15/01/2018
door Peter
Geen reacties

Badiou’s loflied op de politiek

Er zijn boeken waarvan je kunt zeggen: ik ben het eens met quasi alles wat erin staat, maar toch geloof ik er helemaal niets van. Dan zijn de feiten en de analyses wel juist in mijn ogen, maar kunnen ze niet of zo goed als niet worden toegepast wegens allerlei praktische bezwaren waar geen rekening mee wordt gehouden.

Marxisten zijn daar nogal sterk in. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat marxisten de beste sociale en politieke analyses maken die mogelijk zijn, ja ook nu nog. Maar misschien bewijzen ze juist daardoor dat het zo moeilijk is ze ook in de werkelijkheid toe te passen. Omdat de werkelijkheid altijd rijker is, onvoorspelbaarder is en wispelturiger dan welke analyse of welke theorie ook. Dat is trouwens een van de belangrijkste redenen waarom economie géén wetenschap is: je moet rekening houden met zovéél parameters dat dat onmogelijk is. Daarom is economie grotendeels nog steeds hetzelfde als wichelroedelopen: natte-vinger-werk.

Filosofie onder de vorm van socratische gesprekken heeft enkele voordelen op filosofie in de ge-eigende, essayistische vorm: de lectuur ervan is meestal veel gemakkelijker, de ideeën worden op een eenvoudiger wijze verwoord en zo kunnen meer mensen bereikt worden dan met een droog en technisch essay. Wat niet betekent dat die laatste niet nodig zouden zijn; maar ze moeten aangevuld worden.

Dat is zo’n beetje wat gebeurt in Alain Badiou avec Aude Lancelin: Eloge de la politique (Flammarion, Paris, série Café Voltaire, 2017).

Zoals het hoort handelt het eerste hoofdstuk van de vraaggesprekken over de juiste betekenis van het woord ‘politiek’ enerzijds en, daaruit afgeleid, van het woord ‘democratie’ anderzijds. Beide termen zijn uiteraard zeer nauw verweven. Badiou stelt twee opvattingen van ‘politiek’ tegenover elkaar: op de eerste plaats die van Machiavelli, die erop neerkomt dat politiek de kunst is van het liegen en bedriegen. Die definitie van ‘politiek’ komt overal ter wereld overeen met de werkelijkheid. Dat lijkt me inderdaad een bewijsbaar feit te zijn.

Om daar een andere vorm van ‘politiek’ tegenover te stellen gaat Badiou niet terug naar de Grieken, maar gaat hij uit van de tegenstelling tussen enerzijds ‘justice’ (recht(vaardigheid)) en anderzijds ‘pouvoir’ (‘macht(suitoefening)). Daarbij stelt hij het volgende:

“…il se pourrait bien qu’en réalité la justice soit incompatible avec le pouvoir. Du coup, la perspective concernant la politique change: le pouvoir d’Etat pourrait n’être qu’un instrument transitoire, nécessaire pendant toute une séquence de l’histoire, mais appelé à disparaître, au profit de l’installation d’une justice qui, en quelque sorte, serait au mains de l’humanité elle-même.” (p.11)

De enige (tegen)macht die daarvoor zou kunnen zorgen, tegen alle liberalisme en kapitalisme in, zou het communisme zijn, wat betekent dat men ervan uitgaat dat men moet ‘mettre les choses en commun, et à se placer sous l’impératif du bien commun.’ (p.23 – ik cursiveer) Daarmee gaat hij terug naar de etymologische wortels van het begrip ‘communisme’; dat doet hij ook met het begrip ‘democratie’, na te hebben vastgesteld dat wat vandaag ‘democratieën’ genoemd wordt, er helemaal geen zijn: wij leven overal in zgn. ‘oligarchieën’, en dat is op zeer vele gebieden het totale tegendeel van een ‘democratie’.

Maar dat communisme als tegenmacht betekent eigenlijk niets: ‘Et puis il y a, il y a faiblement, ou il n’y a presque pas, ou il y a déjà eu plus fortement, une autre voie.” (p. 23) zo stelt hij met een mooie zin. Meer dan die twee mogelijkheden, kapitalisme of communisme ziet hij niet; en waarschijnlijk zijn die er ook niet als je doorredeneert. Soms is het niet enkel de logica, maar ook de werkelijkheid zelf die ‘tertium non datur’ zegt. Terecht.

Hoe je dat communisme dan bereikt, is al een iets moeilijker kwestie. Vier grondprincipes somt hij in een volgend, aan dat communisme gewijde hoofdstuk op. Maar ook daar begint hij weer met het woord zelf, dat enerzijds geweigerd en verdrongen wordt (door degenen die het zouden moeten gebruiken), en anderzijds gecriminaliseerd (door de échte machthebbers). Zelf eist hij het woord op voor wat het is, en stelt als eerste voorwaarde om tot dat communisme te komen: “…qu’il faut arracher l’appareil productif au contrôle de la propriété privée.” (p.35) En hier hebben we nu net wat ik in de eerste paragraaf van dit stukje schreef: ik ben het met deze zin volledig eens, maar zie niet in hoe je dat zou kunnen bereiken op een ogenblik dat die eigenaars (aandeelhouders van de grote financiële en productiebedrijven, die op wereldschaal handelen) meer macht hebben dan ooit tevoren in de geschiedenis. Ik geloof er niet in.

Zonder dat hij erop ingaat (zou hij dat niet durven, omdat het te pessimistisch is, en een marxist altijd optimistisch moet zijn?) gaat hijzelf uit van wat de enige weg is die uiteindelijk gevolgd zal en/of kan worden (een weg trouwens die op de eerste plaats voor de mensen, maar ook voor de kapitalisten zelf, een impasse is):

“La concentration de capital est si intense aujourd’hui qu’on peut s’interroger sur sa capacité à offrir des moyens de survie à l’humanité toute entière.” (p.43)

Inderdaad, zou ik zeggen. Temeer – en ook daar wijst hij terloops op, tot twee keer toe (pp. 44 en 94) – daar de processen binnen het systeem onvermijdelijk tot een grote oorlog moeten voeren.

Elders, in een ander boekje (Je vous sais si nombreux… Editions Fayard, Ouvertures, Paris, 2017) citeert hij in dat verband Lenin: ofwel zal de revolutie ervoor zorgen dat er geen oorlog komt, ofwel zal de oorlog als laatste consequentie de revolutie hebben. Dat ging op aan het begin van de 20ste eeuw, maar nu nog? Er is een belangrijke zaak die in geen van beide boekjes voorkomt (en evenmin in het gros van het andere werk van Badiou): de ecologische verschijnselen, de klimaatverandering dus. Waarschijnlijk zullen we op dat vlak moeten uitgaan van het worst case-scenario, hetgeen betekent dat wel die oorlog met alle chaos en anarchie vandien mogelijk is, maar die revolutie verder weg raakt dan ooit.

Revolutie? Wishfull thinking. Op z’n best. Zeker als zijn remedie neerkomt op analyseren, uitleggen, praten. Maar dat ziet hijzelf als eerste in, zoals uit zijn conclusie blijkt, waaruit ik een lang stuk wil citeren:

“La vérité est que le capitalisme est en pleine expansion. Il est en train de dominer de façon active la totalité de l’Asie, et l’Afrique toute entière, pour l’instant zone de pillage impérial, finira par entrer dans le jeu mondial réglé de la production et des échanges. Nous sommes au tout début d’une très longue marche. Par conséquent, il n’y a pas à être extraordinairement surpris que les toutes premières tentatives de communisme, en Russie ou en Chine, qui ont expérimenté à partir de rien et en rupture avec des milliers d’années un type de société postnéolithique, se soient soldées par des échecs. Elles se sont elles-mêmes conçues à l’intérieur de l’idée d’un succes rapide, voire complet, qui était l’idée du marxisme officiel de l’époque. Un succes immédiat qui faisait que la catégorie de révolution ne peut être q’une catégorie événementielle, une rupture qui ouvre à des difficultés bien plus considérables que celles qu’elle résout.” (p. 134)

Om te weten wat die nodige omwenteling dan wel betekent, waarmee ze vergeleken moet worden, moeten we even naar dat laatsgenoemde boekje grijpen, dat twee teksten bevat, éen van een voordracht in het Lycée Henri IV in Parijs

(overigens en tussen haakjes: kan iemand zich voorstellen dat in een Vlaamse middelbare school iemand van dat hoge kaliber en met die revolutionaire opvattingen een voordracht zou mogen geven? ik vrees van niet)

en korte antwoorden op dertien politieke stellingen.

Het belangrijkste inzicht – zo noem ik het, want het klopt volledig, ook al is dit inzicht dan volgens mij volledig origineel in die zin dat niemand vóór Badiou dat zo geformuleerd heeft – komt neer op de stelling dat de noodzakelijke communistische revolutie niet verwijst naar de Russische of de Franse revolutie, maar naar de … neolithische revolutie. Ik was echt verbaasd toen ik dat las, maar inderdaad: met die revolutie (die erop neerkomt dat de menselijke soort zich op bepaalde plaatsen definitief ging vestigen en aan landbouw ging doen) ontstond voor het eerst een produktie-overschot en, vandaar, een klasse die zich dat overschot ging toe-eigenen. Dat was natuurlijk een heel lang proces. En een mogelijke of wenselijke communistische revolutie zou net aan die klassenheerschappij een einde moeten stellen.

