23/03/2017
door Peter
Geen reacties

22.03.17 – Erdogan

Dat dreigt, nee niet met geweld zoals ergens verschonend te lezen stond, maar voor de goede verstaander wel met terroristische aanslagen. Wie de toestand in Turkije een beetje gevolgd heeft en ook verder van wanten weet, is er zeker van dat minstens twee van de bloedigste aanslagen van de laatste jaren door het regime en zijn geheime diensten zelf werden gepleegd, op de eerste plaats die in de Zuid-Turkse stad Gaziantep waarbij tijdens een huwelijksfeest zeker vijftig doden en bijna honderd gewonden vallen. Maar dat waren toch maar Koerden en dus quantité négligeable voor het regime van Erdogan.

Dat regime kenmerkt zich o.a. door twee levensgevaarlijke zaken.

Op de eerste plaats door een volksnationalisme zoals je het sinds de nazi’s niet meer voor mogelijk houdt. Daarbij vergeleken is zelfs de N-VA is een kosmopolitische partij. Er bestaat een Turksheid die zich in elke nieuwe boreling opnieuw verwerkelijkt, en wie eenmaal Turk is, blijft dat ook tot aan zijn dood. Er is een Turkse essentie, die eeuwig is en waarvan op geen enkele manier kan afgeweken worden. Vandaar dat Erdogan en zijn bende de uitgeweken Turken nog steeds als Turken blijven beschouwen: eenmaal Turk, altijd Turk. Een dergelijke gedachtegang is de kern zelf van elk volksnationalistisch fascisme, dat is het soort fascisme dat zijn ‘hoogtepunt’ gekend heeft in het Duitse nationaal-socialisme.

Maar op dat fascisme ent zich dan nog een tweede vorm van fascisme: het soennitische islamofascisme. Iedereen weet dat het Erdoganregime vanaf het begin direct of indirect heeft samengewerkt met de moordenaarsbendes in Syrië, IS voorop. Dat is geen toeval: ideologisch staan ze zo dicht bij elkaar dat ze wel moeten samenwerken.

De combinatie van die twee maakt dat Erdogan en zijn regime op dit ogenblik tot de allergevaarlijkste politieke criminelen op wereldvlak behoren, en zeker voor Europa. Veel en veel meer dan Rusland of de Sovjet-Unie  ooit geweest zijn. Europa heeft van Rusland niets te vrezen, maar van Turkije alles. De strijd tegen Rusland is een strijd van de Amerikanen en hùn NAVO. Mede omdat ze opgesloten zitten binnen dat Navosysteem laten de Europese landen zich meeslepen in een strijd die de hunne helemaal niet is.

Stel je gewoon even voor dat Poetin een dergelijke bedreiging had geuit. Dagen- en dagenlang zou je in alle kranten en op alle schermen niks anders meer horen, zien of lezen dan dat. De anti-Russische oorlogspropaganda zou worden opgevoerd tot zulke hoogten dat je elk ogenblik een inval zou verwachten.

Maar bij Erdogan passeert dat, quasi zonder meer. Terwijl overal in Europa al een vijfde colonne van de Turken aanwezig is, waarbij zeer zeker een groot deel geheimedienstvolk, dat bij elk bevel uit Ankara onmiddellijk tot de actie kan en wil overgaan. In Parijs werden enkele jaren geleden al drie Koerdische vrouwen door een Turkse geheime dienst vermoord. Ze zullen niet aarzelen om ook anderen neer te leggen, of moorddadige aanslagen te plegen. Bij wijze van boutade zou je kunnen zeggen dat een nieuw beleg van Wenen niet meer nodig is, want de Turken zitten al in Wenen.

Een vijfde colonne van de Russen heb ik daarentegen nog niet gezien.

En door die binding aan de NAVO is het voor Europa zelfs niet meer mogelijk om zich  te beginnen voorbereiden op een eventueel gewapend conflict met Turkije, dat – als het van Sultan de Veroveraar Erdogan afhangt – zonder problemen kan beginnen.

03/03/2017
door Peter
Geen reacties

03.03.17 – Zelfmoord

In de loop van deze maand moet het magnum opus van Jeroen Brouwers, over zelfmoord in de Nederlandse letteren verschijnen. Het zal een ruim uitgebreide en bewerkte editie zijn van het in de jaren tachtig van de vorige eeuw verschenen De laatste deur, aangevuld met andere teksten van de auteur over zelfmoord.

Ik zit daar al een tijdje op te wachten (wat me niet vaak gebeurt) en hoop dus dat ik het nog zal kunnen (her)lezen.

