07/07/2012
door Peter
Reacties uitgeschakeld voor Voetnoten – Eindnoten

Voetnoten – Eindnoten

Indien een lange tekst in meerdere pagina’s is uitgesplitst, vindt u de voetnoten meestal als eindnoten op de laatste pagina.

Delen:
Share

02/01/2019
door Peter
Geen reacties

Harmen Wind, nacht, Umnachtung

Harmen Wind was een Fries en Nederlands dichter, waarvan ik enkele decennia geleden een viertal bundels gelezen heb. Het waren vroege bundels. Daarna heb ik hem niet meer gevolgd; hetgeen niets te maken had met de kwaliteit van zijn werk. Dat is, wat dichters betreft, bij mij zelden het geval; het ligt eerder aan het toeval dan aan iets anders. Te veel dichters die je zou moeten volgen. En te weinig dichters die er echt bovenuit steken.

Bron: Leeuwarder Courant

Een van die bundels van Harmen Wind was een thematische bundel, die Het Gesticht heette. Hij dateerde uit 1989 en wat het thema was, bleek al uit de titel. In die bundel tond o.m. ook het volgende, treffende gedicht:

“N A C H T

Gehurkt, de vingers in de oren,
zit Abe in de keukenkast:
de onderduiker die hij was.
Ik zie hem, hij weet zich verloren,
wacht met zijn oude aktentas
tegen zich aan geklemd gelaten
op het geschreeuw van de soldaten.
Hij kreeg een kwaal die nooit genas:

het nabestaan. In al zijn dromen
regent het, regent het maar as.
Ik ben alweer te laat gekomen;
hij is, achter een leren jas,
door het verleden meegenomen.
Zacht tikt de meter van het gas.” (p. 14)

De titel van het gedicht is natuurlijk een metafoor, want alle ‘gebeurtenissen’ in het gedicht spelen zich af tijdens de dag. De ‘nacht’ zit in de beschreven figuur zelf, die een psychoticus is met als bepalend kenmerk paranoia. En die paranoia is volkomen terecht in dit geval.

Overigens, in mijn herinnering zit ergens een studie over paranoia waaruit bleek dat, wanneer die gedetecteerd werd als ziekte, er quasi altijd ook effectief, in de werkelijkheid sprake was van vervolging of achtervolging. M.a.w.: de diagnose kwam niet uit de lucht vallen. Die studie moet inmiddels jaren oud zijn, maar ik kan mijn geheugen niet openwringen om er iets meer over te weten te komen. Enkel nog dat het een studie was aan de universiteit van Amsterdam – als ik me niet vergis. Maar het lijkt me eigenlijk vanzelfsprekend dat paranoia uit de werkelijkheid voortkomt.

Hoe dat ook zij, wat met ‘nacht’ bedoeld wordt is dus wat in het Duits (een taal die hier wel enigszins past, zoals zal blijken) ‘Umnachtung’ heet. Het werd en wordt nog steeds gebruikt om bv. de jaren aan te duiden die Hölderlin in zijn toren in Tübingen verbleef, ‘in geistlicher Umnachtung’ zoals het volledig luidde. Of de jaren die Jakob van Hoddis (Hans Davidsohn) in gestichten verbleef, tot hij in 1942, met vele van zijn lotgenoten, naar Sobibor werd afgevoerd.

Dat de protagonist van dit gedicht eveneens joods zou zijn, kan enkel expliciet blijken uit zijn naam, die in het tweede vers genoemd wordt: Abe is de verkorte voornaam Abraham. Het derde vers is niet voldoende om tot dat joods-zijn te besluiten, want er waren ook andere dan joodse onderduikers, ook al zijn deze laatste wel ruim in de meerderheid geweest.

Het vierde vers doet mij denken aan een van de beroemdste passages uit L’être et le néant van Sartre, nl. dat deel dat handelt over ‘le regard d’autrui’. Men herinnert zich wellicht nog hoe Sartre daarin beschrijft hoe iemand onder de blik van een ander a.h.w. tot een object wordt gemaakt, vernietigd wordt bijna. Sartre geeft een specifiek voorbeeld, maar het feit zelf kan zich in allerlei omstandigheden voordoen, zeker wanneer machtsverhoudingen in het spel zijn, bv. wanneer de blik van een politieagent of van een soldaat op je valt. In zo’n geval is de kogel niet ver meer.

De Abe uit het gedicht heeft het echter overleefd. Alhoewel: de kwaal waaraan hij lijdt wordt expliciet genoemd: ze heet ‘nabestaan’. Dat kan letterlijk genomen dus enkel nog een bestaan zijn dat komt na het eigenlijke bestaan. M.a.w.: wat hij heeft meegemaakt heeft hem zó sterk getekend, dat hij tot echt leven niet meer toe kan komen, dat hij enkel nog vegeteren kan in een gesloten cocon van angst, voor de rest van een zinloos geworden leven.

In zekere zin zijn allen die dat hebben overleefd ten diepste getekend; wel uit zich dat op vele verschillende wijzen, waarbij het schrijnendste wellicht de vele zelfmoorden na dato zijn, zoals die van de Italiaanse schrijver Primo Levi, of van de Poolse schrijver en dichter Tadeusz Borowski (auteur van o.a. This way for the gas ladies and gentlemen), die zich zelfmoordde met gas, of van de Oostenrijks-Belgische essayist Jean Améry (auteur van o.a. Hand an sich legen, een minutieus tractaat over zelfmoord en waarom je het niet zou doen). Anderen (en zo heb ik er éen gekend, die in Dachau tussen de lijken had gelegen, maar er net op tijd van tussen was gehaald toen de Amerikanen aankwamen) spraken amper nog, maar zaten dagenlang in een hoekje van een café voor zich uit te staren. Maar ook degenen die ogenschijnlijk een normaal leven hebben gevoerd daarna, moeten hun leven lang meer dan op hun hoede zijn geweest.

Ofschoon het gedicht slechts twee strofen telt, kun je er toch een sonnet in herkennen. Het volstaat de eerste strofe te splitsen in twee kwatrijnen, de tweede in twee terzinen. Het sterkste woord van het gedicht aan het begin van die tweede strofe kan trouwens als een volta gelezen worden. Wat de persoon nog blijft zijn wel dromen van een zeer bijzondere soort: nachtmerries, waarin voortdurend sprake is van een dubbele regen. Het eerste ‘het regent’ kan dan op de gewone grauwe grijsheid van een regendag, of van een verloren leven slaan. Maar het tweede slaat duidelijk op iets anders, dat eveneens grijs is: as. De asse van al diegenen die door de crematoria van de vernietigingskampen werden uitgespuwd. Er zijn heel wat getuigenissen daarvan (net zoals van de geur trouwens).

De ‘ik’ bij het begin van het derde vers van de tweede strofe is niet enkel de dichterlijke ik, degene dus die beschrijft én interpreteert wat er met en rond Abe gebeurt; hij is ook deelnemer: toezichter, oppasser, of hoe je het ook noemen wil. Als zodanig staat hij in een machtsverhouding tot Abe, die die toezichter heel gemakkelijk associëren kan met andere, vroegere toezichters. De ‘leren jas’ wijst mijns inziens naar Gestapo-agenten. Of die inderdaad van die lange leren jassen droegen weet ik niet, maar ze worden wel steeds op die manier voorgesteld.

Het laatste vers is wellicht het wrangste. Het klopt inderdaad dat gasmeters tikten. Misschien doen de nieuwste modellen dat nog steeds, dat weet ik niet. Maar het woord ‘gas’ is, gelet op de voorafgaande verzen, op de eerste plaats een verwijzing naar de vergassingen in de kampen. Waarbij het tikken naar de seconden verwijst die nog resten voor het definitieve einde daar is. Het tikken van de klok dus, zoals in een voor een dode uurwerkmaker geschreven kleengedichtje van Gezelle:

God geeft den tijd bij dag en jaar,
ach neen, bij kleene tikskes maar,
en ’t laatste tikske komt aleer
men ’t peist of weet, eilaas, te zeer!
De wijzer wijst elke uur en tijd,
maar de uur niet dat gij schuldig zijt
te sterven! Zijt dus voorbereid,
de wijzer wijst naar de eeuwigheid.

Sterven en sterven is toch twee, zou je kunnen zeggen. Het plots sterven in de negentiende eeuw, en het vaak jarenlange sterven in de twintigste eeuw. Wat is er in die tussentijd gebeurd dat het leven én het sterven vaak veel gruwelijker geworden zijn, en veel massaler dan vroeger? Of is dat maar schijn, en is het tegendeel het geval?

Ik weet het niet.

Delen:
Share

30/12/2018
door Peter
Geen reacties

Léon Degrelle, Belgisch schrijver en politicus.

De titel die ik boven dit stuk zet is natuurlijk een gotspe van jewelste, niet zozeer omdat het waar is wat erin staat, maar vooral omdat het zo manifest onwaar is.

Degrelle was inderdaad een schrijver en de lijst van zijn publicaties is erg lang. Maar zuiver literaire werken zijn daar duidelijk in de minderheid. Het grootste deel van wat hij publiceerde waren ofwel herinneringen, waarin de zaken veelal heel anders werden voorgesteld dan ze in werkelijkheid waren; of politieke pamfletten, waar nu niemand meer iets aan heeft, tenzij wellicht historici. Ik herinner me niet dat ik ooit iets van dat alles gelezen heb.

Léon Degrelle

Zoals zoveel politici was Degrelle ook een mislukte kunstenaar, een dichter in zijn geval, en eentje zonder enige drang tot vernieuwing. Zijn vroege dichtbundels (nog van vóór zijn politieke optreden) heb ik niet gelezen. Maar enkele latere dichtbundels daarentegen wel. De belangrijkste daarvan, eenvoudigweg Poèmes geheten, dateert blijkbaar (het is niet helemaal duidelijk, omdat de uitgave die ik bezit een soort piratenuitgave is) van vlak na de recentste wereldoorlog. Ze getuigen wel van een zeker talent, maar dat zich toch uitsluitend situeert binnen de geijkte vormen: de klassieke alexandrijn wordt gebruikt, er wordt gerijmd, en de onderwerpen zijn niet gespeend van soms sterke melancholieke tonen. Ook de Ardense natuur speelt een belangrijke rol. Maar ook een sterk zelfmedelijden is niet van de lucht. De gedichten erin werden geschreven vlak na de oorlog, zoveel is wel duidelijk.

Het aspect zelfmedelijden is niet aanwezig in een bundel van de Duitse SA-dichter Heinrich Anacker, die rond dezelfde tijd een bundel herfstsonnetten schreef (ik heb het daarover hier al gehad in De gouden herfst van Heinrich Anacker). De natuur daarentegen wel degelijk. Bij beiden zal de nederlaag zeker een rol hebben gespeeld, ook al komt dat niet als zodanig voor in de gedichten. Ook Anacker beschreef op de meest klassieke manier zijn natuurimpressies – waar overigens geen mensen een rol in speelden. Bij Degrelle is er een sterke nostalgie, die bij Anacker afwezig is; bij Degrelle treden wel mensen op, maar het zijn er geen van vlees en bloed, het zijn eerder schema’s, nagebeelde figuren uit een plaatjesboek anno dazumal.

Mensen spelen dus bij beiden amper een rol; waarschijnlijk heeft dat te maken met het feit dat beiden gerust omschreven mogen worden als psychopaten; waarvan het belangrijkste kenmerk is dat ze geen of weinig empathie kennen. En dat ze de mensen in hun omgeving manipuleren, hen als objecten, instrumenten beschouwen die enkel de eigen doeleinden moeten dienen.

Degrelle was daarbij ook nog zwaar katholiek (zoals zovele, vaak de ergste fascisten: Franco bv. maar ook de Kroatische massamoordenaar Ante Pavelic; en de banden tussen fascisten van alle soorten en het Vaticaan zijn welbekend) en ook dat is in zijn poëzie terug te vinden, met name in een andere bundel, die gedichten bevat naar de heilige Theresa van Avila, en die de veelzeggende titel Je te bénis o belle mort draagt. Het is daarbij natuurlijk onmogelijk om niet aan de Franco-slogan ‘Viva la muerte!’ te denken.

Behalve deze twee en de vroegere bundels, die ik niet gelezen heb, heeft Degrelle ook één roman gepubliceerd: La grande bagarre (Flammarion Editeur, Paris, 1951) die verscheen onder het pseudoniem Jean Doutreligne. Bij mijn weten werd deze roman nooit herdrukt. Het is over dit boek dat ik het verder in dit stuk wil hebben.

Maar eerst nog even over de uitgeverij. Flammarion was één van de bekendste Franse uitgevershuizen, en datgene dat zich het meest geëncanailleerd heeft met de Duitsers tijdens de bezetting. Ze hebben dan ook heel wat last gehad bij de bevrijding, maar blijkbaar heeft hen dat niet belet om op dezelfde weg verder te gaan (zoals hierna nog blijken zal). Het pseudoniem zal men nodig hebben geacht om verschillende redenen. Degrelle was een te bekend persoon, die daarenboven actief gezocht werd door het Belgische gerecht, o.m. wegens oorlogsmisdaden. Of dat ‘zoeken’ ook echt iets betekende, is daarbij natuurlijk maar de vraag. Degrelle wist wel wat, ook over nog steeds actieve politiekers. En door een schuilnaam (mét betekenis overigens) te kiezen kon ook de uitgever zelf uit de wind blijven.

1.