Maar volgens Badiou is daartoe een soort mentaliteitswijziging noodzakelijk, die erop neerkomt de Ander te erkennen als equivalent van het ik. Ik is een ander en een ander is steeds ik. Het is een idee die hij ophangt aan uitspraken van vier filosofen (eigenlijk één schrijver, één psychoanalyticus en twee filosofen): Hugo, Sartre, Lacan en Hegel. Hij had zeker ook Spinoza en vooral Lévinas kunnen citeren, maar moest zich natuurlijk beperken. Hoe dan ook, zijn basisstelling is de volgende: “C’est quand même dans la rencontre de deux consciences que chaque conscience se constitue comme conscience.”

In al zijn beknoptheid komt zijn stelling neer op wat Dirk Van Duppen met Jan Hoebeke hier bij ons beargumenteerd heeft in hun boek De supersamenwerker. Maar met die stelling ben ik het eigenlijk minder eens.

Het is inderdaad zo dat zonder empathie, zonder herkenning van ik in de Ander, geen samenwerking, geen vooruitgang edm mogelijk is. Dat klopt. Maar het tegendeel, het egoïsme, het nationalisme, de uitsluiting van de Ander tot en met de objectivatie van die Ander en, vandaar, zijn vernietiging zijn evenzeer in de mens aanwezig; de liberalen hebben geen ongelijk én de communisten hebben geen ongelijk. Die tegenstelling is er in de menselijke natuur. En op dit ogenblik overheerst de kwalijkste kant van die tegenstelling. Dus komt het erop aan die kwalijke kant te onderdrukken en de goeie kant te bevorderen.

Vraag is natuurlijk: hoe doe je dat? Gramsci, die in dit verband ook een plaats verdient, ook al noemt Badiou hem niet, wist het ook niet. De heersende neoliberale ideologie zit overal, zoals een gas dat door alle kieren en spleten sluipt en alles verstikt en kapotmaakt. En Badiou geeft zelf aan dat het nog niet voorbij is, ook al is hij zoals het hoort zeer voorzichtig met voorspellingen, toch duidt hij enkele malen erg expliciet de mogelijke zekerheid van een derde wereldoorlog aan – ik heb het al gezegd.

En over de ecologische rampen die er deels al zijn, maar vooral op komst zijn, zwijgt hij.

En nergens staat hoe dat alles, ik bedoel: het tegengaan van die nefaste, dodelijke ontwikkelingen, hoe dat in de praktijk gebeuren moet. Maar waarschijnlijk kan dat ook niet. Iedereen weet wel dat je een revolutie niet kunt ‘maken’ zoals dat in de jaren zestig nog gedacht werd; een revolutie vindt plaats als de tijd rijp is, en niemand kan voorspellen wanneer dat juist is, of waar dat gebeuren zal. En het volstaat te kijken naar Griekenland, waar doodgewone sociaal-democraten, maar wel eerlijke (blijkbaar bestond dat nog, je gelooft je eigen ogen niet!) geprobeerd hebben op een doodgewone reformistische wijze iets te veranderen ten voordele van de gewone mensen; hoe die op hun knieën zijn gedwongen, vernederd, figuurlijk afgemaakt, gedwongen om alle mogelijke maatregelen te stemmen die hen door de Europese gangsters werden opgelegd, dan weet je het wel.

Zelfs gewone positieve veranderingen ten voordele van de 90 % kunnen dus niet meer in dit Europa, laat staan dat je aan een revolutie zou denken! Het ongenoegen van die 90 % zal enkel en alleen extreem-rechts en het fascisme ten goede komen; en of er na de volgende oorlog nog genoeg zal overblijven om iets anders te proberen is maar de vraag. Maar hier in Vlaanderen kunnen ze alvast beginnen met ergens een nieuw torentje met ‘Nooit meer oorlog ‘ erop, te bouwen.

Groot gelijk als de PvdA hier stelt niet te willen regeren. En als ze het toch doen, dan weet je: ze zijn de weg opgegaan van Die Linke in Duitsland, van Syriza in Griekenland, en ze zullen uiteindelijk ook door het stof naar hun Europese kapitalistische meesters kruipen en smeken om toch maar minister te kunnen blijven.

Badiou is een meester van de theorie, maar ik vrees dat hij er in de praktijk helemaal niks van zou bakken.

Print Friendly, PDF & Email

12/01/2018
door Peter
Geen reacties

Victor J. Brunclair herlezen

Een van de goede initiatieven wat betreft de heruitgave van oudere literatuur uit Vlaanderen is de reeks ‘Literatuur in Vlaanderen 1900-1950’, onder redactie van Els van Damme en de alomtegenwoordige – wat dat betreft lijkt hij wel een broer van God himself – Yves T’Sjoen, en uitgegeven bij Academia Press in Gent.

Totnogtoe verschenen daarin vier delen, à rato van één per jaar. Dat is erg weinig, want er zijn vast en zeker veel meer schrijvers en werken uit die periode die voor heruitgave in aanmerking komen. Twee delen per jaar lijkt me eigenlijk een minimum. Maar bon, we leven natuurlijk wel in Vlaanderen, niet bepaald – ik herhaal het nog maar eens, indentreure – een cultuurnatie.

De recentste uitgave in de reeks bevat het grootste gedeelte van het dichterlijke werk van Victor J. Brunclair. Decennia geleden had ik dat al eens gelezen, maar ik wist er niets meer van. Ik heb nog les gehad van Paul Hadermann, en het zal in de context van die lessen geweest zijn, dat ik ook Brunclair gelezen heb. Vermoed ik.

Het boek bevat enkel zijn vier bundels. De vroege, enkel in tijdschriften verschenen gedichten, en de late, enkel in het letterenhuis aanwezige gedichten werden niet opgenomen, zonder dat de beide editeurs verklaren waarom. Nochtans stelt de kwantiteit van die losse gedichten niet veel voor; het boek zou er niet veel omvangrijker door geworden zijn.

Anneleen de Coux (overigens, waarom mag zij niet vermeld worden op het kaft en op de titelpagina? in dit geval is het schrijven van een nawoord immers veel belangrijker en vergt meer werk dan het eigenlijke editeren) begint haar nawoord terecht met verwijzingen naar de enige twee auteurs die iets dieper zijn ingegaan op het werk van Brunclair. Op de eerste plaats Paul de Wispelaere, die mijns inziens toch wel mild is voor Brunclair; en op de tweede plaats Geert Buelens in zijn standaardwerk, die zeer zeker niet mild is voor Brunclair. Wel is het zo dat de mening van deze twee overeenkomt met die van het overgrote merendeel van de literatuurhistorici: Brunclair is een epigoon van Van Ostaijen, die niets persoonlijks heeft toegevoegd, en dus een slecht dichter is.

De Coux gaat daar duidelijk zij het genuanceerd tegen in, en na lectuur van de gedichten in kwestie kan ik haar daarin wel volgen. Een bloemlezinkje met de goede gedichten uit de vier bundels zou maar heel dunnetjes uitvallen, maar de gedichten zijn er wel. Dat betekent dat ook de anderen, die Brunclair als dichter op de eerste plaats als een epigoon beschouwen, gelijk hebben. Maar niet enkel van Van Ostaijen. Met name in de eerste helft van zijn eerste bundel zijn er ook heel wat invloeden van Wies Moens bemerkbaar; dat uit zich vooral in de bijbelse taal en beeldspraak die Brunclair soms gebruikt, en die bij de vroege Moens een van de opvallendste stijlkenmerken is. Maar misschien valt dat niet zo op omdat de verzen van Moens meestal zeer beknopt en synthetisch zijn, terwijl Brunclair het veel langere vers van een Werfel of van vele andere Duitse en Franse expressionisten hanteert.

Maar ondanks alle nuances valt ook bij een tweede lectuur onmiddellijk op dat vele gedichten van Brunclair vooral nabootsingen zijn van gedichten van Van Ostaijen, soms – zoals in ‘Berceuse’ – tot in de titel toe. Maar het is al even duidelijk dat hij het talent van zijn grote voorbeeld op geen enkele manier kon evenaren. Maar ook de eigen weg van een Burssens is hij niet gegaan, of kon hij niet gaan. Deze laatste keek waarschijnlijk op dezelfde manier naar Van Ostaijen op als Brunclair, maar in zijn poëzie heeft hij de directe invloeden al snel achter zich gelaten om een eigen weg en een eigen stijl te zoeken en ook te vinden. Een kwestie van talent en aanleg? Of eerder de ongedurigheid en de wispelturigheid van Brunclair, waardoor hij zich eigenlijk niet goed concentreerde op wat hij deed? De biografie die ik hier enkele jaren geleden besprak zou op dit laatste kunnen wijzen.

Maar hoe dit alles ook zij, het literairhistorisch belang van Brunclair, zowel als persoonlijkheid als door zijn werk, staat wel vast. En zoals de uitleidster terecht stelt is dat op zich al voldoende om zijn werk opnieuw uit te geven. In mijn zo-even genoemde recensie van de biografie had ik naar die heruitgave gevraagd. Met dit boek ben ik dus al op mijn wenken bediend. Nu nog de bloemlezing uit het pamflettistische en journalistieke werk. Want daar zouden wel eens verrassingen tussen kunnen zitten.

