14/05/2017
door Peter
Geen reacties

14.05.17 – Democratie

Wie mij een beetje kent zal het wel weten natuurlijk : ik ben geen democraat, totaal niet. De reden daarvoor ligt wel voor de hand : het begrip ‘democratie’ is een van de leugenachtigste begrippen die vandaag de dag in de politiek gehanteerd worden.

Democratie bestaat immers niet, nergens. En diegenen die zich het meest op het begrip beroepen – de Amerikanen en hun handlangers – zijn de grootste leugenaars en bedriegers, want zij weten perfect dat het systeem dat zij verdedigen helemaal geen uitstaans heeft met enige vorm van democratie. Hoe je het dan wel noemt of noemen moet of wil, laat me koud ; feit is dat in onze zichzelf ‘democratische’ noemende maatschappijen de échte macht in handen is van een heel kleine groep mensen, die voortdurend in het donker blijft.

Wat mag dan wel ‘democratie’ zijn ? Gewoon wat het woord zegt : ‘demos’ is volk en ’kratein’ is regeren. Dat betekent op z’n minst dat er geregeerd wordt met de belangen van dat volk voor ogen, en met de nodige inspraak wanneer die belangen met de voeten worden getreden. In een representatieve ‘democratie’ zoals de onze is dat niet mogelijk. En waarom dat zo is werd nog het best uitgedrukt door de burgemeester van België toen die koudweg verkondigde dat het ‘volk’ (demos) mocht kiezen en dat de politiekers dan konden doen wat ze willen. ‘Elections, piège à cons !’ noemde Sartre dat in de jaren zeventig zeer terecht. De echte machthebbers zitten immers in de raden van bestuur van de grote financiële instellingen en andere grote ondernemingen, en het politicaille vormt enkel de zetbazen van die échte machthebbers; : het politicaille zie je in het volle licht paraderen om hun eigen narcisme te strelen, terwijl de anderen grotendeels in het duister blijven om in hun vuistje te lachen.

Een ‘democratie’ waarin de politici grotendeels maatregelen nemen die enkel de financiële toplaag van maximum tien procent bevoordelen is ipso facto géén ‘democratie’.

Gedichten over het begrip ‘democratie’ worden vandaag de dag niet meer geschreven, vrees ik. Tenzij onrechtstreeks, zoals in de meesterlijke bundel Idyllen van Ilja Leonard Pfeijffer. Waarschijnlijk is het zich-wijs-maken dat we in een ‘democratie’ zouden leven zo diep doorgedrongen dat niemand het begrip nog in vraag stelt of durft stellen. Het zij zo.

Vroeger was dat soms toch wel anders. Zo opent de Poésies lyriques van Theodore Weustenraad met een gedicht uit 1845 dat gewoon ‘La démocratie’ heet.

Weustenraad was uit Maastricht afkomstig en schreef ook in het Maastrichtse dialect ; zijn gedicht De percessie van Sjerpenheuvel is bekend en werd in de afgelopen jaren nog heruitgegeven. Maar officieel schreef hij in het Frans. Bij de scheiding tussen het Noorden en het Zuiden koos hij voor België en dat zal wel te maken hebben met de taal die hij uiteindelijk koos voor zijn poëzie: het jonge België wilde immers een Franstalige staat zijn. Oud is Weustenraad niet geworden : amper 44 jaar. Zijn Franstalige gedichten werden samengebracht in voornoemde in 1848 uitgegeven verzamelbundel, dat is dus in het jaar voor zijn dood.

Zijn poëzie is typisch voor die tijd : zowel natuurbeelden als hymnes aan de industrie, oproepen tot liefdadigheid, maar ook een lang gedicht voor ‘le prolétaire’ waarin Saint Simon gehuldigd wordt én wat we nu zouden noemen ‘the rule of law’ ofte de ‘rechtsstaat’.

Een gedicht over de democratie past daar wel bij zou ik zo denken, ook al weten we niet wat de dichter ermee bedoelt. Waarbij we in het oog moeten houden dat ook het begrip ‘democratie’ aan verandering onderhevig is. Met name in de politiek zijn er aanzetten tot democratie (die daarentegen in het economische en sociale vlak toen en nu totaal afwezig zijn) ; maar die waren er in 1848 nog helemaal niet. Er heerste cijnskiesrecht : ongeveer tien procent van de bevolking had dus stemrecht, en laat dat nou net die tien procent zijn die ook vandaag nog alles voor het zeggen heeft ; alleen gebeurt dat nu bedekt, toen openlijk.

Laten we dus eens kijken wat Weustenraad te zeggen heeft over het begrip in kwestie. Over de vorm zal ik het weinig hebben : toentertijd schreven de meeste dichters in dezelfde vanouds voorgeschreven vormen, en enkel in de beeldspraak veroorloofden sommigen zich wel eens iets nieuws of verrassends.

Boven het gedicht staat een kort motto dat aan niemand toegeschreven wordt, maar dat wel bekend is. Het was nl. de strijdkreet van de deelnemers aan de eerste kruistocht, ‘Dieu le veut !’

Dat brengt al onmiddellijk een zekere dubbelzinnigheid in het gedicht, die nieuwsgierig maakt. Want wat bedoelt de dichter, waarom stelt hij dat citaat vooraan ? Wil hij oproepen tot een soort kruistocht voor de democratie ? Alsof God de democratie zou willen ? Of is eerder het tegendeel het geval ? Drukt hij een zekere sterke of lichte angst voor de democratie uit ? Die dan op de een of andere manier bestreden moet worden, zoals vroeger de Saracenen door de legers der kruistochten ?

Laten we het gedicht gewoonweg in detail, strofe per strofe bekijken en analyseren.

Dieu le veut !

Place, place au torrent ! il grossit, il s’avance !
Pour arrêter sa marche et dompter sa puissance,
En vain les rois du monde ont uni leurs efforts ;
Encore un jour, une heure, et le lit séculaire,
Le lit étroit, obscur, où gronde sa colère,
Il va l’abandonner pour engloutir ses bords.

Je zou denken dat dit oftewel in 1848 zelf, of vlak daarna geschreven werd. Maar nee, drie jaren ervoor. Waarschijnlijk hingen de opstanden van dat revolutionaire jaar al in de lucht, zeker in Frankrijk, waar het sinds 1789 eigenlijk nooit meer echt rustig geweest was. Daar komt bij dat schrijvers vaak seismografen zijn (was het Boon die dit woord gebruikte ?), die op de een of andere manier voorvoelen wat er op het punt staat te gebeuren. De dag en het uur waarvan sprake in het vierde vers moeten we daarbij uiteraard niet letterlijk nemen : het betekent gewoon dat wat te gebeuren staat, onvermijdelijk te gebeuren staat, elk ogenblik kan beginnen, maar dat het ook nog wel een tijdje duren kan (een maand, een jaar…).

De koningen van de wereld staan voor de toenmalige politieke machthebbers : degenen die de wetten (deels) maakten of uitvoerden, en die veel duidelijker en openlijker dan vandaag in Europa het geval is (de VS zijn wat dat betreft van een ander kaliber : het grootste bakkes als het over ‘democratie’ gaat, maar ondertussen heerst daar de meest openlijke oligarchische graaicultuur die je je maar kunt indenken) op z’n engst verbonden waren, ja zelfs samenvielen met de economische machthebbers, inderdaad grotendeels zoals dat vandaag in de VS het geval is.

Wat mij onmiddellijk opviel was de letterlijke overeenkomst van het beeld van de stormvloed met hetzelfde in een gedicht van Brecht, dat geen honderd jaar later geschreven werd (maar vandaag de dag zou het beeld zonder enig probleem opnieuw gebruikt kunnen worden) :

‘Über die Gewalt

Der reissende Strom wird gewalttätig genannt
Aber das Flussbett, das ihn einengt
Nennt keiner gewalttätig.

Der Sturm, der die Birken biegt
Gilt für gewalttätig
Aber wie ist es mit dem Sturm
Der die Rücken der Strassenarbeiter biegt ?’

(Bertolt Brecht : Die Gedichte, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 2000, p. 854)

Ik denk niet dat Brecht Weustenraad gekend heeft ; Brecht las weliswaar Frans, maar kleine, toen al vergeten Belgische dichters zal hij niet gekend hebben ; er zijn in elk geval nergens sporen van terug te vinden. Het is gewoon een beeld dat voor de hand ligt in àlle tijden waarin opstand en omwentelingen dreigen.

In de tweede strofe richt de dichter zich rechtstreeks tot diegenen die blijkbaar het meest bevreesd zijn voor de komende vloed ; én de dichter geeft raad over hoe dat toch nog af te wenden. Door een vorm van ‘democratie’ in te voeren ? Integendeel, lees maar :

Riches trop indolents qui craignez ses ravages,
Au lieu de l’insulter du haut de ses rivages,
Creusez-lui donc un lit plus large et plus profond,
Où puissent librement à travers nos vallées
Rouler au grand soleil ses vagues nivelées,
Sans ébranler la digue ou menacer le pont.

Opvallend is het bijvoeglijk naamwoord in het eerste vers: de luiheid en de lankmoedigheid die in ‘indolent’ verscholen zitten, kunnen wijzen op een vorm van decadentie, van maatschappelijke en culturele moeheid, die ervoor zorgt dat de betrokkenen niet meer handelen kunnen. Maar dat was een aspect van de literatuur en de cultuur die slechts veel later, op het einde van de eeuw in volle kracht – als je ‘t zo mag stellen – naar buiten zal treden. In 1845 is België nog een nieuw land met een optimistische bourgeoisie en een industrie die tot de eerste van Europa behoren. Maar waar er actie is, is ook reactie, en waar rijken zijn, daar zijn ook armen. Volgens de toen voor het eerst naar voren tredende marxisten komt de rijkdom van de enen trouwens gewoon voort uit de arbeid van de anderen, van de grote massa.

Het verschil tussen rijk en arm is nu nog steeds even manifest aanwezig als toen, en de kloof is zelfs nog veel groter geworden, zowel in absolute termen als in relatieve termen. En ook nu worden de stemmen die van oordeel zijn dat ook de rijken hun steentje mogen bijdragen tot het welzijn van de maatschappij hoe langer hoe luider en duidelijker. Maar ook nu zijn er maar weinigen die de verhouding zelf tussen stroom en bedding in vraag willen stellen, met andere woorden die de bedding en de dijken zelf stuk willen om zodoende de stroom de kans te geven om totaal nieuwe, zelfgekozen wegen in te slaan.

