07/05/2017
door Peter
Geen reacties

07.05.17 – Vakantielectuur 2: Germaine de Staël

Decennia geleden heb ik haar bekendste – of toch één van de bekendste – werk gelezen: De l’Allemagne. Ik weet er niets meer van, het is gewoon te lang geleden.

Hoe ik op dit boekje van amper zestig bladzijden gekomen ben, weet ik evenmin nog, ook al is die ‘ontdekking’ zeer recent. Het betreft: Réflexions sur le suicide, in een fotomechanische herdruk van de editie van 1813, die was uitgegeven in Berlijn. Ze was immers door Napoleon uit Frankrijk verbannen.

Het boekje wordt in geen van de belangrijke werken over literatuur en zelfmoord vernoemd, ook door Jeroen Brouwers niet. Nochtans is Germaine de Staël niet de eerste de beste. Maar in vergelijking met haar overige werk zal dit boekje wellicht toch van mindere kwaliteit zijn. Het is in elk geval géén apologie van de zelfmoord, zelfs geen begripvolle benadering zoals die van John Donne heel wat eerder.

Uit de opdracht leer ik dat er mogelijk persoonlijke oorzaken geweest zijn om dit boekje te schrijven, maar dat wordt enkel gesuggereerd. Maar even verder wordt in een voetnoot wel gesteld dat de schrijfster eerder wel op positieve wijze over zelfmoord geschreven heeft, met name in haar Sur l’influence des passions sur le bonheur des individus et des passions. Dat heb ik niet gelezen en in hoeverre dat inderdaad een apologie van de zelfmoord bevatte, weet ik dus niet.

Onderhavig boekje lijkt dus ook een zelfkritiek te zijn.

Het bestaat uit drie delen en een aanhangsel, die allemaal in het teken van het christendom staan. Dat is al genoeg natuurlijk om te weten dat zelfmoord hier wordt afgekeurd. Toch gebeurt dat op een eerder zachte wijze, zonder vervloekingen of dreigingen met hel en duivels.

Het eerste deel vraagt zich af ‘Quelle est l’influence de la souffrance sur l’âme humaine?’ Ze heeft wel begrip voor de verschillende vormen van lijden, maar is van oordeel dat het nooit erg genoeg kan zijn om tot zelfmoord over te gaan. Over het algemeen staat ze zelfs positief tegenover de verschillende vormen van lijden, omdat ze het karakter zouden sterken; achtereenvolgens heeft ze het over de liefde, en het verlies van geld en van eer. We zijn in de achttiende eeuw natuurlijk.

Hierna begint het tweede deel, dat expliciet de wetten van de christelijke religie t.o.v. zelfmoord behandelt, met een expliciete verwijzing naar – kan het anders?! – Job, hét voorbeeld van christelijke lijdzaamheid in de bijbel. Van daaruit wordt dan de eeuwigheid tegenover de tijdelijkheid gesteld: en de christenen dienen natuurlijk eerder aan hun zielenheil in het hiernamaals te denken en te werken dan zich met de ongelukkige toestand hier beneden bezig te houden.

Het derde deel behandelt dan ‘la dignité morale de l’homme’. De eerste bladzijden analyseren wat zij noemt ‘le dévouement’, en dat kan alles betekenen, omdat de mens zich nu eenmaal in alles kan inleven, en zijn leven aan alles kan wijden. Eveneens typisch voor de achttiende eeuw: tegenover die toewijding wordt het gedrag gesteld van wat zij ‘les sauvages’ noemt, waarin ze bepaalde gebruiken die toen waarschijnlijk pas bekend werden hekelt, zo het afstoten en in de zelfmoord drijven van ouderen die geen nut meer hebben voor de maatschappij (iets dat men nu trouwens nog steeds doet, alleen op een door en door hypocriete manier – door de zorg af te breken en het sociaal weefsel te vernietigen).

Tenslotte gaat ze dieper in op enkele gebeurtenissen in Berlijn, met name één gebeurtenis vooral: de dubbelzelfmoord van een jonge dichter, genoemd ‘de K…’, die na een goede maaltijd eerst zijn vriendin doodt en dan zichzelf. Uiteraard wordt hier naar Kleist verwezen, die toen voor de Staël waarschijnlijk nog een illustere onbekende was in plaats van de grote schrijver die hij nu is. Ook trekt ze enkele summiere vergelijkingen met Engeland en andere landen. Het is best mogelijk dat deze summiere verwijzing – in een voetnoot dan nog – naar Kleist en diens dubbelzelfmoord de allereerste ooit geweest is. Die vond plaats in november 1811, dus op een ogenblik dat zij wellicht al aan dit boekje werkte. Niet veel later zou dat natuurlijk een van de schokkendste en bekendste gebeurtenissen uit de Duitse en Europese literatuur worden.

Uiteindelijk sluit ze haar boekje af met uittreksels uit de brieven van Lady Jane Grey aan haar arts. Op zestienjarige leeftijd werd zij voor negen dagen koningin van Engeland en dan onthoofd, zogezegd wegens hoogverraad. De brieven tonen iemand die haar angst probeert te overwinnen, die een gemakkelijke zelfgekozen uitweg weigert, en steun en troost zoekt en vindt in haar godsdienst.

Germaine de Staël ziet in haar duidelijk een na te volgen voorbeeld.

Wij, vandaag de dag, helemaal niet meer. En ook dat is goed.

°°°

Madame de Staël – François Gérard (1810)

Naast dit boekje, dat eigenlijk enkel interessant is voor mentaliteitshistorici, verscheen zowat een maand geleden ook een aan de Staël gewijd Pléiade-deel. Het bevat drie van haar belangrijkste werken: twee werken van fictie en het zeer bekende De la littérature considérée dans ses rapports avec les institutions sociales. Ik heb het nooit gelezen, maar uit mijn studententijd, toen ik me een tijdje intens met wat toen literatuursociologie heette, heb beziggehouden, herinner ik me nog wel dat dit een van de belangrijkste voorlopers van die discipline was.

In dit laatste werk analyseert ze niet enkel de betrekkingen met de sociale instellingen, zoals ze het noemt, maar ze stelt de verschillende Europese literaturen ook in een nationaal daglicht. Wat dat betreft is ze zeker te vergelijken met iemand als Herder in Duitsland. De Ico Maly’s van deze wereld, wier nek vele, vele malen dikker is dan hun verstand, kunnen haar dus onmiddellijk gaan beschouwen als nog eens een voorloopster van de nazi’s – of van Le Pen, wat voor hen natuurlijk hetzelfde is.

Zelf beperk ik mij tot de vaststelling dat beiden eigenlijk voorlopers zijn van wat bijna een eeuw later ‘Völkerpsychologie’ (Wundt) genoemd zal worden, een discipline die inderdaad heel gemakkelijk misbruikt kan worden, en dat dus ook werd. Op zichzelf is die discipline niet te verwerpen, maar het komt er wel op aan het kaf heel grondig van het koren te scheiden, heel voorzichtig te zijn, en het scheermes van Ockham steeds bij de hand te houden. Maar dat moet je natuurlijk bij elke deeldiscipline van de psychologie doen. En wellicht bij elke niet-exacte wetenschap.

07/05/2017
door Peter
Geen reacties

06.05.17 – Vakantielectuur: Tchoudinova

Als ze er al kennis van hebben, dan krijgen de leden van de politiek correcte roedels bij die naam het reetschurft, jeuk over heel hun lijf, hun haren rijzen letterlijk ten berge en ze verzinken in afwisselend spasmen en stupor.

Elena Tchoudinova: La Mosquée Notre-Dame de Paris année 2048 (Editions Tatamis, s.l., 2009); zo heet het eerste boek dat ik tijdens mijn afgelopen vakantie las, en de titel zegt al alles. Het boek is zeer moeilijk nog te krijgen, enkel tweedehands, en ik vermoed dat het inmiddels in Frankrijk verboden is wegens inbreuken op allerlei idiote en krankzinnige wetten op racisme, haat zaaien, belediging van volksgroepen enzoverder enzovoort.

En het is helemaal geen slecht boek, gezien vanuit een zuiver literair standpunt. Het is opgebouwd met een zekere spanning, een beetje zoals een detective, het is vlot geschreven (of vertaald, want ik ken geen Russisch), en er is veel afwisseling in de figuren en hun optreden. Waarbij enkele figuren het hele boek door terugkomen en dus de hoofdpersonen zijn: een vrouw van Russische afkomst, een katholieke priester, enkele jonge mensen en een vreemd kind.

De roman behoort tot het genre van de zgn. dystopie en heeft een zeer duidelijk en expliciet uitgangspunt: in Frankrijk heeft de islam, en met name een van de ergste strekkingen ervan, het Wahabisme (bekend van de ‘prille democratie’ Saoedi-Arabië) een staatsgreep gepleegd en haar krankzinnige vorm van sharia ingevoerd: in het wijnland Frankrijk is alcohol uiteraard verboden, in het culturele land Frankrijk zijn de musea gesloten en de kunstwerken vernietigd want afbeeldingen zijn haram, en degenen die zich niet wensten te bekeren, de kafirs dus, leven voortaan in getto’s, waar ze enkel met speciale toelatingen en op bepaalde uren uit mogen. Uiteraard bestaat er ook een verzet, een ‘résistance’ ofte ‘maquis’ en twee maal wordt in het boek verwezen naar de bezetting door ‘les boches’. De hoofdpersonen behoren quasi allemaal tot dat verzet, dat o.a. gebruik maakt van het ondergrondse Parijs (gesloten metrolijnen, catacomben, rioleringen). De wahabitische machthebbers beslissen de getto’s leeg te maken door degenen die er leven te doden en zodoende het verzet droog te leggen. Dat reageert door enerzijds de bewoners van de getto’s te verzamelen met het oog op evacuatie, en anderzijds door de Notre-Dame, inmiddels hoofdmoskee van Parijs, in te nemen, opnieuw te wijden om er een laatste mis te laten opdragen en dan te vernietigen liever dan ze in handen van de moslims te laten. Dat is in het kort het gegeven, of de samenvatting als men wil.