Er is nog éen punt waarop ik het met Anneleen de Coux volledig eens ben: onze appreciatie van de eerste reeks uit de tweede bundel. Die reeks heet ‘Gestalten’ en is de beste reeks uit het boek; hier geen sprake van epigonisme, maar wel een persoonlijke stem. Dit is de weg waarop hij als dichter verder had moeten gaan. Soms doet hij dat nog in hetgeen daarop nog volgt, maar te zelden naar mijn smaak. Laat mij het laatste gedicht uit die reeks in z’n geheel citeren:

“IN MEMORIAM

De steven van een schip zo wonderwit
doorsneed de zee
met fee
Astrid
Over de gangway heen-terrassen stonden in massa zwart
trad zij in onze stad, trad zij in ieder hart.
De wiekslag van een vogel uit het hoge Noorden
gracielijk vergleed hij in haar handgebaar
Fris en minzaam waren hare woorden
en als een meer zo klaar.

Het meer! Waarvan zij in haar ogen ook de weerschijn droeg
daar was het dat een schiksel blind en dwaas haar sloeg
Zij die het voorhoofd hoog dit leven tegentrad
daar aan de blanke slaap werd zij zo sterk getroffen
de zonbezongen boomkruin wuifde wat
en van een vorstlijk lichaam was nog slechts het korte ploffen

Zeg mij nu niet: zovelen sneven in de golven
of: grauwvuur heeft de gravers in een mijn bedolven
Allen wacht de vale stond van stervensnood
en dood is dood
Zij was een kind
verliefd op zon en water verdarteld in de wind
Als zich naar onze kust de stijve steven wendde
kwam zij als uit de wonderwereld der legende
en zo was ook haar heengaan naar het geenzijds van de tijd

Hoe wordt nu nog ons purperen treurenis verblijd?
O stille wijding! Aan de drempel van ons hart gekomen
uit verten wazig en ijlwijd
werd zij naar een gebied geleid
over de stof in ’t heiligdom der dromen”

Brunclair was een zelfverklaard republikein, maar ook als zodanig niet echt consequent, zoals uit dit gedicht blijkt. Het gebruik van leestekens (hier en elders) had moeten verklaard worden (of verbeterd, eengemaakt) door beide editeurs (van Damme en T’Sjoen), maar die doen dat niet. Dat is een legitieme keuze natuurlijk (het origineel is even inconsequent).

Wel nog éen opmerking over het nawoord: op pagina 275 suggereert De Coux dat de Wispelaere Brunclair van racisme beschuldigd zou hebben. Wanneer je het boekje van de Wispelaere leest, zie je direct dat dit helemaal niet het geval is. Het gebruik van het woord ‘senegaalneger’ verwijst gewoon naar Senegalezen die tijdens de eerste wereldoorlog dienst deden in het Franse leger, en het begrip zwarte kunst werd toen meestal weergegeven als ‘negerkunst’ of, in het Duits, ‘Negerplastik’ – zoals een beroemd werk van Einstein uit die tijd heette. De Wispelaere was veel te intelligent en te genuanceerd in zijn denken om daar racisme achter te zoeken. En politieke correctheid bestond niet toen hij zijn boekje over Brunclair schreef.

Ik zie dan ook niet in waarom bepaalde gedichten ‘in onze tijd moeilijk (zouden) liggen’. Misschien is Anneleen de Coux hier zelf het slachtoffer van de onbewuste interiorisatie van voor mij alleszins verwerpelijke politieke correctheid?

Print Friendly, PDF & Email

08/01/2018
door Peter
Geen reacties

Johan Brouwer als romancier

Brouwer door Nol de Koning (1940)

Een bankrover, een moordenaar, een Spanjestrijder (na aanvankelijke sympathie voor de fascisten uiteindelijk aan de kant van de Republiek, tegen Franco), eerst calvinist dan katholiek, een Nederlands verzetsstrijder gefusilleerd door de moffen, doctor in de Spaanse letterkunde met een proefschrift over de Spaanse mystiek. Hoe veel te kort ook, Johan Brouwer (1898-1943) heeft alleszins een erg avontuurlijk leven geleid.

En hij heeft ook aardig wat geschreven: in de jaren vijftig van de vorige eeuw verscheen bij Van Oorschot zijn Verzameld Werk in drie forse delen. Antiquarisch zijn die nog wel te vinden. Net zoals zijn twee romans trouwens, die ik onlangs las: Vandaag geen spreekuur, het verborgen leven van een oude stad verscheen in 1932 onder het pseudoniem Johannes Geerlinck; en De schatten van Medina-Sidonia verscheen in 1939 onder het pseudoniem Maarten van de Moer, maar werd na de oorlog onder zijn eigen naam heruitgegeven onder de titel In de schaduw van den dood. Beide romans zijn op z’n minst interessant en verdienen eigenlijk een grondiger studie dan ik hier geven kan; maar misschien kunnen deze enkele notities een aanzet geven aan een of andere student om zich erover te buigen.

In het begin van de lectuur kan de stijl misschien een hindernis zijn, maar dan toch maar een lichte, waar je snel overheen bent. Die stijl sluit aan bij de prozastijl van het expressionisme en, in het kielzog daarvan de zgn. nieuwe zakelijkheid. Veelal korte tot zeer korte zinnen, en sommige paragrafen bestaan bijna uitsluitend uit ellipsen.

De inhoud zelf van beide boeken heeft veel minder vandoen met die beide stromingen in de literatuur. In beide boeken kun je zelfs elementen terugvinden van allerlei genres, van het magisch realisme over de detective tot de avonturen- of jongensroman. Dat is trouwens een van de elementen die ook vandaag nog de lectuur ervan aantrekkelijk maakt: de afwisseling tegenover een toch vaste achtergrond, die, zoals de ondertitel al zegt, in het eerste geval een oude Hollandse grachtenstad is, en in het andere geval de Spaanse burgeroorlog.

Magisch realisme en mystiek hebben niets met elkaar te maken, desalniettemin zou je kunnen zeggen dat iemand die zich voor mystiek interesseert wellicht ook aangetrokken zal zijn door die literaire stroming. Zoals zo vaak is het daarenboven zo, dat die begrippen erg vaag zijn en, vandaar, toch wel met elkaar in verband kunnen worden gebracht, als men dat persé wil. Maar hoe dat ook zij, Brouwer moet zich tot beide zeer sterk aangetrokken hebben gevoeld. Dat uit zich bv. ook door het feit dat in de Spanjeroman af en toe verwezen wordt naar een professor Ten Hoef, waarbij de ik-persoon college’s heeft gevolgd. Ik denk dat we daarin zonder meer de psycholoog Ten Haeff kunnen zien, die gespecialiseerd was in wat toen ‘parapsychologie’ genoemd werd, een vak dat nu waarschijnlijk uit alle universitaire curriculae verdwenen is.

In de Spanjeroman komen ook enkele discussies voor over mystiek zelf, op een ogenblik dat de ik in het Escuriaal verblijft. Maar veel belangrijker is de zoektocht naar een op twee plaatsen verborgen schat; de hoofdpersoon is daarachter gekomen toen hij, in opdracht van de Republikeinen en na op een dergelijke manier verwond te zijn geweest dat hij niet meer kon deelnemen aan gevechtshandelingen, allerlei oude boeken en documenten inventorieerde. Zo kwam hij bij een document uit de 16de eeuw uit, waarin sprake is van die schat. Hij gaat daar, samen met anderen, naar op zoek, vindt die plaatsen ook, maar op het cruciale moment treedt telkens een geestesverschijning op, die hen zo’n angst inboezemt dat ze niet verder doen. Of dat inbeelding is of niet is dan stof voor discussies, waar de protagonisten zelf niet uitkomen. Wel brengen ze het in verband met een mogelijk voorleven van een ziel na de dood, waar noch de verteller noch de andere figuren een laatste woord over uitspreken. Twijfel troef dus, alom.

In de Hollandse roman treedt dat magische op via een mefistofelische figuur, die Valslag heet, en die allerlei psychologische experimenten uitvoert op mensen die daar zelf niets van afweten, en die hij vaak zelfs in de dood voert. De dokter waar hij assistent bij was, Scherpenzeel, heeft hij trouwens effectief vermoord, zoals de hoofdpersoon, opvolger van Scherpenzeel, al heel vlug doorheeft. Deze opvolger is eerder een rationeel en bedachtzaam type, die niet geneigd is in allerlei magie te geloven, maar de experimenten van zijn collega gewoon gevaarlijk acht, en ertegen in gaat. Deze roman munt uit door een sfeerschepping die ook zeer sterk denken doet aan bepaalde zwartwitfilms uit de jaren twintig en dertig, uit het expressionisme dus, maar meer nog uit het Frankrijk van de jaren dertig, genre Quai des brumes e.a. De auteur weet die sfeer goed op te roepen, waar die oude Nederlandse grachtenstadjes zich wellicht ook goed toe lenen.

Net zoals in de Spanjeroman gaan ook hier de protagonisten in diepe kelders en onderaardse verborgen gangen op zoek niet naar een schat deze keer, maar naar het geheim van een verborgen graf – dat ze ook daadwerkelijk vinden, maar weer afsluiten zonder er verder nog iets over te zeggen. Omdat de eigenlijke intrige van beide romans nogal breed is, kun je deze uitweidingen niet beschouwen als structuurfouten; ze behoren en scheppen mee de atmosfeer van het hele boek. Opvallend is wel dat de ‘geheimen’ steeds in verborgen, onderaardse, moeilijk te vinden plaatsen gezocht moeten worden. Een onbewuste weergave van het onbewuste – de enige plaats inderdaad waarin het magische, het mystieke, maar ook het constructieve en creatieve gevonden kunnen worden, en als delfstof naar boven, naar het licht van de bewuste wereld gebracht kunnen worden.