Het boek is op de eerste plaats een politieke én een militaire roman, over de invasie van Europa door de Sovjets. Dat past uiteraard volkomen in de ideologie én de praktijk van de schrijver, die op het einde van de oorlog de graad van SS-Sturmbannführer droeg, een midden-officiersgraad dus, maar waarvoor geen studie aan een school voor hogere officieren (‘école de guerre’ of ‘krijgsschool’ in België) nodig was; Degrelle was dus géén stafbrevethouder. Maar door zijn praktijk aan het Oostfront zal hij zeker wel bepaalde zaken hebben geleerd en meegekregen.

Toch is het uitgangspunt van dit door-en-door ideologische geschrift volledig fout. De laatste tweehonderd jaar is Rusland c.q. de Sovjet-Unie c.q. Rusland op geen enkele manier ooit een bedreiging geweest voor het Westen. In die hele periode heeft Rusland één enkele keer militair doorgestoten buiten de eigen grenzen, en dat zonder eerst aangevallen te zijn: midden negentiende eeuw vielen ze aan richting zuiden, tegen het Ottomaanse rijk; de Engelsen en de Fransen waren er toen al als de kippen bij om Rusland aan te vallen: dat leidde tot de zgn. ‘Krimoorlog’. In 1912, 1936 en nog eens in 1968 werd daarover een Engelse propagandafilm gemaakt onder de titel The charge of the light brigade (de titel komt van een gedicht van Tennyson). Wie ooit in Londen geweest is en daar enkele monumenten bezocht heeft, wéét wat voor een martiaal volk daar over ’t water woont; of beter gezegd wellicht: wat voor een snoeverige, zelfingenomen heersende klasse, die nog altijd niet door heeft dat haar rijk voorbij is, en zich dus maar aan de zijde van die andere schurkenstaat, de VS schaart.

(Je vraagt je echt af of er ooit iets verandert in de geschiedenis; of is het zo dat de geschiedenis zo extreem langzaam gaat dat echte veranderingen slechts mondjesmaat, om de zoveel eeuwen plaatsvinden? Maar dan nog, het is verbijsterend wanneer je ziet hoe dezelfde krachten op dezelfde manier bezig zijn als in de negentiende eeuw. Enkel de VS zijn er intussen bijgekomen.)

Het eerste hoofdstuk van de roman kun je beschouwen als een soort introductie. Zowel de traditionele aversie tegen de Russen (zeer versterkt uiteraard sinds 1917) komt erin tot uiting, maar ook reeds eenzelfde aversie tegen Mao en de Chinezen (p. 15) en tegen de ‘democratie’ in het Westen, met name de bedrieglijke verkiezingen aldaar. Veel blijft dan niet meer over in de ogen van de verteller. Het is dan ook geen toeval dat de weinige keren dat de naam van Hitler valt (vb. p. 104) het op een positieve manier gebeurt. Dat gebeurt in het vierde hoofdstuk, ‘Johnny’ geheten naar een van de hoofdfiguren, en het is geen toeval dat in datzelfde hoofdstuk de president van Frankrijk belachelijk wordt gemaakt en neergezet als een twijfelende, aarzelende saletjonker, die enkel aan eten denkt.

De oorlog die de auteur beschrijft is een atoomoorlog, vandaar wellicht de titel van het tweede hoofdstuk, ‘Les tapis’. Heel Europa, te beginnen met belangrijke plaatsen in Engeland wordt door de Russen platgebombardeerd met atoombommen. Het is opvallend dat de auteur dat blijkbaar vanzelfsprekend vindt. Maar daardoor slagen de Russen er wel in binnen de kortste keren alle verzet te breken en Europa, dat zich door z’n democratische aard niet kan verdedigen, volledig te overrompelen, eerst Duitsland uiteraard en dan al heel vlug Frankrijk en Spanje. De andere landen in het Westen spelen blijkbaar niet mee; wellicht bestaan ze niet in de ogen van Degrelle/Doutreligne.

Ook dat scenario is volledig uit de lucht gegrepen. De Sovjet-Unie had in de oorlog die pas voorbij was ongeveer 26 miljoen mensen verloren en de infrastructuur was voor een groot deel vernietigd. Daarom alleen al is het ondenkbaar dat ze zelfs maar dachten aan een invasie van West-Europa. Een dergelijk scenario was sinds 1917 een zuiver propagandascenario, dat door alle burgerlijke partijen (niet enkel de fascistische partijen dus) gebruikt werd. De angst voor de (judeo)bolschewieken moest en zou erin gestampt worden (voorheen en nu de angst voor de Russen). Dat was nog het geval in 1976 toen de fascistoïde generaal Robert Close zijn L’Europe sans défense publiceerde, waarin exact hetzelfde scenario uitgewerkt werd als in de roman van Degrelle. De kameraden van wat toen nog AMADA heette liepen er hoog mee op (en ik moet toegeven: ook ik ben in diezelfde val getrapt toen).

“Pour sauver, il faut tuer”, zo wordt in Degrelles’ roman gesteld, en ‘C’est pour les sauver que je les tue’ (pp. 52 en 78) wanneer gewone burgers gedood worden. En dat klinkt bijna letterlijk zoals de ‘responsibility to protect’ dat vandaag de dag gebruikt wordt door NAVO, VS en andere schurken om onschuldigen om te brengen om economische belangen te beschermen. Nu worden daarvoor de zgn. ‘mensenrechten’ ingeroepen; toen Degrelle zijn roman schreef waren die er wellicht al, maar te vers om al te gebruiken. Wie van de twee, Degrelle of de huidige moordzuchtigen daarbij het meest cynisch is, behoeft niet beantwoord te worden. Overigens ook toen ging het vooral om economische belangen (daar gaat het uiteraard altijd om): zo is op pagina 66 sprake van ‘nos bases pétrolières du Proche-Orient’ (herhaald op pagina 201) en op pagina 202 van ‘nos installations pétrolifères du Venezuela’. ‘Nos’, ‘onze’ dus. En op dezelfde plaatsen als nu, vandaag.

Bommentapijt

Terwijl de (atoom)bommen verder op Europa vallen, de aanvallers anoniem blijven (dat is typisch voor dergelijke propagandistische geschriften: de ‘vijand’ wordt nooit geïndividualiseerd, zodoende kan de lezer zich ook niet met hem vereenzelvigen) en de ‘helden’ zich tevergeefs verdedigen, komen ook nog andere acute en hedendaagse problemen aan bod; ook hier weer vraag je je af: verandert er wel ooit iets? Die problemen worden als terloops opgeworpen, het boek is immers geen  écht politiek pamflet en essayistische stukken komen er niet in voor; maar dat belet niet dat ze er zijn en dat die problemen blijven haken in de geest van de lezer.

Wanneer je stelt dat de Amerikanen de opvolgers zijn van de nazi’s dan word je gewoonweg weggelachen en net niet opgesloten in een krankzinnigengesticht. En nochtans: wat was de kern van de naziheerschappij? Wereldoverheersing, inderdaad. En wat is de kern van de heerschappij van de VS? Wereldoverheersing, inderdaad. En waar ligt de geografische kern van die drang om de wereld te overheersen? In het Euraziatische kernland, inderdaad. Wie dat beheerst, beheerst de gehele wereld. Het is niet enkel Brzeziński die zo redeneerde, die theorie dateert eigenlijk al van het begin van de twintigste eeuw (en wellicht van nog veel vroeger, ik heb het niet nagekeken).

En Degrelle moet die lang vóór de Amerikanen goed gekend hebben, want hij geeft de kern ervan zeer goed weer:

“L’Europe? Une lagune au bout de l’Asie, d’une Asie d’un milliard d’Asiatiques. Une presqu’île, comme l’Indochine ou comme la Corée. Rien de plus.
L’Espagne de Charles-Quint a manqué l’unification de l’Europe.
La France de Napoléon a manqué l’unification de l’Europe.
L’Allemagne de Hitler a manqué l’unification de l’Europe.
Les Soviets, eux, en deux ans, l’ont faite.
Mais même ce langage-là est dépassé. L’ancien slogan est devenu vide de sens. Ce n’est plus de l’Europe, c’est de l’Eurasie qu’il s’agit. C’est l’Eurasie que l’U.R.S.S. unifie.” (pp. 185-186 – vet van mij).

Deze dialoog geeft heel goed weer waar het ook vandaag over gaat, waarom vandaag opnieuw alles in gereedheid wordt gebracht om het kernland van Eurazië aan te vallen en uit te schakelen. Heel de strategie van de NAVO en de VS is enkel en alleen daarop gebaseerd. En niet het omgekeerde; ook vroeger kwamen de aanvallers uit het Westen, of het nu de Teutoonse ridders waren (zie de film Aleksandr Nevski van Eisenstein, die ook een waarschuwing was aan het adres van de nazi’s) of de nazi’s. Ook later in het boek (pp. 206-207 met name) wordt daarover geredekaveld, en wordt uitgekeken naar een mogelijke toekomst van Europa zonder de Russen. Maar uiteindelijk overheerst toch eerder de indruk dat de protagonisten zich bij de overheersing van de Russen neerleggen, zeker in het laatste hoofdstuk.

Andere politieke problemen die aangesneden worden zijn o.a.: het probleem van Palestina (p.171): ook hier weet Degrelle inderdaad de clou te treffen: nadat hij erg frank stelt dat de Sovjet-Unie geen concentratiekampen nodig had zoals Himmler omdat de joden zichzelf al verzameld hadden in Palestina, stelt hij zeer juist: “La Palestine était ainsi devenue comme une sorte d’extension de notre pays dans le Proche-Orient.” En hij verwijst met name naar de bankiers, het financiekapitaal dus. Wat tegenstrijdig is met andere van zijn uitgangspunten: zo ziet hij overal rassenstrijd in plaats van klassenstrijd (zowel tussen joden en Arabieren, als bv. tussen blanken en zwarten in de VS (pp. 216-217)).

Er worden zeer terloops nog andere politieke problemen vermeld, maar met het voorgaande heb ik de belangrijkste, en dat zijn die die ook vandaag nog actueel zijn, wel aangeraakt. Je kunt niet naast het feit kijken dat Degrelle wel een zeker politiek doorzicht had, dat hij de vinger wist te leggen op de kern van de zaak. Maar daar houdt het dan ook mee op. Op één zaak na, die het ook wel waard is te citeren:

“Tant pis si notre génération paye l’avenir! Et nous savons que nous le payerons. Mais si un jour, dans cinquante ans, dans cent ans, dans deux cents ans, l’univers soviétique s’effondre, il faut qu’un embryon de notre peuple ait subsisté, qui dégagera du chaos le débris qui frémiront encore, débris allemands, débris européens, n’importe, débris humains.” (p. 210)

Behalve de betekenisvolle en misschien onbewuste verwijzing naar een ander boek, eveneens van een bekende fascist, dat kortaf Les décombres heette (wat een synoniem is van ‘débris’) is het toch opmerkelijk dat Degrelle hier het einde van de Sovjet-Unie voorspelde, op relatief korte termijn. Nu kun je natuurlijk altijd zeggen dat elke voorspelling wel uitkomt als je maar lang genoeg wacht, maar toch. Vermoedelijk ging iedereen ervan uit dat de Sovjet-Unie niet zou verdwijnen op de manier en het tijdstip waarop het uiteindelijk toch gebeurd is. Degrelle is in 1994 gestorven en heeft het dus nog meegemaakt. Hij zal wel tevreden zijn geweest. Want dat ‘embryon de notre peuple’ heeft zich intussen ontpopt tot wat het nog is en altijd al was: het rabiaatste en ranzigste fascisme dat denkbaar is. Het draagt andere kleren dan vroeger, dat is waar; zo is het vandaag liberaal waar het vroeger socialistisch was; zo is het vandaag eerder conservatief waar het vroeger eerder revolutionair was (herinner u hoe Bart de Wever in het begin zó sterk de nadruk legde op het feit dat zijn nationaal-liberalistische partij zeker géén revolutionaire partij was; hij wist zeer goed waarom hij dat zei). Maar in de kern is het niet veranderd.

2.

Het politieke en het militaire mag dan al het belangrijkste en meest in het oog lopende aspect van deze roman zijn, toch is het uiteraard niet het enige aspect. Dat aspect wordt gedragen door en uitgebeeld aan de hand van personages, die weliswaar niet echt goed uit de verf komen (ze moeten zoals in elke roman à thèse de stellingen aanschouwelijk maken) maar toch voldoende geïndividualiseerd worden om soms iets meer te zijn dan alleen maar de woordvoerders en incarnaties van bepaalde stellingen, een soort marionet van de auteur dus, en niet meer.

Het boek telt drie hoofdpersonen: twee mannen, Patton en Johnny, en één vrouw, Daisy. Deze laatste is de eigenlijke hoofdpersoon, de ik die het verhaal vertelt. Johnny en Daisy zijn doorsnee Amerikaanse namen, Patton is de naam van een bekende Amerikaanse generaal, maar die is geen figuur in de roman. Maar je mag er wel van uitgaan dat Degrelle door éen van zijn protagonisten zo te noemen een zekere bewondering uitdrukt. Verwonderlijk is dat niet: Patton was een anti-semiet, en hij wou met de moffen (hij bewonderde de SS) samenwerken om tegen de Sovjet-Unie op te trekken; daarenboven had hij een doorslaggevende rol bij het keren van het von Rundstedt-offensief. Maar voor de rest hebben de werkelijke Patton en de romanfiguur niets met elkaar te maken.

De figuur van Johnny is in de roman belangrijker; dat blijkt al uit het feit dat een hoofdstuk (het vierde, dat is dus het middenhoofdstuk van het boek, dat zeven hoofdstukken telt) zijn naam draagt.