Ook Weustenraad wil dat duidelijk niet ; wat hij uitdrukt is de angst van de rijken die hij toespreekt : zorg ervoor dat stoom afgelaten kan worden, dat een bredere bedding de opgehoopte kracht van de stroom afzwakt en kanaliseert op een ongevaarlijke manier.

Dat is wat men vandaag nog altijd ‘democratie’ noemt.

In de volgende twee strofen wordt dit gegeven dan verder uitgewerkt.

Nouveaux rois de la glèbe, encor surpris de l’être,
Vous tremblez en songeant qu’il vous faudra peut-être,
Pour lui frayer sa route au milieu des guérets,
Faire abattre un vieux mur gardien de vos domaines,
Ravir au soc jaloux un sillon de vos plaines,
Ou porter la cognée au cœur de vos forêts.

Mais songez donc aussi qu’au jour de la tempête,
S’il vous trouvait jamais à vos banquets de fête,
Chantant, la coupe en main, les douceurs du repos,
Avant que la nuit vînt disperser votre troupe,
Avant que votre lèvre eût pu vider la coupe,
Vous-mêmes vous seriez emportés par ses flots.

De rijken die hier bedoeld worden zijn duidelijk niet de nieuwe bourgeois van de opkomende industrie, maar wel landeigenaren. Waarom die nieuw zijn, of verwonderd het geworden te zijn, wordt niet duidelijk gemaakt, maar waarschijnlijk heeft het te maken met de nieuwe staat, waarin weliswaar dezelfde klassen de macht bezitten, maar wel andere, Belgische leden van die klassen.

Wat zij moeten opgeven (een stuk ouwe muur, een onbetekenend stukje aarde, enkele bomen…) stelt eigenlijk niets voor en zal hun rijkdom amper verminderen, maar wel een uitweg laten aan de stroom, die zich gewoon dood zal vloeien…zoals alle machthebbers hopen dat gebeuren zal met alle opstanden en omwentelingen.

Wat opvalt : wie die muur neerhaalt, wie dat veld, dat land bewerkt, wie houthakt in die bossen, dat wordt nooit gezegd ; we krijgen dus de indruk alsof het de landeigenaren zelf zouden zijn die achter de ploeg lopen.

Quod non natuurlijk, dat blijkt wel uit de volgende strofe, waarin het werkelijke leven van de heersende klassen even geschetst wordt : plezier maken, eten en drinken aan rijkelijke banketten, dat is het leven van de rijken. En is het nu anders ?

Het laatste vers kan een reminiscentie zijn aan tijden die toen nog niet zo ver terug lagen. De auteur zelf heeft natuurlijk de Franse revolutie niet meegemaakt, daarvoor is hij te jong, maar de omwentelingen van het jaar 1830 ondervond hij wel degelijk persoonlijk. In België en Nederland ging dat natuurlijk niet zo ver als in Frankrijk zelf, maar toch : de geest van de Revolutie bleek nog levendig te zijn. En ouderen zullen zich la Terreur nog wel herinnerd hebben, toen inderdaad een hele clerus en een hele aristocratie door de stormvloed weggespoeld werden, zonder pardon.

Dat is het, zo lijkt me, wat de dichter zou willen verhinderen en voorkomen. Wat hij nog eens expliciet zegt in de volgende strofe, waarin hij zich opnieuw rechtstreeks tot de rijken richt :

Riches, faites mentir ce sinistre présage !
Grâce aux lâches terreurs des hommes d’un autre âge,
Le ruisseau d’autrefois est torrent de nos jours.
Instruits par leurs revers, montrez plus de prudence.
Que l’hostile torrent, trompé dans sa vengeance,
Passe, se change en fleuve, et poursuive son cours.

Wat de thematiek en een deel van de woordenschat betreft, lijkt het soms wel een hedendaags gedicht. Het tweede vers van bovenstaande strofe verwijst volgens mij direct naar de Franse revolutie, en met name naar die periode daarin die de periode van ‘la terreur’ genoemd wordt. Of die inderdaad zo laf was, hangt natuurlijk volledig af van de appreciatie van Weustenraad. Hoe dan ook roept hij duidelijk op om voorzichtiger te zijn dan toen.

Over de oorzaken van die Franse revolutie zegt hij niet veel ; wellicht is een gedicht daar ook niet het beste medium voor. Maar met rijkdom heeft het natuurlijk wel te maken. In het Ancien Régime bestond er zoiets als ‘cahiers de doléances’, en de verschillende klassen konden die opnieuw opstellen en indienen bij het begin van de Etats généraux, bijeen geroepen voor 1789 en eigenlijk gewoon het begin van de Franse revolutie.

Waar gingen die ‘cahiers’ over ? Er is voldoende onderzoek naar gedaan om zelfs historici die het tot burgemeester van België gebracht hebben iets duidelijk te maken. Over belastingen gingen die namelijk voor meer dan 90%, en dan meer bepaald over het feit dat blijkbaar enkel de lagere klassen belastingen betaalden. Moet er nog zand zijn ?

Maar eenmaal begonnen, nemen de gebeurtenissen natuurlijk een eigen en autonome loop, die met de initiële problemen soms niets meer te maken heeft, en waarin vooral de toenemende radicalisering opvalt. Dat geldt voor alle revoluties.

En dat geldt het dus te vermijden. Om wat te bereiken ? Dat wordt duidelijk in de volgende strofe :

Alors s’abaissera la fierté de ses ondes,
Pour livrer un chemin aux vaisseaux des deux mondes,
Pour inonder nos ports de trésors ignorés ;
Alors se pareront de moissons toujours mûres
Ses bords, qui maintenant n’étalent pour parures
Que des halliers épais et des rocs déchirés.

Ook nu weer wordt (de drie laatste verzen) eerder naar de landbouw, naar de oogsten dus verwezen dan naar de industrie, waar Weustenraadt elders toch de zanger van blijkt te zijn. Maar zoals gezegd : in het midden van de 19de eeuw is het nog grotendeels de landbouw die de economie bepaalt, en de industrie staat nog in haar kinderschoenen. Pas tien jaar voor het schrijven van dit gedicht was in België de eerste korte spoorlijn geopend, en ook op het ogenblik van het schrijven was van een echt net nog geen sprake.

De eerste drie verzen verwijzen naar iets heel anders, denk ik, nl. naar het begin van wat je een wereldeconomie kan noemen, waarmee ik bedoel : het begin van het imperialisme, van de rooftochten naar grondstoffen in de derde wereld. Ook dat was natuurlijk niet nieuw, men denke maar aan de VOC in Nederland.

Wat hij bedoelt met ‘vaisseaux de deux mondes’ begrijp ik niet goed. Van een ‘derde wereld’ was toen uiteraard nog lang geen sprake, en de constituent heeft naar alle waarschijnlijkheid ook geen politieke betekenis, maar enkel een zuiver geografische ; er worden inderdaad die streken op de wereldbol mee aangeduid waar de opkomende industrie in Europa het grootste gedeelte van haar grondstoffen zal gaan halen, om die hier te verwerken en om hier een zeer beperkte vorm van democratie te organiseren.

De laatste strofe trekt een soort besluit (‘donc’ in het eerste vers):

Debout donc, ô Faucheurs, qui, couchés sur vos gerbes,
Répondez à sa voix par des rires superbes.
Place, place au torrent qui s’avance en courroux !
Trop faibles désormais pour garder ses barrières,
Laissez-lui dévorer quelques stériles terres,
Pour conserver les champs fertilisés par vous.

De maaiers uit het eerste vers moeten hier, denk ik, zuiver metaforisch opgevat worden, ook al verwijzen ze natuurlijk ook direct terug naar al die passages in de voorgaande strofen, waarin sprake was, op de een of andere manier, van landbouw. De hoofdletter wijst eveneens op het metaforische karakter. Maar het is wellicht een min of meer valse metafoor, want de maaiers zijn natuurlijk niet degenen die de opbrengst krijgen, maar degenen die het werk doen. Binnen de ideologie echter van de opkomende liberale bourgeoisie van die tijd kwam dat op hetzelfde neer. Weustenraad was niet enkel een verdienstelijk dichter, maar ook een liberaal journalist. Voor de toenmalige bourgeoisie bestond alleen zij en haar belangen. De heersende ideologie is immers altijd de ideologie van de heersenden.

De laatste twee verzen passen in dat kader, met ze zijn wel van een zeer scherp, maar waarschijnlijk totaal ongewild cynisme : geef het volk enkele kruimels van uw tafel, net voldoende om ze niet in opstand te laten komen, en hou de rest voor uzelf.

Enerzijds zou het niet helpen, want drie jaren later (1848) waren er democratische opstanden in heel Europa, in 1870 werd in Parijs voor het allereerst een grondslag gelegd voor een echte democratie, en in 1917 vond de Russische revolutie plaats.

Maar anderzijds is wat Weustenraad vooropstelt ook inderdaad gebeurd : er werden kruimels aan ‘la populace’ overgelaten, soms zelfs wel meer. Maar zowel Weustenraad als de meeste anderen vergeten daarbij één belangrijke zaak : dat gebeurde door strijd, het werd afgedwongen van de heersende klassen, ze gaven die kruimels niet uit eigen beweging, dat deden ze nooit, doen ze niet en zullen ze ook nooit doen. Nu we langzaam terugkeren naar de negentiende eeuw, nu alle ‘verworvenheden’ van de gewone werkende mensen langzaamaan worden afgebroken en alle sociale weefsels vernietigd, zien we wat deze ‘democratie’ werkelijk voorstelt : bedrog en leugen op een reusachtige schaal.

Ja maar, zal men zeggen, wat zet je dan in de plaats ?! Een echte democratie zou ik zeggen, maar dat uitwerken, al is het dan maar op papier, daar heb ik hier noch de tijd voor noch zin in. Wel zie ik volgende uitgangspunten : het land moet verdeeld in zo veel kiesdistricten als er afgevaardigden zijn, en binnen zo’n district kan eenieder zich kandidaat stellen. Op volksvergaderingen worden de kandidaten, nadat ze hun programma hebben voorgesteld en verdedigd, aangeduid. Partijen zijn daarbij uiteraard onnodig en zelfs schadelijk. Wie uiteindelijk verkozen wordt, vertegenwoordigt niet de natie of een ander dergelijk onbestaand gewrocht, maar wel haar of zijn kiezers. Die volgens vast te stellen regels dat mandaat ook ten allen tijde kunnen afnemen. Met internet is dat alles niet eens zo moeilijk te organiseren.

