.
Wij schreden achter jouw verscheiden aan.
Misschien dat wij onszelf al misten.

Zo zijn de listen van het graf, dat
hier en nu, vlakbij, in tuinen aan de Amstel
waakte, gaapte.

Laat ons je niet vervelen.” (p.274)

Voor de poëzielezers die Kusters amper kennen is dit boek zeker een aanrader; maar ook de anderen kunnen ontdekkingen doen, doordat gekende of vergeten gedichten ineens in een totaal nieuwe context opduiken en zodoende ook nieuwe inzichten openen.

Bij het boek werd een CD gevoegd, waarop de dichter een reeks gedichten voorleest.

Print Friendly, PDF & Email

05/07/2017
door Peter
Geen reacties

05.07.07 – Enquist over Kouwenaar

Anna Enquist en Gerrit Kouwenaar zijn beiden goede dichters, die echter tegengestelde en misschien zou je zelfs kunnen zeggen elkaar uitsluitende poëtica’s hanteren. Ofschoon hij dat uiteraard niet is, gaat Kouwenaar in Nederland door als grondlegger van de poëtica die het gedicht ziet als een ‘ding van taal’, zonder band met welke werkelijkheid dan ook. Anna Enquist daarentegen schrijft poëzie die je soms zou kunnen betitelen als betere belijdenislyriek, soms als realistische poëzie (een beetje in de aard van wat hier enkele decennia geleden de ‘nieuw-realisten’ genoemd werd), maar hoe dan ook even eigen als die van Kouwenaar.

Die totaal tegengestelde poëtica’s (de een laat de werkelijkheid vrijelijk toe, de ander probeert ze zoveel mogelijk te bannen) heeft een vriendschapsrelatie tussen beiden niet in de weg gestaan, gelukkig maar.

Van die relatie heeft Anna Enquist nu een soort verslag gepubliceerd: Een tuin in de winter, herinneringen aan Gerrit Kouwenaar (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 2017=Privé-domein 294). Het is een bedachtzaam, mooi, gevoelvol, soms aangrijpend portret geworden van een ouder wordend dichter.

Van iemand die een poëtica hanteert als die van Kouwenaar weet je: in zijn poëzie zal weinig of niets aanwezig zijn uit het persoonlijke leven van de dichter, het abstractieniveau is zo hoog dat quasi alle anekdotiek weggesneden wordt en inderdaad enkel nog pure taalkunst overblijft. Blijkbaar was Kouwenaar bang voor emoties, niet enkel in poëzie. Dat blijkt uit verschillende treffende details, zo bv. uit zijn reactie als Anna bij zijn ziekbed is net op de dag dat enkele jaren eerder haar eigen dochter verongelukte. Ook naar begrafenissen e.d.m. ging hij liever niet, omdat hij zich geen houding wist te geven. Zelfs bij de dood van zijn eigen vrouw Paula was dat zo, hetgeen ertoe leidde dat sommige vrienden effenaf boos op hem werden; anderen begrepen het wel.

De herinneringen zijn min of meer chronologisch gerangschikt, ook al twijfelt de schrijfster soms aan de chronologie. Maar hoe dan ook, de kennismaking en de vriendschap beginnen op Poetry International, waar enkele decennia geleden beiden aanwezig waren; de vriendschap duurt voort tot aan Kouwenaars dood, en wordt intenser zelfs, ook al treft Enquist zelf een zeer zware slag (zo-even vermeld). Beiden reageren min of meer op dezelfde wijze: door te schrijven, en Anna zelf ook door muziek. Kouwenaar wist blijkbaar niet zo veel van muziek, evenmin trouwens van andere, veel praktischer zaken: hij kon niet autorijden (zo zijn er overigens wel meer) en wou niet aan moderne machinerie als gsm’s of computers; en zelfs als er iets stuk was, werd dat op de meest primitieve wijze hersteld, met plakband bv.

Het beeld dat we krijgen is dat van een onhandige, wereldvreemde, een beetje angstige man, die eigenlijk in heel veel afhankelijk is van anderen, zeker na de dood van zijn vrouw, die aan snelle Alzheimer leed. Hijzelf was erg bang voor veranderingen; zelfs als ze naar hun huis in Frankrijk reden, gebeurde dat telkens via dezelfde routes en dezelfde tussenstops. En ook na de dood van Paula, als Enquist hem naar zijn huis in Frankrijk bracht, eiste hij dat.