Intussen heb ik, bij wijze van aperitiefje, een boekje gelezen van ene mij voordien onbekende professor in de wijsbegeerte: Simon Critchley: Notes on suicide (Fitzcarraldo Editions, London, 2015). Als mijn geheugen me niet bedriegt, heeft Brouwers daar een recensie over geschreven in een of ander weekblad, recensie die niet echt positief was.

Nou valt het wat mij betreft nog mee. Maar inderdaad, een specialist terzake als Brouwers zal aan dit dunne boekje weinig hebben gehad, want het bevat voor specialisten wellicht helemaal niks nieuws. Het zijn dan ook inderdaad voetnoten (‘notes’) hetgeen nog wel minder zal wezen dan bv. ‘reflections’.

Zelf heb ik er ook niet zo veel aan gehad, zeker niet aan de filosofische weerleggingen van ‘argumenten’ tegen zelfmoord die zich op God beroepen, of op het Leven dat heilig zou wezen, of op de Maatschappij, of op nog andere onzin. Na zijn eigen korte tekst, drukt de auteur een nog kortere tekst af van de 18de-eeuwse filosoof David Hume, waarin al die beweringen al weerlegd worden. En heel even verwijst de auteur in zijn eigen tekst ook naar het wel erg onbekende, maar zeer belangrijke werk van John Donne over zelfmoord, Biathanatos. Dat dateert al uit de 17de eeuw.

De auteur schrijft het negatieve beeld dat zelfmoord ook vandaag nog heeft volledig op rekening van de invloed van het christendom. Klopt dat wel? Hij gaat daar niet op in, maar stelt wel vast dat die negatieve invloed goed begonnen zou zijn in de achttiende eeuw. Maar toen bestond het christendom al achttien eeuwen. Nu is het natuurlijk zo dat de gemiddelde levensduur tot en met de negentiende eeuw bedroevend laag was. En de kerk heeft inderdaad vanaf zeer vroeg bepaalde suïcidaire tendensen van ‘martelaars’ veroordeeld. En Critchley wijst er ook terecht op dat de dood van Christus zelf in zekere zin als een zelfmoord beschouwd kan worden.

Maar bon, dat alles moet uitgewerkt worden tot een veel ruimer boek. Dat naar alle waarschijnlijkheid wel al geschreven zal zijn.

Voor mij was het stuk over ‘suicide notes’ het meest interessante. Omdat ik daar natuurlijk het minst over weet. Ik merk dat er zeer recent in de US enkele academische werken over verschenen zijn: Terry Williams: Teenage suicide notes, en: Explaining Suicide: Patterns, Motivations, and What Notes Reveal, van een groep wetenschappers. Verschenen in respectievelijk januari en februari van dit jaar. En nee, ik heb ze (nog) niet gelezen.

Critchley schrijft dat hij in de US een soort seminarie gehouden heeft over ‘suicide notes’, en dat hij de studenten op het einde als opdracht gaf om er zelf eentje te schrijven. Persoonlijk vind ik dat niet slecht als filosofische oefening; het vergt heel wat empathie, denk ik, omdat goed te doen. Zelf geeft de auteur niet veel voorbeelden, maar dit vind ik wel heel goed:

Dear Betty:

I hate you.

Love,

George.

Voor mensen die zich voor zelfmoord interesseren kan dit kleine boekje een opstapje zijn om meer en verder te lezen, zeker omdat de auteur een vlotte pen hanteert. Voor anderen brengt het inderdaad niets nieuws bij. En kandidaten hebben er uiteraard niets aan. Die moeten gewoon doen wat ze niet laten kunnen.

03/03/2017
door Peter
1 reactie

02.03.17 Charlotte als kameleon

Volgens de achterflap van haar beide dichtbundels tot nog toe, is Charlotte Van den Broeck (ook) een podiumdichteres. Blijkbaar is dat iets speciaals (geworden). En of er veel meer mee bedoeld wordt dan dichters die hun verzen voorlezen op een podium voor een al dan niet talrijk publiek, weet ik niet.

Het moet ettelijke decennia geleden zijn dat ik dergelijke poëtische evenementen nog heb meegemaakt; een keer in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel, meen ik me te herinneren en een keer in Vorst Nationaal. Dat is dus bijna een halve eeuw geleden. Quasi alle dichters lazen gewoon hun gedichten voor, zoals die later dan zouden verschijnen in hun bundels (of al verschenen waren).

De enige die gedichten schreef enkel met het oog op voordracht (en wat voor een voordracht!) is toen waarschijnlijk Johnny the Selfkicker geweest.

Ik kan me niet voorstellen dat iets dergelijks vandaag nog gebeurt. Ook Charlotte Van den Broeck zal haar gedichten wel gewoon voorlezen, zoals alle anderen; waarbij de ene al wat begenadigder is daarin dan de ander. Ook dat was niet anders voordat het begrip podiumdichter werd uitgevonden.