De schrijfster is volledig islamofoob, en dat is het aspect dat door de politiek correcte roedels uitgekotst zal worden. Wat mijzelf betreft kan ik enkel maar zeggen dat ik even islamofoob ben als de schrijfster; maar in tegenstelling tot haar, ben ik ook judeofoob en christianofoob, met dien verstande dat ik goed kan uitmaken welke van de drie op een bepaald ogenblik gevaarlijk is en welke minder of niet.

Islamofobie is een positieve zaak, waar elk progressief denkend mens alleen maar achter kan staan.

De schrijfster noemt haar boek een ‘roman-mission‘ (vet van mij) in de ondertitel, wat nog een categorie sterker is dan ‘roman à thèse’, een genre dat meestal nogal negatief bekeken wordt. De missie in kwestie is natuurlijk de strijd tegen de islam, die heel het boek door breed uitgesmeerd wordt en soms in termen die niet echt vleiend en zelfs regelrecht beledigend zijn. ‘Belediging’ is voor mij helemaal geen strafrechtelijke categorie, ook hier niet, waar het duidelijk zeer bewust gebeurt, waar de schrijfster bewust wil denigreren en dus beledigen. Ze hebben misbruik gemaakt van hun petroleum, de roep van de muezzin lijkt op de schreeuw van een reusachtig varken, de moslims worden systematisch ‘sarrasins’ genoemd, een woord dat vandaag erg negatief klinkt, het zijn halsafsnijders (“Ils en éprouvent une grande jouissance. Savez-vous qu’il leur arrive souvent d’éjaculer en égorgeant leur victime?” (p. 109) – wie een beetje psychoanalyse kent, weet dat dit niet overdreven is), en de meest denigrerende term is waarschijnlijk die van het kind Valérie: ‘les derrières’ ofte de achtersten. Iedereen zal wel weten wat bedoeld wordt.

Het hele boek door wordt ook systematisch de absolute tegenstelling ‘zij/wij’ gebruikt; zij, de moslims zijn de vijand, en wij, de Fransen (‘de souche’) zijn de goeden. Zoals in een echte oorlogssituatie, zoals die in dit boek geschetst wordt, verdwijnt elk individueel onderscheid om enkel nog groepen over te houden volgens het adagium: wie niet voor mij is, is tegen mij.

Waarschijnlijk is de schrijfster, waar ik verder niets over weet (behalve natuurlijk dat ze een Russische is) zelf nogal religieus, maar of ze orthodox of katholiek is zou ik niet kunnen zeggen. Hoe dat ook zij, een van de hoofdpersonen is, zoals al gezegd een priester, een katholieke priester, en wel van de strekking van monseigneur Lefebvre – of all persons! In enkele gesprekken wordt overigens duidelijk gemaakt dat deze van oordeel is dat met Vaticanum II de decadentie van de katholieke kerk begonnen is. Blijkbaar beseft de schrijfster niet dat er geen wezenlijk onderscheid is tussen de klassieke katholieke kerk en de sekte van Lefebvre; maatschappelijk gezien betekenen beide in het westen, in Europa laten we zeggen, quasi niets meer, in die zin dat ze hun politieke macht definitief kwijt zijn, én dat dat goed is. Misschien beseft de schrijfster dat zelf ook wel, want rond de priester cirkelen andere verzetsmensen die gewoon ongelovig zijn, of half gelovig of hoe dat ook heten mag. Maar haar sympathie ligt toch eerder bij de letterlijk reactionaire priester – even reactionair als de islam waar hij tegen strijdt. Dat wordt trouwens ook bewezen door enkele andere verwijzingen, nl. die naar de Vendée en naar Charlotte Corday, telkens in positieve zin.

Het lijkt er dus op dat Tchoudinova terug wil naar een soort Ancien Régime.

Wat rabiate onmogelijke onzin is.

Maar we hebben wel nog altijd met een roman te doen natuurlijk. Maar die zich inschrijft in bepaalde apocalyptische strekkingen die vandaag nogal sterk naar voren komen; het is dan ook geen toeval dat de verteller zelf – maar in hoeverre kunnen we die vereenzelvigen met de schrijfster? – op een bepaald ogenblik stelt: “Car, dans un certain sens, le Jugement Dernier avait déjà commencé.” (p. 407) In die zin is het boek ook een uiting van wat sinds Huntington de ‘clash of civilisations’ genoemd wordt, hier dus tussen christendom en islam. De uitdrukking ‘le conflit des civilisations’ wordt zelfs één keer letterlijk gebruikt (p.306) Ook andere verwijzingen, met name naar een niet zo ver in het verleden liggend politiek verleden passen in die context: verwijzingen naar de Joegoslavische secessieoorlogen, en met name naar Servië (een van de hoofdpersonen, die toevallig of niet Slobodan heet en die bij de wahabieten geïnfiltreerd is, is trouwens een Serviër), naar de gebeurtenissen in Beslan, waar door islamitische Tsjetsjeense terroristen o.a. bijna tweehonderd kinderen vermoord werden, naar gebeurtenissen in Polen, etc. Dat soort verwijzingen komt wel vaker, maar niet overdreven vaak voor. Hetzelfde moet trouwens gezegd worden van andere verwijzingen; de schrijfster weet echt goed te doseren, op alle vlakken.

Wat ik ook erg origineel vind is het optreden van een kind dat Valérie heet. Eén van de hoofdstukken is trouwens naar haar genoemd. Toch is haar optreden eerder marginaal en sporadisch. Zij heeft het denigrerende ‘les derrières’ uitgevonden, zij cirkelt voortdurend rond de Notre-Dame… Een soort mascotte van het verzet zou je kunnen zeggen, maar ik denk dat er meer aan de hand is, dat de schrijfster via deze figuur een in haar geest nodige reiniging voor-ziet; in die zin lijkt zij meer trekken van een engel te bezitten dan van iets anders. Het lijkt me een symbolische figuur, maar zoals dat zo vaak het geval is met symbolen valt moeilijk exact vast te stellen waar ze voor staat.

De kern van het hele boek ligt in één zinnetje, dat in het boek zelf vier keren voorkomt, en dat ook op de achterflap in het vet afgedrukt wordt (ik zet het eveneens in vet): Quand on commence à faire des concessions, on ne peut plus s’arrêter. (pp. 57, 278, 279 en 336)

Als men als maatschappij zichzelf en zijn wat men dan noemt ‘waarden en normen’ een beetje au sérieux neemt, dan klopt die stelling volledig. En als je van het boek naar de maatschappij waarin we leven vertrekt, dan merk je dat al veel te veel toegegeven werd en dat het, gesteld dat men dat wil, extreem moeilijk zal zijn om dat terug te schroeven. Wat sowieso toch niet zal gebeuren.

Ondanks sommige bedenkelijke aspecten, waar ik dus duidelijk niet achter sta, vind ik het een goed boek, op de eerste plaats zuiver literair, maar ook in die zin dat het werkelijke belangrijke maatschappelijke problemen aanraakt, verwoordt en onder de aandacht brengt. Dat gebeurt in een opvolging van scènes, die zeer filmisch aandoen, in die zin zelfs dat er van dit boek onmiddellijk een boeiende film gemaakt zou kunnen worden.

Maar degene die daar nog maar aan denkt haalt zich natuurlijk de doodstraf via een fatwa op de hals. Zover hebben de toegevingen inmiddels al geleid.

Net zoals dat het geval was bij het verschijnen van Soumission van Houellebecq zal de goegemeente waarschijnlijk de schouders ophalen en zeggen dat het zo’n vaart helemaal niet zal of zelfs maar kan lopen. Er zijn immers in West-Europa maar 4 à 6 % moslims aanwezig, met grotere percentages in de grote steden. Uiteraard klopt dat. Zoals er op het ogenblik dat Constantijn het christendom toeliet ongeveer evenveel christenen waren; en zelfs op het ogenblik dat Theodosius er de staatsgodsdienst van maakte, op het einde van diezelfde vierde eeuw, waren er volgens schattingen (die natuurlijk nooit volledig adequaat zijn, maar wel voldoende om er conclusies ui te kunnen trekken) ongeveer 10% christenen.

Het boek doet qua thema ook denken aan een eerdere Franse roman, van de extreem-rechtse schrijver Philippe Gautier: La Toussaint blanche. Dat dateert al uit de jaren tachtig van de vorige eeuw en beschrijft een burgeroorlog in Frankrijk tussen patriottische Fransen en Maghrebijnen. Literair gezien is hij minder dan deze roman van Tchoudinova.

°°°

In respectievelijk 1922 en 1925 verschenen de volgende romans: van Hugo Bettauer: Die Stadt ohne Juden, ein Roman von Übermorgen; en van Artur Landsberger: Berlin ohne Juden. De eerste werd in 1924 zelfs verfilmd (film die werd heruitgebracht door Edition der Standard, der Österreichische Film, en het Filmarchiv Austria in 2008 – misschien is hij nog te krijgen). In het licht van wat er slechts enkele jaren later gebeurd is, zijn dat verbijsterende boeken: enkel de wetenschappelijke uitroeiing in kampen als Auschwitz, Majdanek enz. komt er niet in voor (dat kon de fantasie waarschijnlijk onmogelijk vatten), maar al de andere maatregelen wel degelijk.

Dergelijke boeken of films over de uitroeiing van de moslims alhier zijn me niet bekend, ze bestaan waarschijnlijk ook niet. Niet omdat zoiets ondenkbaar zou zijn, alles is denkbaar. Maar omdat het om allerlei voor de hand liggende redenen politiek ondoenbaar is. En gelukkig maar, misschien is dat dan toch een heel, heel klein beetje vooruitgang.

Maar waarom zouden boeken als Soumission en dit La Mosquée Notre-Dame de Paris année 2048, niet op een gelijkaardige manier voorspellend kunnen zijn? Zoals Le camp des saints dat was?