Maar vooraleer we zo ver zijn, zal niet enkel nog ontzettend veel water door de Maas moeten vloeien, we zullen eerst nog door oorlogen, opstanden, omwentelingen, rampen…heen moeten.

En of er dan nog iets overblijft om een werkelijke democratie mee uit te bouwen ?

11/05/2017
door Peter
1 reactie

11.05.17 – Den 30ste mei

Zou het?

Wanneer je de auteurs van twee onlangs gelezen wetenschappelijke werken mag geloven, wel degelijk. En goedgelovig als ik ben wanneer ik geconfronteerd wordt met zeer geleerde heren en dames, ben ik geneigd hen inderdaad te geloven. Maar dat deed ik eigenlijk al voor ik deze boeken las. Die mijn mening alleen maar bevestigen dus, maar die vooral de nodige achtergrondinformatie leveren om die mening, eerder dat aanvoelen, ook te staven, te funderen.

Het eerste is van Pablo Servigne en Raphaël Stevens: Comment tout peut s’effondrer. Petit manuel de collapsologie à l’usage des générations présentes. (Editions du Seuil, Paris, 2015). In drie delen wordt het probleem grondig en nuchter uit de doeken gedaan, zonder overdreven pessimisme, zonder overdreven optimisme. De schrijvers zijn wetenschappers, en geen Amerikaanse doemdenkers van de een of andere sekte.

In het eerste en belangrijkste deel wordt het begin geschetst, de eerste tekenen die we vandaag kunnen zien van een mogelijke ineenstorting van onze maatschappelijke systemen. De auteurs vertrekken vanuit een aantal curven, waarin de exponentiële versnellingen van alle belangrijke economische en sociale data worden voorgesteld:


Tijdens mijn lectuur van andere boeken en/of artikelen was ik wel al eens de ene of de andere van deze curven tegengekomen, maar ze allemaal zo op een rijtje zien staan is toch nog wat anders. Het is zelfs verbijsterend, en je hoeft uiteraard geen statisticus of wiskundige te zijn om op de eerste oogopslag te zien dat dit niet duren kan, dat daar een einde aan moet komen. The sky is not the limit.

Daarna werken ze dat verder uit door de nadruk te leggen op een drietal aspecten, die wellicht het bekendst zijn, maar ook het belangrijkst. Daar is natuurlijk vooreerst de opwarming van de aarde, waar behalve Trump en zijn horrorkabinet wellicht weinigen nog aan twijfelen. Het grote voordeel van o.a. dit boek is dat voortdurend verwezen wordt naar literatuur terzake, zodat je niet enkel kunt controleren wat de auteurs zeggen, maar  je ook gaat beseffen dat het nog erger is dan je dacht. Op de mainstreampers moet je niet hopen om over dit soort zaken ook maar iets te vernemen (daarin heerst grotendeels een idyllische virtuele realiteit), daarvoor moet je al echt naar gespecialiseerde wetenschappelijke tijdschriften en boeken gaan. En hoevelen doen dat? Laten we aannemen dat een boek als dit op enkele duizenden exemplaren gedrukt wordt. Wat betekent dat? Inderdaad, de druppel op de gloeiende plaat.

Een tweede belangrijke zaak is het financiële systeem. Dat is in 2008 al eens bijna totaal ingestort, maar het is duidelijk dat dit geen beleidsmatige gevolgen heeft gehad, dat de bankiers lustig verder doen alsof nooit iets gebeurd is, en dat het dus enkel wachten is op een volgende crash. Die onvermijdelijk zal komen.

Komt daar op de derde plaats de zeer sterke complexiteit van onze maatschappelijke systemen bij, waarin alles overal met alles samenhangt, zodat een scheurtje hier al snel tot een breuk daar kan leiden en vice versa. Temeer daar die systemen vastgeroest zijn in dergelijke mate dat het onmogelijk is om ze van binnenuit soepel te maken, aan te passen, te verbeteren of wat dan ook. In een deelhoofdstukje vragen ze zich af ‘Quelle sera l’étincelle?’, zonder dat ze daarop een antwoord kunnen geven natuurlijk. Of ze bij die vraagstelling aan Mao gedacht hebben (‘Une étincelle peut mettre la plaine en feu.’) zeggen ze – wijselijk? – niet.

In het tweede deel vragen ze zich af voor wanneer die ineenstorting geprogrammeerd staat. Gaven ze in het eerste deel vooral om niet te zeggen uitsluitend feitenmateriaal, dan zijn ze, zoals het echte wetenschappers betaamt, hier heel voorzichtig en wijzen elke vorm van futurologie af. Terecht denk ik. Wat niet belet dat er wel tekenen (kunnen) zijn en waargenomen worden die erop wijzen. Dat leiden ze af uit twee modellen die ze behandelen, en waarvan het tweede -World3 – al decennia oud is, want het werd ontworpen met het oog op het eerste rapport van de zgn. Club van Rome uit 1972. Ik herinner mij dat nog, er werd toen zeer veel over gediscussieerd; en ik heb dat rapport toen ook gelezen, maar herinner mij er niets meer van. De conclusie van toen luidde als volgt:

“si l’on part du principe qu’il y a des limites physiques à notre monde (c’est une hypothèse de base) alors un effondrement généralisé de notre civilisation thermo-industrielle aura très probablement lieu durant la première moitié du XXIième siècle.” (p.168)

Die rapporten werden regelmatig bijgewerkt aan de hand van recentere gegevens, maar geen enkel beleid heeft er ooit rekening mee gehouden of houdt er enige rekening mee.

Het derde deel werkt dan verder uit wat de auteurs ‘collapsologie’ noemen (er is ook een website daarover: http://www.collapsologie.fr), een nieuwe vorm van wetenschap die vooral steunt op demografie, sociologie, psychologie en politicologie. Vreemd dat economie daar niet bij staat, want dat lijkt me toch de kern. Ook gaan ze te rade bij gelijkaardige gebeurtenissen uit het verleden, waarbij uiteraard op de eerste, maar toch niet de enige plaats het Romeinse rijk optreedt. Naast de Sovjet-Unie. Dat heeft wel te maken met het feit dat een Rus, (ook die heeft een interessante blog: http://cluborlov.blogspot.be) dit in enkele publicaties grondig heeft uitgewerkt, waarbij hij vijf fases van ineenstorting onderscheidt (pp. 188-191). Maar als de belangrijkste oorzaak wordt gezien:

“que le seul facteur commun à tous les effondrements est bien le cinquième, celui d’ordre sociopolitique : les dysfonctionnements institutionnels, les aveuglements idéologiques, les niveaux des inégalités, et surtout l’incapacité de la société – et particulièrement des elites – à réagir de manière appropriée à des événements potentiellement catastrophiques.” (pp.183-184)

Er staat natuurlijk nog veel meer in dit boek; wat me daarbij opvalt is dat de auteurs eigenlijk nog positief eindigen, ervan uitgaand dat er nog iets aan te doen is als dit en als dat. Maar zoals we weten: as is verbrand hout.

°°°

De auteur van een ander boek doet dat duidelijk niet, positief eindigen bedoel ik: Paul Jorion: Le dernier qui s’en va éteint la lumière; essai sur l’extinction de l’humanité (Librairie Arthème Fayard/Pluriel, Paris, 2017) reageert op het einde van zijn boek zelfs expliciet op dat van zijn voorgangers, meer bepaald op hun zeer voorzichtig optimisme:

Comment tout peut s’effondrer, de Servigne et Stevens, est l’épitaphe sobre d’une espèce qui a su que sa fin était proche, mais n’en a pas moins continué à danser comme si la musique ne devait jamais s’arrêter.” (p. 268)

Dat lijkt me in elk geval veel realistischer als uitgangspunt, en het doet me zelfs een beetje denken aan dat poëtische einde van het eerste grote werk van Foucault, Les mots et les choses, dat eindigt met: “…comme, à la limite de la mer, un visage de sable”; ook hij voorzag al, veel eerder, het einde van de mensheid, op totaal andere gronden, en het werd hem niet in dank afgenomen.

Jorion is antropoloog en socioloog van vorming, de twee vorige waren landbouwingenieurs en biologen. Ik ga nou niet zeggen dat academici geen onzin kunnen vertellen, en ik ben de eerste om de universiteit te relativeren, maar toch.

Jorion behandelt zijn zaak in vijf hoofdstukken, waarvan het tweede alleen al bijna de helft van zijn boek vult. Hij gebruikt deels hetzelfde feitenmateriaal als Servigne en Stevens, deels gaat hij ook in op andere zaken; en hij legt andere accenten. Dat blijkt al uit zijn korte eerste hoofdstuk, waarin hij de dreiging van het uitsterven in rechtstreeks verband brengt met de ‘onzichtbare hand’ van Adam Smith, en dus met het extremistische neoliberalisme dat al enkele decennia huishoudt in de wereld.

In het tweede en dus langste hoofdstuk vraagt hij zich af waarom wij, de mensheid dus, niet reageren, dus niets doen om dat mogelijke uitsterven te beletten. Meer dan de twee vorige auteurs gaat hij hierin naar de kern, naar de wortel van de zaak, die te zoeken is in de economische aard van ons sociopolitieke systeem. In het kapitalisme dus en alles wat daarmee samenhangt. De motor van dat systeem heet accumulatie, en vreemd genoeg noemt hij dat woord niet. Misschien kun je daaruit afleiden dat hij nooit marxistisch gevormd werd, ook al sluiten sommige aspecten van zijn analyses nauw bij het marxisme aan. Andere dan weer helemaal niet.

Die accumulatie zorgt ervoor dat ons economische systeem een veelvraat is die altijd meer, altijd groter, altijd verder wil. ‘Groei’ noemt men dat dan. En het is dat wat ons naar de verdoemenis zal helpen, omdat er geen enkele mogelijkheid is om die alles vernietigende motor te stoppen. Hier en daar zijn er wel naïevelingen die denken dat dat wel nog mogelijk is, maar volgens mij vergissen ze zich. Die motor zal pas van zichzelf gaan stoppen als hij gewoon niet meer verder kan, als hij alles opgevreten en vernietigd heeft. Dat is ook wat Fukoyama – onbedoeld wellicht – het ‘einde van de geschiedenis’ noemt.

Daarbij spelen natuurlijk ook andere elementen een belangrijke rol: op de eerste plaats de verloedering, op alle mogelijke manieren, van het milieu en de opwarming van de aarde. Die waarschijnlijk op het einde van deze eeuw niet beperkt zal blijven tot twee graden, maar eerder het dubbele zal bereiken. En dan is er natuurlijk de toenemende complexiteit van al onze systemen.