De hoofdpersoon in de Hollandse roman is ook een soort detective, want hij gaat op zoek naar bewijzen voor de moord op zijn voorganger, en met name naar de dader Valslag. Die uiteindelijk ook bekent tegenover de ik, maar op ’t einde van het boek definitief verdwijnt. Je kunt je afvragen of deze Valslag niet gewoon een personificatie is van  wat soms het metafysische Kwaad genoemd wordt; dokter Scherpenzeel en diens opvolger, de hoofdpersoon, kunnen dan als zijn tegenpolen worden gezien, en de hele roman als een queeste in detectivevorm naar de verhouding tussen Goed en Kwaad in het individu, in de mens en in de wereld.

Dat detective-aspect is grotendeels afwezig in de Spaanse roman, maar daarin treedt een ander belangrijk aspect op: het politieke. Dat uiteraard ook gezien kan worden als een slagveld waar Goed en Kwaad elkaar ontmoeten en bestrijden, zonder dat, in de roman of elders, een van beide ooit zou kunnen winnen.

Het is trouwens vreemd gesteld met dat politieke aspect. De ik gaat inderdaad naar Spanje om zich aan te sluiten bij de Republikeinse troepen en hij vertoont echt moed in de strijd, wordt zelfs gewond. Maar toch had hij ook een andere reden om naar Spanje te gaan: een vroeger Spaans vriendinnetje dat hij terug wil vinden. Welke van die twee redenen nu de doorslag geeft, wordt nooit duidelijk, en zal dat in hoofde van de ik zelf ook wel niet geweest zijn. In hoeverre dit alles autobiografisch is, weet ik niet. Maar er bestaat een biografie van Brouwer (die ik niet gelezen heb), en wellicht kan daar uitsluitsel gevonden worden: Hendrik Henrichs: Johan Brouwer, Zoeker, Ziener en Bezieler (Open Domein 19/De Arbeiderspers, Amsterdam, 1989).

Van een roman die zich afspeelt tijdens de Spaanse burgeroorlog, door iemand die daar effectief aan meedeed aan Republikeinse kant, zou je een militant boek kunnen verwachten, maar dat is het helemaal niet. Je kunt je zelfs afvragen of het onderwerp inderdaad de Spaanse burgeroorlog is: niet enkel omdat de ik op de eerste plaats wegens een vriendin naar Spanje vertrekt (dat zei ik al), maar vooral omdat die burgeroorlog eigenlijk vooral optreedt als een decor, een achtergrond waardoor de eigenlijke verhalen een historische context krijgen. De hoofdpersoon wordt snel gewond, en vanaf dat ogenblik doet hij eigenlijk vooral intellectueel werk, plus werk in de republikeinse medische diensten. Het is dan ook geen toeval dat de eerste titel van het boek naar de zoektocht naar de verborgen schat verwees, terwijl de tweede titel enkel onrechtstreeks in verband gebracht kan worden met de oorlog.

De hoofdpersoon treedt trouwens eerder op als toeschouwer dan als deelnemer, zeker na zijn verwonding. Hij zegt ook expliciet en meermaals dat hij tot geen enkele partij behoord, maar enkel antifascist is. Wat hij waarneemt is niet fraai, want het is vooral de voortdurende ruzie tussen de verschillende fracties binnen het republikeinse kamp, waarvoor volgens hem vooral de communisten met hun dogmatisme verantwoordelijk zijn, maar ook de anderen. Ofschoon hij die conclusie niet trekt, is nu wel algemeen geweten dat éen van de oorzaken van Franco’s overwinning inderdaad gezocht moet worden in de verscheurdheid en de politieke sabotagespelletjes binnen het republikeinse kamp. Brouwer sluit hier dicht aan bij wat ook anderen al vaststelden en schreven, niet op de laatste plaats Orwell natuurlijk (naast vele anderen, die evenzeer in mindere of meerdere mate ontgoocheld raakten in de Spaanse communistische partij).

Overigens had ook de eerste, de Hollandse roman In de schaduw van den dood kunnen heten, want op een andere manier is ook daar de dood alom aanwezig: de vermoorde dokter die het uitgangspunt van het boek en de erin beschreven zoektocht is, de andere aan Valslag te wijten doden, de graven tenslotte die onderaards gevonden worden, net zoals de protagonisten in de Spaanse roman een oude grafkelder van de Scipio’s ontdekken, waar een deel van de schat verborgen zou zijn. Historisch klopt dat weliswaar niet (de grafplaats van de Scipio’s bevindt zich langs de Via Appia in Rome), maar het wijst erop hoe de auteur gebruik maakt van allerlei elementen die op de eerste plaats in het boek geloofwaardig moeten zijn.

Brouwer lijkt me vooral sterk in het scheppen van atmosfeer; de structuur van zijn beide romans is – gewild – eerder los, hetgeen de auteur genoeg vrijheid verleent bij het uitwerking van de intrige en de thema’s, zonder dat het hem zoveel vrijheid geeft dat hij allerlei min of meer los van elkaar staande deelintriges kan verwerken. De eenheid blijft steeds bewaard, ook al is het een losse eenheid. En die eenheid is misschien nog het sterkst aanwezig in wat beide boeken verbindt: een zoektocht, in beide gevallen naar het diepe van de aarde: visita interiora terrae rectificandoque invenies occultam lapidem, zoals dat bij de alchemisten heette.

En die steen, dat is de ik zelf die, op zoek naar zichzelf, dat zelf uiteindelijk ook weet te vinden. Ofschoon dat laatste in de romans niet zo duidelijk is: de hoofdpersoon van de Hollandse roman is al een meesterfiguur, een evenwichtig, volwassen arts; en als de hoofdpersoon van de Spaanse roman terug in Nederland aankomt, is zijn zoektocht nog lang niet voleindigd. In zekere zin kun je zelfs zeggen dat ze (opnieuw) begint.

Maar hoe dat ook zij: beide romans zijn nu nog zeer goed leesbaar en verdienen zeker een heruitgave. Alleen zouden we daarvoor – ik herhaal het – een cultuurnatie moeten zijn. Wat jammer genoeg niet het geval is.

 

Bron: Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, Collectie Verzetsliteratuur, [2826]

Print Friendly, PDF & Email

04/01/2018
door Peter
Geen reacties

Badiou over Wittgenstein

Alain Badiou noemt zichzelf expliciet marxist en maoïst. Daar heb ik uiteraard geen enkel probleem mee. En nog minder met het feit dat hij zowat een veelschrijver geworden is – en dat op een toch al gezegende leeftijd. En als filosoof. Meestal zijn het kleinere werken, die ofwel aan de actualiteit vasthangen of aspecten van de actualiteit abstraheren en theoretiseren. Vaak is daarbij van dat marxisme weinig, en van dat maoïsme helemaal niets te merken. Waar ik al evenmin een probleem mee heb.

Een van zijn recente publicaties is: L’antiphilosophie de Wittgenstein (Nous, Caen, 2017).

Wittgenstein, en dan vooral de eerste Wittgenstein waar Badiou het hier voornamelijk over heeft, heb ik tamelijk grondig gelezen en zelfs bestudeerd. Dat kan ik afleiden uit de vele randnotities in mijn exemplaar van de Tractatus logico-philosophicus; het is een tweetalige uitgave, met de eerste druk van de Nederlandse vertaling van Willem Frederik Hermans. Geen enkele antiquaar kan met dat volgekribbelde exemplaar nog iets aanvangen.

Voor rechtgeaarde marxisten en maoïsten was Wittgenstein natuurlijk een bourgeois van jewelste, iemand die enkel maar afleidde van de klassenstrijd.

Het zou wat.

Waarschijnlijk hebben er amper rechtgeaarde marxisten en maoïsten bestaan.

Zoals gezegd gaat Badiou’s boekje quasi enkel over de Tractatus, inderdaad het enige boek van Wittgenstein dat hij zelf heeft laten verschijnen. Mede op grond daarvan verwerpt Badiou het latere werk van Wittgenstein, ofschoon ook het tweede grote werk, de Philosophische Untersuchungen, eigenlijk nog door Wittgenstein zelf werd voorbereid; dat het tijdens zijn leven niet verscheen had meer te maken met het verregaande perfectionisme van de auteur dan met iets anders. Het gaat mijns inziens dan ook niet op te doen alsof dat boek niet van Wittgenstein zou zijn. Dat kan zelfs als een vorm van geschiedvervalsing beschouwd worden (zoals Lin Piao een beetje, die ineens op de foto’s met Mao verdween).

Badiou doet dit (en alle andere latere, postuum gepubliceerde werk) af als sofisme en ‘bavardage’, geklets dus. Zou in zo’n onzin dat oude marxisme en maoïsme nog eenmaal tot uiting komen? Want laten we wel wezen: was de Tractatus een systematische, haast wiskundig-deductieve ‘verhandeling’, dan is daarvan niets meer aanwezig in het laatste werk. Elke systeemvorming is daar verdwenen en alles wat overblijft zijn vragen, vragen zonder antwoorden.

Zou Badiou daar niet tegen kunnen? Zou hij niet verder kunnen met denken, filosoferen, leven zonder een systeem – op de een of andere manier?