Ik vraag niet liever dan te worden overtuigd van het feit dat dat niet kan.

12/04/2017
door Peter
Geen reacties

Leentje, Max en dat stomme leven.

Wie ook de petite histoire van de Nederlandse letteren een beetje kent, heeft wellicht weet van de ‘verhouding’ tussen de Franstalige Belgische dichter Max Waller (echte naam: Maurice Warlomont) en de in twee talen, maar voornamelijk in het Nederlands gepubliceerd hebbende Hélène Swarth. Ik zet het woord ‘verhouding’ hier systematisch tussen aanhalingstekens, omdat de weinigen die erover geschreven hebben het er grotendeels over eens zijn, dat van een ‘verhouding’ eigenlijk helemaal geen sprake geweest is; alleen al de leeftijd van de protagonisten, beiden zeventien, staat daar garant voor. (Niet vergeten: we spreken over het einde van de negentiende eeuw, in een min of meer burgerlijk milieu; vandaag de dag zou die leeftijd alleen maar normaal zijn om ook elke kortstondige ‘verhouding’ te consumeren.)

Max Waller was een van de voormannen van het tijdschrift La Jeune Belgique dat je een beetje kunt beschouwen als de Franstalige pendant van het Vlaamse Van Nu en Straks. Hélène Swarth, die, zoals geweten is, in het Frans debuteerde, werkte ook aan dat Franstalige tijdschrift mee.

De eerste die, voor zover ik weet, over de ‘verhouding’ van de twee schreef was Firmin van den Bosch in een korte mededeling aan de Académie royale de langue et littérature française, verschenen in het augustusnummer, tweede nummer van het jaar 1941 van het bulletin van deze academie. Het korte stukje werd geschreven naar aanleiding van het overlijden van Hélène Swarth iets eerder datzelfde jaar. De auteur schrijft het begin van zijn stukje quasi volledig over de bundel Rouwviolen van Swarth, waarvan wordt aangenomen dat hij grotendeels zo niet volledig gewijd is aan Waller en de herinnering aan hun gedroomde samenzijn. Verder vertaalt hij nog één gedicht helemaal (‘Zijn leus’), en daarbuiten nog enkele fragmenten. Om te eindigen:

“Il sera beaucoup pardonné à l’inconstant et volage Siebel, pour avoir, en meurtrissant cruellement un jeune coeur, asservi à son souvenir, pendant plus d’un demi-siècle, l’inspiration obstinément fidèle d’une femme qui fut en même temps un beau poète.” (p. 73)

Dit einde wijst erop dat van den Bosch zich het standpunt van de éne partij in deze ‘verhouding’ heeft eigen gemaakt, en dat blijkbaar zonder de andere partij zelfs maar te ondervragen. Inderdaad, over de uitlatingen van Waller zelf over Swarth vernemen we absoluut niets. Brieven die de twee aan elkaar stuurden zijn er inderdaad niet meer, Swarth heeft alles wat ze desbetreffende bezat, vernietigd. Maar er is wel een interessante novelle van Max Waller, waarin hij het zonder meer en zeer herkenbaar over hun ‘verhouding’ heeft.

De eerste die daar grondig op gewezen heeft was Herman Liebaers in zijn doctoraat over Hélène Swarths zuidnederlandse jaren (KANTL, Gent, 1964). Je zou die novelle van Waller een vroege tegenhanger van Swarths voornoemde dichtbundel kunnen noemen. Het volstaat overigens de index van Liebaers’ boek te bekijken, om te zien dat Waller er het vaakst in genoemd wordt – op Pol de Mont na dan; maar dat is normaal aangezien het tweede deel van zijn werk de brieven van Swarth aan de Mont bevat.

Volgens Brouwers (zie later) zou Liebaers alles hebben opgezocht wat te vinden was, en dan in de aan hun ‘verhouding’ gewijde passages van zijn boek hebben verwerkt. Mijns inziens klopt dat slechts ten dele. Op de eerste plaats is die passage in zijn doctoraat niet echt uitgebreid, maar vooral: hij stelt vanaf het begin expliciet dat de ‘verhouding’ tussen beiden moeilijk te reconstrueren valt, omdat er geen objectieve bronnen zijn. De belangrijkste bronnen zijn enerzijds de poëzie van Swarth, en anderzijds de novelle La vie bête, het literaire debuut van Waller. Liebaers beperkt zich ertoe één passage daaruit naast een gedicht van Swarth te zetten (pp. 22-23), maar het is volgens mij nog de vraag of beide literaire teksten inderdaad naar dezelfde gebeurtenis in de werkelijkheid verwijzen. Mijns inziens is er niets dat daarop wijst.

Hoe dat ook zij, Liebaers gaat verder evenmin in op het boekje van Waller. Er valt trouwens één zaak op: Liebaers verwijst naar het boek van Paul André: Max Waller et La Jeune Belgique (Le Thyrse, Revue d’Art/Librairie Vanderlinden, Bruxelles, 1905), die op het boekje van Waller ingaat zonder te verwijzen naar Hélène Swarth. Het hoofdstuk over La vie bête eindigt met een lang citaat uit de novelle (pp. 46-49 bij André). En laat Liebaers nou net het middenstuk van datzelfde citaat uitkiezen om op zijn beurt te citeren! Zou hij de novelle wel gelezen hebben? Ik vraag het me af.

Jeroen Brouwers heeft ze waarschijnlijk evenmin gelezen. Hij heeft wel het mooiste boek over Hélène Swarth geschreven: Hélène Swarth. Haar huwelijk met Frits Lapidoth 1894-1910 (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 1985 = Open Domein 15), een dat getuigt van hetzelfde sterke inlevingsvermogen dat we ook uit andere werken van hem kennen. Voor wat betreft de ‘verhouding’ met Waller verwijst hij expliciet naar Liebaers, die hij niet wenst ‘klakkeloos te moeten overschrijven’ (p. 11), maar eigenlijk gaat hij een beetje verder dan Liebaers wanneer hij het volgende stelt:

“Ja, zelfs zou men kunnen denken dat zij al sedert 1883 een diepe hekel aan Waller had gehad, omdat Waller in dat jaar, eerst als feuilleton, toen in boekvorm, zijn novelle La vie bête publiceerde, waarin hij met de hele zogenaamde liefdesrelatie dusdanig de draak stak, dat Hélène Swarth het vergeleek met ‘een testament van de haat’.”(pp. 21-22)

Daarmee volgt hij ook de subjectieve beleving betreffende de ‘verhouding’ en de breuk van Swarth zelf. Ook bij hem komt de visie van Waller niet aan bod. Mijns inziens is zelfs dat verwijzen naar gevoelens van haat in hoofde van Swarth slechts in beperkte mate juist. Ziehier het gedicht waar Brouwers op doelt (ook Liebaers had al naar dat gedicht verwezen):

“TESTAMENT

‘k Verbrandde ’t blad waarop uw zonde stond,
Gelijk een schatrijke edelvrouw niet laat
Betalen d’armen landman pacht en zaad,
Maar de schuld kwijtscheldt, die hem drukte en bond.

Ik maalde een glorie rond uw wuft gelaat,
Ik schreef Vergeving op uw graf, ik wond
Een krans violen om uw kruis….en vond,
Als loon, uw boek: een testament van haat.

Dat was een bittre bete en, heel den dag,
Heb ik mijzelv’ verfoeid, veracht, bespot,
Omdat ik eens dien knaap naar de oogen zag.

Toen las ik wat de apostel heeft geboekt:
“Bemin uw vijand ! zegen wie u vloekt!”
En ‘k bad voor u, o ziel gericht door God!

(Poëzie, P.N. Van Kampen & Zoon, Amsterdam, 1892, p. 228)

Het is dus duidelijk de vergevingsgezindheid die het haalt op de gevoelens van haat en wraak; hetzelfde gebeurt trouwens in het gedicht ‘Mijn haat’ uit de Wallerbundel Rouwviolen (pp.42-43), waarin de haat gepersonifieerd wordt en zich op het einde van het gedicht in liefde verandert. Enkele gedichten verder in dezelfde bundel staat trouwens een gedicht ‘Vergeving’ (pp. 46-47), dat terzake zo mogelijk nog explicieter is.

Maar wat dacht Waller zelf er nu van? Hoe leefde Hélène Swarth in zijn herinnering voort? De enige mogelijkheid daarop een min of meer duidelijk antwoord te vinden is: La vie bête grondig lezen. Iets dat de vorigen blijkbaar niet gedaan hebben, jammer genoeg. Anders zouden ze geweten en geschreven hebben dat de onmiddellijke emotionele reactie van Swarth op z’n zachtst gezegd erg overtrokken is geweest. Maar bon, het boekje was waarschijnlijk toen al zeldzaam. Je vindt het nog wel in antiquariaten, maar vaak zijn de weinige boeken van Waller erg duur. Heruitgaven van zijn werken zijn er immers – voor zover ik weet – nooit geweest.

Over dus naar het stomme leven, het debuut van Max Waller, verschenen in 1883, met een woord vooraf van Camille Lemonnier, bij A. Brancart, Editeur te Bruxelles, blijkbaar gedrukt op velin of hollande, maar dat staat nergens erin vermeld.

Het boekje bevat drie delen en een woord achteraf.

Het eerste deel omvat vijf hoofdstukjes, waarin de kennismaking, de korte ‘verhouding’ én de breuk tussen hoofdpersoon Jacques Balmus en het jonge meisje Madeleine Auriol geschetst worden; in hen herkennen we zonder veel problemen Max Waller en Hélène Swarth; het boekje verscheen toen beiden al over de twintig waren, maar de gebeurtenissen erin spelen iets vroeger, toen ze beiden zeventien waren. Dat eerste deel is in de ik-vorm gesteld: aan het woord is Balmus, en de laatste zin van dit deel stelt dat het voorgaande na zijn dood werd teruggevonden tussen zijn papieren.