De lengte van de gedichten is een ander criterium. In haar tweede bundel, Nachtroer (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 2017) komen inderdaad heel wat gedichten voor die beduidend langer zijn dan normaal voor lyriek; in haar eerste bundel, Kameleon (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 2015) kwamen zo’n lange gedichten niet voor. Maar wat voor mij wezenlijk lijkt: de lange en de korte gedichten verschillen voor de rest niet van elkaar, tenzij wellicht in die zin dat de kortere een gebaldere zegging vertonen en meer dan in de andere anakoloeten (bv. in het goede ‘Wrijfklank’, waarin de dichter lijkt te stotteren) bevatten.

De werkwijze van Van den Broeck kan zoals bij andere dichters het best worden geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld. Nemen we de volgende twee strofen uit Nachtroer:

“Moeder knakt twee rozen met bruine rand middendoor
het zijn mijn broer en ik die ene keer
toen hij me geblinddoekt de tuin liet oversteken, met opzet
stuurde hij me af op de schans

Moeder geeft de stokrozen water, sopt
mijn knieën in gedachten in de iso-Betadine
jaren later nog wil ze littekens uit de tuin knippen” (p. 75)

Dit is niet enkel geen gewone vergelijking of zelfs maar een gewone metafoor (zelfs geen absolute metafoor), maar hier worden verschillende disparate elementen op een veel indringender manier samengebracht om zo een sterke symbiose te gaan vormen. Hier zijn dat drie elementen, de rozen, de kinderen en de moeder, maar in andere gedichten kunnen het er ook veel meer zijn. Omdat verschillende elementen met elkaar verwisseld worden, en attributen of daden of elementen van het ene naar het andere worden gelinkt, zou je kunnen spreken van een uitgebreide en ingenieuze vorm van hypallage. Hetzelfde gebeurt wanneer zij het over ‘jammerende muren’ heeft in de mooie cyclus ‘Roofbouw’ of over een huis dat ‘verlangt naar terugkeer’; deze cyclus eindigt dan weer met een duidelijke paradox: de ik is helemaal in het eigen lichaam verdwenen ‘tot je beter werd en je beterschap de plek/waar je wist: hier moet het lichaam worden afgelegd’ (p.65). het zijn natuurlijk enkel dode lichamen die worden afgelegd.

Een ander duidelijk voorbeeld van verwisselingen (maar mét eveneens een klassieke vergelijking erin nu) komt eveneens uit de tweede bundel:

“Wij worden los geboren
groeien langs de stok in onze rug sluimerend omhoog
als klimplanten rond de ruggengraat het hoofd in soms
wijken we af in een ander, in een zachtere winter
dat hoop ik tenminste met de rug aan een stok gebonden
hoop ik op nevenschikking…” (p. 44)

De kameleon die de dichteres naar eigen zeggen in het hoofd heeft, valt nog mee: hij blijft steeds herkenbaar, en het aantal schutkleuren dat hij kan aannemen is uiteraard beperkt; een ‘lelijke neiging /naar wisselende dingen’ zou ik het dan ook niet noemen, want een dergelijke neiging kan leven in de brouwerij brengen, en is natuurlijk sowieso een garantie voor afwisseling, voldoende afwisseling in elk geval, want, zoals gezegd: zoals er tussen de langere en de kortere gedichten weinig verschil te merken valt, zo ook tussen beide bundels van Van den Broeck; zij beheerst het vak, dat is zeker. Misschien is, zeker in de langere gedichten uit de tweede bundel, de retorica een beetje te oppermachtig ten nadele van andere elementen; maar er staan zeker evenveel kortere gedichten in, waar er een goed evenwicht te zien valt tussen de aangewende middelen en de gevoelsinhoud.

Gevoel. Poëzie wordt daar steeds mee in verband gebracht, terecht en ten onrechte. Charlotte Van den Broeck is volgens mij ook een goede dichteres omdat er in beide bundels geen directe gevoelsuitingen voorkomen. Telkens wanneer emoties aan bod komen (zoals in de cyclus ‘Roofbouw’ of in het gedicht ‘Wrijfklank’), gebeurt dat onrechtstreeks, en je voelt bijna dat de dichteres er moeite mee heeft. Het is immers vooral dan dat anakoloeten optreden (cfr. het einde van het laatstgenoemde gedicht: “je moet nog zoveel mensen voor me zijn/je moet nog” (p. 57)), of andere retorische trucs (dat is niet pejoratief bedoeld) die al te veel directheid moeten milderen.