Nochtans, het begrip ‘antifilosofie’ uit de titel is wellicht veel meer van toepassing op dat latere werk dan op de Tractatus. Het begrip is afkomstig van Lacan en duidt gewoon een filosoof aan, die in zijn werk de filosofie zelf grondig en expliciet in vraag stelt. En inderdaad, er zijn wel wat filosofen die dat niet doen. Maar Wittgenstein behoort daar niet toe, noch de vroegere, noch de latere. Ik zou inderdaad durven stellen: in de mate dat de late Wittgenstein enkel nog vragen stelt zonder zelf antwoorden te geven, haalt hij de fundamenten veel grondiger vanonder de filosofie uit dan de eerste Wittgenstein. In die zin is hij eigenlijk vooral te vergelijken met Nietzsche – vergelijking die Badiou zelf trouwens ook maakt, want ook Nietzsche behoort tot dezelfde categorie van antifilosofen.

Maar als je alles in vraag stelt, dan kom je uiteraard bij het nihilisme uit. Zou het dat zijn wat Badiou wil vermijden, wat hem angst en afschuw inboezemt? Waarschijnlijk wel.

Anderzijds kun je evengoed stellen dat je dan in de mystiek terecht komt. En daar heeft Badiou geen enkel probleem mee, want hij interpreteert de Tractatus inderdaad ook als een mystiek geschrift. Zelf ben ik ook altijd van mening geweest dat zoiets expliciet in het boek aanwezig is. Wittgenstein maakt immers een expliciet onderscheid tussen wat gezegd kan worden en wat zich enkel maar toont: en dat laatste noemt hij ‘het mystieke’. Letterlijk: “6.522  Es gibt allerdings Unaussprechliches. Dies zeigt sich, es ist das Mystische.”

Over dat mystieke is al veel inkt gevloeid, en ik heb nooit begrepen hoe een rationalist als Hermans zich tot dit boek aangetrokken kon voelen. Door het mystieke erin helemaal weg te rationaliseren in zijn commentaren doet hij niet enkel Wittgenstein onrecht aan, hij vervalst hem zelfs. Tegen alle beter weten én tegen de tekst zelf in. Wat dat aspect betreft sluit ik me dus aan bij Badiou, die ondanks zijn marxisme en maoïsme veel opener en breeddenkender blijkt te zijn dan Hermans.

Blijft natuurlijk de vraag naar de aard van dat ‘mystieke’. Daar geeft Wittgenstein geen antwoord op, en Badiou evenmin. Maar als we weten dat vele mystici, en niet van de minsten, en van alle grote religies, God definieerden als ‘niets’, kunnen we wel een vermoeden uiten. Eén beroemd voorbeeld, van Angelus Silesius:

Gott ist ein lauter Nichts,
ihn rührt kein Nun noch Hier;
je mehr du nach ihm greifst,
je mehr entwird er dir.

Zou het kunnen dat we zo opnieuw bij een vorm van nihilisme uitkomen? En dat Badiou zich uiteindelijk tegenspreekt?

Zoals bijna alles van Badiou is de tekst vlot leesbaar en kunnen zijn redeneringen goed gevolgd worden. En het is natuurlijk op zich al een verrassing van zijn hand een positief boekje over Wittgenstein te lezen. Maar ook weer niet zo’n verrassing: had hij eerder niet op een positieve wijze over de apostel Paulus geschreven?!

En dat hij daarenboven vergelijkingen trekt tussen die eerste Wittgenstein enerzijds, en Rimbaud en Mallarmé anderzijds neemt mij nog meer voor hem in.

Print Friendly, PDF & Email

04/01/2018
door Peter
Geen reacties

Een anti-katholieke roman van Willem Paap.

Paap behoort grotendeels tot de lange reeks van vergeten schrijvers. Enkel zijn sleutelroman over de beweging van 80, Vincent Haman, heeft nog zeer lang vele oplagen gekend. Van al zijn andere romans – een drietal overigens, meer niet – geldt dat ze inderdaad vergeten zijn. Je kunt ze nog tweedehands vinden of in elektronische vorm bij de  digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren,  ook al heeft minstens één ervan heel wat ophef gemaakt bij verschijnen.

Dat zal niet het geval geweest zijn met De kapelaan van Liestermonde, Roman uit het Priesterleven, dat ik de afgelopen dagen las. Het is de laatste roman van Paap, uit 1910, dus erg lang geleden, toen de Roomse Kerk nog heel haar macht kon uitoefenen. Die macht was uiteraard wel minder in het protestantse Nederland, en al heel zeker in Groningen, waar de auteur van afkomstig was. In Nederland was het katholicisme immers vooral in Brabant en Limburg zeer sterk aanwezig, minder in de andere overwegend protestants-calvinistische provincies.

Het boek in kwestie is duidelijk een tendensroman en doet een beetje denken aan Het Hout van Jeroen Brouwers. Maar er ligt natuurlijk méér dan een eeuw tussen beide romans. De roman van Brouwers zou je een retrospectieve roman kunnen noemen: wat hij vertelt ligt duidelijk in het verleden, op het ogenblik dat zijn roman geschreven werd was het katholicisme in onze contreien zo goed als dood, zeker het katholicisme dat hij beschreef en dat ik ook zelf nog gekend heb (ik heb het boek hier trouwens besproken).

In 1910 was dat vanzelfsprekend totaal anders: de katholieke kerk was nog steeds het machtsinstituut dat ze al eeuwen was, in Nederland wellicht iets minder dan in Vlaanderen, maar toch. Wat men in Nederland ‘de emancipatie van de katholieken’ noemt, was op dat ogenblik, in 1910 dus, al een voltooid proces, ook al zou het nog meer dan een decennium duren vooraleer een katholieke politieke partij het licht (eerder: de duisternis) zou zien.

Verder is Brouwers natuurlijk de veel betere schrijver. Ook zijn roman is een tendensroman, zo heb ik betoogd, maar hij bewijst dat dit genre ook zeer goede boeken kan voortbrengen. Meestal wordt het woord tendens immers nog steeds erg negatief geconnoteerd, waarbij men dan op de eerste plaats aan het socialistisch realisme denkt (dat overigens ook goede romans heeft voortgebracht). De roman van Paap speelt zich af in een dorp, tussen gewone dorpspriesters dus, terwijl het verhaal van Brouwers in een katholiek pensionaat speelt. De hoofdpersonen van beide romans zijn twijfelaars, die van Brouwers iets meer, maar uiteindelijk gooien beiden toch hun kap over de haag en treden de gewone wereld in. Dat was in de vertelde tijd van beide boeken niet vanzelfsprekend, zeker niet in 1910, want dan moest de apostaat zich blijkbaar begeven tussen ‘liberalen en vrijmetselaars’, zoals Paap schrijft. Toch vinden ze de moed ertoe; dat maakt hen tot positieve helden zoals ze in tendensromans geëist worden.

Bij Paap gaat het uiteraard ook niet over seks met kinderen, dat zou nog decennialang een taboe blijven; maar wel over seks met volwassenen, hetgeen toen een even groot taboe geweest moet zijn, zeker in katholieke en algemeen-conservatieve middens. De stelling van Paap is dan ook duidelijk: het onderdrukken van seksualiteit leidt tot allerlei psychische misvormingen en kan op geen enkele manier gezond zijn. De hoofdpersoon vindt als kapelaan een jeugdliefde terug die ongelukkig getrouwd is met een bigotte zemelaar, en voelt zich opnieuw tot haar aangetrokken. En wederzijds. Na een vrijpartij trekt hij zijn priesterkleed uit en gaat zij weg van haar man. Dat is de hele plot, meer niet. Die vrijpartij wordt overigens alleen maar gesuggereerd, op geen enkele manier wordt ze beschreven of zelfs maar aangeduid. Dat kon toen zeer zeker nog niet, en het zou nog tot de jaren zestig duren voor het wel kon.

De tendens, en het didactische gehalte van de roman zijn dus duidelijk. Maar ook redundantie treedt veel op in dit boek, terwijl dat aspect bij Brouwers afwezig was. Die redundantie betreft dan voornamelijk katholieke morele precepten; het boek eindig trouwens met heel wat bladzijden voetnoten uit contemporaine katholieke publicaties over dat soort zaken. Voor vele hedendaagse lezers zal dat aspect het boek wel wat langdradig maken, ook al kun je niet zeggen dat Paap werkelijk overdrijft.

Temeer daar alles gecontroleerd kan worden; er is in het boek trouwens nog een tweede kapelaansfiguur, die eveneens uit de kerk treedt, deze omdat hij verbod gekregen heeft om te schrijven en te publiceren.

En je kunt nog zaken bijleren, die je totaal voor onmogelijk zou houden: dat een priester bv. min of meer verplicht was clandestien een keizersnede toe te passen op een dode vrouw die zwanger was en waarvan de vrucht nog in leven zou kunnen zijn: die vrucht moet nl. gedoopt worden en zodoende gered.

Je houdt het niet voor mogelijk.

Paap geeft de bron aan: Jos Aertnys: Theologia moralis secundum doctrinam S.Alphonsi Mariae de Ligorio, liber VI, N° 43, Quaer. 4°: “Hoe moet de keizersnede van een overleden moeder geschieden?” (oorspronkelijk in het Latijn – de door Paap gebruikte uitgave uit 1901 is in Antwerpen in de ua-bibliotheek aanwezig).

De taal van Paap doet zelden verouderd aan; wel natuurlijk de katholieke gebruiken en gewoontes, die breeduit beschreven worden. Veel ervan was ook mijzelf onbekend, ook al moet het in de jaren vijftig en zestig toch nog zo geweest zijn – vermoed ik toch. Maar ik ben natuurlijk nooit beginselvast geweest, en probeerde als kind al mij aan al die rabiate onzin te onttrekken.