‘Une jeune fille jolie et qui faisait des vers’, zo omschrijft hij haar die hij vooral wegens die verzen wil leren kennen; zelf schrijft hij immers ook verzen. Op een feestje maakt hij dan kennis met haar, en zij spreken over poëzie, waarbij vooral de namen van Hugo (waar de piepjonge Swarth even briefcontact mee heeft gehad) en Lamartine, met name diens Jocelyn vallen. En even expliciet wordt door haar gesteld dat zij niet van Baudelaire houdt. Hetgeen minstens een wenkbrauw moet doen fronsen. Want in haar debuut zijn ook reminiscenties aan Baudelaire terug te vinden, in het eerste gedicht al, dat ‘Au lecteur’ heet, net zoals het eerste gedicht van Les fleurs du mal. Maar bon, daar gaat het niet om. Het tweede hoofdstukje speelt zich af in Bonn, waar de hoofdpersoon Duits leert. Bij zijn terugkomst beseft hij verliefd te zijn op Madeleine. Toch ziet hij goed door haar idealisme en haar jongemeisjesgeëxalteerdheid heen. Dit bv. is zonder meer van toepassing op Swarth zoals Brouwers haar schitterend weet te beschrijven:

“Madeleine n’avait guère changé; c’était toujours la rêveuse qui éprouve le besoin de parler de son coeur comme d’un objet sans cesse blessé que nulle puissance ne peut guérir; qui, dans chacun de ses vers, avec une larme, en met une parcelle; qui se prétend méconnue, incomprise et blessée au choc des réalités ; qui vogue dans les éthers et qui souffre de ne point avoir les ailes plus larges, pour planer plus haut.” (p.29)

Iets negatiefs over haar kan ik daarin niet zien; uit alle andere bronnen blijkt dat Swarth inderdaad zo was. Beiden bereiden dan samen een kort door haar geschreven toneelstukje voor dat ze bij een avondpartijtje zullen opvoeren. Hier is de hoofdpersoon wel degelijk erg scherp: “C’est d’un bête!”, roept hij uit. En: “Et à chacune de ces strophes blondes, ce ‘O Madeleine !’ revenait comme un grand soupir et comme la supplication bêlante de la brebis qui demande à boire.” Ik kan mij voorstellen dat Hélène daar boos over was. Maar hij doet wel mee ondanks zijn schaamte. Eerst draagt een vriend, veelbetekenend Veinard geheten, het gedicht ‘La Mouche’ voor, voordracht waar hij telkens veel succes mee oogst (en waarvan de voordracht op YouTube nog steeds gehoord kan worden); en dan brengen Jacques en Madeleine hun stukje, een kleine komedie in één bedrijfje. Ook zij hebben succes, maar heel de persoonlijkheid van Madeleine is blijkbaar zo idealistisch en idealiserend, los en ver van de werkelijkheid dat de mannelijke hoofdpersoon hierna langzaam afstand van haar gaat nemen. Overigens, het opvoeren van dergelijke zelfgeschreven toneelstukjes is blijkbaar een (auto)biografisch gegeven, getuige Hélène Swarth zelf, die in een tekst, ‘autobiographische aanteekeningen’, opgenomen achter in haar bundel Wijding het volgende schrijft:

“Toen ik niet meer schoolging schreef ik een paar salontooneelstukjes. Ik speelde die met zusters en een neef van onze buren.” (p. 88)

Jammer eigenlijk dat die niet bewaard zijn gebleven. Liebaers (p.20) gaat er zonder meer en zonder verdere bronnen te noemen van uit dat deze neef Max Waller geweest is. Wat misschien voor de hand ligt, maar toch niet meer is dan een onbewezen mogelijkheid.

Maar waar de ‘verhouding’ op stuk gaat is uiteindelijk het vlees: om het plat te zeggen, Jacques heeft goesting, hij wil seks. Uit niets blijkt dat zij hem wat dat betreft afwijst, maar ook het tegendeel blijkt niet uit de betreffende passages. Maar omdat men in de wolken, waar Madeleine haar verblijf houdt, geen seks kent, zal het wel zo geweest zijn. Het enige opvallende is, dat Balmus alle ‘schuld’ bij zichzelf legt, en dat er in heel deze passages geen enkel verwijt in haar richting te bespeuren valt. Ik citeer:

“Tu te souviens de ce baiser, n’est-ce pas, Madeleine? Comme moi, tu as senti qu’il marquait une étape à notre vie; il était l’estampille de la plus grande, de la plus belle page de notre existence. Tu as compris, ma blonde ancienne, qu’il était le dernier relais de notre bien-aimé platonisme, que la chair criait sous cette étreinte folle, et moi, j’ai eu peur, j’ai fui cette sensation étrange qui m’étouffait, qui m’étranglait, qui me brisait; j’ai fui, craignant la bête que je sentais assoupie en moi et mon premier amour est resté tout entier dans ce mordant désir et cet ineffable baiser!” (pp. 45-46)

Het lijkt me duidelijk dat de hoofdpersoon hier eerder wegloopt van zichzelf, van zijn eigen drift dan van haar of van iets anders. De ‘verhouding’ zal dus uiteindelijk niet geconsumeerd worden, in het laatste hoofdstukje is de breuk definitief.

Dat het wellicht wel degelijk iets te doen had met de houding van Hélène ten opzichte van de seksuele werkelijkheid, kan wellicht worden afgeleid uit een van haar sonnetten, nl. het eerste gedicht na de opdracht van haar bundel Blanke Duiven; net zoals veel in het boekje van Waller kan en moet ook een dergelijk gedicht mede psychoanalytisch gelezen worden:

“ALS BLANKE MEISJES

Als blanke meisjes, diep in ’t bosch aan ’t baden,
Wen wulpsche knapen haar bespieden komen,
Vluchten verschrikt in ’t heiligdom van boomen,
Omslaande in haast de vrool’ke roosgewaden; –

Zoo vlieden huivrend uit mijn ziel mijn Droomen,
Die rein in maagdelijke waatren waden,
Hullend in mantels, die geen vorm verraden,
De zwaneleden, die ontwijding schromen.

O laat mijn Droomen vrij en veilig drijven
Op ’t blauwe meer, in ’t bosch waar zij behoorden!
O dwing haar niet, met eerbiedloos verdrijven,
Tot angstig kleeden in gewaad van woorden
Haar teêr etherisch schoon, dat toch zal blijven
Geheim voor de onbescheid’nen, die haar stoorden!”

(Gedichten, P.N. Van Kampen & Zoon, Amsterdam, s.d. (1902), p. 5)

Het voorgaande citaat uit de novelle van Waller lijkt me al zeer positief voor wat betreft hun ‘verhouding’ maar ook voor wat betreft haarzelf. Dat is de algemene teneur van het hele verhaal, waar de negatieve klanken wel aanwezig zijn, maar erg miniem vergeleken met de positieve tonen. Dat begint al helemaal aan het begin van dit eerste deel, en dat deel eindigt ook op die wijze. Laat me eerst dat begin citeren, en dan dat einde:

“Pourquoi l’ai-je connue? Elle a laissé dans ma vie son reflet blond; j’entends toujours sa voix de muse, et son souvenir pâle me hante…..

Madeleine a absorbé six mois de mes dix-sept ans; elle a mis dans ma pensée son exquise douceur, et, maintenant encore, il me semble que je garde en moi-même une marque légère d’autrefois et comme un rayon d’amour qui ne veut pas s’éteindre.” (p. 7)

En op ’t einde:

“Puis, avec ces pages qui contiennent le plus pur mais aussi le plus douloureux de mon coeur, j’ai renfermé tout ce qui me venait d’elle, et, comme sur une tombe aimée, mis une croix sur la tombe de mon premier amour.” (p. 52)

In de loop van het hele boekje en eveneens nog in dit eerste deel komen nog dergelijke zinnen en paragrafen voor. Dat Waller haar bespot zou hebben, klopt dus niet, ondanks de ironie die soms doorschemert; maar zelfs dan is het een zachte ironie, ver van alle sarcasme en/of cynisme.

°°°

Het tweede deel is heel anders van toon en opvatting. Op de eerste plaats is het nu in de derde persoon gesteld, maar vooral: dit deel is eigenlijk voor een groot deel een uitgewerkt psychologisch portret van Madeleine Auriol. En het psychologische portret dat Jeroen Brouwers schetst van Hélène Swarth in zijn voormelde boek komt daar wonderwel mee overeen, zonder – ik heb het al gezegd – dat Brouwers van deze novelle gebruik zou hebben gemaakt.

Of Swarth eveneens zo onder de indruk is geweest van Lamartines Jocelyn als Madeleine Auriol, weet ik niet; maar het is wel zo dat het door-en-door romantische karakter van dit gedicht – zoals van het hele oeuvre van Lamartine – wel gefundenes Fressen was voor een romantische meisjesziel. Daar staat tegenover dat Auriol Madame Bovary expliciet afwijst. Hélène Swarth doet hetzelfde eveneens expliciet met La Débacle van Zola, in een van haar brieven aan Pol de Mont. Madeleine Auriol is ook de auteur van een bundel romantische verzen, die in het boek van Waller Mes Rêves heet; het debuut van Hélène Swarth heette Fleurs du Rêve (een onbewuste reminiscentie aan Baudelaire?).