Ik weet niet meer wie het gezegd heeft (was het Claus wellicht?) dat een vijftal gedichten in een omvangrijk dichterlijk werk voldoende zijn om een dichter de onsterfelijkheid te gunnen (nou ja, de onsterfelijkheid!, iets minder kan ook natuurlijk). In deze twee bundels heb ik er één aangestreept dat Van den Broeck alvast een plaats mag bezorgen in alle toekomstige anthologieën. Ik heb er ‘schitterend’ naast geschreven, en men mag mij geloven: ik doe dat maar zelden. Het gedicht gaat over de moeder/dochter-verhouding en -band, en toch heet het heel tegendraads ‘Stierenkop’:

“Sinds ik geboren ben, woedt er in de onderbuik van mijn moeder
een enorme stierenkop. Hij raast door haar verlaten lijf

en maakt littekens in de braakliggende moeder, soms
weet ze niet zo goed wie ik ben, dat is verontrustend

want ooit paste ik helemaal in haar, gelukkig
ben ik volgens de astronomische constellatie van de Kreeft

genotzuchtig, betrouwbaar en creatief. Hierin vindt ze houvast,
een godsbewijs tussen vruchtwater en heelal.

Als we witlof met hesp in de over aten, kreeg ik het kaaskorstje.
Helemaal. Omdat ik het wilde.

Liefde is iets wat ik ken uit een kookpot,
altijd twee extra scheppen op een vol bord

een tweede koekje in de gele pudding verstopt.
Dat is een veelvoorkomende vorm van moederlijk gedrag:

‘De opvulling van het jong’.
Door de holte die ik in haar naliet, wilde ze mij vol en rond.

Op een ochtend kondigde ik haar dan de komst van de kleine borsten aan.
Ze was daar dagenlang kapot van.

Uiteindelijk kreeg ik een bh,
één met Hello Kitty erop.

Vanuit haar buik bonkte de briesende stierenkop.
Een holte is pas een leegte als er niets meer in past.

Langzaam fossiliseerden we in twee aparte wezens.
Het is niet zeker

wie van ons het insect en wie
de barnsteen werd.” (Kameleon pp. 54-55)

De stierenkop is natuurlijk een symbool (elke lezer moet maar voor zichzelf uitmaken wat erdoor gesymboliseerd wordt, symbolen zijn bijna altijd binnen een bepaalde marge vrij interpreteerbaar), maar tezelfdertijd is het een surrealistisch beeld; je hoeft maar even je ogen te sluiten om een passend schilderij te ontdekken of in je geest te maken, (het zal er eentje van Max Ernst zijn waarschijnlijk). Maar het overgrote deel van het gedicht is in een lichte parlandostijl geschreven, die soms inderdaad erg direct klinkt (het witlof bv.), maar waar toch voortdurend een lichtere of sterkere ironische ondertoon in meeklinkt.

Dat is natuurlijk heel wat om het simpele uiteengroeien van moeder en dochter op te roepen. Symbolisme, ironie, surrealisme, parlando…Van een kameleon gesproken.

Ik ben benieuwd hoe Charlotte Van den Broeck zich verder zal ontwikkelen.

20/02/2017
door Peter
Geen reacties

20.02.17 – Van Wiertz naar Delphine

Sinds wanneer ik juist naar het Wiertzmuseum in Elsene wou, weet ik niet meer, maar het zal toch wel enkele decennia zijn. Het is er nooit van gekomen, door toeval, tijdsgebrek, vergetelheid enzoverder enzovoort. Maar afgelopen vrijdag is het dan toch gebeurd, plots, in een halve opwelling – zoals wel vaker geschiedt, ook bij andere gelegenheden. Waarom Wiertz? Ik weet het niet. Enkele van de schilderijen die in zijn museum hangen, kende ik wel, van afbeeldingen. Dat ik een werk van hem ooit echt gezien zou hebben, kan ik me niet herinneren. Een groot museum is het niet: één grote zaal en daarachter nog twee kleinere kamers.

Eerste verrassing: de toegang was gratis. Bij mijn weten nooit meegemaakt. Omdat het gebouw er een beetje verwaarloosd uitziet? Omdat Antoine Wiertz zo’n illustere onbekende is? Dat laatste zal wel niet het geval zijn.