Jorion legt ook nogal de nadruk op de economie als wetenschap. Volgens hem was datgene wat tot ongeveer het midden van de vorige eeuw ‘politieke economie’ genoemd werd en dat volgens de auteur inderdaad een tak van de wetenschap was, onvolmaakt zoals alle menswetenschappen. Keynes zou de laatste geweest zijn die daartoe behoorde. Sindsdien wordt dat gewoonweg ‘economie’ genoemd en is het amper nog wetenschap te noemen, maar eerder ideologie. De grondleggers van die ideologie zijn bekend: het zijn de grondleggers van het extremistische liberalisme, dat sinds decennia als een tornado en een tsunami tegelijk huishoudt in de wereld.

Daar legt de auteur de schuld, en wat mij betreft heeft hij honderd procent gelijk. Dat betekent overigens ook dat we al lang niet meer in een ‘democratie’ leven – voor zover we daar ooit in geleefd zouden hebben, voeg ik er maar bij – maar wel in een oligarchie. Zoals hij het zelf poneert:

“Défendre avec détermination la démocratie relève de l’essentiel, et non de l’accessoire: l’histoire nous a prouvé – et la chute de l’empire romain tout spécialement – que, dans un context semblable, l’indifférence, ou tout au moins l’absence de réaction d’une ampleur suffisante, peut déboucher sur la tragédie. Aucun sursaut de l’espèce ne sera possible sans le rétablissement préalable de la démocratie dans ses droits.” (p. 131)

Persoonlijk zou ik zeggen: sans l’établissement préalable. Maar dan nog. Verderop in het boek stelt hij al even terecht dat de heersende klassen maar om één ding bezorgd zijn: ‘se maintenir au pouvoir’ (p.231) Daarvan uitgaand trekt hij dan de conclusie dat we nog twee à drie generaties hebben vooraleer het zover is. Hoe realistisch dat is, kan ik uiteraard niet inschatten.

Eén zaak vermeldt hij daarbij amper: enkel op de bladzijden 42/43 gaat hij even in op de rol van oorlog, maar hij diept dat in de verdere loop van zijn boek niet uit. Nochtans springt voor elke objectieve toeschouwer in het oog met welke razernij de volgende wereldoorlog voorbereid wordt. Het is enkel nog een kwestie van tijd (en van het vinden van een zender Gleiwitz waarschijnlijk). Die oorlog zal dit hele proces natuurlijk nog in een stroomversnelling van jewelste brengen. En de kans dat het géén atoomoorlog zal zijn is miniem, uiterst miniem.

In het derde en vierde deel gaat hij dieper in op de aard van de menselijke soort. Hij gaat ervan uit dat veel van de handelingen van de mens, zo niet alles a.h.w. automatisch gebeuren, en dat wil en intenties zowel als doelstellingen in het leven eigenlijk niet bestaan. Het feit dat we geconfronteerd worden met onze sterfelijkheid en dat we gemiddeld tachtig jaar leven, leidt ertoe dat we alles op korte termijn bekijken; dat heeft zich ook vertaald naar de politiek, waar men niet verder kijkt dan de volgende verkiezingen, en zeker naar de economie waar het er enkel nog over gaat zo snel mogelijk zo veel mogelijk poen binnen te rijven. Après nous le déluge!

Het laatste hoofdstukje heet dan ook terecht: ‘Faire le deuil du genre humain?’ Het is goed dat hij een vraagteken erachter zet, want ook al is hijzelf blijkbaar quasi absoluut zeker, toch bestaat er in deze zaken ook geen absolute zekerheid – zoals de twee anderen duidelijker zeiden. Hierin gaat hij ook even in op de Natuur, en ook dat klopt mijns inziens volkomen:

“La nature ne résout pas les problèmes qui finissent par se poser: elle se débarrasse, dans sa splendide indifférence, de tout ce qui ne marche pas; elle recommensera plus tard, car sa luxuriance sur une planète comme la Terre est une donnée. L’histoire paléontologique nous le révèle: lorsque une de ses tentatives de créer la vie sous de nouvelles formes échoue, elle n’insiste pas; elle s’y reprendra tout simplement à nouveau , des millions d’années plus tard. Le temps et l’espace sont à son entière disposition, en quantité faramineuse.”(p. 238)

En:

“Ce qui apparaît au contraire très clairement à l’examen de l’évolution paléontologique, c’est qu’aucun dessein intelligent n’a présidé à sa manifestation : en dépit de la complexité de certaines structures observables, l’absence de plan préétabli est criante.” (p.239)

Ook dat doet mij terugdenken aan felle discussies over een boek dat in mijn studentenjaren verscheen: Le hasard et la nécessité van Jacques Monod.

De conclusie van deze auteur, Paul Jorion mag duidelijk zijn. Voor hem is het binnen voorzienbare tijd gewoon afgelopen met de mensheid. Persoonlijk denk ik dat hij gelijk kan hebben, ook al stel ik me wel vragen bij het tijdstip waarop. Daar sluit ik me eerder aan bij Servigne en Stevens, die dat in het midden laten.

Maar zelfs als het niet zo’n vaart zou lopen en er delen van de mensheid zouden blijven voortbestaan, dan zal het nooit meer zijn op de manier zoals we die hic et nunc kennen. Vooral in het westen. Waar ik vier jaar na de laatste oorlog geboren werd en waar ik hopelijk zal sterven voor de volgende oorlog begint, of voor het grote afsterven begint – as you like it. Dat alles is toeval, het lot, das Schicksal. Nee, met enige god heeft dat niks te maken, uiteraard, vanzelfsprekend.

Jorion ziet wel intelligent machines het van de mens overnemen. Maar hier gaat hij te ver. Om machines te bouwen die dat zouden kunnen is veel, veel meer tijd nodig dan de twee à drie generaties die hij de menselijke soort nog geeft. Daarin spreekt hij zichzelf dus tegen.

Maar ook daarzonder geloof ik niet in zo’n machinescenario. Het is gewoon te laat. De mensheid zal grotendeels verdwijnen, en misschien is dat ook maar goed zo. Veel goeds is uit haar verblijf op aarde immers niet voortgekomen.

08/05/2017
door Peter
Geen reacties

08.05.17 – Nogmaals Céline

De weduwe van Louis-Ferdinand Céline leeft nog steeds in hun huis in Meudon, ook al is ze inmiddels de honderd al ruim gepasseerd. Ik heb me wel eens afgevraagd hoe je de wereld bekijkt wanneer je zo’n leeftijd bereikt. Maar daar kun je maar op antwoorden wanneer je zelf zo ver bent, en ik hoop begot dat het zo ver niet zal komen. Nou, de kans is klein, dus ik zal me er maar geen zorgen over maken.

Veronique Robert-Chovin heeft in het verleden al een boekje met gesprekken met Lucette Destouches uitgegeven, en een tweede is dit jaar gevolgd: Lucette Destouches, épouse Céline (Editions Grasset, Paris, 2017). Deze keer geen gesprekken, maar een dagboekje waarin de schrijfster haar bijna dagelijkse bezoeken aan het grote huis in Meudon en de bewoonster ervan vastlegt, en dat van juli 2012 tot januari 2016.

Veel leren we daar niet uit. Het spreekt immers vanzelf dat een persoon die de honderd voorbij is, enkel nog in het verleden leeft. Of in het heden een beetje, met de gang der seizoenen dan, die een belangrijke rol spelen. Maatschappelijk leef je eigenlijk al niet meer op die leeftijd. Maar toch: Lucette is blijkbaar tot op die hoge leeftijd alert gebleven en vol bewustzijn over wat er rond haar, in de kleine wereld van haar huis en rond de weinigen die er uit de buitenwereld nog op bezoek komen, gebeurt. Behalve enkele vriendinnen zoals de schrijfster zijn dat vooral verzorgsters van de sociale dienst.

Het boekje leest snel, vlot en aangenaam.

°°°

Hetzelfde mag gezegd worden van een ander boek, deze keer samengesteld en ingeleid door dezelfde Veronique Robert-Chovin: Devenir Céline. Lettres inédites de Louis Destouches et de quelques autres, 1912-1919 (Editions Gallimard, Paris, 2009). Dit moet ongeveer de laatste van de vele correspondenties van Céline zijn om te verschijnen. Het is alleszins interessanter dan het vorige, omdat je inderdaad aan deze brieven kunt aflezen hoe Louis Destouches uiteindelijk Louis-Ferdinand Céline geworden is.

De eerste reeks brieven, vanuit het opleidingskamp en het begin van de mobilisatie, lijken me nog eerder verplichte oefeningen; het valt trouwens op dat in deze periode meer brieven van anderen zijn opgenomen dan van Céline zelf. Met name van zijn oversten en van collega’s soldaten; die berichten allen over hem aan de vader van Céline, die zijn zoon blijkbaar zeer in het oog hield en van al zijn doen en laten op de hoogte wilde zijn. Wantrouwen? Ouderlijke bezorgdheid? Wie zal het zeggen. Er blijkt wel uit dat Céline het in de kazerne op bepaalde vlakken moeilijk had, bv. wegens zijn angst voor paarden.

Tijdens de oorlog werd hij snel gewond, dat is geweten, en dat betekende ook het einde van zijn militaire inzet. Na de nodige operaties verbleef hij eerst kort in Londen en dan in Afrika. Op dat ogenblik beginnen de brieven langzaamaan een ander karakter aan te nemen. Dat merk je al aan het feit dat ze gewoon langer worden. Maar vooral: er wordt uitgebreid en soms smeuïg verteld over zijn belevenissen. De stijl nadert dan al die van sommige passages van Voyage au bout de la nuit; éen voorbeeld slechts:

“Alors, je me laisse aller tout doucement à des réflexions mélancoliques sur mon état vagabond…mais j’évoque aussitôt le plat tableau du confort européen, de la vie mièvre, ordonnée, mesurée, pesée, compassée, commentée des gens de là-bas, tracassiers, prétentieux, mesquins, et mon ennui disparaît, je me sens libéré de l’angoisse, protégé de tout cela par ma grande solitude.” (pp. 120-121)

Zelfs de beroemde drie puntjes zijn er al een eerste keer.