Het is met deze Johnny dat de eigenlijke hoofdpersoon, Daisy, een verhouding aanknoopt, die uitloopt op een zwangerschap op een ogenblik dat Johnny zelf al gesneuveld is; ook Patton zal iets later sneuvelen. Op het einde van het boek blijft van de drie dus enkel Daisy nog over. Die zichzelf dan als dood beschouwt; en dat is wellicht de reden waarom ze zich lieert met een van de Russische bezetters, een Astakov, een bewaker. Onuitgesproken wordt gesuggereerd dat zij geen andere keuze heeft, zeker gelet op dit:

“Des centaines d’Asiates me dépassent, grimaçants, invariablement obscènes. Mais les bêtes aussi sont obscènes, les fortes et bonnes bêtes de mon ancien kolkose andalou, aux yeux si honnêtes alors. Elles s’élancent au-dessus de moi par rafales, étalons monstrueux, taureaux monstrueux, boucs monstrueux, et leur rut me bat violemmant au passage. (p.224 – vet van mij)

Hier is iets belangrijks aan de hand: de seksuele en psychische achtergrond van de persoonlijke verhoudingen in deze roman worden geëvoceerd – onbewust echter, zonder dat de auteur zelf het heel goed beseft.

Er wordt op de eerste plaats een duidelijk onderscheid gemaakt (ook elders in het boek trouwens) tussen de anderen – niet enkel de Aziaten, ook de zwarten, de mongolen, de sovjet-untermenschen enzoverder – die blijkbaar niet in staat zijn tot liefde, maar enkel tot geilheid, tot bronst; vandaar ook de vergelijking met dieren. Maar opvallend is het feit dat daar niets tegenover wordt gesteld; in theorie wel natuurlijk, maar echte liefdesscènes tussen Johnny en Daisy zijn er niet. Toch niet van seksuele aard. Wat er nog het meest nabij komt is de eerste paragraaf op pagina 114, wanneer zij zich voor hem uitkleedt. Maar onmiddellijk vermengen zich de beide hoofddriften die de late Freud onderscheidde: eros en thanatos. Want inderdaad, zij voorvoelt dat Johnny gaat sterven en het lijkt erop dat ze zich juist daarom aan hem geeft.

En op pagina 124 sterft hij dan ook effectief in haar armen. Psychoanalytisch is de scène belangrijk, maar stilistisch is het één enkele grote gemeenplaats, zoals alle scènes in dit boek die van verre of van nabij met liefde te maken hebben. Het is alsof Degrelle niet in staat is om dat te beschrijven. Of om dat te beleven? Een hele tijd geleden heb ik het hier kort gehad over een roman van de beruchte Duitse neonazi Karl-Heinz Hoffmann, Verrat und Treue, ein an Tatsachen orientierter Roman, waarin eveneens liefdesscènes voorkomen van een even clichématig en bedenkelijk allooi; scènes uit ‘gewaagde’ stationsromannetjes van vroeger, meer stelt dat niet voor, eerder minder. Wat ik mij nu afvraag: is dit gewoon stilistische onkunde of is dit een symptoom?

Het laatste, me dunkt. We hebben in beide gevallen te maken met mensen, schrijvers die zich duidelijk niet op een positieve manier kunnen inleven in andere personen, die daar geen enkele of toch zeer weinig voeling mee hebben, die, kortom een duidelijk gebrek aan empathie vertonen. Wanneer we dan ook nog weten dat Degrelle een politiek manipulator was zoals je ze zelden tegenkomt (blijkbaar erkende hij enkel in Hitler zijn meester) dan ligt de diagnose voor de hand: we hebben te maken met een geval van psychopathie.

Dat wordt wellicht bevestigd door andere seksueel getinte scènes in de roman, die in tegenstelling tot de positief gemeende wel degelijk beter geschreven zijn, alsof de auteur zich daar beter in thuis voelde. Het zijn scènes van een door en door sadistische aard. De daders van die sadistische acties heb ik al genoemd, het zijn alle ‘Untermenschen’ die met de Russen vanuit Azië Europa overstromen. Slachtoffers zijn op de eerste plaats de vrouwen, meer expliciet de hoofdpersoon Daisy. Maar die kan zich bevrijden. Opvallend is het feit dat het massa’s zijn (des foules, maar ook: ‘Un prolétariat en délire, sadique comme toutes les foules en délire contenues maladroitement pendant longtemps.’ – p. 120) die zich sadistische gedragen, die de vrouwen (‘nous, les sept Américaines’, maar ook anderen, nonnen bv. – pp. 120 e.v.) vernederen, vastgrijpen en verkrachten.

Klik voor een grotere afbeelding.

Wat eveneens opvalt is dat bij de beschrijving van echte gevechtshandelingen dit soort sadisme niet optreedt; er komen wel wrede scènes in voor, waar de gemiddelde lezer wel van zal gruwen, maar de toon is dan eerder nuchter, beschrijvend, afstandelijk. Degrelle heeft aan het Oostfront uiteraard wel wat gezien en meegemaakt. Eén voorbeeld: “Le plus pénible, ce sont les corps décomposés des enfants, serrant sous eux parfois, un jouet, une balle de caoutchouc, une petite pelle roullée.” (p. 173) Ik heb het woord ‘pénible’ vet gezet, omdat het niet zozeer het gebrek aan schrijftalent aantoont, maar veel eerder een totaal gebrek aan empathie – gebrek dat mijns inziens niet enkel verklaard kan worden door de oorlogsomstandigheden.

Degrelle was, naast een devoot katholiek, ook een macho, iemand die je enkel als behorend tot de soldateska kunt omschrijven. Masochisme en sadisme vormen de twee keerzijden van één enkele munt (in een totaal andere context heeft Martinus Nijhoff dat beter dan wie ook verwoord, nl. in zijn gedicht ‘De soldaat die Jezus kruisigde’), en dat katholicisme kun je dan beschouwen als de masochistische kant, het soldateske als de sadistische kant. Dat beide altijd samen voorkomen, betekent niet dat er geen gradaties kunnen zijn, zowel in een bepaalde persoon als binnen een bepaalde persoon in verschillende contexten: in de oorlog overheerste bij Degrelle het sadisme, vlak na de oorlog, toen hij zijn devote katholieke en natuurgedichten schreef wellicht de masochistische kant.

Maar er is meer: Degrelle kiest als hoofdpersoon een vrouw, de genaamde Daisy. Voor een macho als Degrelle is dat op z’n zachtst gezegd vreemd. En de meest voor de hand liggende verklaring is volgens mij het feit dat zich daarachter een verborgen, nooit bewust geworden laat staan aanvaarde homoseksualiteit verbergt. Het is geweten dat onder de soldateska homoseksualiteit tamelijk verspreid was. Ernst Röhm is natuurlijk de naam die het eerst opkomt, maar het was (en is?) veel algemener dan dat. Dat Degrelle getrouwd was en meerdere kinderen had is daar niet mee in tegenstrijd. Het feit dat hij een vrouw kiest, laat de schrijver toe enerzijds sadistische machtsfantasieën te ventileren en anderzijds masochistische onderwerpingsfantasieën. Het lijkt me ook volkomen voor de hand te liggen dat de schrijver zelf zich daar niet van bewust was.

Die omkering van de werkelijkheid heeft trouwens ook op een ander vlak plaats. Zo zegt een van de Russische overweldigers: “La femme est un instrument de production physique au service de la collectivité. Elle ne présente socialement d’intérêt que dans la mesure où elle accroît la puissance de la communauté soviétique.” (p. 192) Dit is echt het uitgangspunt van alle historische fascismen, op de eerste plaats het nazisme en met de politiek van de Sovjet-Unie had dit niets, maar dan ook niets te doen, integendeel. Om het met Hitler te zeggen: “Das Ziel der weiblichen Erziehung hat unverrückbar die kommende Mutter zu sein.” (p. 460 – oorspronkelijke uitgave, jaar 1941 van Mein Kampf; men denke ook aan het ‘Ehrenkreuz für deutsche Mütter’, in goud wanneer ze er acht of meer geworpen hadden).

Dit alles kadert in een grotere psychologische metafoor, die het hele boek door optreedt, en die ook zeer actueel is: het overspoeld worden, het stromen, de dijken die breken, watervloeden enzoverder enzovoort. Ook deze metafoor heeft psychoanalytisch gezien twee kanten; maar de belangrijkste is toch wel de angst voor zelfverlies, voor het oplossen. Het is wat Freud de ‘doodsdrift’ noemde, in tegenstelling tot de eros of libido, de levensdrift zeg maar. Tot op de dag van vandaag is dit begrip controversieel, ook binnen psychoanalytische kringen. Maar wellicht heeft dat meer met de naam dan met iets anders te maken, want zoals Freud dat opvatte (zware destructiviteit vooral, met inbegrip van zelfvernietigingsdrang, agressie en geweld) kun je het in de werkelijkheid wel degelijk vaststellen. Of de naam ‘doodsdrift’ goed gekozen is of niet, is daarbij van ondergeschikt belang.

Die doodsdrift is mijns inziens eveneens aanwezig achter een andere gebeurtenis: de zwangerschap van Daisy en het afbreken daarvan. Op pagina 138 – Johnny, de vader is al dood – wordt die zwangerschap uitgesproken in een stijl die volledig die is van de stationsromannetjes, vol valse sentimentaliteit en clichés (zie ook p. 167). Eens temeer blijkt daaruit dat de vertelster en in dit geval dùs de auteur zich onmogelijk kan inleven in een ander, in dit geval dus in een zwangere vrouw. Empathie betekent ook etymologisch ‘invoelen’, ‘inleven’, en is een levensnoodzakelijke eigenschap om in het sociale verkeer mee te kunnen. Iets later (p. 175) wordt zij door een bende Mongolen onder handen genomen zodat zij haar kind verliest. Ik vraag mij af in hoeverre hier een onbewuste wens verwoord wordt, de wens om, zoals Heine het stelt, ‘nie geboren (zu) sein’. Het fascisme is inderdaad levensvijandig en levensverachtend – ondanks de schijn van het tegendeel meer zo dan welke andere ideologie ook – en dus lijkt me mijn stelling niet overdreven.

Hoe dat komt is natuurlijk een andere zaak. Daar komen twee ontwikkelingen samen: op de eerste plaats een persoonlijke ontwikkeling. In het geval van Degrelle weet ik daar niets van. Het enige dat ik wel zeker weet is dat het milieu waarin hij opgroeide zeer zwaar katholiek was én uiterst rechts. Maar dat betekent niet veel. Dit toont de grenzen van een psychoanalytische verklaring op basis van fictionele teksten alleen. Die zeggen wel iets natuurlijk, maar niet alles en niet genoeg. Ook uit de latere ontwikkeling kun je zaken afleiden, maar ook dan geldt dat je niet tot de echte kern, die in de vroege jeugd te vinden is, kunt doordringen. Of toch zeer zelden. Bij Rebatet bv. is er veel dat wijst op misbruik in de jeugd; bij Degrelle zijn die aanwijzingen er niet. Daar spelen wellicht andere psychische problemen zoals een ziekelijk katholicisme (katholicisme is natuurlijk altijd ziekelijk – zoals de andere monotheïstische godsdiensten – maar er zijn wel gradaties).

Ik heb al gewezen op het feit dat het bijna steeds massa’s zijn, die in dit boek effectief sadistisch optreden. Daarbij denk je natuurlijk eerst aan Cannetti’s Masse und Macht, maar ook hier is Hitler zelf al duidelijk genoeg in zijn meermaals impliciet en zelfs soms expliciet uitgesproken verachting voor de massa’s die hij zo goed wist te manipuleren…net zoals Degrelle zelf trouwens. Allen die massa’s hebben beleefd of geobserveerd zijn het erover eens dat in een massa duidelijk ik-verlies optreedt, dat de massa één groot geheel wordt of dreigt te worden, zoals een overstromende kolkende rivier. Dat gaat van Freud over Reich tot Fromm en Canetti. En vele anderen. Het optreden van massa’s in deze roman van Degrelle sluit daar naadloos bij aan. En zelf is hij via zijn hoofdpersoon, explicieter over de massa’s dan wie dan ook:

“Personnellement, j’ai des idees bien nettes sur le troupeau humain, le plus bestial de tous les troupeaux.

Le civilisation n’est qu’un vernis qui saute au feu des grandes passions grégaires. Ces tourmentes sont comme une libération de l’animal-homme. Elles le démusèlent. Il se rue. Il retrouve son état naturel. L’état naturel de l’homme n’est pas la civilisation. La civilisation n’est qu’un accident: l’animal, c’est la substance. Après des milliers d’années de religion, de moeurs policées, l’animal, en cinq minutes, se retrouve instinctivement.

L’homme est une bête. Encore les bêtes sont-elles souvent de braves bêtes. Mais l’homme, lui, est souvent une sale bête.” (pp. 64-65)

Deze passage lijkt mij de kern te bevatten van het hele boek, en waarschijnlijk van de fascistische persoonlijkheid van Degrelle en van de meeste fascisten, zeker de ‘harde’ onder hen. En dat op tweeërlei wijze.