Volgens Brouwers kon Swarth totaal niet relativeren. Volgens Waller kon Madeleine Auriol dat evenmin, en met de breuk met Balmus stortte de wereld van Auriol dan ook in:

“Tout son bonheur anéanti s’unissait à tout son orgeuil froissé, et son rêve, son beau rêve agonissant, criait avec sa déception d’amour, la clameur déchirante de toutes les désespérances humaines.” (p. 64)

Dat stemt eveneens overeen met het door Brouwers geschetste portret volgens hetwelk zij “in de Nederlandse literatuurgeschiedenis de kampioene in het beschrijven van leed-in-het-algemeen” (p. 34) is. Dat klopt in elk geval wel, en het moet gewoon een fundamenteel deel van haar persoonlijkheid geweest zijn. Haar eerste hierboven genoemde bundel verscheen in 1879, toen ze twintig was; je mag er dus vanuit gaan dat het gedichten bevat die pakweg tussen haar zestiende en negentiende geschreven werden. Kijk gewoon naar de titels van de afzonderlijke gedichten: ‘Résignation’, ‘Pleurs’, ‘Cri’, ‘Un tombeau’, enzoverder enzovoort. Citaten ga ik niet overschrijven, want dan kan ik eigenlijk de hele bundel overpennen: overal droom en leed. Je vraagt je af hoe het mogelijk is op die leeftijd. Het antwoord daarop is eigenlijk niet zo moeilijk, en wat Waller over Auriol schrijft, geldt volkomen voor Swarth: “…son désespoir fut presque apaisé par l’indicible volupté qu’elle eut de se sentir malheureuse.” (p. 71) Auriol en Swarth hadden alvast deze diepe masochistische persoonlijkheidsstructuur gemeenzaam.

Waarschijnlijk zal Swarth dit psychologische portret niet hebben kunnen aanvaarden, en daarom zal ze wellicht zo negatief hebben gereageerd. Terwijl het portret eigenlijk niet zo negatief voor haar uitvalt. En de auteur Waller moet mijns inziens ook getroffen geweest zijn door het debuut van zijn ‘vriendin’. Misschien overdrijf ik, maar in de novelle komt twee keer het woord ‘gai’ voor, op pagina 73 (‘elle ne se fût pas comprise gaie’) en op pagina 120 (‘Tu as raison, souvenir, je dois être gai, puisque c’est bête d’être triste et que cela ne sert à rien.’). Het laatste gedicht van Swarths debuut heet ‘Le comédien’ en is een episch gedicht over de ‘verhouding’ tussen een acteur-komiek en een vrouwelijke pendant, die echter sterft aan wat toen de tering heette. Het gedicht eindigt met een zucht van de acteur die is blijven optreden om de toeschouwers aan het lachen te maken: “Messieurs, pardonnez-moi. Demain je serai gai.” (p. 98) Zonder uitroepteken; een sterk ironisch understatement. Ik denk dat Waller daarnaar verwijst, wellicht onbewust.

Op het einde van het tweede deel leiden de ontgoochelingen ertoe dat Auriol godsdienstig of toch minstens religieus wordt, wat volgens de auteur te wijten is aan frustratie. Of die van seksuele aard is, wordt niet gezegd, maar gelet op al het voorgaande mogen we daar wel van uitgaan. Freud was op dat ogenblik amper iets ouder dan de hoofdpersonen in deze novelle, of dan Waller en Swarth zelve. Als hij er kennis van had kunnen nemen, zou hij het zonder veel problemen hebben kunnen inpassen in zijn theorieën. Maar hoe dat ook zij, op het einde van dit deel wordt de auteur inderdaad wel een beetje scherp voor zijn hoofdpersoon (en dus voor Hélène Swarth):

“Bientôt elle aurait trente ans, les trente ans morne de la vierge, les trente ans desséchés par la privation de l’inconnu, les trente ans aigris par la solitude  et la conviction d’avoir manqué sa mission de femme.” (p.80)

En op het einde van dit deel wordt nog gesproken over “une faiblesse languissante” en “le ridicule s’ajoutait à l’ennui qui s’infiltrait en elle, peu à peu…” (p. 83)

In het derde deel, dat beduidend korter is, wordt de verdere levensloop van hoofdpersoon Balmus gevolgd, die een leeg en ook volgens hemzelf totaal nutteloos leven leidt. Hij probeert een studie maar dat wordt een complete mislukking, net zoals de rest van zijn leven, zeker na de dood van zijn oom, onder wiens hoede hij leefde. Het is het beeld van de o zo typische fin-de-siècle-dandy dat we hier zien, en dat is heel wat negatiever dan het beeld van Madeleine/Hélène:

“Il rentra dans sa vie indolente; peu à peu il était devenu plus cynique; au commencement, il s’était avonturé timidement dans le vice, mais à présent l’existence lui avait dévoilé tous ses mystères.” (p. 98)

Hij trekt zich een tijdje terug in een landhuis op het platteland, in Bosvoorde (toen nog geen deel van Brussel). In de stad ziet hij niet enkel de voordragende jeugdvriend Veinard terug, maar ook Madeleine, gewoon op straat. Ze spreken elkaar niet, maar de ontmoeting roept bij hem wel vele herinneringen op, die allemaal positief zijn. Volgt nog de ‘postface’ waarop ik al even gewezen heb. Het is eigenlijk een definitief afscheid, en opnieuw in de eerste persoon gesteld: het is een brief aan een niet nader genoemde juffrouw, maar waarin we toch Madeleine Auriol mogen herkennen. Hij heeft het over ‘ce doux souvenir de jeunesse et d’aube’ (p. 117). We zijn slechts zes jaar later, maar toch klinken deze enkele bladzijden als een definitief afscheid:

Ses cheveux blonds nuagent autour de son front comme une couronne de fumée, ses grands yeux bleus se fixent noyés d’amour, son bras blanc repose sur sa fraîche robe d’été, et son albe poitrine palpite ses pudeurs.

Et telle tu m’apparais après six ans, Madeleine; la caresse de ton sourire me frôle encor le coeur; ta voix, comme une musique entendue de loin, circule, libre et folle, dans la fumée de ma cigarette, autour de moi, pleine de souvenance, et je rêve d’un air bête à tout ce qui est parti, à tout ce qui n’est pas revenu, à tout ce qui ne reviendra jamais.” (p. 118)

Om uiteindelijk te besluiten:

“Je vous envoie ce livre, Mademoiselle, ce livre où le ricanement d’aujourd’hui se mêle au sourire d’autrefois. Partout où vous y verrez l’aube, songez à vous, – l’amertume, songez à moi qui vous l’envoie avec le piex respect du souvenir – mort mais ineffacé.” (p. 121)

Eén conclusie lijkt me zonder meer duidelijk: de negatieve reacties van Hélène Swarth op deze novelle hadden amper grond om op te staan. Het beeld dat Waller schetst van Madeleine Auriol is inderdaad dat van een romantisch, wereldvreemd meisje, dat meer opgaat in de ‘merveilleux nuages’ van de literatuur dan in de bedreigende werkelijkheid; maar zelfs dat wordt in de novelle niet negatief geconnoteerd. De enige eigenlijk die er bekaaid afkomt, is de mannelijke hoofdpersoon zelf, die bijna van het begin tot het einde in een negatief daglicht wordt gesteld. Dat Swarth dat niet gezien heeft lijkt me wel vreemd. Waarschijnlijk heeft het psychologische portret in het tweede deel bij haar de doorslag gegeven. Ten onrechte volgens mij, want het negatieve weegt niet op tegen de rest.

Maar zoals ik al meermaals heb aangegeven, die reactie van Swarth is misschien zo heftig geweest bij de eerste kennisname van Wallers novelle, maar dat heeft zeer zeker niet lang geduurd. Dat blijkt ten overvloede uit haar bundel Rouwviolen.

Die dateert uit 1889 en bevat drie reeksen; enkel de eerste daarvan draagt dezelfde titel als de gehele bundel, en is dus gewijd aan de nagedachtenis van de in datzelfde jaar gestorven Max Waller. De reeks moet dus in heel korte tijd geschreven zijn, als het ware in één ruk. Tenzij gedichten die al klaarlagen voor de gelegenheid herwerkt werden. Bij gebrek aan handschriften zullen we dat echter wel nooit zeker weten. Hoe dat ook zij, de reeks munt werkelijk uit enerzijds door de volgehouden elegische toon die heel authentiek overkomt bij deze lezer, en anderzijds door de eenvoud van het taalgebruik, een aspect dat bijdraagt aan die indruk van authenticiteit, van afwezigheid van maakwerk. Natuurlijk komen er gemeenplaatsen in voor, maar al bij al toch weinig, zo weinig dat het niet stoort. Mijns inziens behoort Rouwviolen daarmee tot de betere bundels van Hélène Swarth.

Al de gevoelens die gepaard gaan met het verlies van een geliefde komen in de reeks aan bod, ook de gevoelens van haat die bij de breuk moeten zijn opgetreden. Maar die louter negatieve tonen zijn echt zeldzaam, en het lijkt me dus een literairhistorische misvatting daar alle klemtoon op te leggen. ‘O Levensgever! blonde Zonnegod!’ is dan de andere kant van het spectrum, en die komt wel vaker voor, maar toch ook niet overheersend. De dichteres weet goed het midden te houden tussen de twee, en de zachtere evenwichtigere elegische toon grotendeels vol te houden. Een voorbeeld, waar ook de filosofische vragen rond de dood aan de rand even mee gesuggereerd worden:

“NAAR ‘T LENTELAND

Mijn lieveken wou naar ’t Zuiden heen:
Daar zou hij genezen en dààr alleen.

Toen nam hem de Dood bij de bleeke hand:
– “Ik zal u geleiden naar ’t Lenteland.

“Daar bloeien uw droomen, daar zwijgt uw pijn,
Daar zal uw verlangen bevredigd zijn.

“Kalm zult ge daar slapen, als kinderen doen,
In het lommer van bloemen en palmengroen.

“Kom, laat mij u leiden, schud niet van neen!
Het doel van het Leven weet ik alleen.”

(Rouwviolen, P.N. Van Kampen & Zoon, Amsterdam, 1889, p. 9)

En ook dit vind ik sterk van ingehouden trots en woede:

“WAT ZIJ ZEGGEN

Zij zeggen: – “Hij heeft u veel leed gedaan:
Wat deert u, dat hij is heengegaan?

” ’t Was alles zoo oud en zoo lang geleên,
Uw weg en de zijne, zoo ver uiteen !

“Hij bleef toch voor eeuwig gescheiden van u:
Gestorven of levend, wat scheelt dat nu?”