Belangrijk lijkt me volgende passage uit een brief aan zijn vader van oktober 1916, geschreven vanuit Afrika:

“Même au feu, je n’avais éprouvé cette sensation si pénible au début, de se sentir seul, absolument seul et de savoir et de se rendre parfaitement compte que quoi qu’il arrive, on ne devra compter exclusivement qu’avec et que sur soi-même.” (p. 139)

Het wijst op een gevoel van grote eenzaamheid, wat natuurlijk zeer bevorderlijk is voor een schrijverscarrière. Het wijst ook op een zeer groot wantrouwen ten opzichte van de medemens, een wantrouwen dat zo groot kan worden dat je in bepaalde omstandigheden quasi automatisch zondebokken gaat zoeken. En wie dat in de jaren dertig en veertig zouden worden is welbekend.

Toch valt het ook op dat in deze vroegste brieven geen politieke uitspraken voorkomen, niet in algemene zin en niet met betrekking op de actualiteit (wanneer je de patriottische oprispingen van de jonge soldaat weglaat), op één belangrijke uitzondering na: op een bepaald ogenblik stelt hij dat het misschien wenselijk zou zijn om bepaalde mannen en vrouwen ‘sous une douce tutelle’ te stellen, en daarbij verwijst hij expliciet en in positieve zin naar de slavernij. Maar hij voegt er wel zelf bij: ‘aussi rétrograde que paraisse mon idée’ (pp.144-145).

De teksten zelf worden gevolgd door een uitleiding van de samenstelster – die deze map met brieven en documenten overhandigd kreeg door Lucette Destouches – en door twee reeksen aantekeningen betreffende personen en plaatsen.

Het boek brengt inderdaad iets bij: we zien wat er blijkbaar al in nuce aanwezig was in de persoonlijkheid van Céline en hoe dat begonnen is zich te ontwikkelen om uiteindelijk anderhalf decennium later te culmineren in de werken die we allemaal kennen.

°°°

Een boek over Céline dat weinig of niets bijbrengt ondanks zijn meer dan duizend dichtbedrukte pagina’s is: Annick Duraffour en Pierre-André Taguieff: Céline, la race, le Juif; Légende littéraire et vérité historique (Librairie Arthème Fayard, Paris, 2017). Faut le faire!, zeggen ze in het Frans; zo’n kanjer schrijven en toch niets nieuws brengen, toch niet wat de feiten betreft. Maar eigenlijk evenmin wat de appreciaties betreft. Misschien is deze publicatie een reactie op de heruitgave in Canada (daar vallen literaire werken vijftig jaar na de dood van de schrijver in het publieke domein, in Europa is dat zeventig jaar, hetgeen dom en jammer is) van de Ecrits Polémiques (uitgegeven  en van aantekeningen en inleidingen voorzien door Régis Tettamanzi, Editions8, Québec) in 2012, waaronder ook de drie beruchte antisemitische pamfletten, die na de tweede wereldoorlog nooit heruitgegeven werden, omdat de auteur en nadien zijn rechthebbenden zich daar expliciet tegen verzetten. Die heruitgave was een monumentaal voorbeeld van nagestreefde objectiviteit en wetenschappelijke accuratesse.

Dat kun je van het boek van Duraffour en Taguieff onmogelijk zeggen. Dat is eerder een pamflet, zowel nog maar eens tegen Céline zelf, maar toch vooral, onrechtstreeks meestal, tegen de Célinianen (waaronder ik mezelf niet reken, ook al heb ik hem altijd zeer graag gelezen). Dat is natuurlijk hun recht, maar om dan maar onmiddellijk van ‘historische waarheid’ te gaan spreken is op z’n zachtst gezegd overdreven.

Natuurlijk was Céline een antisemiet, zelfs de hardste hard-boiled Céliniaan zal dat toegeven. Zoals mede door het grondige werk van Tettamanzi geweten is waar Céline zijn antisemitische mosterd haalde (voordien hadden anderen dat al gedeeltelijk nagespeurd, maar nooit zo grondig), in obscure idiote publicaties van complotdenkers meestal, en in de geschriften van sociaal-darwinisten, die in die tijd nog voor een groot deel doorgingen als zijnde wetenschappelijk.

Nochtans hebben zij ook hun best gedaan, want voor 778 bladzijden tekst volgen meer dan driehonderd bladzijden voetnoten en bibliografie. En dat is eigenlijk de enige verdienste van dit reuzenwerk: alles wat betrekking heeft op het antisemitisme van Céline wordt in één volume samengebracht, en via de bibliografie kan de lezer zelf verder zoeken. Dat kon en kan hij natuurlijk ook, en zelfs veel beter via het werk van Tettamanzi, maar ik vrees dat dat wegens de tevoren genoemde reden in Frankrijk niet verdeeld mag worden. Ofschoon hij in hun bibliografie niet voorkomt, verwijzen beiden wel enkele keren naar zijn werk.

In vier delen wordt het antisemitische werk van Céline behandeld; in een eerste deel wordt de context van de jaren dertig geschetst voor wat dit antisemitisme betreft (andere belangrijke elementen van die context komen niet of minder aan bod) en dan wordt dus dat werk zelf behandeld. En het wordt aus sérieux genomen begot, en hoe! Ik begrijp dat nog altijd niet. Ik ga hier niet herhalen wat ik ervan vind, iedereen kan dat hier op deze blog terugvinden.

Overigens kloppen sommige zaken die de auteurs beweren niet, zo bv. dat Céline bepaalde personen rechtstreeks en persoonlijk zou hebben aangegeven bij de Duitsers, tijdens de bezetting. Dat wordt al heel lang beweerd, maar het werd nooit bewezen, ook hier niet. Nochtans stellen de auteurs het voor als vaststaande feiten. Vandaar wellicht ook hun subjectieve en vaak zeer denigrerende stijl ten opzichte van hun onderwerp.

Blijkbaar is ook in Frankrijk de tweede wereldoorlog nog altijd niet voorbij.

08/05/2017
door Peter
Geen reacties

08.05.17 – Vakantielectuur 4: Narren, nitwits en narcisten

Neem het volgende zeer kleine lijstje; de namen zijn alfabetisch gerangschikt:

  • Eva Brems
  • Christine van Broekhoven
  • Paul de Grauwe
  • Rik Torfs

Wat hebben ze gemeen? Op de eerste plaats dat ze academici zijn natuurlijk, hoogleraren, en niet van de minsten: meesters in hun respectievelijk vakgebied.

Maar ze hebben nog iets gemeen. Alle vier hebben ze in het Belgische federale parlement gezeten, voor respectievelijk de groenen, de sossen, de blauwen en de japneuzen. En alle vier hebben ze het daar niet erg lang uitgehouden, de ene al iets langer dan de ander, maar toch. En alle vier hebben ze zeer doorzichtige smoezen uitgevonden om hun vertrek uit het parlement met wollen leugens te omzwachtelen. Waarom ze dat doen? Waarschijnlijk omdat ze enerzijds geloven in het huidige systeem, ondanks hun torenhoge intelligentie. En omdat ze dat systeem dus niet willen ondermijnen. Het zijn brave burgers kortom en vriendelijke, beleefde mensen, die ‘de anti-politiek geen voedsel willen geven’.

Maar de werkelijke reden om uit dat halfrond zo vlug mogelijk weg te vluchten is van een andere orde, of ze het zichzelf nou willen toegeven of niet: ze hebben gewoon heel snel ingezien dat ze daar helemaal, maar dan ook helemaal niks kunnen doen of bewerkstelligen, dat heel die instelling jammer genoeg inderdaad is wat een verwerpelijke politieke stroming ze ooit genoemd heeft: een praatbarak. Zeiken en zeveren kunnen ze daar dat het niet netjes meer is. En daar begint het mee en daar houdt het ook mee op.

De échte macht ligt elders. Nee, ook niet bij de regeringen, die zijn enkel de stadhouders van die échte machthebbers, die te vinden zijn in de raden van bestuur van de grote financiële instellingen en van de grote bedrijven. Nergens anders.

En de vier hierboven genoemden kun je eigenlijk alleen maar lafheid verwijten: ze hebben de feitelijke verhoudingen snel ingezien, maar zijn te ‘hoffelijk’ of hoe je het ook noemen wilt, om man en paard te noemen.

Wat blijft er dan over in die parlementen?

Narren, nitwits en narcisten.

Zo ziet volgens mij de bevolking eruit van de politiek, de parlementen en de regeringen.

Het spreekt dan ook vanzelf dat een boek daarover in zekere zin gefundenes Fressen voor mij was. Het boek in kwestie is: Hans-Jürgen Wirth: Narzissmus und Macht. Zur Psychoanalyse seelischer Störungen in der Politik (Psychosozial-Verlag, Giessen, 2002 – mijn exemplaar is de vijfde druk, uit 2015).

Het was een ontgoocheling in bijna alle opzichten.

Het begint met een ruime inleiding van theoretische aard, waarin macht en narcisme als Siamese tweelingen worden voorgesteld. Of dat zo is, vraag ik me nog steeds af. De auteur geeft wel een doenbare inleiding in het fenomeen ‘narcisme’ – dat is zijn vakgebied – maar over machtsuitoefening, sociologie en politicologie weet hij duidelijk minder, en mijns inziens slaagt hij er niet echt in een geloofwaardige band tussen beide te leggen. Dat is op zich niet eens zo erg, want wellicht kunnen we in de volgende vier delen, waarin telkens een concreet geval behandeld wordt, wel meer afleiden daarover.

Niet dus.

Die vier gevallen zijn achtereenvolgens Uwe Barschel, Duits politicus uit Schleswig-Hollstein, die uiteindelijk in een hotelkamer in Genève zelfmoord gepleegd zou hebben (daar gaat Wirth vanuit, maar echt bewezen is het niet), Helmut Kohl, die bekend genoeg is, Joschka Fischer die de Duitse groenen ‘salonfähig’ heeft gemaakt en minister van buitenlandse zaken was onder Schröder, en tenslotte Slobodan Milosevic als enige niet-Duitser.

Dat laatste hoofdstuk is een gruwelijk hoofdstuk in al zijn vooringenomenheid en soms aan fascistoïde methoden herinnerende werkwijze. Het lijkt eerder op een propagandistisch pamflet van de ergste en vaak ranzigste soort dan op een ‘wetenschappelijk’ opstel. Uit een moeilijke jeugd van Milosevic met heel wat zelfmoorden in de familie (bv. van zijn ouders) wordt afgeleid dat hij een oorlogsstoker zou zijn die op zijn eentje verantwoordelijk zou zijn voor de Joegoslavische secessieoorlogen. Dat hij enkel Joegoslavië bij elkaar wou houden, wat overigens een zeer legitieme doelstelling was, komt in de kop van Wirth niet op. Milosevic had volgens hem de voorstellen van Rambouillet moeten aanvaarden. Maar blijkbaar weet de man niet dat die door de VS met opzet zó werden opgesteld dat Milosevic ze niet kon aanvaarden en dat wisten Albright c.s. ook;  hun enige doelstelling was natuurlijk ervoor te zorgen dat de NAVO Servië zou bombarderen.