Freud zou het bovenstaande waarschijnlijk volledig onderschrijven, want het komt overeen met zijn late opvattingen over de ‘beschaving’ (Das Unbehagen in der Kultur uit 1930). In Freudiaanse termen komt het bovenstaande neer op het feit dat het ‘Es’ het op een bepaald ogenblik overneemt, wat enkel tot volledige chaos en ontwrichting zal leiden, of…tot oorlog. In de oorlog wordt de bestiale kant van de mens, de ongecontroleerde driften, de min of meer vrije teugel gelaten, iets dat in La grande bagarre duidelijk ook gebeurt. Maar aan de andere kant en in bijna totale tegenstrijd met het vorige gebeurt dat op een min of meer geordende wijze: oorlog is geordende destructie. De tegenstrijdige krachten die Freud in het zonet genoemde geschrift onderkende, komen hier ahw samen in een symbiose. Enkel spreken van ‘mensenverachting’ is dus niet voldoende, het gaat aan de kern van de zaak voorbij.

Voor zover hij er al ooit van gehoord had, zal Degrelle alles behalve een aanhanger van Freud of de psychoanalyse geweest zijn. Jammer misschien, want het enige dat psychoanalyse werkelijk doet, is: inzicht verschaffen. En van daaruit kan dan misschien, wellicht, desalniettemin, niettegenstaande verholpen worden aan bepaalde kwalen. Maar ook dat zou slechts individueel zijn, om op grote schaal aan dat soort zaken te verhelpen is een andere maatschappij nodig. Anderen zullen zeggen: een andere mens. Maar daar twijfel ik aan, volgens mij zal de mens niet veranderen, tenzij onder directe en indirecte invloed van omstandigheden. Net zoals het in laatste analyse de omstandigheden zijn die hem tot oorlog en destructie drijven. Dat is dan het tweede aspect.

3.

Het is mogelijk nog dieper in te gaan op deze roman, zeker vanuit het in bovenstaand tweede deel gebruikte psychoanalytische standpunt. Dat zou echt zeer gedetailleerd uitgewerkt kunnen worden. Voor wat de romanfiguren zelf betreft zou dat waarschijnlijk geen nieuwe inzichten opleveren, maar de argumentatie zou wel steviger worden. Zo is er het feit van de grote bewondering die Degrelle koesterde voor Hitler en die ook in dit boek nog aanwezig is (naast de duidelijke bewondering voor een Amerikaanse fascistoïde figuur als Patton). Dat heeft uiteraard met de Vaderfiguur te maken (die nooit een vader geworden is, ten gevolge van een slechte afwikkeling van het Oedipus-complex). Je zou zelfs kunnen spreken van een lijn die loopt van de Vader over Christus naar Hitler etq.

Dat is heel vaak het geval trouwens, en niet enkel als het over Hitler gaat. Soteriologische impulsen in de zin van het verlangen naar een verlosser zijn veel sterker verbreid dan over het algemeen gedacht wordt. Dat is slechts één van de redenen die het belang aantonen om politiek óók via de psychologie en de psychoanalyse te benaderen. Vaak worden die bewonderaars dan op hun beurt ook grotere of kleinere ‘soters’ – zoals Degrelle.

Wellicht heb ik in het voorgaande toch wel één grote fout gemaakt: ik ben er nl. van uit gegaan dat de romanfiguren projecties zijn van de schrijver, Léon Degrelle zelf. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar is het helemaal niet. Dostojevski valt op geen enkele manier samen met Raskolnikov of Kirilov of… Maar er zijn in al die figuren wel psychische elementen aanwezig die je ook in de schrijver terugvindt. Elke schrijver projecteert immers aspecten van zichzelf in zijn figuren, of in zijn gedichten zelfs. Nadat Paul Claes in een essay erop gewezen had dat Claus nogal veel woorden gebruikte van het woordveld ‘klem’ begon Claus die te schrappen in een volgende herdruk. Hij voelde zich duidelijk betrapt en hield daar niet van, ook al was dat daar zeer onschuldig.

Hetzelfde geldt uiteraard voor een Léon Degrelle als die de pen hanteert. Maar daar komt dan wel bij dat Degrelle niet op de eerste plaats schrijver was, maar wel militair en politicus van de gevaarlijkste soort. In zo’n geval is het altijd goed om ook de onbewuste drijfveren en neigingen van die mensen te leren kennen, te leren plaatsen en duiden binnen een theoretisch-praktische context als de psychoanalyse – hoe omstreden die in de ogen van sommigen ook moge zijn.

In dit geval moet ik wijzen op een van de grootste meesterwerken van de psychoanalyse, dat jammer genoeg nog steeds veel te weinig bekend is. Het betreft: Klaus Theweleit: Männerphantasien, 1. Frauen, Fluten, Körper, Geschichte; 2. Männerkörper, zur Psychoanalyse des weissen Terrors (Stroemfeld/Roter Stern, Frankfurt am Main/Basel, 1985, 2de druk in één deel). Voor mij was het een van de beklemmendste en angstaanjagendste boeken ooit. Toen ik in het begin van de jaren zeventig in Heidelberg een grondige jaarcursus ‘Psychoanalytische Literaturwissenschaft’ volgde, was het nog niet verschenen, anders zouden we er wel diep op in zijn gegaan. Maar ook daarna heeft het nog ettelijke jaren geduurd vooraleer ik het leerde kennen.

Voor dit opstel heb ik het niet herlezen, maar voor een gedetailleerde analyse, waarbij dan wellicht ook nog andere werken van Degrelle betrokken zouden moeten worden, zou dat toch wel noodzakelijk zijn. Maar hier volstond mijn geheugen wel, denk ik. Het boek behandelt grotendeels de fascistische en fascistoïde tendensen en figuren uit de twintigste-eeuwse Duitse geschiedenis en doet dat voornamelijk aan de hand van min of meer literaire geschriften, bv. van Ernst Jünger en Ernst von Salomon. Dat zijn wel de bekendsten en belangrijksten. Het bevat ook enorm veel beeldmateriaal en is voor een wetenschappelijk werk zeer vlot geschreven; soms wordt zelfs spreektaal niet geschuwd. Het enige dat eraan ontbreekt is een goede, uitgebreide index.

Het boek staat dus in een bekende en sterke traditielijn, die vanzelfsprekend begint met Freud zelf; daarnaast is Theweleit vooral schatplichtig aan, of beter misschien: sluit hij zich bewust maar kritisch aan bij Wilhelm Reich en zijn Massenpsychologie des Faschismus, bij Elias Canetti en zijn Masse und Macht, en bij Erich Fromm en zijn Anatomie der menschlichen Destruktivität. Ik heb die drie namen hiervoor al even genoemd. Om bepaalde negatieve aspecten van de menselijke natuur goed te begrijpen zijn die boeken onontbeerlijk. Politici, zowel van links als van rechts, houden daar natuurlijk niet van: zowel in fascistische regimes als in de meeste socialistische regimes waren ze gewoon verboden als zijnde contra-revolutionair. Het zal wel eerder zo geweest zijn dat die politici bang waren om in een niet-ideologisch gekleurde spiegel te kijken en zo zichzelf te ontdekken als zijnde wat ze openlijk niet willen zijn. In dat opzicht verschilt een Degrelle eigenlijk amper van andere, zichzelf democratisch noemende politici.

Klik voor een grotere afbeelding

Daarom alleen al is het mijns inziens belangrijk romans als deze te lezen, en te zien welke gevaarlijke impulsen in het onderbewuste van die schrijver-politicus aanwezig waren. Die zijn namelijk op de een of andere manier ook aanwezig in het onderbewuste van politici die geen fictie schrijven; alleen zijn ze dan natuurlijk moeilijker detecteerbaar. Tenzij de krankzinnigheid en de almachtsdromen zó voor de hand liggen dat je er echt niet naast kunt kijken. En nee, ik heb het niet over Yi of Poetin. Die zijn berekenbaar.

Uit deze roman, samengelezen met alle andere vermelde werken kun je, moet je wellicht tot de conclusie komen dat er inderdaad een onherstelbare menselijke natuur bestaat, waarin de Freudiaanse doodsdrift een grote rol kan spelen: het zij als directe agressiviteit en vernietigingsdrang, bv. in oorlogen, het zij als reductie naar voorbewuste toestanden, het oplossen in ‘wateren van oorsprong’. Beide zijn kanten van één munt. Als dat inderdaad zo is, dan kan de mens als soort niet verbeterd worden. Zeker niet door de psychoanalyse, die niet geneest maar enkel tot inzicht kan brengen, individuen, géén massa’s. Dan kunnen ook oorlogen e.d.m. niet uitgesloten, niet verhinderd worden. Tenzij wellicht wanneer de maatschappelijke en economische ontwikkeling de kans zou krijgen zo door te gaan tot ze dergelijke zaken onnodig zou maken. De impulsen zouden nog bestaan, maar bij gebrek aan objectieve omstandigheden die ertoe nopen, niet meer verwerkelijkt worden. Het zou een tijdperk zijn zonder antagonistische tegenstellingen – om voorzitter Mao nog even uit de kast te halen.

Maar is dat in de praktijk mogelijk? Alles wijst op het tegendeel, nl. dat de mensheid opnieuw met de snelheid van een stuurloze ICE naar een nieuwe wereldoorlog en naar de zwaarst denkbare natuurrampen raast. Zou het dan inderdaad niet veel beter zijn dat de mensheid gewoon zou verdwijnen, voorgoed?!

Zei de doodsdrift in hem.

Post-Scriptum

Het bovenstaande was in eerste versie klaar toen ik – eerder door toeval, jammer genoeg – op de volgende publicatie stootte, die geïnspireerd werd door het boek van Theweleit dat ik hierboven noemde; Theweleit schreef er zelfs een nawoord bij. Het betreft: Jonathan Littell: Le sec et l’humide Une brève incursion en territoire fasciste (Editions Gallimard, Paris, 2008). Ik kende het niet.

Hij doet eigenlijk grotendeels hetzelfde als ik in het tweede deel van dit opstel deed: vanuit de psychoanalyse van Theweleit een boek analyseren, een boek van…Léon Degrelle, inderdaad. Gelukkig wel een heel ander boek, nl. La campagne de Russie 1941-1944. Dat is geen roman, maar een politieke documentaire, een verslag van eigen belevenissen aan het Oostfront.

Behalve het voor de hand liggende feit dat Littell veel beter schrijft dan ik, verschilt zijn boek ook anderszins van wat ik hier te berde breng. Zo gaat hij niet diep en grondig in op de politieke betekenis van het boek dat hij analyseert. In mijn eerste deel heb ik dat wel gedaan, en terecht, denk ik. Wanneer een tekst (het weze een roman, een gedicht, een essay) zich expliciet aanbiedt als ook een politieke tekst, dan lijkt het me normaal dat een criticus daar ook op een politieke wijze op reageert.

Enkel het eerste hoofdstuk gaat expliciet over de politieke Degrelle, het is soort korte biografische schets met uiteraard de nadruk op zijn fascistisch engagement. Bij het begin van het tweede hoofdstuk, ‘Des Mots’, stelt de auteur dan uitdrukkelijk: “Ce n’est pas en fait de la politique de Degrelle qu’il sera question ici, mais de son langage” (p. 24) En dat doet Littell dan ook schitterend, met heel veel citaten uit Degrelle’s dikke boek, veel meer citaten dan ikzelf uit La grande bagarre gebruikt heb in mijn tekst. Dat Littell daarbij sommige zaken die ik aanneem betwijfelt, ligt eveneens voor de hand; zo gaat hij ervan uit dat er bij Degrelle geen sprake is van een verborgen homoseksualiteit. Het boek dat ik hier bespreek wijst daar mijns inziens wel degelijk op.

Het boekje van Littell is ook geïllustreerd. Het omslag bv. toont een foto van Degrelle aan het Oostfront, foto die bijna doet denken aan sommige kunstwerken.  Van een andere, onvrijwillige oostfrontstrijder die naar de naam Beuys luisterde? Ik weet niet goed waar die associatie vandaan komt, misschien is ze wel onterecht.

Hoe dat ook zij, het boekje is zoals het hoofdwerk van Theweleit zelf, een aanrader.

Delen:
Share

30/12/2018
door Peter
Geen reacties

Basiskennis, bv. over Friedrich Engels, en over racisme

Meer dan eens heb ik hier verwezen naar de reeks ‘Que sais-je?’ van de Presses Universitaires de France, een reeks waarin je over alle mogelijke en onmogelijke onderwerpen introducties kunt vinden.

Het spreekt vanzelf dat ook in andere taalgebieden reeksen bestaan die daarmee vergeleken kunnen worden, ook al zijn die soms beperkter wat de onderwerpen betreft.

Eén van die reeksen is ‘Basiswissen’ van de Duitse linkse en progressieve uitgeverij PapyRossa in Keulen. Uiterlijk lijkt ze nogal op de Franse reeks: boekjes van een 120 bladzijden, waarin door specialisten op een synthetische manier de basiskennis over een bepaald onderwerp uit de doeken wordt gedaan. Die onderwerpen zijn wel veel beperkter van opzet, en omvatten enkel politicologie, economie en sociaal-politieke geschiedenis. Wat toch al heel wat is, want het gaat hier om kennis over onderwerpen die iedereen direct aanbelangen, kennis over datgene wat de polis samenhoudt én verdeelt, over wat de mensen in eerste instantie bezighoudt vooraleer ze zich met andere vakgebieden kunnen bezighouden, en al zeker met specialisaties binnen die vakgebieden.

Vroeger heb ik er al enkele van gelezen, vaak ter opfrissing van zaken die ik in mijn studententijd al gestudeerd had, maar die ik sindsdien uit het oog was verloren of helemaal vergeten. Dat kan.