Zij praten heel vriendlijk, met veel verstand,
En drukken gemoedlijk mijn kille hand.

O zwijgt toch! o drukt toch mijn hand zoo niet
En laat mij alleen met mijn zielsverdriet!”

(ibidem, p. 15)

Er bestaat ook éen gedicht van Max Waller, dat vermoedelijk aan Hélène Swarth gewijd is: voor zover ik kon nagaan verscheen het voor het eerst in de bloemlezing Parnasse de la Jeune Belgique (Léon Vanier Editeur, Paris, 1887) onder de titel ‘Berceuse à Hélène’, en daarna, twee jaar na zijn dood, in de bundel La flûte à Siebel (Paul Lacomblez, éditeur, Bruxelles, 1891), waarin de weinige gedichten van Waller verzameld werden. De titel zegt het al: het is een slaaplied voor een kind; de Hélène van de titel wordt ook in het gedicht zelf genoemd en op een licht spottende manier in slaap gewiegd. Maar het belangrijkste: Waller was duidelijk geen dichter, dat blijkt uit bijna alle gedichten uit dit bundeltje. Zelfs in haar prille dichterlijke begin, en daarmee bedoel ik haar eerste twee, Franstalige bundels, was Hélène Swarth zijn meerdere. Hijzelf was meer een prozaïst, en moest hij niet zo jong gestorven zijn, dan zou hij wellicht een plaats hebben bekleed naast die andere Franstalige schrijvers over wie ik het enkele dagen geleden had. Want niet enkel de hier besproken novelle, ook de rest van zijn proza bewijst dat daarin zijn kracht lag. Maar vreemd genoeg is dat proza, op één uitzondering na tijdens de recentste oorlog, nooit heruitgegeven. Het proza van Hélène daarentegen was duidelijk van mindere kwaliteit; het zal dan ook wel grotendeels broodwerk geweest zijn.

Hoe de werkelijkheid wel aan de basis ligt van kunstwerken, maar hoe diezelfde werkelijkheid daarin vervormd wordt, dat blijkt uit deze ‘verhouding’ tussen twee schrijvers. En dat is, denk ik, altijd zo. Mimesis, in de strikte betekenis van het woord, bestaat volgens mij niet. De werkelijkheid kan niet worden weergegeven in een kunstwerk. Beide hebben hun eigen wetten en eigenaardigheden. Ze raken elkaar wel even, maar steeds zeer oppervlakkig. Zelfs bij zgn. ‘realistische’ kunst is dat zo.

Een kunstwerk moet altijd op de eigen merites beoordeeld worden, nooit op een al dan niet aanwezige band met enige werkelijkheid erbuiten.

Toegift:

Hélène Stephanie Swarth overleed te Velp op 20 juni 1941. Hieronder 2 gedichten van  Swarth: Die Klop aan de Deur en Nacht, gedateerd 19 september 1940, in manuscriptvorm. Klik op de foto voor een vergroting.

09/04/2017
door Peter
Geen reacties

09.04.17 – Michel Onfray over de islam

Michel Onfray is een van de bekendste filosofen en intellectuelen in het Frankrijk van vandaag. En dus iemand die, zoals alle Franse intellectuelen, over alles zijn zeg heeft.

Voor iemand die nog tamelijk jong is en slechts vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw begon te publiceren is zijn publicatielijst effenaf indrukwekkend. Maar heel in het algemeen geldt al dat kwantiteit niet noodzakelijk kwaliteit inhoudt, bij mensen die zich geroepen voelen de actualiteit op de voet te volgen en te becommentariëren kan het bijna niet anders of die commentaren moeten aan kwaliteit inboeten.

Ik vrees dat dit een beetje het geval is met een van de recentste publicaties van Michel Onfray: Penser l’islam (Le livre de poche, Grasset, Paris, 2017 (eerste uitgave in 2016)). Het bevat volgens mij zeer juiste opmerkingen, maar ook rabiate onzin.

Een echte structuur is er in het boek niet te herkennen: het bevat blijkbaar alles wat de auteur op zijn bureau had liggen over dit onderwerp; dat werd dan bij elkaar geveegd en in een boek(je) gegoten. Naaste enkele lossen teksten, die al dan niet in de pers verschenen of geweigerd zijn, bevat het echter vooral een lang interview met de auteur.

Maar in de introducties slaagt hij er toch al in de vinger op enkele erg zieke plekken in de Franse (en bij uitbreiding: de Europese) maatschappij te leggen, ook al is die inleiding voor een groot deel een pleidooi pro domo. Blijkbaar werd ook hij er al van beticht de loper voor Le Pen uit te spreiden, islamofoob en dus fascist te zijn enzoverder enzovoort. Het gewone geraaskal van de politiek correcte meute dus; daarom alleen al is de man mij sympathiek. Want hij heeft natuurlijk gelijk: je moet beginnen met de zaken te benoemen, en geen newspeak te gebruiken; plus daarenboven wil hij begrijpen, analyseren, nadenken: en voor de vorige eerste minister van Frankrijk, een zekere Valls, is begrijpen krek hetzelfde als zich medeplichtig maken. Of: hoe ziek kun je als politicus en bestuurder zijn!

Ook in het lange interview zelf (van pagina 55 tot 145) is weinig structuur te ontdekken; er wordt dus een beetje van de hak naar de tak gesprongen, maar omdat de islam het verbindend middel is, valt dat eigenlijk toch wel mee en kun je uit het geheel toch wel enkele belangrijke thema’s distilleren, die ook in andere boeken over het onderwerp voortdurend terugkomen.

Er is natuurlijk de zgn. ‘laïcité’ ofte de wet van 1905 op de scheiding van kerk en staat in Frankrijk. Hier stelt hij een algemeen principe dat juist is, maar bij de concrete uitwerking gaat hij compleet de mist in. Het algemene principe komt erop neer dat die wet nu meer dan een eeuw oud is en dringend aangepast moet worden. Dat klopt en daarover zijn de meeste Fransen het wel eens: zelfs de officiële vertegenwoordigers van moslims en andere dergelijke obscurantismen vinden dat. Maar die laatste vinden dan bv. wel dat ‘blasfemie’ opnieuw in het strafrecht moet enz. Onfray is van mening dat de Franse staat imams moet opleiden én subsidiëren. Dat gaat in tegen de hele letter en de hele geest van de wet van 1905, en is voor iedereen die met die laïcité begaan is minstens al twee bruggen te ver. Dat komt er immers op neer die wet gewoon af te schaffen. Immers, artikel 2 van die wet begint als volgt en bevat eigenlijk de hele kerngedachte ervan:

“La République ne reconnaît, ne salarie ni ne subventionne aucun culte. En conséquence, à partir du 1er janvier qui suivra la promulgation de la présente loi, seront supprimées des budgets de l’Etat, des départements et des communes, toutes dépenses relatives à l’exercice des cultes. “

Het voorstel van Onfray desbetreffende lijkt me dus rabiate onzin en volledig in strijd met de uitgangspunten van die ‘laïcité’. Als die wet al aangepast moet worden – en dat moet ze – dan in tegenovergestelde zin: ze moet verstrengd worden, en alle uitingen van godsdienst moeten radicaal teruggedrongen worden naar de privésfeer, naar de huiskamer waar ze thuis horen.

Veel belangrijker echter zijn de analyses die hij maakt van teksten uit de koran, de hadith en het officiële leven van de profeet. Hij komt daarbij tot de volgende, mijns inziens alleszins volkomen juiste conclusie:

“Mais là encore, dans la suite de ce que je viens de vous dire, qui aurait intérêt à être pacifique quand il peut désormais être conquérant? D’autant qu’intrinsèquement le Coran est parole de Dieu et qu’on ne saurait choisir selon son propre caprice ce que Dieu a dit. La contradiction est dans le texte: ceux qui professent un islam des Lumières ont raison, il se trouve dans le Coran; mais ceux qui professent un islam belliciste et conquérant ont également raison, car il se trouve aussi dans le Coran.” (p. 75)

Een veel duidelijker voorbeeld van een catch 22 zal wel moeilijk te vinden zijn. En in zo’n geval kun je als lekenstaat enkel maar repressief optreden. Want het ‘creëren’ van een Franse, een Europese of hoe je die islam ook noemen wil, is gewoonweg onmogelijk. Onfray toont zich hier zeer naïef. Want het volstaat de geschiedenis van het christendom, en vooral van het verdwijnen ervan in West-Europa te bekijken om zich ervan te vergewissen dat het enkel en alleen een kwestie is van macht, van politieke macht.

Onfray gaat ook nog even in op de doodstraf, waarvan hij een absolute tegenstander is. Ook hier lijkt het me dat je naar de context moet kijken, en dat een filosoof van zijn allure weten moet dat er geen universele en/of absolute principes zijn.

Zeer juist is dan weer zijn stelling dat het Westen schuld draagt aan de radicalisering van vele moslims. Kort en bondig stelt hij het als volgt voor, en iedereen die objectief is kan het daar alleen maar mee eens zijn: onze media geven altijd de slachtoffers van de jihadi’s weer, zonder er trouwens bij te zeggen dat die vaak ‘onze’ bondgenoten zijn, maar ‘sans jamais montrer des images d’enfants, de femmes ou de vieillards tués par les bombardements de le coalition américaine” (p. 102); hetzelfde voor bv. het opblazen van cultureel erfgoed van onschatbare waarde zoals in Palmyra. Dat de Amerikanen in Irak veel meer werelderfgoed vernietigd hebben wordt altijd zedig verzwegen. Geen wonder dat onze mainstreampers enkel nog propaganda spuit als het over internationale politiek gaat.