Enquist is van beroep psychoanalytica, en dat merk je wel. Niet in die zin dat ze het gedrag van haar vriend gaat analyseren, integendeel. Vooral doordat ze vragen stelt, veel vragen, doordat ze ook haar eigen twijfels en onzekerheden over bepaalde zaken open uitspreekt. En in de eerste plaats door de bedachtzaamheid waarmee ze schrijft; dat blijkt al uit het feit dat het boek bestaat uit hoofdstukjes van maximaal een drietal bladzijden.

In de meeste van die hoofdstukjes komt een gedicht voor, meestal van Kouwenaar zelf, soms ook van haarzelf of anderen. Opvallend is dat ze sommige van Kouwenaars gedichten toch kan terugbrengen tot werkelijke gebeurtenissen. Dat is heel interessant, omdat zodoende op een onrechtstreekse manier de werkwijze van Kouwenaar in kaart wordt gebracht, hoe – om met zijn kompaan Lucebert te spreken – ‘het weinige van de werkelijkheid minder en minder wordt’, hoe de aanleiding tot het gedicht uiteindelijk amper nog zichtbaar is in het gedicht, en dan enkel voor degene die het weten kan, omdat zij of hij erbij was.

Om daar zekere uitspraken over te kunnen doen zou je natuurlijk de handschriften moeten kunnen inzien en de verschillende versies van een gedicht naast elkaar kunnen leggen. Blijkbaar is de literaire nalatenschap van Kouwenaar nog steeds niet toegankelijk, want nog steeds grotendeels ongeordend aanwezig in zijn huis in Amsterdam. Dat is inderdaad jammer, want zo is het onmogelijk het werk grondig te bestuderen of, inderdaad, een biografie te schrijven. En naar eigen zeggen heeft Enquist haar herinneringen opgetekend met het oog daarop. Haar boek is dan ook deel van het materiaal dat ooit gebruikt zal moeten worden voor een biografie.

Blijkbaar was hij de laatste jaren grotendeels van de kaart; de post stapelde zich op, naar voorleesavonden ging hij niet meer, en hij kwam zelfs zijn huis amper nog uit. Uiteindelijk brak hij een heup in zijn badkamer en werd slechts enkele dagen erna gevonden. Toen kon hij rust- en ziekenhuizen niet meer verlaten. De euthanasie, waarover hij een afspraak had gemaakt, vond uiteindelijk niet plaats; hij was er te onrustig en – weer – te bang voor. Niet iedereen is zo moedig en karaktervast als Hugo Claus natuurlijk, en dat is géén verwijt.

Op het ogenblik zijn nog enkele publicaties van Kouwenaar in de reguliere boekhandel verkrijgbaar, zo bv. een nieuwe, door Anna Enquist samengestelde bloemlezing, onder de zo Kouwenariaanse titel Van woorden gemaakt (uitgeverij Querido, Amsterdam, 2017). Maar ook zijn laatste bundel is nog verkrijgbaar, het was zijn meest succesvolle met vele herdrukken – om redenen waar hijzelf niets van moest hebben, want dat een gedicht dienen zou om troost te schenken, dat deed hem blijkbaar rillen.

Ondanks de verschillende poëtica’s meen ik echter toch een zekere invloed van Kouwenaar op Enquist te ontwaren; ofschoon dat woord misschien te sterk is, verwantschap ware wellicht beter. En dat uit zich dan enkel in de volgorde, de plaatsing van de constituenten; daar blijkt mijns inziens een zekere verwantschap. Ook al is het moeilijk daarover iets zekers te zeggen; Enquist gebruikt immers slechts enkele gedichten van zichzelf als illustratie bij een hoofdstukje.

Anna Enquist heeft een beklijvend boekje geschreven, dat doet nadenken, en dat vooral de lezer doet teruggrijpen naar het werk van Kouwenaar, die in de Nederlandse poëzie inderdaad een van de grootsten is. En: de uitgeverij heeft het boek als vanouds laten drukken in katernen. Hopelijk zal ze helemaal en definitief afstappen van de commerciële neiging om de delen van privé-domein in geplakte vorm uit te brengen (losse blaadjes dus, die in de rug geplakt zijn), zoals ze dat een tijdje geleden met enkele delen geprobeerd heeft.

Print Friendly, PDF & Email