De schrijvers van de betrokken boekjes zijn altijd mensen met kennis van zaken, maar zoals gezegd moeten ze wel in de linkse en progressieve hoek gezocht worden; die hoek is overigens breed genoeg om plaats te bieden aan vogels van divers links pluimage en zo hoort het ook; echte partijmensen zijn daar niet bij; de boekjes zijn over het algemeen niet enkel zeer instructief, maar ook kritisch, ook tegenover het eigen gedachtegoed. Dogmatisme en orthodoxie zijn ver te zoeken. De auteurs doen altijd hun best om objectief en wetenschappelijk te zijn, zonder zichzelf te verloochenen.

In mijn studententijd heb ik een cursus ‘marxistische economie’ gevolgd bij Ernest Mandel; dat kon normaal gezien niet voor germanisten, maar ik kon de aanvraag zo draaien dat ik het nodig had voor mijn licentiaatsverhandeling over het werk van Louis-Paul Boon. En ik heb die kennis inderdaad daarvoor kunnen gebruiken. Maar Das Kapital had ik eigenlijk eerder al gelezen, net zoals vele andere marxistische geschriften; zo herinner ik me Neokapitalisme van Leo Michielsen, die ik ook nog even als prof heb gehad. En zovele andere boeken.

Veel van de toen geleerde basisbegrippen ben ik in enkele boekjes uit deze reeks terug tegen gekomen, naast andere onderwerpen uiteraard. Ik kan ze aan politicologen enkel maar aanbevelen. Alleen: ze zijn natuurlijk alle in het Duits geschreven, en ik vrees dat dat voor vele hedendaagse studenten – na decennia van georganiseerde decadentie en afbraak van het onderwijs –  te hoog gegrepen is. Mijn kameraden van de toenmalige pol & soc hadden daar veel minder moeite mee, ook al moest er af en toe iets vertaald worden.

Het recentste dat ik van de reeks las, was: Georg Fülberth: Friedrich Engels (PapyRossa Verlag, Köln, 2018). De auteur is emeritus politicologie van de universiteit van Marburg, en is de auteur van heel wat andere deeltjes in de reeks, vaak eerder van economische aard (zo is er een deeltje enkel over Marx’ hoofdwerk) en van andere boeken bij dezelfde uitgever.

Het boekje is duidelijk géén biografie. Ik weet niet eens of er (goede) biografieën van Engels (of van Marx of van Lenin etq) bestaan, ik heb ze in elk geval niet gelezen, ook vroeger niet. Dit boekje bevat wel een biografisch deel (het hele tweede hoofdstuk), maar de nadruk ligt toch uitdrukkelijk op de rol en de betekenis van Engels naast en met Marx. Maar dat alles is uiteraard niet los te zien van de eigenlijke biografie.

Wat de hele communistische wereldbeweging van vroeger, en wat vandaag nog vele communisten ‘vergeten’ is: Friedrich Engels was een doodgewone kapitalist. Hij kwam uit een familie die mede-eigenaar was van de firma Ermen & Engels in – of all places – Manchester. Die firma werkte met katoen, en Friedrich is er zeer lang aan verbonden geweest, tot hij zich terug kon trekken en voortaan verder kon rentenieren van het door zijn arbeiders verdiende en door hem toegeëigende geld. Op die manier onderhield hij ook Marx en zijn familie grotendeels. Het moederbedrijf in Rheinland-Westphalen is op dit ogenblik overigens een industrieel museum.

Wat me verder opvalt is het feit dat zowel Engels als Marx (en later Lenin) ervan uitgingen dat de proletarische revolutie eigenlijk voor de deur stond. Geen kleine vergissing, want het kapitalisme heeft zich tot de dag van vandaag taaier getoond dan wie ook ooit gedacht had toen. En ook de auteur van deze inleiding gaat ervan uit dat het kapitalisme zich wellicht opnieuw zal kunnen aanpassen en omvormen, m.a.w. dat het ook nu nog niet op de mestvaalt van de geschiedenis zal belanden – waar het eigenlijk thuishoort.

Georg Fülberth (Bron Wikipedia)

Maar dat is een ander paar mouwen. En de auteur Georg Fülberth heeft daarover in dezelfde reeks een klein boekje, Kapitalismus geschreven, maar daarnaast ook een veel uitgebreider boek over de geschiedenis van het kapitalisme: G Strich – kleine Geschichte des Kapitalismus. Dat heeft inmiddels al enkele drukken gekend, en terecht. Het weet niet enkel de grondslagen van het kapitalisme raak te schetsen, maar vooral de ontwikkeling die dat systeem doorheen de eeuwen gekend heeft. En nee, hij voorspelt helemaal niets, ook geen einde van het systeem. Daar twijfelt hij zelfs aan.

Wat dat betreft vergist hij zich trouwens, vind ik. Het systeem op zich zou misschien nog wel een lange tijd kunnen voortbestaan, maar wat men gemelijk ‘de opwarming van de aarde’ noemt zal daar waarschijnlijk roet in het eten gooien. Want die kan enkel gestopt worden als de groei stopt, en groei is accumulatie, en accumulatie is de motor van het kapitalisme.

Maar Engels dus. Zijn rol als tweede viool blijkt belangrijker te zijn geweest dan vaak gedacht. Zo zouden de drie delen van Das Kapital waarschijnlijk nooit verschenen zijn zonder zijn toedoen. Maar daarnaast zijn ook zijn eigen werken van zeer groot belang, op de eerste plaats, zo zegt Fülbert, de zgn. Anti-Dühring, een kanjer die later blijkbaar toch een heel klein beetje heeft bijgedragen tot de vorming van een marxistische (later: marxistische-leninistische) doxa; en dit laatste woord kun je in deze context vertalen als ‘verstarring’. Een voorbeeld daarvan is volgens Fülberth de invulling van het begrip ‘plan’. Engels (en Marx) spreken daar expliciet over, maar volgens de auteur was het nooit de bedoeling dat een planbureaucratie zoals in de Sovjet-Unie daarvoor zou zorgen. Ook dat was uiteindelijk een vorm van verstarring met alle nu gekende gevolgen van dien.

Dan doen de Chinezen het inderdaad beter, zoals Brecht voorspelde.

Het belangrijkste werk van Engels is het late Der Ursprung der Familie, des Privateigenthums und des Staats, dat waarschijnlijk ook het eerste boek van Engels geweest is dat ik gelezen heb (in de Nederlandse vertaling verschenen bij Pegasus in Amsterdam); en het is datgene dat me toch het meest beïnvloed heeft én overtuigd wellicht.

Sommigen hebben geprobeerd Marx en Engels tegen elkaar uit te spelen en van Engels een voorloper van het reformisme te maken, maar daar klopt inderdaad weinig van, de laatste geschriften van Engels en zeker zijn briefwisseling met Bebel en andere leiders van de Duitse sociaal-democratie tonen dat wel aan. Iets als ‘Engelsismus’ bestaat niet en heeft nooit bestaan; Marx en Engels waren en zijn een eenheid (in tegenstelling met Lenin en Stalin waar men later ook een dergelijke eenheid van heeft willen maken).

Het voorlaatste hoofdstukje gaat over ‘Engels’ Renegaten’. Dat is natuurlijk wel plezant, want het woord ‘renegaat’ was een van de vele scheldwoorden in het marxistisch-leninistische woordenboek. Maar dat soort renegatendom is wel begrijpelijk: wanneer je merkt dat je verwachtingen in een zeer verre toekomst liggen kun je twee dingen doen: ofwel verzaken, ofwel je verwachtingen bijstellen tot die van de dag. Dat betekent nog helemaal niet dat je de weg moet opgaan van een Doriot of een De Man. Als ik kijk hoevelen er indertijd in of rond MLB georganiseerd waren en hoevelen daarvan zijn overgebleven, dan zie ik er maar één: Wiebe.

De individuen zijn vervangen of verdwenen; maar de beweging zelf is voortgegaan, heeft zich met andere individuen vernieuwd en veranderd. Niet iedereen heet Friedrich Engels of Karl Marx.

°°°

Van een heel andere orde is in dezelfde reeks een boekje over Rassismus und Antirassismus van Wulf D. Hund, ook al een emeritus, in de sociologie aan de universiteit van Hamburg.

Het is een boekje dat inderdaad zéér synthetisch is; daardoor heb ik er ook zeer veel uit geleerd, ondanks het feit dat ik het met zijn basisuitgangspunten volkomen oneens ben. Men kan al wel raden wat die uitgangspunten zijn: op de eerste plaats een totale uitbreiding van het begrip ‘racisme’, met de neiging om werkelijk alles daaronder te laten vallen; en daarnaast een in mijn ogen even ongeoorloofde vermenging en verwisseling van discriminatie enerzijds en racisme anderzijds.

Maar misschien is dat nog niets vergeleken met het effect dat dit boekje op mij had: door de bijna extreem doorgedreven nuanceringen, waardoor alles en niets racisme is, waardoor antiracisme vaak een vorm van racisme is en omgekeerd, krijg ik de neiging om me met dat probleem totaal niet meer te bemoeien, omdat je hoe dan ook niets goed kunt doen en altijd terechte of onterechte verwijten naar je kop krijgt. Nochtans weet de auteur best waarover hij het heeft, want hij is een van de betere Europese specialisten op het gebied van racismeonderzoek; het boekje is dikker dan doorsneedeeltjes in de reeks, en dat komt vooral door de zeer uitgebreide bibliografie achteraan. Mensen die zich op een wetenschappelijke manier, aan een universiteit, willen bezighouden met de theorievorming rond racisme en antiracisme moeten, zo zou ik zeggen, hiermee beginnen; activisten kunnen het beter links laten liggen.

Buiten woord vooraf en inleiding omvat het boekje amper vier hoofdstukken, maar die zijn wel zeer gecomprimeerd en omvatten eigenlijk in nuce de hele problematiek waarover het gaat, alsmede de geschiedenis ervan, te beginnen bij de oude Grieken.

Het eerste hoofdstuk gaat over racisme als een vorm van sociale verhouding; zijn kernpunt – voor zover ik het zie – is dat racisme altijd een construct is, dat als uitgesproken of onuitgesproken ‘bedoeling’ heeft werkelijke tegenstellingen in de maatschappij te verdoezelen; en die tegenstellingen zijn dan van sociaal-economische aard. Het is eigenlijk wat alle activisten zeggen, en wat voor psychologen vanzelfsprekend is: door een categorie van ‘anderen’ te creëren wordt tussen ‘ons’ een corporatistische samenhang geschapen die er in feite niet is. Dat is juist, maar ik heb de indruk dat hij dat niet voldoende, of niet duidelijk genoeg uitwerkt, zeker niet in het laatste hoofdstuk – over antiracisme – waar je dat toch zou mogen verwachten. In de plaats krijg je daar een warboel die neerkomt op de evocatie van de strijd van allen tegen allen, want allen zijn in het bezit van het grote antiracistische gelijk.

Misschien is dat ook wel zo.

De twee tussenliggende hoofdstukken zijn dan in elk geval heel wat instructiever. Hoofdstuk twee handelt over vormen van racistische discriminatie. Deze titel wijst al op een van de twee grote fouten die ik in het begin vermeldde. Racisme is geen discriminatie, maar wel een van de oorzaken van discriminatie. Naast vele andere oorzaken. Ze vallen dus hoegenaamd niet samen. In de wetten die sinds enkele decennia in West-Europa uitgevaardigd werden tegen discriminatie komt dat overigens duidelijk tot uiting, zo heet het bv. in artikel 1 van de Nederlandse grondwet: “Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan”.

Dit tweede hoofdstuk gaat in op zes verschillende vormen waaronder ‘racisme’ zich volgens Hund in de geschiedenis heeft voorgedaan: cultuur versus barbarendom, zuiver tegenover onzuiver, uitverkorenen en verdoemden, geciviliseerden en wilden, blanken en kleurlingen, volwaardigen en minderwaardigen. De auteur toont goed aan hoe deze verschillende tegenstellingen zich opvolgden in de tijd, maar daarbij ook als het ware in elkaar vloeiden, en tot op de dag van vandaag vaak bleven voortbestaan, al dan niet op een aangepaste manier. Daarbij gaat hij duidelijk anachronistisch te werk. Hij stelt zelf dat vóór de achttiende eeuw ‘racisme’ als concept niet bestond, maar hij past het wel toe. Wetenschappelijk gezien kan dat niet.

Het probleem is dat veel van deze zaken direct gelinkt zijn aan discriminatie, maar met racisme niets of weinig te maken hebben. De ‘zuiveren’ (Katharen) en de ‘uitverkorenen’ (Christenen of Joden) zijn duidelijk godsdienstige categorieën. Je kunt op basis daarvan discrimineren – wat ook gebeurde en gebeurt – maar met racisme heeft dat niets te maken. Niet elke discriminatie is racistisch. De laatste categorie bv. zou best eerder op gehandicapten kunnen slaan, die evenmin een ras vormen. Op p. 40 citeert hij een uitspraak van Khomeini volgens dewelke het hele lichaam van een ongelovige (en dus niet enkel de uitscheidingen en afscheidingen) onrein is, per definitie. Dat zegt veel over de zieke geest die Khomeini was, maar is geen racisme. Maar hij geeft wel toe, dat wat dit alles betreft er nergens onder de vorsers op dit gebied overeenstemming te vinden is.

Belangrijk in dit hoofdstuk is ook zijn kritiek, niet op de Verlichting zelf, maar op het misbruik dat ervan wordt gemaakt (p. 54 e.v.). Hier was ik even verbijsterd, want wat blijkt: één van de grondleggers van het racisme zoals het tot in de 20ste eeuw bleef bestaan was Immanuel Kant, éen van de grondleggers van de Verlichting (het is zijn definitie van Verlichting die het vaakst wordt aangehaald). De idee dat rassen eigenlijk niet zouden bestaan (een idee van Herder, reeds) noemt hij naïef, waar ik in kan komen, maar hij stelt wel niets in de plaats. In hoeverre mag je nog verschillen vaststellen? En in hoeverre mag je je daarop steunen, en op welke wijze, om actie te voeren?