In het licht van het voorgaande vind ik het verbijsterend dat Onfray wel de nazionistische entiteit verdedigt en blijft verdedigen. En meer nog: dat hij in een totale verdraaiing van alle feiten quasi alle linkse intellectuelen uit de jaren zestig en zeventig effenaf van antisemitisme beschuldigt: Sartre natuurlijk, maar ook Genet, Derrida, Foucault enz. worden in één zak gestopt met Garaudy en afgevoerd. Zoals Marx zelf, waarvan hij stelt dat hij jood zou zijn (een definitie van het begrip geeft hij uiteraard niet) en antisemiet wegens zijn tekst over ‘Zur Judenfrage’. Je vraagt je echt of hoe iemand die even eerder de nagel op de kop slaat even verder de idiootste onzin kan ophoesten als zovele fluimen. Onfray moet vreselijk bang zijn om voor antisemiet door te gaan. Belachelijk gewoon.

Maar bon, zijn politieke voorstel is volkomen juist en zal door niemand worden gevolgd of uitgevoerd:

“Je suis en effet partisan d’une remise à plat totale de la politique étrangère française. Si nous continuons à mener cette politique agressive à l’endroit des pays musulmans, ils continueront à riposter comme ils le font.” (p. 157)

Wat dit aspect betreft ben ik het volledig met hem eens. Ik zou zelfs verder gaan: niet enkel elke tussenkomst aldaar afzweren en stoppen, ook alle banden verbreken met de nazionistische entiteit. Maar niemand zal dat doen, gebonden als ze zijn aan de NAVO en dus aan de Amerikanen. Als klassieke lemmingen lopen al onze politiekers quasi blindelings naar de afgrond: ‘ces pantins décérébrés’ noemt hij onze politici. En ook dat is volkomen juist, je kunt er enkel maar verachting en minachting voor voelen.

Een beetje bizar vind ik ook dat hij zich expliciet aansluit bij de slogan van Huntington over ‘the clash of civilisations’. Misschien past dat bij zijn politieke figuur: hij noemt zichzelf eveneens expliciet een socialist, maar dan wel van voor Mitterrand, die volgens hem het socialisme vernietigd zou hebben. Ook dat is onzin volgens mij. En die clash is natuurlijk iets dubbels: in zekere zin is het juist, maar in welke mate komt die juistheid voort uit een vorm van selffulfilling prophecy? Dat is de vraag. Huntington was een pure ‘neocon’ zoals dat heet, en dus een extreem gevaarlijk man.

Maar hoe dat ook zij, twee zaken moeten gebeuren om Europa nog te kunnen redden:  het terugdringen van godsdienst naar de privésfeer en het stopzetten van elke bemoeienis met de landen van het Midden-Oosten. En de enigen die dat nog niet weten zijn het politicaille en haar kiesvee.

Arm Europa!

09/04/2017
door Peter
Geen reacties

09.04.17 – Johannes Grützke

Boos was ik.

Op teevee had ik heel even tijdens het zappen een item gezien over een schilder die ik zeer aansprekend vond.

Ik vertelde het verder en binnen de kortste keren was er in Deventer al een hotelkamer geboekt en waren er treinkaartjes gekocht. Wat helemaal niet in mijn bedoeling lag, want ik heb geen zin om voortdurend op reis te gaan.

Het dorpje Gorssel ligt juist in het midden tussen Deventer en Zutphen, op zeven kilometer van elk. Vanuit beide steden is het gemakkelijk te bereiken met de bus, die bijna voor het museum More stopt.

Daar liep (en loopt nog) een overzichtstentoonstelling van de Duitse kunstenaar Johannes Grützke, waar ik nog nooit van gehoord had (zo zijn er wel meer, denk ik, in beide betekenissen).

Voor zover iets op mijn gezegende leeftijd nog een openbaring kon zijn, was het dat wel. Intrigerend, vaak dubbelzinnig, helemaal in het teken van het groteske, zelfs in die schilderijen die ogenschijnlijk enkel maar realistisch zijn (maar het nooit werkelijk helemaal zijn). Neem nou dit eenvoudige portret van drie heren, die je vriendelijk uitnodigen om hen te vervoegen. Ik zou er begot niet aan denken. Misschien zijn ze echt vriendelijk en totaal onschuldig, dat kan, dat ligt zelfs wellicht voor de hand. Maar toch, maar toch: ze zien er wat mij betreft een beetje te vriendelijk en te uitnodigend uit, alsof ze iets in het schild voeren.

Johannes Grützke, Komm, setz dich zu uns, 1970

Ik weet niet of anderen het misschien ook zo zien; mij intrigeert vooral de hier nog een beetje ingehouden groteske vormgeving van de gezichten. Daaruit komt volgens mij de dubbelzinnigheid voort die dit schilderij en andere alleszins bij mij oproept. Die dubbelzinnigheid is wel heel vaak aanwezig, en leidt ook tot politieke satirische dubbelzinnigheid. Neem bv. het prachtige ‘De verschijning van Europa’.

Johannes Grützke, Europa erscheint, 1981

De mooie en jonge koningsdochter is hier een poetsvrouw geworden die er toch een beetje debiel uitziet. Maar dat kun je van de ‘heren’ op de voorgrond al evenzeer zeggen. Het enige waar ze aan denken is vreten en zuipen en een zo groot mogelijk stuk van het laken naar zich toe trekken. Graaicultuur noemt men dat nu (met dank aan Peter Mertens). Maar waar staat de poetsvrouw dan voor? Duidelijk is het niet, en dat maakt mede de kracht uit van dit schilderij: je kunt het op meerdere manieren interpreteren. Maar éen zaak is wel zeker: Grützke is een meester in de satire, die vaak sarcastisch en af en toe zelfs cynisch wordt. Bv. in ‘Das Gebäude des deutschen Geistes’, dat uit een aantal naakte kerels bestaat die een soort vierkante boog vormen met in hun midden een vrouw. Ook ‘Grazien’ is helemaal cynisch, omdat je met de gratiën meestal aangenaam uitziende vrouwen associeert, terwijl je hier eigenlijk het tegendeel krijgt: wanstaltig vervormde figuren, geschilderd met een kleurenpalet dat evenmin uitnodigend werkt.

Johannes Grützke, Grazien, 1994

Dat kleurenpalet doet vaak denken aan Lucian Freud, zeker waar het gaat om de weergave van vleespartijen. Maar er is een duidelijk verschil: bij mijn weten is Lucian Freud zelden of nooit satirisch, maar is er bij hem op de achtergrond eerder medelijden met de kreatuur die mens heet aanwezig. Freud lacht niet, Grützke lacht altijd, maar het is een eerder wanhopige lach, een lach ondanks alles. Grützke werd ook wel vergeleken met Schiele, maar dat zie ik niet; eerder met Georg Grosz, zou ik zeggen, zeker wat het satirische element erin betreft.

Natuurlijk gaat elke schilder af op wat voor hem of haar geschilderd werd (hetzelfde geldt trouwens voor woordkunstenaars en componisten…); er zijn wel reminiscenties aan vroegere, klassieke schilders in dit werk, zo die drie Gratïen, terwijl ik in een ander ook een beetje Caravaggio meen te herkennen, en volgende twee spreken mijns inziens voor zichzelf: het beeld van Grützke is een hedendaagse vervorming van een bekend schilderij van Rembrandt. Terwijl een schilderij als ‘Die Tankstelle’ van ver een karikatuur lijkt van sommige werken van Hopper. Of overdrijf ik?

Rembrandt van Rijn, Geslachte os, 1655

Johannes Grützke, Simson Angekettet, 1982

Die vervormingen, vooral van de lichamen worden in de loop der tijd uitdrukkelijker en opvallender, vooral wanneer het naakte lichamen betreft; zowel de hoofden als de andere lichaamsdelen worden op een werkelijk groteske manier ver- en vooral misvormd. Laat mij nog één voorbeeld geven: ‘Die Brüder’:

Johannes Grützke, Ohne Titel (Die Brüder), 1998

Door dat gebruik van de schilderkunstige techniek van het groteske (dat ook in de literatuur bestaat: Van Ostaijen bij ons is er een meester in, in Duitsland moet je denken aan een Scheerbart of een Mynona), waardoor ernst en lachwekkendheid vermengd worden, schrijft Grützke zich in een lange traditie in: die van de barok en het maniërisme. Vooral naar de barok wordt in zijn geval blijkbaar nogal verwezen. Volkomen terecht volgens mij.

Het is dus een ontdekking; de tentoonstelling in Gorssel loopt nog tot 11 juni. Allen daarheen, zou ik zeggen.

°°°

Temeer daar deze overzichtstentoonstelling enkel de zalen van de verdieping vult; op het gelijkvloers blijft de vaste collectie deels zichtbaar. MORE heet het museum en dat staat gewoon voor: Modern Realisme. Het is blijkbaar een privé-initiatief van een rijke verzamelaar. En een met smaak, die zich wist te houden aan één thema en één tijdperk. Er hangen schilderijen van Willink, Pyke Koch, Charley Toorop, Wim Schuhmacher en andere. Allemaal schilders die min of meer samen horen, zowel door hun stijl als door de tijd waarin ze schilderden. Waarbij mij opviel hoe goed je er de overgang kunt bestuderen die gaat van realisme naar surrealisme. Heel wat beter dus dan bij die andere rijkaard, onze Huts met zijn kluts. De ene rijkaard had blijkbaar wel smaak, de andere blijkt eigenlijk enkel een nationalistische parvenu te zijn.

De aanvankelijke boosheid was dus snel over. Het was een welbesteed weekend.

08/04/2017
door Peter
Geen reacties

08.04.17 – Max Frisch

Max Frisch is een auteur uit mijn studententijd of vlak daarna. Sindsdien heb ik nooit meer iets van hem gelezen of herlezen (je kunt nu eenmaal niet alles lezen, jammer genoeg). Van die lectuur herinner ik me overigens zo goed als niets meer, enkel nog dat ik het goed of boeiend vond. Hetgeen ook al weinig zegt natuurlijk.

En nu heb ik, recent, een nieuw boek van hem gelezen: Aus dem Berliner Journal (Suhrkamp Verlag, Berlin, 2014). Ook alweer enkele jaren oud inmiddels; toevallig gezien in een boekhandel, en misschien omdat er ergens in de diepte goede herinneringen sluimerden heb ik het boek maar gekocht.