In de grote zaal vallen onmiddellijk de reusachtige formaten van vele schilderijen op. Die hebben meestal mythologische en/of religieuze onderwerpen, zoals de aanval van de hel tegen de hemel, of de strijd tussen Grieken en Trojanen over het lijk van Patroclos. Deze schilderijen bevatten zoveel wervelingen en bewegingen dat ze mij direct aan de barok deden denken. En naar het schijnt was het ook de bedoeling van Wiertz minstens in zijn afmetingen Rubens te evenaren. Wat dat betreft is hij meer dan geslaagd, want van Rubens zijn mij zo’n afmetingen niet bekend. En ook de thematiek is niet zo eenzijdig bij Rubens, die daarenboven ook nog eens technisch een veel betere schilder was. Hoe dat ook zij, voor dat soort schilderijen sta je even paf; en dan ga je alras naar de andere, de kleinere, waarvan sommige ook veel bekender zijn, vooral degene die rechtstreeks aansluiten bij het gothic aspect van de romantiek. Een dat mij sterk treft is bv. de afbeelding van een  geguillotineerd hoofd. Op zichzelf iets dat wel vaker geschilderd werd, bv. door Géricault; maar opvallend in het schilderij van Wiertz lijkt me het venster waardoor drie nieuwsgierigen met een mengsel van afschuw en genoegen naar het hoofd loeren. Een vorm van voyeurisme, die bij publieke terechtstellingen veel voorkwam, maar bij mijn weten niet zo duidelijk in schildersbeeld werd gebracht.

Antoine Wiertz – Geguillotineerd Hoofd, 1855


Een ander bekender voorbeeld dat zo typisch is voor de zwarte romantiek is de verzameling doodskisten, waarbij uit eentje ervan een hand naar buiten steekt, alsof de persoon in kwestie nog zou leven. Misschien is dat schilderij een voorbeeld geweest voor het grafmonument van de Belgische dichter Rodenbach, op Père Lachaise? Maar het thema hing natuurlijk in de lucht toen.

Antoine Wierts, De overhaaste begrafenis, 1854, foto Wiertz Museum, Brussel

Grafmonument van de Belgische dichter Rodenbach op Père Lachaise


En vandaar wandelden we dan naar het museum van Elsene, waar we een overzichtstentoonstelling van Delphine Boël verwachtten, en nog een klein zaaltje wellicht met werken van Pierre & Gilles.

Het tegendeel bleek het geval te zijn.

Delphine had één zaaltje ter beschikking, dat wel goed gevuld was zonder overladen te zijn. Diana vond het allemaal maar banaal, terwijl het mij gewoon niet aansprak. De kleuren deden soms aan Niki denken, maar de geschreven/geschilderde spreuken leken me eerder de ontboezemingen van een bakvis dan iets anders. Terwijl dat ene opvallende beeld van een dame die geketend was aan een Vlaamse en Waalse vlag dan weer veel te uitdrukkelijk  de boodschap uitdroeg, hetgeen mij aan socialistisch realisme doet denken (wat het, op de uitdrukkelijkheid na, natuurlijk niet is).

Nee, dan Pierre & Gilles!

Die hebben we voor het eerste gezien enkele jaren geleden in het Orsay in Parijs, waar ze tussen vele anderen hingen op een tentoonstelling over het mannelijke lichaam. In Elsene was het een ruime overzichtstentoonstelling, die enkele decennia omspande. Kitsch, was het eerste dat we toen, in Parijs dachten. En ook nu weer. Maar door het kitscherige karakter zo duidelijk in de verf te zetten, is het gewoon een eigen stijl van beiden geworden. De meeste toeschouwers liepen voortdurend rond met een glimlach op het gezicht, wij niet uitgezonderd. En dat zegt toch wel iets, denk ik.

Hun werk is ook totaal anders dan dat van de Amerikaan Jeff Koons, die ook voortdurend met kitsch in verband wordt gebracht. Ook daarvan zagen we enkele jaren geleden in het Centre Pompidou een tentoonstelling. Maar daar werd niet gelachen, op geen enkele manier. Mij alvast sprak dat totaal niet aan, het was banaal en o zo typisch Amerikaans oppervlakkig. Dat is alleszins niet het geval met Pierre & Gilles.

Hun techniek alleen al maakt hen een beetje uitzonderlijk. Alle werken die er hingen waren foto’s, die dan bewerkt werden, beschilderd meestal. Je krijgt dus fotoschilderijen, waarbij ook de foto’s zelf al in scene zijn gezet; het zijn dus geen al dan niet professionele kiekjes. De personen die je ziet zijn dus fotografisch echt, maar staan meestal in een meer of minder onwerkelijk decor. Ze zijn herkenbaar maar totaal vervreemd ook. Dat valt uiteraard het meest op bij publieke figuren, zoals het volgende:

Dat is Madonna. En als ik die hier overneem is dat geen toeval. Vaak zijn de weinige vrouwen die op de fotoschilderijen voorkomen op een of andere manier verwant aan de iconografie van de Heilige Maagd, meer dan op bovenstaand voorbeeld. Maar vrouwen zijn de uitzondering, de afbeeldingen zijn bijna altijd die van mooie jonge goden, jongemannen dus, en vaak naakt of half naakt. Bijna alle fotoschilderijen zijn dus erotisch, en vaak zelfs direct seksueel geladen. Twee voorbeelden:

Gerard Reve zou niet geweten hebben waar hij het had, en in deze tentoonstelling zeker een uur lang hebben rondgelopen met een stijve van jewelste. Al zijn thema’s zijn namelijk aanwezig bij Pierre & Gilles, van de Mariaverering tot de bondage, en natuurlijk de vele meedogenloze jongens. Je zou bijna denken dat het illustraties zijn bij het werk van Reve. Maar het zou me verwonderen als de twee ooit van Reve gehoord zouden hebben. Blijkbaar bestaat er een algemene homo-iconografie.