Grüne Bildungswerkstatt (GBW) Wenen – Voordracht van socioloog en racisme-onderzoeker Wulf D. Hund op 3 juni 2014.

Het derde hoofdstuk is in zekere zin een spiegel van het tweede. ‘Rassismen made in Germany’ heet het, maar ook al ligt de nadruk zoals uit de titel blijkt, op Duitsland en zijn geschiedenis, toch kun je heel veel daarvan extrapoleren naar andere landen. De auteur spreekt hier wel zichzelf tegen. Hij stelt het hele boek door dat racisme een construct is, dat groepen tot ‘ras’ gemaakt worden. In zekere zin klopt dat natuurlijk, en het beste kun je dat aflezen aan de geschiedenis van het antisemitisme; dat was tot grosso modo einde 19de eeuw antijudaïsme, een puur godsdienstig iets dus; pas met het opkomen van de nationale staten en dito nationalismen werd van de joden een ras gemaakt; dat culmineerde in het nationaal-socialisme.

Maar met de islam, dat hij vlak na dat antisemitisme behandelt, gebeurt dat duidelijk niet. Islamofobie (een woord dat hij overigens niet gebruikt) heeft wel met culturele en godsdienstige onderscheiden te maken, maar is geen racisme. Blijkbaar weegt hier de politieke correctheid, ook van emeriti door. Hetzelfde geldt trouwens wanneer hij de neiging vertoont antizionisme gelijk te stellen met antisemitisme (p. 70), ofschoon dat tezelfdertijd aanleiding geeft tot een niet door hem en volgens mij tot nog toe door niemand duidelijk beantwoorde vraag: “Damit verbunden ist ein weiteres Problem, das sich allgemein in die Frage fassen lässt, ob jemand sowohl rassistisch diskriminiert werden als auch selbst Rassist sein kann.” (p. 70)

Typisch Duits lijkt me inderdaad het antislavisch ‘racisme’ waar de volgende afdeling over gaat. En één voorbeeld van hoe dit vooroordeel (eerder dan racisme) na de oorlog werd overgenomen door ‘democratische’ Duitse politiekers en veranderd in anticommunistische vooroordelen is wel genoeg. Net zoals de houding tegenover de Zigeuners (Roma en Sinti); de hoogste Duitse rechtbank, vergelijkbaar met ons Hof van Cassatie, wees in 1956 een eis tot schadevergoeding wegens racistische vervolging af: “Seiner Auffassung nach hätte bei der Verfolgung ‘nicht die Rasse als solche’ im Vordergrund gestanden, sondern die ‘asozialen Eigenschaften der Zigeuner’: das ‘höchste deutsche Gericht […] erklärte die Sinti und Roma samt und sonders für ‘asozial’ und ‘hielt es’, wie Wippermann (2005b, 447) es formuliert hat, für ‘rechtens’ ‘Asoziale’ in Konzentrationslager zu deportieren.” (p. 92) Het is al vaker gezegd: in Duitsland bestaat enerzijds nazisme en anderzijds democratisch nazisme en het ene kan zonder problemen van het ene ogenblik op het andere in het andere overgaan en omgekeerd.

De laatste twee afdelingen gaan over koloniaal racisme en eugenetisch racisme. Het spreekt vanzelf dat racisme hier een grote rol speelt, maar naast andere aspecten, die niet noodzakelijkerwijze met racisme te doen hebben (‘lebensunwertes Leben’). Het staat eenieder vrij om alle oorzaken van discriminatie terug te voeren tot één enkele oorzaak en die dan ‘racisme’ te noemen, maar ten eerste moet je dat dan expliciet zeggen, en ten tweede brengt dat waarschijnlijk niets bij.

In de wetten tegen discriminatie die ik vernoemde komt trouwens ook ‘geslacht’ voor als discriminatiecategorie. Waarom dat dan ook niet onder ‘racisme’ gerangschikt? Maar het komt op geen enkele manier voor in dit boekje. Dat ik toch wel graag gelezen heb, want het zet hoe dan ook aan tot nadenken.

Delen:
Share

27/12/2018
door Peter
1 reactie

Wim Distelmans leert de mensen sterven

Alsof ze dat niet vanzelf zouden kunnen.

Het is lang geleden dat ik de grote historici van het sterven gelezen heb, en dan denk ik op de eerste plaats aan Philippe Ariès en Michel Vovelle. Zij schreven in een tijd dat het sterven niet meer mocht bestaan, dat het als het ware weggedrukt werd in achterafzalen van de ziekenhuizen, sterven was immers iets ontstellend obsceens. Erger dan seks.

Zelf herinner ik mij het tegendeel nog. Ergens in de jaren vijftig – ik was nog geen tien – ging ik een nieuw, pas verschenen album van Nero halen bij Tomassetti, de enige kranten- en papierwinkel in het dorp. Ik werd bediend door iemand anders, die fluisterend sprak en vroeg of ik meneer Tomassetti nog eens wou zien, hij was aan ’t sterven. Hij lag in de kamer daarnaast in bed, met heel wat volk rond zich, waaronder de priester die hem waarschijnlijk pas het heilig oliesel had toegediend.  Veel meer herinner ik me er niet meer van.

Zo wordt vandaag waarschijnlijk niet meer gestorven, zelfs niet in de dorpen. Maar of het nu beter is, weet ik niet. Waarschijnlijk vooral anders. Want het is een kleine minderheid, nog steeds, die thuis sterft.

Zogenaamde Artes moriendi waren in de Middeleeuwen – en waarschijnlijk nog lang daarna – een tamelijk ruim verbreid genre in onze katholieke contreien. Katholieken waren immers bang voor een plotse dood. Stel je voor dat al je zonden niet gebiecht waren, dat je je Pasen niet gehouden had enz.! Vandaag zullen de meeste katholieken zelfs al niet meer weten waar ik het over heb. Wat ook helemaal niet erg is.

De twee boeken van oncoloog Wim Distelmans die ik las zijn: Een waardig levenseinde (Uitgeverij Houtekiet, Antwerpen, 2017 (elfde geactualiseerde druk)) en Palliatieve sedatie, trage euthanasie of sociale dood? (Uitgeverij Houtekiet, Antwerpen, 2018). Je zou ze gerust kunnen beschouwen als moderne geseculariseerde Artes moriendi, want dat is inderdaad wat de beide boeken doen: leren hoe je op een manier kunt sterven die zo waardig en zo pijnloos mogelijk is, zeker gelet op de therapeutische hardnekkigheid (misschien kun je beter zeggen: het therapeutisch sadisme) die nog vaak heerst.

Distelmans mag dan al vrijzinnig zijn (verbonden aan de VUB), toch is hij erg begripvol en tolerant voor katholieken (en straks de opvolgers ervan), die tenslotte nog steeds het gros van de ziekenhuizen in Vlaanderen in handen hebben. Slechts af en toe haalt hij iets scherper uit, en dan probeert hij nog de kool en de geit te sparen. Misschien is dat nodig, ik weet het niet. Ik herinner me dat ik ooit een gesprek had met Leo Apostel, en ik hem zei dat het boek Pluralisme en verdraagzaamheid dat hij samen met Marcel Bots geschreven had in mijn ogen té verdraagzaam was voor katholieken. Hij twijfelde, maar ging er niet verder op in. Zelf ben ik nog steeds van mening dat je tegenover godsdiensten, en zeker monotheïstische godsdiensten, niet radicaal genoeg kunt optreden. Jacques-René Hébert is wat mij betreft daarin nog steeds een voorbeeld.

Maar bon, sinds Hébert is heel wat water door de Zenne gevloeid en het klopt dat België één van de vooruitstrevendste wetgevingen heeft wat betreft palliatieve zorgen én euthanasie, dank zij – à tout seigneur tout honneur – de liberalen.

Beide boeken overlappen elkaar grotendeels. Beide beginnen met een kort historisch overzicht over het ontstaan eerst van palliatieve zorgentiteiten in het VK en daarna elders; en over het ontstaan en de ontwikkeling van wetgevingen over euthanasie. Daarbij vergeet Distelmans één heel belangrijk iemand, die weliswaar na Morus’ Utopia schreef, maar die wel de eerste moet geweest zijn om een bijna modern en hedendaags pleidooi te houden voor euthanasie, en dan nog wel gesteund op een theologische argumentatie. Ik heb het natuurlijk over de grote dichter John Donne en zijn Biathanatos ( volledige titel: Biathanatos: A Declaration of That Paradox or Thesis That Self-Homicide Is Not So Naturally Sin, That It May Never Be Otherwise; het werd geschreven in 1608).

Maar dat is in het kader van de betreffende boeken een detail. Die gaan immers op de allereerste plaats over de praktijk van het sterven. De auteur legt in beide boeken het verschil uit tussen palliatieve zorg en euthanasie. Volgens mij, als ik goed gelezen heb dus, is dat verschil eigenlijk maar miniem: het komt erop neer dat voor euthanasie voorwaarden gesteld worden waaronder het uitdrukkelijk en herhaald verzoek van de patiënt. Voor palliatieve sedatie is dat niet vereist, dat gebeurt meestal op initiatief van de arts en enkel van hem. Vandaar dat artsen die eigenlijk geen euthanasie willen uitvoeren, vaak misbruik maken van palliatieve sedatie. Zo moeten ze immers aan geen enkele commissie iets melden.

Distelmans pleit ervoor om ook bij palliatieve sedatie een meldingsplicht in te voeren, quasi net zoals bij euthanasie.

Ik heb daar wel bedenkingen bij. Het is nu al zo moeilijk om euthanasie te krijgen als je dat wil, en zeker als je je niet op de hoogte kunt stellen, om welke reden dan ook. Voor palliatieve sedatie zal dat dan even moeilijk worden. En daar staat volgens mij geen enkel praktisch voordeel tegenover, enkel nog wat meer bureaucratie. Vermoedelijk zit niemand daarop echt te wachten.

Boeiend is eigenlijk hoe de auteur het hele stervensproces haast op de voet volgt en telkens beschrijft welke maatregelen genomen kunnen worden. Zijn voorbeelden zijn bijna steeds kankerpatiënten; Distelmans is tenslotte oncoloog. Maar bij andere ziekten zal het wel niet veel verschillen. Enkel bij dementie natuurlijk, wat doe je daarmee!? In het eerste van de twee boeken vermeldt hij in een lange bijlage ook alle mogelijke middelen die gegeven of genomen kunnen worden in allerlei praktische sterfomstandigheden. Dat bewijst mijns inziens dat het boek op de eerste plaats geschreven en gepubliceerd werd voor artsen. Ook het vakjargon dat hij vaak gebruikt (in het tweede boek toch iets minder) wijst daarop.

Daar is overigens niks mis mee. Op pagina 325 vermeldt hij zelfs een ‘euthanasiedrankje’. Kwestie is natuurlijk dat je ofwel zelf de middelen bij elkaar zult moeten zoeken of een dokter vinden die het je wil voorschrijven. Misschien is een ander boek, van Dr. Philip Nitschke & Dr. Fiona Stewart, Handboek de vredige pil (Exit International, Haarlem, 2018 of online editie) dan heel wat beter, want daar vind je alle mogelijkheden in terug om er zelf een einde aan te maken, mét de manier waarop aan de nodige middelen te komen of die zelf te fabriceren enz. Je hoeft niet eens echt een grote klusser te zijn om dit toe te passen. In de Angelsaksische wereld en in het Duits bestaat dit handboek al langer, dit is de eerste Nederlandse vertaling en uitgave.

Ooit heb ik voor mezelf besloten dat ik maar in twee gevallen de hand aan mezelf zou slaan: in het geval van een pijnlijke en ongeneeslijke ziekte. Die is er nog steeds niet; niet dat ik erop zit te wachten natuurlijk, ik stel enkel maar vast. En in het geval een nieuwe wereldoorlog in Europa imminent zou worden.

Delen:
Share

06/12/2018
door Peter
Geen reacties

Der Reisende

Een ontdekking, zo werd het aangekondigd, een volkomen ten onrechte vergeten roman.

Dat tweede klopt in elk geval wel, zoals de lectuur van Der Reisende van Ulrich Alexander Boschwitz (Verlag Klett-Cotta, Stuttgart, 2018) me leert. Maar dat geldt natuurlijk voor heel wat romans. Hier zijn zeker twee andere redenen dan intrinsieke kwaliteiten te bedenken, die er (mede) toe hebben geleid dit boek uit te brengen.

Op de eerste plaats de actualiteit: het boek gaat uiteindelijk over vluchtelingen, over vervolging en vlucht daarvoor. En daarnaast is er natuurlijk het tragische lot van de auteur. Deze laatste was erin geslaagd naar Engeland te vluchten, maar werd als Duitser naar Australië gedeporteerd; toen hij bereid was om in het leger dienst te nemen en tegen de nazi’s te gaan vechten, werd hij terug naar Engeland gebracht, maar het schip waarop hij zich bevond werd door diezelfde Duitsers getorpedeerd, waarbij alle inzittenden omkwamen.

Zijn roman was toen af, en al verschenen…in het Engels (en enkele jaren later, vlak na de oorlog) ook in het Frans. Deze uitgave is de eerste in de oorspronkelijke taal, op basis van een typoscript, dat bewaard bleef. Het is dus geen terugvertaling.