Spijt heb ik er niet van; dat heb ik zelden of nooit van een aankoop. Maar ik had er toch meer of wellicht iets anders van verwacht. Het is geweten dat Frisch niet enkel beroemd geworden is met zijn romans en toneelstukken, maar minstens evenzeer met zijn dagboeken, waarvan er tot nog toe twee verschenen waren, dacht ik. Het huidige is dus het derde. Waarschijnlijk zal het wel bij de overige twee aansluiten, maar zeker ben ik daar niet van, want ik heb die vorige niet meer bekeken. De in dit boek uitgegeven fragmenten dateren uit de jaren 1973 en 1974, op het ogenblik dat Frisch met zijn tweede vrouw in Berlijn woonde.

Wel is het zo dat Frisch doorgaat als een van de uitvinders van het dagboek als literair genre. In de Nederlandse literatuur werd dat bij mijn weten vooral door Paul de Wispelaere en Willy Roggeman voorgestaan én beoefend. Maar deze nieuwe Frisch past daar volgens mij helemaal niet bij. Veel meer dan losse optekeningen, die zelden of nooit (eerder nooit) uitgewerkt worden kan ik er niet in zien.

Fragmenten, schreef ik. En dat zijn het inderdaad. Het oorspronkelijke dagboek liep tot 1980, maar in deze uitgave zijn slechts fragmenten uit de eerste twee cahiers opgenomen, al de overige zijn weggelaten. En ook in die cahiers is zeer veel weggelaten, in het apparaat achteraan worden het aantal geschrapte bladzijden en waar ze thuishoren minutieus opgesomd.

Ik ben van oordeel dat je in zo’n geval beter geen dagboek uitgeeft. Frisch zelf heeft de publicatie verboden voor de eerste twintig jaren na zijn dood (hij stierf in 1991), en de uitgevers en de naar hem genoemde Stiftung hebben zich daaraan gehouden. Maar als die termijn dan verlopen is, kun je twee dingen doen: het hele dagboek inderdaad publiceren ofwel de termijn verlengen tot mogelijke bezwaren weggevallen zijn. Het fragmentaire zou volgens de samenstellers en uitgevers enkel en alleen te maken hebben met het feit dat persoonlijkheidsrechten van derden in het gedrang zouden komen. Verdere uitleg wordt daarbij niet gegeven. En je kunt natuurlijk niets erover zeggen, want je hebt de weggelaten stukken uiteraard niet gelezen.

Wat er dan wel staat is soms wel interessant, vooral de stukken over de DDR, waar hij regelmatig op bezoek ging bij collegae schrijvers, met name bv. bij Wolf Biermann, die iets later verbod zou krijgen om nog naar de DDR terug te keren. Frisch was bij mijn weten geen communist, maar evenmin anti. Zijn beeld van de DDR kan dus wellicht adequaat zijn. Weinig repressie, zo dunkt me, in elk geval veel minder dan hier nu en nog gezegd wordt. Natuurlijk was er censuur en zo, maar blijkbaar wisten de schrijvers daar wel mee om te gaan, ook degenen die niet echt gezagsgetrouw waren.

Maar het is natuurlijk een erg summier beeld, een impressionistische indruk zou ik eerder zeggen; temeer daar Frisch zelf natuurlijk in het westen van de stad woonde, in de nabijheid van collegae als Grass en Johnson; met de laatste vooral was hij bevriend. Maar we vernemen ontzettend weinig over de personen waar hij mee omging, vrienden of niet.

Ik zou zeggen dat deze uitgave een mislukking is, en dat het gewoon wachten is tot het hele dagboek van Frisch verschijnen zal.

24/03/2017
door Peter
2 reacties

24.03.17 – Franstalige schrijvers in Vlaanderen

Ze zijn inderdaad niet heel talrijk. Ofschoon er nog altijd zijn: Henri-Floris Jespers uit Antwerpen schrijft deels in het Frans, en Nicole Verschoore uit Gent zo goed als helemaal . Daarmee zijn ook de twee centra gegeven waar die schrijvers zich grotendeels situeerden en situeren. Het is maar één van de nadelen (om niet meer te zeggen) van wat men de Vlaamse emancipatie noemt, dat dit zo goed als afgelopen is, d.w.z. dat er quasi geen jonge Vlaamse schrijvers in het Frans meer zijn (de twee voornoemden zijn rond de zeventig, als ik me niet vergis, en dus niet meer echt jong te noemen). Als ik mij totaal vergis, laat het mij dan maar weten.

In de 19de en het begin van de 20ste eeuw hoorden sommige Vlaamse schrijvers die in het Frans schreven tot de bekendste auteurs van Europa, en één ervan heeft zelfs als enige Belg ooit de Nobelprijs gekregen.

Vijf van die schrijvers, die gemeen hebben dat ze aan de Schelde geboren werden, worden behandeld in een boekje van Benno Barnard: Escaut ! Escaut! Franstalige Vlaamse schrijvers rond 1900, naglans van een dode wereld (Uitgeverij Polis, Antwerpen, 2016). Het werd uitgegeven n.a.v. een tentoonstelling in het Letterenhuis en een radioprogramma (ik wist niet dat wat vroeger BRT-3 heette soms nog echte culturele, literaire programma’s uitzendt).

Vreemd misschien, maar de enige van de vijf die ik niet goed ken is die Nobelprijswinnaar, Maurice Maeterlinck. Veel meer dan een pocket in de reeks ‘poésie’ van Gallimard met amper een honderd bladzijden poëzie en verder zijn allereerste toneelstuk, zal ik van hem niet gelezen hebben. Wanneer dat was weet ik niet meer.

Dat geldt trouwens ook voor de anderen, die ik alle vier quasi volledig in huis heb. Max Elskamp ken ik waarschijnlijk het langst, want die zijn verzameld werk verscheen in één dundrukdeel rond het jaar dat ik mijn studies aan de ULB begon; ook nog in een Brussels antiquariaat heb ik de eerste boeken van Georges Eekhoud gekocht; de twee andere (Georges Rodenbach en Emile Verhaeren) heb ik voor en na gekocht, naargelang ik ze in antiquariaten of in nieuwe uitgaven (dat geldt dan voor Verhaeren) gevonden heb.

De essays van Barnard graven niet erg diep (dat doen ze nooit bij hem), maar daar staat tegenover dat ze vlot geschreven zijn, soms een beetje in de vorm van een reportage, afgewisseld met opmerkingen over het werk zelf en het leven van de betrokkenen. En het geheel soms gelardeerd met een fijne ironie (mitsgaders de nodeloze opmerkingen over zijn conservatisme). Bij mij hebben ze er alleszins voor gezorgd dat ik de werken van die heren nog eens tevoorschijn heb gehaald (bij Elskamp had ik wat moeite om het boek terug te vinden) en er een beetje in gelezen heb. Die lectuur heeft wat mij betreft aangetoond dat Barnard de kern van het werk van die auteurs wel degelijk weet te vatten. Dat is me vooral bij Elskamp opgevallen, die ik al heel lang niet meer gelezen had. Die eenvoud van taal. Maar misschien is dat toch maar schijn?! Zoals in het Duits bij de laatste gedichten van Krolow, of zoals bij Prévert, die binnenkort in de Pléiade zal verschijnen?

Van alle dichters is Rodenbach degene die me het minst aanspreekt, nu toch. Maar vergeleken met zijn Vlaamse neef, schreef hij bijna meesterwerken. Eekhoud heeft weliswaar ook drie dichtbundels gepubliceerd, maar is vooral schrijver van romans en verhalen, die inderdaad uitmunten door een zeer rijke taal die, zoals bij Verhaeren en Elskamp, inderdaad soms onfrans aandoet. Wat uiteraard niet klopt. Het Duits van de schrijvers uit Praag was vaak ook heel anders dan dat van de Duitsers zelf. Waarschijnlijk heeft dat met sociologische zaken te maken, het feit nl. dat deze auteurs in een anderstalige omgeving verblijven en groot worden. Dat heeft uiteraard repercussies op het taalgebruik. Dat zie je nog bij een recente Franstalige Antwerpenaar als Guy Vaes.

Maurice Maeterlinck, Max Elskamp, Georges Eekhoud, Georges Rodenbach en Emile Verhaeren

Verhaeren is van de vijf de bekendste, en mijns inziens had hij veel eerder die Nobelprijs verdiend dan Maeterlinck. Op de middelbare school heb ik al kennis gemaakt met hem, want het gedicht waar de titel van dit boek uit komt hebben we toen uit het hoofd moeten leren (in z’n geheel of slechts een deel?, dat weet ik niet meer). Dat bestond toen nog. Ook het onvermijdelijke Le Lac heb ik zo uit het hoofd geleerd, en het begin van de Roman de la Rose. In tegenstelling met Barnard heb ik naar dat of naar enig ander verleden geen enkel heimwee; nostalgie onderdruk ik zo veel mogelijk.

Maar ik kan er wel inkomen, dat wel. Zeker wanneer het toch boeiend gebracht wordt als in dit boekje. Waarbij ik me afvraag: waarom geen twee delen Pléiade gemaakt met deze dichters (en nog enkele andere die er zeker ook bijhoren, van Lerberghe bv.)? Ze zijn het zeer zeker waard. Maar dat is wishful thinking uiteraard.

Je zou dan maar hopen dat een dergelijke tentoonstelling, boek en radiouitzending er toch voor zouden zorgen dat deze schrijvers opnieuw ontdekt en gelezen zouden worden. Maar ook die kans is ontzettend klein geworden. Dank zij de Vlaamse nationalisten is de kennis van het Frans zeer sterk achteruit gegaan, ook bij universitairen. Daar komt nog bij dat van al die schrijvers nog amper vertalingen te krijgen zijn, en zelfs Franse uitgaven van hen zijn amper nog te vinden.

Het is dus ook hier hopeloos iets positiefs te verwachten.