Paap is zoals gezegd grotendeels vergeten. Zoals steeds ten onrechte. Want ook mindere goden verdienen het om bewaard te blijven, heruitgegeven en bestudeerd te worden.

Print Friendly, PDF & Email

25/12/2017
door Peter
Geen reacties

Poëzie – engagement – actualiteit

In de jaren zestig van de vorige eeuw had in de literaire wereld een korte discussie plaats over engagement in de literatuur; dat was een beetje laat gedruppel van een gelijkaardige regenbui die in de jaren vijftig al in Parijs had plaatsgevonden, naar aanleiding van Sartre’s bekende Qu’est ce que la littérature? Daarin brak Sartre een lans voor geëngageerde literatuur; maar hij maakte daarbij wel een uitzondering voor de poëzie – waarschijnlijk enkel omdat hij daar niet echt veel van afwist, anders zou hij zeker wel naar Aragon en Eluard (o.a.) verwezen hebben.

Sindsdien komt die discussie met de regelmaat van een klok terug; terwijl iedereen toch weet dat voor dat soort ‘problemen’ geen enkele oplossing bestaat. Het enige wat je van dichters (en van schrijvers in het algemeen) mag eisen is dat ze goeie gedichten schrijven – volgens ieders geaardheid en gebektheid.

In samenwerking met Radio 1, waar de betrokken gedichten werden voorgelezen, verscheen een bloemlezing van een volgens mij nogal bizarre aard: Alsof er niets is gebeurd. Een jaar NIEUWS in gedichten (Poëziecentrum, Gent, 2017). De gedichten worden geacht een soort ‘commentaar’ te zijn bij de actualiteit – wat vaker niet dan wel lukt; en als het wel lukt levert dat niet bepaald goeie gedichten op.

In feite staat er in heel de bundel slechts één gedicht dat me werkelijk aangesproken heeft: het gedicht ‘Andy’ van Maud Vanhauwaert, geschreven blijkbaar naar aanleiding van de Antwerp Pride Parade. Maar dat kun je enkel weten omdat vóór elk gedicht een korte tekst (van de radioredactie?) staat waarin het gedicht in kwestie ‘gecontextualiseerd’ wordt. Voor de rest heeft dat gedicht met welke actualiteit of met welk engagement dan ook weinig of niets te maken – tenzij je die begrippen zo sterk uitrekt dat quasi alles eronder valt. Dat universalisme maakt trouwens mee de kracht uit van het gedicht.

De meeste andere gedichten zijn vaak erg slecht, en in een viertal gevallen hebben we gewoon met propaganda te maken – uiteraard gaat het dan over Syrië, dat al langer dan 2017 in het ‘nieuws’ is. De gedichten op de bladzijden 11, 17, 35 en 45 bauwen doodgewoon na wat elke dag in de mainstreammedia verschijnt of te horen is over Syrië: een boze Assad, zoveelste incarnatie van het Absolute Kwaad (Hitler! Hitler!) is een oorlog tegen zijn eigen volk begonnen met de bedoeling, blijkbaar, dat uit te roeien. Het verst daarin gaat ene Lotte Dodion op pagina 53 met een gedicht geschreven naar aanleiding van het feit dat in de Saydnaye gevangenis tussen 2011 en 2015 minstens 13.000 mensen zouden zijn opgehangen – tegenstanders van Assad.

Dit is een typevoorbeeld van de platste en meest ongenuanceerde vorm van propaganda: de hyperbolische leugen. Het “bewijs” voor die bewering is gebaseerd op geruchten van anonieme mensen buiten Syrië. De cijfers zelf zijn extrapolaties die geen enkele wetenschapper of rechter ooit zou accepteren. Hoe dom of achterlijk moet je zijn om daarin te geloven? En de verspreider ervan is (weer eens) Amnesty International, dat in heel deze oorlog al meermaals heeft bewezen niets anders te zijn dan de spreekbuis van al Qaeda & Co.

Natuurlijk zijn dichters ook maar mensen, vaak zelfs goedgeloviger en naïever dan anderen. Vandaar dat ze zich zo gemakkelijk laten vangen door een pers, die die naam niet waardig is; ze zouden, als ze dan al gedichten willen schrijven daarover, zich beter eerst grondig documenteren inplaats van hun spontane gevoelens blindelings achterna te lopen. Nogmaals: met gevoelens schrijf je geen gedichten.

Maar het hoeft helemaal niet over Syrië te gaan om slechte tot zeer slechte gedichten op te leveren, vol cliché’s en banaliteiten. Als voorbeelden van zeer slechte poëzie verwijs ik naar de gedichten op bladzijde 35 (waarschijnlijk het allerslechtste van de hele bundel – Jeroen Theunissen zou zich moeten schamen), 69, 79, 81 en 97-99. Annemarie Estor bv. komt in het gedicht ‘De aanslag, de kei en wij’ niet veel verder dan het inderdaad zinloze herhalen van ‘zinloos’; geweld wordt dan bedoeld, zgn. ‘zinloos’ geweld – een uitdrukking die telkens weer uit de rotte mond van het politicaille rolt en die totaal niets betekent. Stelt Estor vragen daarbij? Nee, dat doet zij niet. Maar wellicht is een gedicht niet echt de manier om dergelijke vragen te stellen. Enkele verzen slechts als voorbeeld, ook dit uit een gedicht van Jeroen Theunissen, n.a.v. de vrijlating van Chelsea Manning:

(…)
“Gefolterd, mishandeld, opgesloten,
tot wanhoop gedreven, bijna tot zelfmoord,
ademt Chelsea Manning vandaag lente.

Buiten proportie gestraft omdat ze
wat in honderden duizenden documenten
donker was aan het licht bracht.”
(…)

Edele gevoelens wellicht, en in overeenstemming met de werkelijkheid en de waarheid, maar daarmee schrijf je geen poëzie. Veel te direct, en als er dan eens een figuur gebruikt wordt is het een totaal afgezaagd cliché over donker en licht.

Staat er dan niks goeds in de bundel behalve het al vermelde gedicht van Vanhauwaert? Ook al is de kwaliteit over het algemeen erg slecht, dat belet niet dat er tussen het opvallende kaf ook wel een beetje koren te vinden is af en toe, maar te weinig om er een boek mee te vullen. Een mooi voorbeeld is ‘Een woede’ (p.15) van Charles Ducal:

“Er is een woede op komst die alles veranderen zal,
die als een reinigende storm door de hoofden
zal spoelen, en de straat opgaan in een machtig getal.

Nu nog loopt de een blind, de ander doof,
in het zelfbedrog juist te zien, scherp te horen,
bestookt door omroepers van het geloof

dat zolang de vleespot niet overloopt
van onze offers, er niet wordt gedeeld en gegeten,
want de pot is tenslotte van één, dat is zo

vanzelfsprekend dat het woede zal zijn,
een machtige woede die eindelijk zal spreken,
krant en tv onderbreken, de pot openbreken,

de angst voorbij.”

Het volstaat om even grondig te lezen en vooral op de klanken te letten om te zien dat taal hier een zeer sterke rol speelt. Deze dichter schrijft met woorden, met taal, niet met gevoelens, zelfs niet met gevoelens van woede, daarvoor is het gedicht te onderkoeld gehouden. Het gedicht is ook niet gebonden aan de of een actualiteit, het is gewoon universeel, en zou bv. een gevoel kunnen oproepen dat naar de achttiende eeuw verwijst, met zijn vele pamfletten, jacqueries en andere opstanden die uiteindelijk culmineerden in de Grote Woede van 1789.

Ironisch en zelfs sarcastisch zonder het te willen is de tweede strofe, omdat die zonder enig probleem toegepast kan worden op de vele blinden en doven die ook aan deze bundel hebben bijgedragen.

Geëngageerd is het gedicht uiteraard wel, maar ook op een universele wijze, zonder dat naar concrete gebeurtenissen verwezen wordt, of zonder dat iets dergelijks zelfs maar vernoemd wordt. Het is ook geëngageerd door de profetische toon die, zij het licht, merkbaar is: de woede wordt in de toekomst geplaatst, zonder dat duidelijk wordt of die toekomst dichtbij of veraf ligt. Ducal is niet de eerste of de enige die vandaag op die manier een gevoelen verwoordt dat blijkbaar in de lucht hangt. Enkele jaren geleden reeds verscheen in Frankrijk een pamflet van een Comité Invisible, dat L’insurrection qui vient heet. En de laatste kleine publicatie van de Duitse dichter Clemens Schittko heet: Der Aufstand kommt so oder so.

De door Radio 1 en het Poëziecentrum uitgegeven anthologie ondertussen leidt er enkel toe om afkerig te worden van elk soort engagement en van elke verwevenheid van poëzie en actualiteit. Een miskleun is het.

 

Print Friendly, PDF & Email

09/07/2017
door Peter
Geen reacties

09-07-17 – Een biografie van Gudrun Ensslin

Op bladzijde 174 van haar biografie van Gudrun Ensslin (Poesie und Gewalt; das Leben der Gudrun Ensslin, Klett-Cotta, Stuttgart, 2017) schrijft Ingeborg Gleichauf:

“Auch an die Ideale der Demokratie habe sie zunächst geglaubt, dann aber seien ihr durch die Erfahrung der Spiegel-Affäre, der Wiederaufrüstung, der Notstandsgesetze und des Umgangs mit dem Nationalsozialismus deutliche Zweifel gekommen. Sie sei gegen Mauern gerannt mit ihrem Wunsch, innerhalb demokratischer Regeln sich einzusetzen für mehr Gerechtigkeit. In Wirklichkeit gehe es, so habe sie erkannt, letzlich immer nur um das Recht  des Stärkeren.”