Kaders van schilderijen zijn meestal neutraal, maar ook dat is totaal anders bij Pierre & Gilles; de kaders maken integraal deel uit van het fotoschilderij, met dezelfde kleuren (meestal pastelkleuren – zoals in het rococo), hetzelfde thema enz.

Onderstaand voorbeeld bv. is duidelijk: het kader neemt over en varieert het thema van de tijger waar de man zijn voet op zet; en ook de gordijnen passen er natuurlijk perfect bij:

Afbeeldingsresultaat voor pierre & gilles

Er is in de secundaire literatuur veel gepalaverd over wat kitsch is en wat niet; wat schilderkunst betreft, ken ik die discussies niet, maar ik ga ervan uit dat ze daar nog vaker zijn voorgekomen dan in de literatuur, waar het dan over het verwante begrip ‘trivialliteratur’ of pulp of dergelijke meer gaat.

Het werk van Pierre& Gilles is bij uitstek geschikt om de grenzen van dat en aanverwante begrippen te verkennen. En eveneens een begrip als ‘pornografie’ trouwens. Is het hierboven afgebeelde een pornografisch beeld? Volgens mij niet, ondanks de duidelijke erectie. Die mijns inziens niet bedoeld is om lust op te wekken, ook al kan dat uiteraard wel gebeuren. Pierre & Gilles hebben een zeer eigen en individuele picturale wereld geschapen, waar je enerzijds met plezier naar kijkt, en die anderzijds vragen oproept en dus doet nadenken. En dat zijn twee zaken die kunst, onder welke vorm dan ook, altijd moet doen. Het werk van Koons en van Boël doet dat, wat mij betreft toch, niet.

Er is een mooie catalogus, waar alle tentoongestelde werken in zijn afgebeeld, en waarin enkele interviews met de makers zijn opgenomen, waarin o.a. wordt ingegaan op het fenomeen ‘kitsch’.

13/02/2017
door Peter
Geen reacties

12.02.17 – De Russen komen! De Russen komen!

Stel u voor: het kleine Kempische dorpje Meensel-Kiezegem. Misschien zijn er nog mensen in leven aldaar die in het verzet zaten. Die worden nu aangehouden en in de nor gedraaid wegens oorlogsmisdaden gepleegd in de periode 1940-1944. Terzelfdertijd worden Robert Verbelen en zijn bende in ere hersteld en er wordt beslist om jaarlijks een optocht te houden om de bevrijding door Verbelen c.s. te herdenken.

Idioot? Krankzinnig?

Het is gewoon wat Vassili Kononov na de ‘bevrijding’ van de Sovjet-Unie overkwam, toen Letland opnieuw een onafhankelijke republiek werd en bijltjesdag dus aangebroken was. De man was een geëerde partizaan geweest, die in de Sovjet-Unie samen met anderen ten voorbeeld werd gesteld, en die ook de nodige medailles en andere officiële eerbetuigingen gekregen had. En dan werd hij aangehouden en veroordeeld. Zelfs het Europese Hof voor de zgn. rechten van de mens vond dat arrest juist. Weten we ook wat we van dat hof moeten denken.

En tezelfdertijd is er in Riga, de hoofdstad van Letland, elk jaar een optocht om de plaatselijke SS-ers te gedenken, die als ‘bevrijders’ doorgaan voortaan.

Ik zie die van de Zwarte Partij hun lippen al aflikken en kwijlen als de honden van Pavlov bij zoveel rechtvaardigheid!

Europa zal niet reageren, daar hebben ze nog steeds liever Hitler, Mussolini of Franco dan iemand die al is het maar een heel klein stukje ‘links’ is. Op dit geval hebben ze ook niet gereageerd, en enig protest tegen de jaarlijkse opmars van de SS (en vooral hun jeugdige aanhangers en opvolgers) in Riga heb ik nooit ergens gehoord (behalve bij Die Linke in Duitsland, maar wanneer die binnenkort wellicht mee in een regering kunnen stappen, zal het ook snel voorbij zijn met dat soort standpunten).