Erger nog is het feit dat vanuit Milosevic een ‘völkerpsychologische’ lijn getrokken wordt naar de Serviërs als geheel; zelfs tot systematische kinderverkrachters en incestplegers worden ze afgewaardeerd – als groep. Het staat er niet letterlijk zo, uiteraard, daarvoor is Wirth wellicht te gewiekst. Het komt er door de duidelijke suggesties echter wel op neer! Het is niet alleen te belachelijk voor woorden, het is gewoon walgelijk. Ook al voegt de auteur af en toe een zinnetje tussen om kritiek, zoals die van mij, al op voorhand te counteren. Wat alleen maar betekent dat hij weet verkeerd bezig te zijn.

Wanneer je dat hoofdstuk gelezen hebt, vraag je je onmiddellijk af hoe het dan met de drie andere, aan Duitse politici gewijde delen staat?! Het controleerbare feitenmateriaal klopt daar wel (bij Milosevic eveneens overigens, alleen was de hoeveelheid controleerbaar feitenmateriaal daar veel, veel kleiner), maar als de interpretaties even stompzinnig zijn als in het geval Milosevic… Maar over de Duitsers als groep, als volk, over hùn psychologie: géén woord.

Het valt trouwens op: wat de auteur beschrijft aan de hand van zijn vier cases is het gedrag van politici in het algemeen, en niet zozeer van narcisten onder die politici. Ik neem aan dat er onder politici meer daarvan zijn, maar dat kan hij niet hard maken. De smerige spelletjes, het over lijken gaan als het moet, de dubbele olifantenhuid, het handelen vanuit duidelijke gevoelens van rancune en ressentiment enz., het zijn kenmerken van alle politici, en niet noodzakelijkerwijze van politici met een bepaald psychisch ziektebeeld. Ik vraag mij trouwens af waarom hij het gedrag van toppolitici niet eerder in verband brengt met dat van bepaalde psychopaten (en dan denk ik niet zozeer aan de seriemoordenaars).

Zijn hoofdstuk over Joschka Fischer is duidelijk veel zachter dan die over Barschel en Kohl, terwijl er wat ressentimenten en over lijken gaan geen enkel verschil is. Laten we niet vergeten dat Fischer de eerste was om de Duitse ‘belangen’ in het buitenland weer op de kaart te zetten, op de eerste plaats in Joegoslavië, waar Duitsland een grote smerige rol speelde in het uit elkaar vallen van dat land. Met alle middelen heeft Fischer dat proces aangewakkerd, wat dat betreft had Milosevic gelijk. Blijkbaar is Wirths boek ook voor een deel een apologie van een bepaald soort Duitse politiek. En wie het meeste doden op zijn geweten heeft, Milosevic die zijn land verdedigde, of Fischer die tot de aanvallende partij behoorde, zullen we maar in het midden laten.

Overigens, op een bepaald ogenblik stelt hij de vraag of Fischer als minister zijn integriteit bewaard heeft of niet. Maar de belangrijkere vraag of die man ooit integer geweest is, stelt hij niet. Fischer behoorde in Frankfurt tot de politieke bohème, de marge van het lumpenproletariaat. En die zijn te koop, voor de meest biedende. Voor wie Fischer toen werkelijk als straatvechter werkte? Wie zal het zeggen…

Ook gebruikt Wirth termen door elkaar die duidelijk van elkaar onderscheiden moeten worden. Zo wordt bij Milosevic borderline gedetecteerd. Maar ging het boek niet over narcisme? En wat met de politieke standpunten van de vier behandelde politici? Die worden op geen enkel ogenblik in aanmerking genomen, wat toch op z’n minst merkwaardig is, want een persoonlijkheidsstoornis heeft niet enkel gevolgen voor wat betreft het gedrag van een politicus, maar ook op zijn standpunten. En is Kohl (die ik op geen enkele manier wil verdedigen) schuldig aan de zelfmoord van zijn vrouw, zoals Wirth minstens suggereert? Mij lijkt het eerder een laat gevolg van het feit dat zij op 12-jarige leeftijd slachtoffer werd van een groepsverkrachting, die ze amper overleefde  en dat zij dat blijkbaar nooit ergens fatsoenlijk heeft kwijt gekund. Een beetje psycholoog moet dat gewoonweg weten.

Het boek eindigt met nog twee bijkomende theoretische concluderende hoofdstukken, waarvan ‘Psychoanalyse und Politik’ het gevaarlijkste is. Iedereen weet nog hoe de psychiatrie in de Sovjet-Unie misbruikt werd tegen ‘dissidenten’ (wat men verder ook over die ‘dissidenten’ moge denken); en niet alleen daar: in het begin van de jaren zeventig werd ook hier in België geroepen om Kris Merckx aan een psychiatrisch onderzoek te onderwerpen wegens zijn politieke opvattingen en acties. Eigenlijk, en ook al doet hij uitschijnen dat het niet zo is, pleit Wirth voor iets dergelijks. En wat mij betreft is dat verwerpelijk.

Je zou eerder manieren moeten vinden om ervoor te zorgen dat geesteszieken niet op belangrijke politieke posten terecht komen. Maar hoe ga je dat doen? Je zult dan heel het zgn. ‘democratische’ politieke systeem moeten gaan herdenken en heruitvinden. Om te beginnen.

Eigenlijk is dit boek in alle opzichten grotendeels waardeloos.

08/05/2017
door Peter
Geen reacties

08.05.17 – Vakantielectuur 3: Sam van Rooy

Watte?!

En dan nog wel de jeugdboeken die hij op de leeftijd van tien à dertien jaar schreef. Het zijn er twee (tenzij ik er ergens eentje gemist zou hebben?), nl. De vampierenmoord en Smokkel in Egypte, beide uitgegeven door Houtekiet Jeugd in Antwerpen, in respectievelijk 1997 en 1998.

En er is maar één enkele reden om die twee boekjes te lezen: nieuwsgierigheid. Kun je er iets in terugvinden dat vooruit wijst naar de latere politieke ontwikkeling van betrokkene?

Laat me maar onmiddellijk antwoorden: op een rechtstreekse manier amper. Op één ogenblik is er sprake van ‘fundamentalisten’ en ‘aanslagen’ die die ‘soms’ plegen. Dat is alles. En dat wordt sec medegedeeld, op een objectieve manier zou je kunnen zeggen. En volledig terloops. Het boekje in kwestie gaat daar helemaal niet over, en die vermelding zal enkel en alleen te maken hebben met het feit dat het zich in Egypte afspeelt op een ogenblik dat er inderdaad af en toe aanslagen tegen toeristen plaatshadden. Toestanden zoals we die vandaag kennen, met een toenemende en vaak al op oorlogstoestanden lijkende tegenstelling tussen moslims en anderen was er toen nog niet.

Misschien is er dan op een onrechtstreeks manier iets te merken?

Volgens mij wel, ook al moet je dan de psychologie, en meer nog de psychoanalyse erbij betrekken, wat, zoals eenieder weet, een moeilijk toegankelijk gebied is, waarin je heel snel en heel gemakkelijk kunt verdwalen.

Maar hoe dat ook zij, het moet elke lezer onmiddellijk opvallen dat in beide boekjes de vader afwezig is, dood, en de hoofdpersoon enkel met zijn moeder samenleeft. Nochtans is het eerste boekje opgedragen ‘voor mijn papa, een boekenwurm’. Je mag er dus van uitgaan dat de zoon ook is gaan schrijven om de vader te behagen; je kunt er een afgeleide vorm in zien van roepen om aandacht.

De werkelijke vader bestaat dus wel degelijk, maar misschien bemoeit hij zich veel meer met zijn boeken dan met zijn zoon. Eén keer treedt in het boekje een figuur op, die de hoofdpersoon het resultaat van een enquête meedeelt, waar die hoofdpersoon naar gevraagd heeft: die figuur heet ‘Wim’, net zoals de echte vader van de schrijver. Het kan een symbolische vaderfiguur zijn, maar eerder nog de imaginaire vader, degene waarmee het kind zich wil identificeren. In dit eerste boekje speelt die figuur ‘Wim’ een echt marginale rol.

In het tweede boekje echter, Smokkel in Egypte, treedt een andere figuur, Willy, veel meer op de voorgrond als vadersurrogaat: het betreft een in Egypte wonende archeoloog, die het hele boekje door een belangrijke rol speelt in de afloop van het verhaal zelf, maar die voor de hoofdpersoon – die dezelfde is als in De vampierenmoord – ook een duidelijk na te volgen vaderrol speelt, zozeer zelfs dat op het einde gesuggereerd wordt dat het tot een band komt met de moeder, en dat Maarten ‘er een vader heeft bijgekregen’ (p. 102).

Van de afwezige reële vader gaat het dus naar de aanwezige imaginaire vader, waar de zoon zich mee vereenzelvigen kan.

Dat betekent overigens ook dat het Oedipus-complex zich op een min of meer normale manier afgewikkeld heeft. Waarschijnlijk kan dat ook getransponeerd worden op de werkelijke verhouding tussen Wim en Sam van Rooy. Met wellicht toch een niet onbelangrijke voetnoot: vanaf het ogenblik dat het kind de vader als afwezig aanvoelt, kan dat tot twee tegengestelde wegen voeren. Daarbij moeten we voor ogen houden dat de Vader hoe dan ook altijd de incarnatie is van de Wet. Is die afwezig dan kan de zoon de wetteloosheid, de chaos induiken; maar hij kan ook elders een Wet zoeken die veel en veel strenger is dan normaal.

Dat soort Wet vind je bv. in extreme en fanatieke opvattingen en groepen. Zoals het Vlaams Blok.

Zou het kunnen dat dit het geval was hier? Nogmaals: met zekerheid valt het niet te zeggen, daarvoor zou je de perso(o)n(en) zelf moeten analyseren. En dan is er nog iets: in het eerste boekje staan twee groepen tegenover elkaar: vampieren en heksen. Ook al vereenzelvigt de hoofdpersoon zich min of meer met één ervan, toch pleit hij uiteindelijk impliciet voor verzoening. Er wordt dus niet gedacht in termen van absolute en antagonistische tegenstellingen.