De ‘erlebte Rede’ wijst erop dat de schrijfster zelf hier niet aan het woord is; ze parafraseert de woorden van Bernward Vesper op het zgn. Kaufhausbrandprozess. Maar het feit dat ze dat zo uitgebreid doet (meer dan ik hierboven citeer) betekent mijns inziens dat ze wel achter deze woorden staat.

Ingeborg Gleichauf

Het zijn woorden die mij uit het hart genomen zijn, omdat ik ze iets scherper verwoord voor mijzelf lang en vaak herhaald heb; ooit ben ik begonnen aan studies in de rechten (na mijn germaanse) en in de tweede kandi ben ik daarmee gestopt, omdat ik inzag dat er helemaal geen recht was (over rechtvaardigheid wil ik het niet eens hebben, dat is een puur en letterlijk hersenspinsel), maar dat elk recht in laatste analyse enkel en alleen maar het recht van de sterkste was. En dat het dus nooit om recht ging, maar enkel om macht. Toen – ik was nog jong, even de twintig voorbij – was dat voor mij een verbijsterende vaststelling. Maar een die volkomen juist is, daar ben ik tot op de dag van vandaag van overtuigd.

Wat kun je na dat inzicht nog doen? Dat moet ook een van de vragen geweest zijn die Gudrun Ensslin (en met haar vele anderen toen, in Duitsland en elders) zich gesteld heeft.

Je kunt in de politiek gaan om macht te verwerven. Dat deden bv. de politieprovocateurs Joschka Fischer en Daniel Cohn-Bendit. Iets veranderd hebben ze niet, het zijn enkel de meest cynische politgangsters geworden die je je kunt indenken. Dan liever nog de wanhoop die aan de basis ligt van wat ‘terrorisme’ genoemd werd en wordt (maar het in het geval van bv. de RAF helemaal niet is), en die meer nog dan bij Ensslin bij Ulrike Meinhof zo goed detecteerbaar was: het volstond haar columns in Konkret te volgen. Een derde mogelijkheid is zich uit de politiek en de wereld terugtrekken, zich enkel nog bezighouden met de ‘poëzie’ uit de titel van Gleichaufs boek. Een combinatie is ook mogelijk; daarbij hou je je met literatuur, filosofie, kunst etc. bezig, maar volg je de politiek nog (eigenlijk met totale walg, verachting en tegenzin, maar je kunt blijkbaar niet zonder, ‘abschalten’ blijkt niet mogelijk) en schrijf je er ook nog over, zoals hier.

Ensslin heeft duidelijk voor het ‘geweld’ gekozen. Alhoewel, ‘gekozen’?

De schrijfster laat dat eigenlijk in het midden; ze stelt wel vast dat Ensslin op verscheidene tijdstippen van haar leven voor een keuze geplaatst werd, maar ze weet dat niet echt hard te maken. Volgens mij kan ze dat ook niet, omdat van enige ‘keuze’ eigenlijk weinig sprake is. Je rolt erin. En dat andere, veel gevaarlijkere terrorisme, het staatsterrorisme, speelt daarin een cruciale rol. De escalatie toen, in Duitsland, is op de eerste plaats van de staat gekomen.

Gleichauf begint met een inleiding waarin ze allerlei vroegere werken over de RAF bespreekt, en met name de fouten daarin; die komen er steeds op neer dat zaken geponeerd worden, die niet hard gemaakt kunnen worden aan de hand van documenten of getuigenissen. Die zijn er inderdaad zeer weinig wat het leven van Ensslin betreft, en dat begint al met haar jeugd.

Meestal worden de oorzaken van houdingen zoals de hare in de jeugd gezocht, maar in dit geval was weinig of niets te vinden, en dus vonden eerdere schrijvers maar gewoon wat uit. Dat doet Gleichauf niet, en dat is inderdaad een pluspunt van haar biografie; ze stelt inderdaad vast dat Ensslin in een idyllische omgeving opgroeide, maar stelt ook duidelijk dat die idylle een landschappelijke idylle is, en dat over de opvoeding in het ouderlijk huis weinig of niets geweten is. Dat belet niet dat je kunt vaststellen dat ook andere kinderen uit het gezin op de een of andere manier problemen hadden (over de na Gudrun geborenen weet ik niets); vermoedelijk moet er in het ouderlijk huis toch iets mis zijn geweest. Daar is natuurlijk op de eerste plaats de afwezigheid van de vader (hij deed legerdienst in de Wehrmacht tijdens de eerste oorlogsjaren) gedurende haar eerste levensjaren; en de moeder lijkt eerder nogal gevoelskoud geweest te zijn; en daar komt dan nog de algemene politieke context bij: nazibewind en oorlog. Plus daarbij het feit dat vader dominee Ensslin géén nazivriend was, integendeel.

Gleichauf weet ondanks het gebrek aan materiaal de sfeer in het landelijke Baden-Württemberg toch goed weer te geven. En dat geldt eveneens voor de schooljaren van Gudrun (een uitstekende leerlinge) en haar eerste studiejaren in Tübingen, waar ze Germaanse studeerde. Tübingen moet toen nog veel meer dan nu een klein stadje geweest zijn, een dorp bijna, iets zoals Leuven hier. Zoals dat met zovele studenten het geval is, werd zij hier zelfstandig en volwassen. Alhoewel dat zelfstandige er al eerder was, want net zoals een latere RAF-kompaan, Johannes Thimme, heeft zij een jaar in de USA verbleven in een uitwisselingsprogramma. Blijkbaar is ook daar weinig van geweten, want de schrijfster gaat er niet echt op in. Het lijkt echter wel zo dat haar ervaringen aldaar positiever waren dan die van Thimme zovele jaren later.

Maar Tübingen speelde ook op een andere manier een sleutelrol in haar leven: ze leerde er haar eerste grote liefde kennen, waar ze trouwens een zoon mee zou hebben: Bernward Vesper. Er is heel veel gespeculeerd over Ensslins verhouding tot haar twee mannen, maar uiteraard weet niemand er het fijne van, ook Gleichauf niet, maar die geeft het ten minste toe, en laat de ranzige speculaties van sommige anderen gelukkig achterwege. Feit is gewoon dat ze een blijkbaar goed koppel vormden, die zelfs een eigen uitgeverij startten, maar die slechts een publicatie of twee had (voor zover ik het kan overzien toch): Gegen den Tod, waarin teksten werden samengebracht van de belangrijkste Duitse auteurs, tegen de atoombewapening, is daarvan wel de bekendste. Toen, in de jaren zestig van de vorige eeuw was dat een hot item, niet enkel maar toch op de eerste plaats in Duitsland. Nu lijkt iedereen zich daarbij neer te leggen.

Iets later engageerde ze zich ook daadwerkelijk, in het verkiezingsteam van Willy Brandt, in de sociaal-democratie dus. Verwonderlijk? Ik ben eerder geneigd om ook hier gewoon naïviteit te zien, en niets dan dat. Ze had trouwens blijkbaar al snel door dat ze voornamelijk als secretaresse misbruikt werd, en dat ze in die kringen eigenlijk niets te zoeken had.

In dat boek – Gegen den Tod dus – kwam ook een kort gedicht voor van een bekende nazidichter, Hans Baumann (vlak na een tekst van Anna Seghers – je houdt het niet voor mogelijk!), en daarover kwam heel wat kritiek. Misschien had dat eerder iets te doen met Vesper, die immers de enige zoon was van die andere nazidichter Will Vesper. De zoon heeft samen met Ensslin trouwens nog het plan gekoesterd om een verzameld werk van vader Will Vesper uit te geven. Hoe ondoorgrondelijk naïef kun je in godsnaam zijn. Want die oude Vesper had niets ingezien en niets (bij)geleerd, tot het einde van zijn dagen was hij politiek dezelfde gebleven. Ik ben in het bezit van een typoscript van hem uit de jaren vijftig, dat dat bewijst.

Naïviteit van Ensslin? Of toch een al te sterke gebondenheid aan de jonge Vesper? Wie zal het zeggen. Feit is enkel dat zij het niet gemakkelijk zal gehad hebben met hem, die nooit van zijn vader los is kunnen komen, wiens vader als een doem over hem is blijven hangen, wat zeer zeker ook een rol gespeeld zal hebben in zijn latere zelfmoord.

Maar toen was Gudrun al lang in Berlijn en waren ze, in vriendschap overigens, uit elkaar gegaan. Gudrun had in Berlijn een nieuwe grote liefde gevonden, die naar de naam Andreas Baader luisterde, en die een absolute anarchist was wat zijn persoonlijkheid en zijn handelwijze betrof. En wellicht ook een macho tegenover vrouwen. Ook speelde ze daar in een kortfilm, waarvan vele onnozelaars later beweerden dat het een pornofilm was. Totale onzin, want ik heb die film gezien: het gaat gewoon over een jonge vrouw die in bed ligt terwijl in de gang steeds meer poststukken door de brievenbus komen. Voor zover ik me herinner loopt die jonge vrouw inderdaad soms naakt door het beeld, en eindigt het als ze aan tafel zit te eten. Het is extreem lang geleden dat ik de film zag (en ik herinner me niet meer waar), dus wat sommige zaken betreft kan ik me vergissen. Hoe dat ook zij, met porno had hij absoluut niks te maken, dat is fantasie van rechtse rakkers en rukkers.