Dat is grosso modo de inhoud van het eerste deel van een boek van Robert Charvin: Faut-il détester la Russie? Vers une nouvelle guerre froide. (Investig’Action, Bruxelles, 2016). Geen goed gekozen, wervende titel, vind ik, maar kom, dat is bijkomstig en komt bij deze uitgever wel vaker voor. Maar de titel is anderszins achterhaald, vind ik. Die koude oorlog is er al opnieuw sinds de dronken marionet van het Westen het Kremlin heeft moeten verlaten en Putin orde op zaken heeft gesteld. Het is zelfs al een heuse warme oorlog geworden, met name in Oekraïne, en gelet op de toenemende omsingeling van Rusland en de duidelijke oorlogsvoorbereidingen van de NAVO, zal het niet al te lang meer duren of het wordt een heel hete oorlog. Een zender Gleiwitz is snel gevonden.

Daarvoor moeten eerst de geesten rijp worden gemaakt via propaganda, én daarnaast moeten ook juridische barrières worden afgebroken; het voornoemde hof werkt daar vlijtig aan mee, want een dergelijke uitspraak goedkeuren komt volgens de auteur (en ik denk dat ik hem daarin wel mag volgen) neer op het in vraag stellen en zelfs al afbreken van alle principes die aan de basis lagen van het Nürnbergtribunaal en die door dat tribunaal uitgewerkt werden. Het is niet het enige voorbeeld waarin in goede Orwelliaanse zin Newspeak tot wet verheven wordt, en wit zwart wordt en omgekeerd.

Dat eerste hoofdstuk is overigens maar éen breed uitgewerkt voorbeeld van wat in het tweede deel synthetischer aan bod komt: ‘Le procès de la Résistance’. Dat proces is inderdaad in geheel Europa al een hele tijd bezig, en het geval Kononov is enkel maar een typevoorbeeld ervan. Vooral in het Oosten van Europa wordt afgerekend uiteraard, en wie daarbij aan de rechtse zet komt is van minder belang: van de obscurantistische katholieken in Polen tot effenaffe nazi’s in Oekraïne, het is allemaal bruikbaar, zeker als het tegen Rusland gaat.

Want na het individuele geval en de inbedding daarvan in een brede Europawijde stroming, behandelt de auteur in zijn derde deel de eigenlijke vraag van zijn titel.

Maar dat vraagstuk wordt ruimer en breder en gedetailleerder behandeld in een ander boek, van een andere geleerde (Charvin was hoogleraar internationaal recht): Hannes Hofbauer: Feindbild Russland, Geschichte einer Dämonisierung (Promedia Verlag, Wien, 2016). Hofbauer studeerde economische en sociale geschiedenis. Zijn veel uitgebreidere boek gaat dan ook vooral in op die aspecten. En hij vertrekt al vanaf het begin van de Russische geschiedenis, ergens in de vijftiende eeuw, om te eindigen op de dag van vandaag. Het is dus ook gewoon een geschiedenis van de verhouding van Rusland c.q. de Sovjet-Unie met het Westen.

En dat was geen fraaie geschiedenis.

Het boek, dat ook zeer goed gedocumenteerd is, bevestigt eigenlijk wat ik al heel lang dacht, voor wat betreft de twintigste eeuw op eigen lectuur van vele bronnen (niet enkel pro-sovjetbronnen) en voor voordien alleen maar op vermoedens. Die dan blijkbaar juist blijken te zijn. Op geen enkel ogenblik in de twee afgelopen eeuwen is Rusland, onder welke vorm het ook optrad, een bedreiging geweest voor het Westen, wel integendeel. Rusland heeft altijd geprobeerd zich te beschermen en te verdedigen, maar is daar blijkbaar zelden echt goed in geweest, want ze hebben meer van de hen opgedrongen veldslagen verloren dan gewonnen. Dat begon al met Napoleon en enkele decennia later de Krim-oorlog. Ook in de eerste wereldoorlog waren ze vanaf het begin eigenlijk eerder de verliezende partij (Tannenberg bv. dat tot op de dag van vandaag in bepaalde Duitse kringen verheerlijkt wordt), net zoals in de tweede. Enkel de uitgebreidheid van het territorium, het onuitputtelijke achterland dus, en de koude winters, samen met vele toevalligheden, en de politieke intelligentie van bepaalde leiders hebben ervoor gezorgd dat ze uiteindelijk toch altijd bij de winnaars terecht kwamen.

Enkel de koude oorlog hebben ze dus in eerste instantie verloren.