Het boek kent amper een plot. Een joodse zakenman zou uit Duitsland weg willen, maar het blijft bij één mislukte poging om de Belgische grens over te steken; daarna beperkt hij zich tot rondreizen, met de trein, kriskras door Duitsland, maar vooral van de ene grootstad naar de andere. Verblijven doet hij meestal in hotels; één keer verblijft hij nog in de eigen woning, een hele tijd nadat SA-geteisem hem kwam aanhouden en z’n woning leegroven. Toen begon zijn vlucht pas echt en goed, maar hier treedt ook een fout op in de opbouw van het boek. Dit begint immers met het bezoek van een andere, een Arische zakenman, aan wie de hoofdfiguur, Silbermann, zijn woning wil verkopen. Die koper wordt wel goed geschetst in de gierigheid waarmee hij misbruik maakt van de situatie, maar ook in de manier waarop hijzelf de SA-bende ontvangt om Silbermann uit de wind te zetten. Hij wordt daarbij zelf afgeranseld. Maar vreemd genoeg horen we later niets meer van die figuur; af en toe denkt de hoofdpersoon nog eens aan hem, en dat is het dan. Misschien heeft dat te maken met de stilistische richting waar dit boek bij aansluit, en die in de jaren dertig sterk uit de verf kwam, die van de zogenaamde ‘nieuwe zakelijkheid’. Een vorm van realisme, die toch eerder op het gebied van de stijl gesitueerd moest worden, een stijl zonder fiorituren en die al te literaire taal afwees. Misschien leidde dat soms ook tot meer structurele kenmerken, zoals hier het verdwijnen van figuren die in het begin van het boek belangrijk waren. Maar zelf zie ik er toch eerder een structuurfout in; de auteur is er trouwens niet meer toe gekomen zijn oorspronkelijk manuscript nog eens grondig door te ploegen, wat nochtans wel zijn bedoeling was.

Een ander aspect dat naar die nieuwe zakelijkheid verwijst, zijn de dialogen. Die deden mij soms aan de romans van Irmgard Keun denken, maar Boschwitz gaat daarin verder, zijn boek bestaat grotendeels uit dialogen. Te veel, denk ik zelfs. Soms gaat het vervelen, omdat er in die dialogen eigenlijk weinig fundamentele zaken gezegd worden. Er is één hoofdstuk waarin daarentegen het vertelaspect overheerst, dat is het hoofdstuk waarin de hoofdpersoon probeert illegaal de grens met België over te steken. Dan wordt de roman ook ineens spannend en ga je sneller lezen, omdat je meegesleept wordt, omdat de auteur erin slaagt de lezer zich te laten inleven in de hoofdpersoon, zich met hem te laten vereenzelvigen zelfs. Wat mij betreft zijn er te weinig van dergelijke passages in het boek. En dat alles tesamen genomen zorgt ervoor dat het mij toch niet overtuigt.

Van een mislukking wil ik zeker niet spreken, maar vergelijk deze roman eens met Manja van Anna Gmeyner, een andere vergeten roman uit de jaren dertig, die enkele tijd geleden door het Aufbau Verlag opnieuw werd uitgebracht. Die roman speelt zich vroeger af, maar het thema is evenzeer de toenemende Jodenhaat in Duitsland, vlak voor en na de machtsovername. De structuur van die roman is heel anders, veel meer doordacht, en de hoofdpersonen zijn kinderen. Dat maakt dat boek wrang en bitter.

Bij Boschwitz is het hele land één groot krankzinnigengesticht geworden. In het laatste hoofdstuk bevindt de hoofdpersoon zich in zo’n gesticht, hij werd er opgesloten. Dat hele korte hoofdstuk is één metafoor voor Duitsland. De krankzinnigen roepen ‘Juden raus!’, maar weten niet wat ze roepen; wel willen ze de hoofdpersoon doen meeroepen. Daarmee eindigt het boek. Een dergelijk open einde liet wellicht nog een beetje licht toe – ten onrechte zoals we nu weten. Bij Gmeyner was dat helemaal niet het geval.

Het is vooral de actualiteit ervan die dit boek in mijn ogen wel interessant maakt. De vluchtelingen toen, waaronder dus de hoofdpersoon Silbermann, waren voornamelijk joden (ook communisten natuurlijk, zelfs socialisten, maar vaak werden die door de nazi’s ook als joden beschouwd), en zeker in dit boek waren ze op de vlucht in hun eigen land, waar ze tot vreemdelingen gebombardeerd werden. Wat dat betreft is het geschetste beeld zeker accuraat: de angst voor plundering, voor aanhouding en overbrenging naar een concentratiekamp (de echte uitroeiingskampen waren er nog niet, die zouden er bij het begin van de oorlog pas komen), de angst ook om gewoon een gesprek te voeren – dat zou immers afgeluisterd kunnen worden.

De hoofdpersoon loopt rond met een fortuin in cash, bankkaarten bestonden toen niet. Maar op het einde wordt, door eigen onachtzaamheid, de aktentas gestolen waarin hij het geld opborg en blijft hij met niets achter. En de angst om aangifte te doen bij de politie is te groot, de politie is immers helemaal het tegendeel van je ‘vriend en helper’, zoals het toen op affiches van de nazi’s beweerd werd. Uiteindelijk doet hij het toch, zeer tot zijn scha en schande. Om dan, in het laatste korte hoofdstuk, te eindigen in het krankzinnigengesticht. En dat was, zoals we nu goed weten, slechts een tussenstation naar veel onherbergzamere oorden. Maar dat wist de schrijver nog niet, kon hij waarschijnlijk zelfs niet bevroeden (de nazi’s zelf wisten toen nog niet hoe ver ze uiteindelijk zouden gaan).

Het boek wordt gevolgd door een kort nawoord van uitgever Peter Graf, waarin hij de figuur van de schrijver en de aard van zijn boek schetst. Parallellen met hedendaagse toestanden trekt hij niet, dat laat hij aan de lezer zelf over. Maar die liggen uiteraard voor de hand. Ook al verschilt de toestand van toen hemelsbreed van de toestand van vandaag. Toen was het puur irrationeel fanatiek racisme, dat aan de oorsprong lag van de vele vluchtelingen. Vandaag zijn het de door het westen ontketende oorlogen (bv. in Syrië) die aan de basis liggen van een nog groter vluchtelingenprobleem. Voor de rechtstreeks betrokkenen maakt dat niets uit, zij willen gewoon, liefst thuis, in veiligheid leven. Zoals de joden toen in Duitsland.

Ulrich Alexander Boschwitz (geboren 19 april 1915 in Berlijn; gestorven 29 oktober 1942).

Eén vraag heb ik me in dat verband toch nog gesteld: in hoeverre klopt het dat de sterke anti-joodse stemming zo vlug voet gekregen had onder de Duitse bevolking? Onder de ambtenaren was dat wel verklaarbaar, denk ik, zeker in 1938, dat is toch al vijf jaar na de machtsovername en drie jaar na de rassenwetten van Nürnberg; en gelet op de aard van Duitse (zouden andere anders zijn?) ambtenaren ligt het wel een beetje voor de hand dat ze administratieve maatregelen en zeker de houding erachter snel interioriseerden. Maar uit de lectuur van het boek krijg ik de indruk dat het algemener was; tenzij de auteur erin geslaagd is de angst van de hoofdpersoon (die waarschijnlijk ook zijn eigen angst geweest is) door zijn boek heen te weven. Want inderdaad, Silbermann komt ook andere Duitsers tegen, in een van de treinen die hij neemt, Duitsers die ofwel onverschillig staan tegenover zijn jood-zijn, of die hem zelfs een beetje willen helpen. Maar het opvallendst blijven toch wel de angst en het diepe wantrouwen.

Delen:
Share

26/11/2018
door Peter
Geen reacties

Neurologie

Wanneer je ooit zelf een TIA (Transient Ischemic Attack – een tijdelijke afsluiting van een bloedvat in de hersenen) of iets dergelijks hebt gehad, kun je de neiging gaan vertonen je kop verder in het zand te steken, of je kunt nieuwsgierig worden en je gaan verdiepen in de disciplines die met je ‘zaak’ te maken hebben. Niet dat je, zoals in mijn geval neurologie zou gaan studeren; nog afgezien van het feit dat ik weinig aanleg heb voor min of meer exacte vakken (hoe boeiend ze verder ook voor me mogen zijn) zou dat twaalf jaar studie vergen, en tegen dan ben ik er tweeëntachtig; meer wellicht als het curriculum inmiddels uitgebreid is.

Maar ook daarzonder zou ik onderhavig boek wellicht gelezen hebben, want lang voor die TIA interesseerde me dat alles al en las ik erover, vaak in die goede en goedkope aula-boeken uit de jaren zestig en zeventig.

Er zijn dus gelukkig goede neurologen die boeken schrijven die ook door een leek in het vak zonder veel moeite gelezen en begrepen kunnen worden. Zo las ik alweer enkele maanden geleden een boek van de Nederlander Dick Swaab, waar ik nogal wat kritiek op had, maar dat me ook zeer veel heeft bijgeleerd, vooral op het gebied van de feiten: wat er allemaal mis kan gaan in de hersenen en wat daar de gevolgen van zijn. Swaab is een duidelijke reductionist: alles speelt zich af in de hersenen en omgevingsfactoren spelen geen enkele rol. Het tegenovergestelde dus van de psychiaters uit mijn studententijd (Laing, Cooper, Foudraine, Szasz…) voor wie de hersenen amper bestonden en voor wie letterlijk alles terug te voeren was tot omgevings- en opvoedingsfactoren.

Twee erg eenzijdige visies dus.

Wat dat betreft neemt de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Eric Kandel (De gestoorde geest. Wat ongewone hersenen ons vertellen over onszelf, Uitgeverij Atlas-Contact, Amsterdam, 2018) duidelijk een middenpositie in. En terecht, denk ik, ook al ben ik geen liefhebber van ‘le juste milieu’. Wellicht heeft dat te maken met het feit dat Kandel niet enkel neuroloog en fysioloog is, maar dat hij ook psychiater is, die begon als psychoanalyticus in goede Freudiaanse traditie. Wie Freud echt gelezen heeft (en dat hebben de Maarten Boudry’s van deze wereld duidelijk niet), weet dat hij ervan uitging dat vele zaken in de toekomst op een neurologische wijze zouden kunnen worden benaderd, dat het hersenonderzoek dus heel belangrijk was in zijn ogen, en dat zodoende in diezelfde toekomst vele psychische problemen chemisch, d.w.z. door geneesmiddelen opgelost zouden kunnen worden.

Dat is inmiddels ook gebeurd en mensen als Eric Kandel hebben daar een grote rol in gespeeld. Misschien moet je echt én psychiater én neuroloog zijn om onbevangen tegen de hele problematiek aan te kijken, die Kandel in zijn boek aansnijdt, ontvouwt, uitlegt en waarvoor hij verdere onderzoekspaden voor de toekomst aangeeft. Want één zaak is wel duidelijk: over de hersenen en hun werking, over de invloeden van buitenaf erop weten we nog veel te weinig.

In tegenstelling tot Swaab, die het brein volgde vanaf het ontstaan in de baarmoeder tot het bittere einde, legt Kandel de focus op de belangrijkste afwijkingen of geestesziekten; die onderzoekt hij, en dat laat hem in overeenstemming met zijn ondertitel toe om ook conclusies te trekken over ‘normale’ hersenen en ‘normaal’ gedrag.

Op pagina 273 van zijn boek staat een illustratie, waarin de verschillende door Freud onderscheiden delen van het bewustzijn zijn weergegeven; het is geen toeval dat dit schema in het hoofdstuk over het bewustzijn staat; zelf noemt hij dat ‘het laatste grote raadsel van de hersenen’.

Het is duidelijk dat hij bovenstaand Freudiaanse schema aanvaardt. Filosofen als Boudry (en waarschijnlijk ook Vermeersch) aanvaarden dat niet; zij zijn hyperrationalisten en voor hen bestaat enkel het bovenste gedeelte van het gele gebied, al de rest beschouwen zij als onzin en niet bestaande. Zou het kunnen, heb ik al gedacht, dat dat in hoofde van die personen gewone afweermechanismen zijn? Om die andere belangrijke term van Freud te gebruiken. Dat zij angst hebben voor iets dat in hen aanwezig is, angst dat ze het niet meer zouden kunnen controleren? Angst voor het ‘es’? Als het al zo is, dan weten zij het zelf niet, want dergelijke processen spelen zich uiteraard op onbewust niveau af.

Volgens Kandel bestaat dat onbewuste dus wel degelijk, maakt het deel uit van het grote geheel, maar weten we gewoon nog niet goed hoe dat alles werkt, vandaar het woord ‘raadsel’. Hij gaat er wel van uit dat het zuivere bestaan van het onbewuste (en aanverwante) wel degelijk bewezen is. Maar eigenlijk is dat al zo sinds minstens de jaren vijftig. Ik herinner me uit mijn jeugd de lectuur van boeken van Vance Packard (de bekendste titel in dit verband is wellicht The hidden persuaders), waarin deze, mede op grond van toenmalige psychologische studies, aantoonde hoe de reclame rechtstreeks op dat onbewuste inwerkte, door in beeldreeksen beelden in te lassen die te kort waren om zich ervan bewust te worden, maar die door het brein toch werden opgenomen en zodoende invloed uitoefenden op het gedrag van mensen. Ook Kandel heeft het over dergelijke mechanismen. Die, dat voeg ik erbij, zeer gevaarlijk kunnen worden in een politieke context; en dan denk ik niet enkel aan beelden, maar bv. ook aan woorden als die maar lang genoeg herhaald worden, liefst op een onopvallende, bijna achteloze wijze. Onze politiekers zijn voor zoiets meestal veel te dom, maar ze hebben wel volk in dienst, dat die zaken wel grondig beheerst. Echte glibberige slangen, die je amper ziet, omdat ze liefst vanuit het duister werken.