Hoe dan ook, het geschetste proces is in elk geval géén extreem proces. Er heeft wel degelijk en in de praktijk identificatie plaatsgevonden met de samenvallende reële en imaginaire vader. Die identificatie daarentegen is wel degelijk sterker dan normaal, want de zoon heeft de vader quasi volledig nagevolgd voor wat betreft de extreme standpunten, die daarenboven ook nog gevaarlijk kunnen worden. Men kan dus de vraag stellen in hoeverre de zoon erin geslaagd is zich uit de schaduw van de vader los te wrikken.

Maar wat wel zeker is: de amper aan de rand van de puberteit aangekomen schrijver van deze boekjes heeft blijk gegeven van een enorm talent. Ik vermoed dat zijn boekjes wel erg boeiend moeten zijn voor de geïntendeerde lezers (waarin ik me jammer genoeg maar heel moeilijk kan verplaatsen).

Jammer voor de rest.

07/05/2017
door Peter
Geen reacties

07.05.17 – Vakantielectuur 2: Germaine de Staël

Decennia geleden heb ik haar bekendste – of toch één van de bekendste – werk gelezen: De l’Allemagne. Ik weet er niets meer van, het is gewoon te lang geleden.

Hoe ik op dit boekje van amper zestig bladzijden gekomen ben, weet ik evenmin nog, ook al is die ‘ontdekking’ zeer recent. Het betreft: Réflexions sur le suicide, in een fotomechanische herdruk van de editie van 1813, die was uitgegeven in Berlijn. Ze was immers door Napoleon uit Frankrijk verbannen.

Het boekje wordt in geen van de belangrijke werken over literatuur en zelfmoord vernoemd, ook door Jeroen Brouwers niet. Nochtans is Germaine de Staël niet de eerste de beste. Maar in vergelijking met haar overige werk zal dit boekje wellicht toch van mindere kwaliteit zijn. Het is in elk geval géén apologie van de zelfmoord, zelfs geen begripvolle benadering zoals die van John Donne heel wat eerder.

Uit de opdracht leer ik dat er mogelijk persoonlijke oorzaken geweest zijn om dit boekje te schrijven, maar dat wordt enkel gesuggereerd. Maar even verder wordt in een voetnoot wel gesteld dat de schrijfster eerder wel op positieve wijze over zelfmoord geschreven heeft, met name in haar Sur l’influence des passions sur le bonheur des individus et des passions. Dat heb ik niet gelezen en in hoeverre dat inderdaad een apologie van de zelfmoord bevatte, weet ik dus niet.

Onderhavig boekje lijkt dus ook een zelfkritiek te zijn.

Het bestaat uit drie delen en een aanhangsel, die allemaal in het teken van het christendom staan. Dat is al genoeg natuurlijk om te weten dat zelfmoord hier wordt afgekeurd. Toch gebeurt dat op een eerder zachte wijze, zonder vervloekingen of dreigingen met hel en duivels.

Het eerste deel vraagt zich af ‘Quelle est l’influence de la souffrance sur l’âme humaine?’ Ze heeft wel begrip voor de verschillende vormen van lijden, maar is van oordeel dat het nooit erg genoeg kan zijn om tot zelfmoord over te gaan. Over het algemeen staat ze zelfs positief tegenover de verschillende vormen van lijden, omdat ze het karakter zouden sterken; achtereenvolgens heeft ze het over de liefde, en het verlies van geld en van eer. We zijn in de achttiende eeuw natuurlijk.

Hierna begint het tweede deel, dat expliciet de wetten van de christelijke religie t.o.v. zelfmoord behandelt, met een expliciete verwijzing naar – kan het anders?! – Job, hét voorbeeld van christelijke lijdzaamheid in de bijbel. Van daaruit wordt dan de eeuwigheid tegenover de tijdelijkheid gesteld: en de christenen dienen natuurlijk eerder aan hun zielenheil in het hiernamaals te denken en te werken dan zich met de ongelukkige toestand hier beneden bezig te houden.

Het derde deel behandelt dan ‘la dignité morale de l’homme’. De eerste bladzijden analyseren wat zij noemt ‘le dévouement’, en dat kan alles betekenen, omdat de mens zich nu eenmaal in alles kan inleven, en zijn leven aan alles kan wijden. Eveneens typisch voor de achttiende eeuw: tegenover die toewijding wordt het gedrag gesteld van wat zij ‘les sauvages’ noemt, waarin ze bepaalde gebruiken die toen waarschijnlijk pas bekend werden hekelt, zo het afstoten en in de zelfmoord drijven van ouderen die geen nut meer hebben voor de maatschappij (iets dat men nu trouwens nog steeds doet, alleen op een door en door hypocriete manier – door de zorg af te breken en het sociaal weefsel te vernietigen).

Tenslotte gaat ze dieper in op enkele gebeurtenissen in Berlijn, met name één gebeurtenis vooral: de dubbelzelfmoord van een jonge dichter, genoemd ‘de K…’, die na een goede maaltijd eerst zijn vriendin doodt en dan zichzelf. Uiteraard wordt hier naar Kleist verwezen, die toen voor de Staël waarschijnlijk nog een illustere onbekende was in plaats van de grote schrijver die hij nu is. Ook trekt ze enkele summiere vergelijkingen met Engeland en andere landen. Het is best mogelijk dat deze summiere verwijzing – in een voetnoot dan nog – naar Kleist en diens dubbelzelfmoord de allereerste ooit geweest is. Die vond plaats in november 1811, dus op een ogenblik dat zij wellicht al aan dit boekje werkte. Niet veel later zou dat natuurlijk een van de schokkendste en bekendste gebeurtenissen uit de Duitse en Europese literatuur worden.

Uiteindelijk sluit ze haar boekje af met uittreksels uit de brieven van Lady Jane Grey aan haar arts. Op zestienjarige leeftijd werd zij voor negen dagen koningin van Engeland en dan onthoofd, zogezegd wegens hoogverraad. De brieven tonen iemand die haar angst probeert te overwinnen, die een gemakkelijke zelfgekozen uitweg weigert, en steun en troost zoekt en vindt in haar godsdienst.

Germaine de Staël ziet in haar duidelijk een na te volgen voorbeeld.

Wij, vandaag de dag, helemaal niet meer. En ook dat is goed.

°°°

Madame de Staël – François Gérard (1810)

Naast dit boekje, dat eigenlijk enkel interessant is voor mentaliteitshistorici, verscheen zowat een maand geleden ook een aan de Staël gewijd Pléiade-deel. Het bevat drie van haar belangrijkste werken: twee werken van fictie en het zeer bekende De la littérature considérée dans ses rapports avec les institutions sociales. Ik heb het nooit gelezen, maar uit mijn studententijd, toen ik me een tijdje intens met wat toen literatuursociologie heette, heb beziggehouden, herinner ik me nog wel dat dit een van de belangrijkste voorlopers van die discipline was.

In dit laatste werk analyseert ze niet enkel de betrekkingen met de sociale instellingen, zoals ze het noemt, maar ze stelt de verschillende Europese literaturen ook in een nationaal daglicht. Wat dat betreft is ze zeker te vergelijken met iemand als Herder in Duitsland. De Ico Maly’s van deze wereld, wier nek vele, vele malen dikker is dan hun verstand, kunnen haar dus onmiddellijk gaan beschouwen als nog eens een voorloopster van de nazi’s – of van Le Pen, wat voor hen natuurlijk hetzelfde is.

Zelf beperk ik mij tot de vaststelling dat beiden eigenlijk voorlopers zijn van wat bijna een eeuw later ‘Völkerpsychologie’ (Wundt) genoemd zal worden, een discipline die inderdaad heel gemakkelijk misbruikt kan worden, en dat dus ook werd. Op zichzelf is die discipline niet te verwerpen, maar het komt er wel op aan het kaf heel grondig van het koren te scheiden, heel voorzichtig te zijn, en het scheermes van Ockham steeds bij de hand te houden. Maar dat moet je natuurlijk bij elke deeldiscipline van de psychologie doen. En wellicht bij elke niet-exacte wetenschap.

07/05/2017
door Peter
Geen reacties

06.05.17 – Vakantielectuur: Tchoudinova

Als ze er al kennis van hebben, dan krijgen de leden van de politiek correcte roedels bij die naam het reetschurft, jeuk over heel hun lijf, hun haren rijzen letterlijk ten berge en ze verzinken in afwisselend spasmen en stupor.

Elena Tchoudinova: La Mosquée Notre-Dame de Paris année 2048 (Editions Tatamis, s.l., 2009); zo heet het eerste boek dat ik tijdens mijn afgelopen vakantie las, en de titel zegt al alles. Het boek is zeer moeilijk nog te krijgen, enkel tweedehands, en ik vermoed dat het inmiddels in Frankrijk verboden is wegens inbreuken op allerlei idiote en krankzinnige wetten op racisme, haat zaaien, belediging van volksgroepen enzoverder enzovoort.

En het is helemaal geen slecht boek, gezien vanuit een zuiver literair standpunt. Het is opgebouwd met een zekere spanning, een beetje zoals een detective, het is vlot geschreven (of vertaald, want ik ken geen Russisch), en er is veel afwisseling in de figuren en hun optreden. Waarbij enkele figuren het hele boek door terugkomen en dus de hoofdpersonen zijn: een vrouw van Russische afkomst, een katholieke priester, enkele jonge mensen en een vreemd kind.

De roman behoort tot het genre van de zgn. dystopie en heeft een zeer duidelijk en expliciet uitgangspunt: in Frankrijk heeft de islam, en met name een van de ergste strekkingen ervan, het Wahabisme (bekend van de ‘prille democratie’ Saoedi-Arabië) een staatsgreep gepleegd en haar krankzinnige vorm van sharia ingevoerd: in het wijnland Frankrijk is alcohol uiteraard verboden, in het culturele land Frankrijk zijn de musea gesloten en de kunstwerken vernietigd want afbeeldingen zijn haram, en degenen die zich niet wensten te bekeren, de kafirs dus, leven voortaan in getto’s, waar ze enkel met speciale toelatingen en op bepaalde uren uit mogen. Uiteraard bestaat er ook een verzet, een ‘résistance’ ofte ‘maquis’ en twee maal wordt in het boek verwezen naar de bezetting door ‘les boches’. De hoofdpersonen behoren quasi allemaal tot dat verzet, dat o.a. gebruik maakt van het ondergrondse Parijs (gesloten metrolijnen, catacomben, rioleringen). De wahabitische machthebbers beslissen de getto’s leeg te maken door degenen die er leven te doden en zodoende het verzet droog te leggen. Dat reageert door enerzijds de bewoners van de getto’s te verzamelen met het oog op evacuatie, en anderzijds door de Notre-Dame, inmiddels hoofdmoskee van Parijs, in te nemen, opnieuw te wijden om er een laatste mis te laten opdragen en dan te vernietigen liever dan ze in handen van de moslims te laten. Dat is in het kort het gegeven, of de samenvatting als men wil.