Naar Berlijn was ze gegaan om aan een doctoraat over de schrijver Hans Henny Jahnn te werken; in Berlijn had ze nl. een ‘Doktorvater’, zoals dat toen heette gevonden. Maar Berlijn is natuurlijk Tübingen niet. De radicalisering van de studentenbeweging ging daar veel sneller en veel grondiger, zeker na de moord op Benno Ohnesorg. Maar ook hier weet Gleichauf een door iedereen overgenomen mythe te ontkrachten, nl. dat Gudrun in een openlijke meeting toen al tot de gewapende strijd zou hebben opgeroepen. Waarschijnlijk was ze daar niet eens aanwezig.

Soit, feit is dat ze effectief actief meedeed aan wat de ‘Kaufhausbrand’ is gaan heten; het woord zelf zegt al waarover het gaat. Maar toen was er inderdaad nog een keuze: twee van de vier aangeklaagden (Thorwald Proll en Horst Söhnlein) zijn wel actief gebleven, maar hebben de stap naar de RAF niet gezet. Waarom Ensslin dat wel deed, is eigenlijk evenmin duidelijk. Gleichauf laat doorschemeren dat Baader er voor iets tussen zat, maar dat is niet bewezen. Het valt mij op dat zij de mannen rond Ensslin eigenlijk eerder negatief benadert. Bewust of niet? Hoe dan ook, na hun proces ging het langzamerhand in de richting RAF, maar welke elementen daar allemaal een rol in speelden is niet duidelijk, nog steeds niet. Wel dat de bevrijding van Baader (die was aangehouden en in een instellingsbibliotheek mocht gaan ‘studeren’) een uiteindelijke trigger was; daarna moesten ze onderduiken, omdat een beambte zwaar gekwetst was door een revolverschot. Bewust afgevuurd door de ‘normale’ krimineel die ze hadden meegenomen omdat ze zich zelf niet goed vertrouwden, of niet?

De warenhuisbrandstichtingen van 2 april 1968 in Frankfurt.

En zo niet, in opdracht van wie handelde die dan? Hier is iets cruciaals aan de hand, waar Gleichauf totaal niet op ingaat. Alle molotovcocktails en alle wapens, ontstekingsmechanismen en ontploffingsmateriaal uit deze vroege periode werden geleverd door ene Peter Urbach, waarvan bewezen is dat hij voor een geheime dienst werkte (met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de BND, want naderhand kon hij met een valse identiteit naar de VS). Vanaf het allereerste begin wisten de geheime diensten dus wat er gebeuren ging, en konden ze alles van dichtbij volgen. Dat ze zelf hun mannetjes hadden in die vroege groep is daarentegen eerder onwaarschijnlijk, dat gebeurde pas vanaf de zgn. tweede generatie.

Het is een lacune van jewelste dat de schrijfster daar helemaal niets over weet te zeggen. Temeer daar vanaf dat ogenblik Gudrun Ensslin als individu amper nog bestaat: zoals de andere is ze gewoon deel van een groep geworden: geen ‘ik’ meer, maar enkel nog ‘wij’. Maar anderzijds is het ook begrijpelijk: hier valt nog minder te bewijzen aan de hand van documenten dan reeds het geval was met de jeugdjaren van Ensslin. De verdere geschiedenis is natuurlijk bekend, de aanhouding, het verblijf in de gevangenissen, Stammheim en de dodennacht aldaar.

Maar ze had het minstens mogen vermelden als mogelijkheid. Zoals ze ook de officiële these betreffende dood van Baader, Ensslin, Raspe niet klakkeloos had moeten overnemen. Ze had minstens moeten verwijzen naar de boeken van Lehmann en Weidenhammer, die ik besproken heb in Stammheim revisited). Ze hoeft de these van de moord niet voor juist te houden, maar ze had ook hier de mogelijkheid moeten vermelden. Temeer daar ze over de dood van Ulrike wél zegt dat er twijfels zijn. Daarom vraag ik me af of ze de boeken van Weidenhammer en Lehmann wel kent; in de BRD zijn die uiteraard totaal doodgezwegen.

Bon, soit. Het hele boek door heeft Gleichauf de nadruk gelegd op de literaire begaafdheid van Gudrun, vanaf haar vroege jeugd eigenlijk al. Ze houdt dat goed vol, overal waar het mogelijk is, d.w.z. waar er documenten aanwezig zijn. Opvallend, en wat ik zeker niet wist: Gudrun Ensslin schreef zelf gedichten. Er is een brief van haar bekend, gericht aan Günter Eich, waarin ze hem gedichten van haar hand toestuurt en hem vraagt wat hij ervan vindt. Jammer genoeg is het antwoord van Eich niet te vinden, evenmin als de betreffende gedichten. Maar het is mogelijk dat Christiane Ensslin nog veel materiaal van haar zuster heeft, en misschien zijn daaronder ook deze (en andere?) gedichten? Als dat zo zou zijn, hoop ik dat ze vooralsnog uitgegeven zouden worden.

Uit de laatste jaren zijn er natuurlijk – behalve sommige later uitgegeven brieven – wel teksten van haar bekend: die werden verzameld in het door Pieter Bakker-Schut uitgegeven das info. Zelden heb ik zulke bizarre teksten gelezen als in dat tamelijk dikke boek. Het zijn teksten die door de gevangenen uit de RAF via hun advocaten verspreid werden onder de andere gevangen (steeds van de RAF), en dus niet enkel van haar. Ofschoon er heel wat van haar instaan. Als ik mij goed herinner hadden die teksten zo’n reuzegroot abstractiegehalte, dat ze niets meer te maken hadden met welke werkelijkheid dan ook, maar eigenlijk een totale en zelden geziene autonome tekstsoort vormden. Maar misschien vergis ik mij, het is allemaal zo lang geleden.

Behalve de vroegere schrijvers-journalisten die het over haar hadden, en die ze in haar inleiding en sporadisch ook nog in de tekst zelf weerlegt en onderuit haalt, valt het op hoe quasi iedereen positief spreekt over Gudrun, over het kind, de tiener, de studente, de activiste, ja zelfs de gevangene. Er is een vriend uit haar kindertijd die dat eveneens doet, nl. de componist Helmut Lachenmann. In een ‘Musik mit Bildern’ genoemde compositie naar het bekende sprookje van Andersen, en eveneens getiteld Das Mädchen mit den Schwefelhölzern, maakt hij in afdeling 15, ‘Litanei’ genoemd, gebruik van een tekst van Gudrun uit das info, een tekst die inderdaad zoals Gleichauf stelt, erg poëtisch aandoet (waarschijnlijk was hij niet zo bedoeld). Ik laat die litanie hier even volgen:

 

der kriminelle, der wahnsinnige, der selbstmörder – sie verkörpern
diesen widerspruch. sie verrecken in ihm. ihr verrecken verdeutlicht
die ausweglosigkeit/ohnmacht des menschen im system: entweder
du vernichtest dich selbst oder du vernichtest andere, entweder tot
oder egoist. in ihrem verrecken zeigt sich nicht nur die vollendung
des systems: sie sind nicht kriminell genug, sie sind nicht wahnsinnig
genug, sind nicht mörderisch genug, und das bedeutet, ihren schnelleren
tod durch das system im system. in ihrem verrecken zeigt sich
gleichzeitig die verneinung des systems: ihre kriminalität, ihr wahnsinn,
ihr tod ist ausdruck der rebellion der zertrümmerten subjekte
gegen ihre zertrümmerung, nicht ding, sondern mensch.
(schreibt auf unsere haut.)
Gudrun Ensslin, begin 1975

oOo

Ingeborg Gleichauf  heeft een biografie geschreven die veel meer vragen oproept dan ze beantwoordt. Maar ik vrees dat het in dit geval niet anders kan, en dat we gewoon met onze frustratie daarover moeten blijven zitten. Maar het is zonder meer goed natuurlijk dat we eindelijk ook eens iets over Gudrun te lezen krijgen dat positiever is dan het doorsnee hetzerig proza van het journaille dat over de RAF schrijft, en dat haar zodoende door de schrijfster heel wat meer recht wordt gedaan dan in vorig meestal leugenachtig proza. Alleen jammer wat de gezagsgetrouwheid van de schrijfster betreft. Een heel klein beetje Ensslin’sche opstandigheid ware beter geweest.

Op de achterflap van de biografie van Hans Henny Jahnn van Thomas Freeman staat het volgende te lezen (uit welk boek van Jahnn het afkomstig is, weet ik niet) dat wonderwel aansluit bij het citaat waar ik deze tekst mee begon:

“Und während sich das meinem Auge Wunderbare vollzieht, vermehren sich die Raubzüge aller Lebewesen gegen den Schwächeren, der gefressen wird. Auch viele der Frösche werden gefressen. Es ist keine Schuld, der Schwächere zu sein. Es ist Schicksal. Und so dampft der Schmerz in den Duft des Frühlings hinein. Die warmen Ströme der Luft schmecken fade. Es ist, wie es ist. Und es ist fürchterlich.”

Inderdaad, het is vreselijk, maar zo is het. En daar helpt geen lievemoederen aan, en evenmin bommen of aanslagen.

Print Friendly, PDF & Email