Naast dit probleem van het ‘bewustzijn’ (over het ‘zelf’bewustzijn heeft hij het niet; zou het kunnen dat dat gewoon hetzelfde is wat aard en functie betreft?) heeft hij het dus vooral over de bekendste stoornissen, zoals autisme, schizofrenie, depressie, dementie… Wat me daarbij opvalt is dat er sinds Freud inderdaad (zoals hijzelf voorspeld had) genetische afwijkingen gevonden zijn die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de ziekte in kwestie. Dat is nooit een zaak van één oorzaak één gevolg, maar van meerdere oorzaken voor eenzelfde gevolg. Vooral bij schizofrenie lijkt het zo te zijn dat er een heel aantal genetische afwijkingen in het spel zijn.

Hoe die afwijkingen ontstaan zegt Kandel amper; maar hier laat hij wel een opening voor omgevingsfactoren, waarin triggers kunnen spelen, die die genetische afwijkingen kunnen genereren. Wat me eigenlijk een beetje verbaast (maar blijkbaar is het een bewezen feit) is dat zelfs een gewone gesprekstherapie tot veranderingen in de hersenen kan leiden. Als dat inderdaad zo is (en wie ben ik om eraan te twijfelen), tot welke veranderingen moeten bepaalde omgevingsfactoren in de heel vroege jeugd dan niet voeren? Ik vind het een beetje jammer dat hij hier niet dieper op ingaat; maar anderzijds is dit natuurlijk het gebied waarop je je het snelst op glad ijs waagt, omdat hier amper iets proefondervindelijk vastgesteld kan worden, laat staan dat je experimenten zou kunnen uitvoeren.

Maar de afwezigheid van enig rationalistisch of ander reductionisme is op zich al een grote verdienste. En wie zelf last heeft van depressies weet uit ervaring dat de context inderdaad een grote rol speelt, ongeacht de genetica, waarvan inmiddels vaststaat dat ze mede aan de basis ligt van depressies. Maar toch, ook hier weer stel ik maar de vraag: wat was er eerst, de kip of het ei?

De laatste jaren zijn er ook andere problemen opgedoken die met de werking van de hersenen te maken hebben. Voordien waren die problemen er ook al, maar kwamen ze om allerlei, vaak godsdienstige of ideologische redenen in de maatschappij niet aan bod. Terwijl ze voor de rechtstreeks en onrechtstreeks betrokkenen toch even ingrijpend zijn. Ik heb het dan over bv. verslaving en genderidentiteit, waaraan hoofdstukken gewijd worden.

In zekere zin beschouw ik mezelf eveneens als een rationalist, net zoals Vermeersch en Boudry; maar daarmee bedoel ik enkel dat de ratio het meest voor de hand liggende instrument is om problemen waar individuele mensen of de mensheid zich voor ziet gesteld op te lossen. Koel en zakelijk analyseren, ook wat betreft de oplossingen die zich aanbieden, controleren op haalbaarheid en dat dan ter kennis brengen van…politiekers jammer genoeg, die met rationele analyses niets aankunnen, omdat ze volledig gedreven worden door irrationele zaken, door emoties zeg maar; en datzelfde geldt voor het merendeel van de mensheid. En dat betekent dat er aan problemen eerder niet dan wel gewerkt wordt, tot er, een keer per eeuw of per twee eeuwen, erupties plaatsvinden met de kracht van vele vulkanen. Vooral uit het hoofdstuk over ‘de wisselwerking tussen bewuste en onbewuste emoties’ heb ik voor mezelf wel enkele conclusies kunnen trekken.

De mens is geen rationeel wezen, jammer genoeg wellicht. Maar dat is een conclusie waaraan niet te tornen valt, na lectuur van dit wetenschappelijke boek nog meer misschien dan vroeger. Maar zelfs rationeel denkende wezens kunnen hun rationalisme in dienst stellen van totaal abjecte doeleinden: zo waren er in de tijd van Bush hoogleraren in de rechten te vinden die perfect sluitende argumentaties konden opstellen om martelingen (waterboarding) goed te praten; zo zijn er in elk leger ter wereld psychiaters aan het werk, die hun kennis ten dienste stellen van moordpartijen (en dan denk ik echt niet aan Karadžić), van het klaarmaken van soldaten om hun ‘werk’ verder te zetten edm.

Tenslotte is er nog een hoofdstuk dat me nauwer aan het hart ligt dan andere, omdat het over creativiteit en kunst gaat. Kandel neigt ertoe de overigens al oude stelling te omarmen dat er inderdaad een verband is tussen een belangrijke creativiteit en hersenstoornissen. Lombroso (die door Kandel genoemd wordt) moet zowat de eerste geweest zijn om dat verband min of meer grondig uit te spitten. Ik lees graag biografieën van schrijvers en andere kunstenaars, en wanneer je dat veel doet, dan moet je inderdaad tot de conclusie komen dat bij de meesten wel een of meerdere vijzen loszitten. Gelet op de schoonheid die eruit voorkomt is dat helemaal niet erg. Maar een beetje verbazingwekkend blijft het voor mij toch. Dat geldt overigens waarschijnlijk niet enkel voor klassieke kunstenaars, maar ook voor wiskunstenaars. Hoevelen daarvan in de twintigste eeuw zelfmoord pleegden bv. is toch erg opvallend; en degenen die het niet deden leden soms aan depressies of zelfs schizofrenie. Het belette hen niet om geniaal te zijn én gek, om de titel van Lombroso’s bekende werk even boven te halen.

Over dit aspect bestaat er een lang artikel, dat overigens door Kandel geciteerd wordt; hier is de link, voor geïnteresseerden: “Secrets of the Creative Brain” (Nancy C. Andreasen)

Het boek is doorlopend geïllustreerd (in kleur) en goed geschreven (en/of vertaald); ook door leken kan het zonder problemen gelezen worden, want Kandel is één van die wetenschapsmensen die vulgariserend kunnen schrijven zonder aan wetenschappelijkheid te verliezen. En zo blijf je op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen in dit belangrijke vakgebied. Een aanrader dus.

Delen:
Share

25/11/2018
door Peter
Geen reacties

Thomas Graftdijk: In de mijn

In zijn korte leven heeft Thomas Graftdijk amper drie boeken gepubliceerd, één prozaboek en twee dichtbundels. Grote of belangrijke literatuur is het niet, en het is dus begrijpelijk dat hij als auteur vergeten is. In die twee bundels staat er slechts éen enkel gedicht dat mij aangesproken heeft, het staat in zijn debuutbundel Lachend op de achterste rij (Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, s.d.), en het heet ‘In de mijn’:

“Van steenkoollaag tot laag, langs schommelende
kabels van het bijna niet meer weten,
klim je langzaam door de jarenlange schacht

die van de oorsprong naar het hoegenaamde einde
leidt, uit ingestorte tunnels en kanalen, langs de
breuklijn van het allerlaatste licht omhoog,

bereikt ineengevouwen als een kreeft uiteindelijk
de rand van het verlaten territorium en valt,
en valt opnieuw om steeds opnieuw te vallen.” (p.31)

Een eerste reden waarom dit gedicht me aansprak heeft met het gedicht in kwestie of met poëzie in het algemeen geen uitstaans. Het heeft wel ermee te maken dat ik als het ware tussen mijnwerkers ben opgegroeid, dat de mijn en het werk aldaar voortdurend thuis aanwezig waren, op de eerste plaats omdat de vader daar werkte (begonnen in de ondergrond, maar al snel omhoog gekropen om bediende te worden), maar eerder nog door het feit dat in het café dat de moeder hield veel mijnwerkers kwamen. Als ik als kind ’s morgens opstond om naar de kleuterschool te gaan, zat de keuken vol mijnwerkers die de nacht hadden gedaan (sommigen nog zwart in het gezicht) en langs achter binnen konden (in de dorpen in de jaren vijftig hoefde je niets op slot te doen) om zichzelf pintjes en jenevers in te schenken. En de keuken hing vol damp van de sigaretten. Niks geen politieke correctheid inzake gezondheid. Oud werden ze meestal toch niet.

Maar dat zijn persoonlijke anekdotes, die wel een zekere gevoeligheid hebben achtergelaten, maar verder inderdaad niet noodzakelijkerwijze tot poëtische gevoeligheid leiden, al dan niet over mijnen en/of mijnwerkers.

Bron: L1 (de regionale omroep van de provincie Limburg)

Het gedicht hierboven gaat ook helemaal niet over mijnen, maar over het leven zelf, én over geboorte. De mijn is niets anders dan een zuivere metafoor (een ‘objective corralative’ in de zin van Eliot), waarbinnen dan weer andere metaforen optreden. En dat aspect maakt het gedicht toch wel boeiend. Dat de schacht waarvan sprake is in het derde vers naar de levensloop als zodanig, die van elckerlyck dus, verwijst, wordt bewezen door het volgende, het vierde vers, waarin expliciet een oorsprong en een einde genoemd worden. Waarom er sprake is van een ‘hoegenaamd’ einde is niet duidelijk, maar waarschijnlijk heeft dat betrekking op het wijd verspreide geloof in een hiernamaals, in het feit dat, zoals men dan zegt, de dood het einde niet is, maar dat er een soort ziel zou bestaan die dan op haar eentje verder leeft, ergens.

Ook het tweede vers is een beetje raadselachtig. De lift die de mijnwerkers naar beneden en terug naar boven brengt hangt uiteraard aan kabels, zoals alle liften, vermoed ik. En het ‘niet meer weten’ kan in die context duiden op een automatisch of een onbewust proces, iets dat vanzelf, routineus gebeurt, bijna zonder weten van de betrokkenen zelf, zoals dat met de meeste zaken in het leven zelf gebeurt. Zonder routine is waarschijnlijk geen leven mogelijk.

Maar de weg die hier bewandeld wordt mag dan al een gebaande weg zijn, een weg die je als het ware instinctief volgt, in de tweede strofe treedt ook nog iets anders op. Even instinctief, even onbewust, maar toch even anders. De ‘ingestorte tunnels en kanalen’ vind je inderdaad ook in een mijn die al lang in gebruik is, maar hier hebben we weer met een metafoor te maken, een metafoor in de metafoor: als het leven geen pretje is, dan betekent dat ook dat het voor een groot deel uit verlies bestaat, uit kwetsuren, uit pijn. De dichter zegt dat nooit op een expliciete wijze, maar onrechtstreeks. Het ‘allerlaatste licht’ sluit weer aan bij het ‘hoegenaamde einde’, het is de dood als einde van een leven.

Maar de tunnels en kanalen waar de dichterlijke ik, en met hem elckerlyck, door moet kunnen ook op de geboorte slaan; ook dat is een tocht door een schacht naar het licht, weliswaar niet het allerlaatste, maar toch. Het enige licht wellicht, en dus ook het allerlaatste. Een kind in de baarmoeder ligt daar inderdaad ‘ineengevouwen’ vooraleer het die baarmoeder verlaat. Dat ‘verlaten territorium’ kan in mijn visie op een dergelijk proces slaan, maar het is uiteraard ook weer een nieuwe metafoor voor het leven (binnen de mijnmetafoor die ook op het leven slaat).

Leven en dood, geboorte en dood hangen zodoende in dit gedicht symbiotisch aan elkaar vast, zoals ze dat ook in de werkelijkheid doen. En die woorden komen in het gedicht niet voor, dat blijft impliciet én het biedt mogelijkheid voor meerdere, maar toch steeds verwante interpretaties. Zo zullen sommigen de verwijzing naar geboorte wellicht niet (willen) zien.

Het einde is wellicht de sterkste metafoor binnen het gedicht. Maar is dat zo op zich, of omdat het een duidelijke, zij het misschien niet bewuste allusie is op een van de beroemdste en bekendste gedichten uit de wereldliteratuur? Ik bedoel natuurlijk ‘Hyperions Schicksallied’ van Hölderlin, waarin het o.m. heet:

Es schwinden, es fallen
      Die leidenden Menschen
          Blindlings von einer
               Stunde zur andern,
                      Wie Wasser von Klippe
                             Zu Klippe geworfen,
                                    Jahr lang ins Ungewisse hinab.”

Of die verwijzing nu bedoeld is of niet, doet er niet toe. Het beeld van Graftdijk heeft eigenlijk dezelfde kracht als dat van Hölderlin, waarbij vanzelfsprekend Hölderlin de grotere dichter is. Dat zou ik eigenlijk niet hoeven te zeggen.

Eén gedicht dat me aanspreekt. Kan het zijn dat dit het enige gedicht van Graftdijk is dat de moeite waard is om bewaard te blijven in een of andere bloemlezing? Ik ben het even gaan nakijken boven: in de dikke Komrij staan twee gedichten van hem, waaronder inderdaad dit ‘In de mijn’; ik wist het echt niet. In de dikke Pfeijffer daarentegen komt hij niet meer voor.

En er moet een foto bestaan van mijn moeder als ze in de lift uit de mijnschacht komt, zwart nog in het gezicht. Na een bezoek natuurlijk. Ik kan die foto niet terugvinden.

Delen:
Share