De schrijfster is volledig islamofoob, en dat is het aspect dat door de politiek correcte roedels uitgekotst zal worden. Wat mijzelf betreft kan ik enkel maar zeggen dat ik even islamofoob ben als de schrijfster; maar in tegenstelling tot haar, ben ik ook judeofoob en christianofoob, met dien verstande dat ik goed kan uitmaken welke van de drie op een bepaald ogenblik gevaarlijk is en welke minder of niet.

Islamofobie is een positieve zaak, waar elk progressief denkend mens alleen maar achter kan staan.

De schrijfster noemt haar boek een ‘roman-mission‘ (vet van mij) in de ondertitel, wat nog een categorie sterker is dan ‘roman à thèse’, een genre dat meestal nogal negatief bekeken wordt. De missie in kwestie is natuurlijk de strijd tegen de islam, die heel het boek door breed uitgesmeerd wordt en soms in termen die niet echt vleiend en zelfs regelrecht beledigend zijn. ‘Belediging’ is voor mij helemaal geen strafrechtelijke categorie, ook hier niet, waar het duidelijk zeer bewust gebeurt, waar de schrijfster bewust wil denigreren en dus beledigen. Ze hebben misbruik gemaakt van hun petroleum, de roep van de muezzin lijkt op de schreeuw van een reusachtig varken, de moslims worden systematisch ‘sarrasins’ genoemd, een woord dat vandaag erg negatief klinkt, het zijn halsafsnijders (“Ils en éprouvent une grande jouissance. Savez-vous qu’il leur arrive souvent d’éjaculer en égorgeant leur victime?” (p. 109) – wie een beetje psychoanalyse kent, weet dat dit niet overdreven is), en de meest denigrerende term is waarschijnlijk die van het kind Valérie: ‘les derrières’ ofte de achtersten. Iedereen zal wel weten wat bedoeld wordt.

Het hele boek door wordt ook systematisch de absolute tegenstelling ‘zij/wij’ gebruikt; zij, de moslims zijn de vijand, en wij, de Fransen (‘de souche’) zijn de goeden. Zoals in een echte oorlogssituatie, zoals die in dit boek geschetst wordt, verdwijnt elk individueel onderscheid om enkel nog groepen over te houden volgens het adagium: wie niet voor mij is, is tegen mij.

Waarschijnlijk is de schrijfster, waar ik verder niets over weet (behalve natuurlijk dat ze een Russische is) zelf nogal religieus, maar of ze orthodox of katholiek is zou ik niet kunnen zeggen. Hoe dat ook zij, een van de hoofdpersonen is, zoals al gezegd een priester, een katholieke priester, en wel van de strekking van monseigneur Lefebvre – of all persons! In enkele gesprekken wordt overigens duidelijk gemaakt dat deze van oordeel is dat met Vaticanum II de decadentie van de katholieke kerk begonnen is. Blijkbaar beseft de schrijfster niet dat er geen wezenlijk onderscheid is tussen de klassieke katholieke kerk en de sekte van Lefebvre; maatschappelijk gezien betekenen beide in het westen, in Europa laten we zeggen, quasi niets meer, in die zin dat ze hun politieke macht definitief kwijt zijn, én dat dat goed is. Misschien beseft de schrijfster dat zelf ook wel, want rond de priester cirkelen andere verzetsmensen die gewoon ongelovig zijn, of half gelovig of hoe dat ook heten mag. Maar haar sympathie ligt toch eerder bij de letterlijk reactionaire priester – even reactionair als de islam waar hij tegen strijdt. Dat wordt trouwens ook bewezen door enkele andere verwijzingen, nl. die naar de Vendée en naar Charlotte Corday, telkens in positieve zin.

Het lijkt er dus op dat Tchoudinova terug wil naar een soort Ancien Régime.

Wat rabiate onmogelijke onzin is.

Maar we hebben wel nog altijd met een roman te doen natuurlijk. Maar die zich inschrijft in bepaalde apocalyptische strekkingen die vandaag nogal sterk naar voren komen; het is dan ook geen toeval dat de verteller zelf – maar in hoeverre kunnen we die vereenzelvigen met de schrijfster? – op een bepaald ogenblik stelt: “Car, dans un certain sens, le Jugement Dernier avait déjà commencé.” (p. 407) In die zin is het boek ook een uiting van wat sinds Huntington de ‘clash of civilisations’ genoemd wordt, hier dus tussen christendom en islam. De uitdrukking ‘le conflit des civilisations’ wordt zelfs één keer letterlijk gebruikt (p.306) Ook andere verwijzingen, met name naar een niet zo ver in het verleden liggend politiek verleden passen in die context: verwijzingen naar de Joegoslavische secessieoorlogen, en met name naar Servië (een van de hoofdpersonen, die toevallig of niet Slobodan heet en die bij de wahabieten geïnfiltreerd is, is trouwens een Serviër), naar de gebeurtenissen in Beslan, waar door islamitische Tsjetsjeense terroristen o.a. bijna tweehonderd kinderen vermoord werden, naar gebeurtenissen in Polen, etc. Dat soort verwijzingen komt wel vaker, maar niet overdreven vaak voor. Hetzelfde moet trouwens gezegd worden van andere verwijzingen; de schrijfster weet echt goed te doseren, op alle vlakken.

Wat ik ook erg origineel vind is het optreden van een kind dat Valérie heet. Eén van de hoofdstukken is trouwens naar haar genoemd. Toch is haar optreden eerder marginaal en sporadisch. Zij heeft het denigrerende ‘les derrières’ uitgevonden, zij cirkelt voortdurend rond de Notre-Dame… Een soort mascotte van het verzet zou je kunnen zeggen, maar ik denk dat er meer aan de hand is, dat de schrijfster via deze figuur een in haar geest nodige reiniging voor-ziet; in die zin lijkt zij meer trekken van een engel te bezitten dan van iets anders. Het lijkt me een symbolische figuur, maar zoals dat zo vaak het geval is met symbolen valt moeilijk exact vast te stellen waar ze voor staat.

De kern van het hele boek ligt in één zinnetje, dat in het boek zelf vier keren voorkomt, en dat ook op de achterflap in het vet afgedrukt wordt (ik zet het eveneens in vet): Quand on commence à faire des concessions, on ne peut plus s’arrêter. (pp. 57, 278, 279 en 336)

Als men als maatschappij zichzelf en zijn wat men dan noemt ‘waarden en normen’ een beetje au sérieux neemt, dan klopt die stelling volledig. En als je van het boek naar de maatschappij waarin we leven vertrekt, dan merk je dat al veel te veel toegegeven werd en dat het, gesteld dat men dat wil, extreem moeilijk zal zijn om dat terug te schroeven. Wat sowieso toch niet zal gebeuren.

Ondanks sommige bedenkelijke aspecten, waar ik dus duidelijk niet achter sta, vind ik het een goed boek, op de eerste plaats zuiver literair, maar ook in die zin dat het werkelijke belangrijke maatschappelijke problemen aanraakt, verwoordt en onder de aandacht brengt. Dat gebeurt in een opvolging van scènes, die zeer filmisch aandoen, in die zin zelfs dat er van dit boek onmiddellijk een boeiende film gemaakt zou kunnen worden.

Maar degene die daar nog maar aan denkt haalt zich natuurlijk de doodstraf via een fatwa op de hals. Zover hebben de toegevingen inmiddels al geleid.

Net zoals dat het geval was bij het verschijnen van Soumission van Houellebecq zal de goegemeente waarschijnlijk de schouders ophalen en zeggen dat het zo’n vaart helemaal niet zal of zelfs maar kan lopen. Er zijn immers in West-Europa maar 4 à 6 % moslims aanwezig, met grotere percentages in de grote steden. Uiteraard klopt dat. Zoals er op het ogenblik dat Constantijn het christendom toeliet ongeveer evenveel christenen waren; en zelfs op het ogenblik dat Theodosius er de staatsgodsdienst van maakte, op het einde van diezelfde vierde eeuw, waren er volgens schattingen (die natuurlijk nooit volledig adequaat zijn, maar wel voldoende om er conclusies ui te kunnen trekken) ongeveer 10% christenen.

Het boek doet qua thema ook denken aan een eerdere Franse roman, van de extreem-rechtse schrijver Philippe Gautier: La Toussaint blanche. Dat dateert al uit de jaren tachtig van de vorige eeuw en beschrijft een burgeroorlog in Frankrijk tussen patriottische Fransen en Maghrebijnen. Literair gezien is hij minder dan deze roman van Tchoudinova.

°°°

In respectievelijk 1922 en 1925 verschenen de volgende romans: van Hugo Bettauer: Die Stadt ohne Juden, ein Roman von Übermorgen; en van Artur Landsberger: Berlin ohne Juden. De eerste werd in 1924 zelfs verfilmd (film die werd heruitgebracht door Edition der Standard, der Österreichische Film, en het Filmarchiv Austria in 2008 – misschien is hij nog te krijgen). In het licht van wat er slechts enkele jaren later gebeurd is, zijn dat verbijsterende boeken: enkel de wetenschappelijke uitroeiing in kampen als Auschwitz, Majdanek enz. komt er niet in voor (dat kon de fantasie waarschijnlijk onmogelijk vatten), maar al de andere maatregelen wel degelijk.

Dergelijke boeken of films over de uitroeiing van de moslims alhier zijn me niet bekend, ze bestaan waarschijnlijk ook niet. Niet omdat zoiets ondenkbaar zou zijn, alles is denkbaar. Maar omdat het om allerlei voor de hand liggende redenen politiek ondoenbaar is. En gelukkig maar, misschien is dat dan toch een heel, heel klein beetje vooruitgang.

Maar waarom zouden boeken als Soumission en dit La Mosquée Notre-Dame de Paris année 2048, niet op een gelijkaardige manier voorspellend kunnen zijn? Zoals Le camp des saints dat was?

Ik vraag niet liever dan te worden overtuigd van het feit dat dat niet kan.