Die geschiedenis wordt tamelijk kort weergegeven, in enkele hoofdstukken slechts; het overgrote deel van het boek gaat over de periode na 1990, dus na het uiteen vallen van de Sovjet-Unie. Hoe naïef politici kunnen zijn, weet ik niet, maar in elk geval is het zo dat Gorbatsjov van een ongelooflijke naïviteit geweest moet zijn: hij geloofde de bewering van zijn overwinnaars dat ze de Navo nooit zouden uitbreiden tot aan de Russische grenzen. Tenzij er toch iets anders aan de hand geweest zou zijn natuurlijk, en hij de Sovjet-Unie welbewust heeft uitgeleverd aan de Navo. Wat dat betreft was de dronkenman duidelijker: die gaf ook toe een marionet van het Westen te zijn.

Heel veel hoofdstukken handelen over problemen die in verband daarmee staan, en die overigens nog steeds actueel zijn: in het algemeen over de zgn. gekleurde ‘revoluties’, die – je kunt het niet vaak genoeg herhalen, helemaal geen revoluties waren, maar door het westen aangestoken (met geld en als het moet ook met wapens) opstanden met maar één enkel doel: de betrokken staten losmaken van Rusland. Vooral in het geval van Oekraïne ligt dat voor de hand door het economische belang van dat land, vooral op landbouwgebied (vanouds de graanschuur van Europa), en het is dus normaal dat daar een heel hoofdstuk aan gewijd wordt , dat overigens teruggaat tot de burgeroorlog van vlak na de eerste wereldoorlog en de latere collaboratie met de Duitsers.

Nee, de oorlog is nog lang niet voorbij. Daar niet, dat is zonder meer duidelijk. Maar hier evenmin.

In elk hoofdstuk, dus niet enkel als het over de Oekraïne gaat, legt de auteur sterk de nadruk op de economische en strategische belangen die spelen. En de geostrategische, die met het begrip Eurazië te maken hebben, en de overheersing van wat sinds 1904 als het ‘heartland’ daarvan gezien wordt: Rusland. Wie Rusland beheerst, beheerst de wereld. Vandaar het belang dat Napoleon en Hitler (maar veel meer nog de krachten achter hen) daaraan hechtten en hechten. Ik dacht dat die theorie afkomstig was van de fascistoïde Poolse raadgever van meerdere Amerikaanse presidenten, Brzeziński, maar de theorie is dus al veel ouder.

Dat is eigenlijk de kern van dit boek: graven naar wat er werkelijk achter de feiten zit, of die nu al dan niet propagandistisch verkleurd en verwrongen zijn. En dat is niet meer of niet minder dan de wereldheerschappij, net zoals bij Napoleon en Hitler. In die zin klopt het trouwens volkomen dat de USA politiek gezien de opvolgers van de nazi’s zijn. Weinigen zagen dat vlak na en zelfs nog tijdens de oorlog. Een van hen (die in Hofbauers boek overigens niet voorkomt) was Bertolt Brecht in éen van zijn Kriegsfibel (een boek dat iedereen zou moeten lezen):

Juni 1944 – De Amerikanen landen in Noord-Frankrijk

In jener Juni-Früh nah bei Cherbourg
Stieg aus dem Meer der Mann aus Maine und trat
Laut Meldung gen den Mann an von der Ruhr
Doch war es gen den Mann von Stalingrad.

Hofbauer stelt aan de hand van uitgebreide documentatie, die zowel boeken, kranten als internetbronnen omvat, de zaken in een licht dat alleszins zeer sterk afwijkt van wat we in onze ‘pers’ lezen. Hij gaat op dat Ruslandbeeld van onze westerse propaganda eigenlijk niet echt diep in; enkel de flagrantse voorbeelden worden aangehaald, en dan worden ze weerlegd door feiten vanuit controleerbare bronnen, niet door tegenpropaganda, door tegenleugens. Natuurlijk is het nog ingewikkelder en nog genuanceerder dan in het boek geschetst wordt of dan ik hier in kort bestek kan nabauwen. Putin en zijn omgeving worden bv. niet gespaard; ook zij behoren grotendeels tot een graaicultuur die de hele wereld in zijn greep heeft. En dat wordt met zoveel woorden gezegd. Je kunt dus niet zeggen dat de auteur zich pro het Russische regime opstelt. Dat maakt hem uiteraard alleen maar geloofwaardiger.

Maar aan dat andere feit zal dat niets afdoen: de propaganda tegen Rusland druipt van de televisieschermen en van de krantenbladzijden alhier, en die propaganda is nu reeds een oorlogspropaganda. Die oorlog met Rusland zal er komen, de vraag is enkel hoe en wanneer. En de Russen zullen wel slim genoeg zijn om Trump niet te betrouwen: als de vos de passie preekt, boer let op je ganzen.

Sovjet-Russische Partizanen

Doch als wir vor das rote Moskau kamen
Stand vor uns Volk von Acker und Betrieb
Und es besiegte uns in aller Völker Namen
Auch jenes Volks, das sich das deutsche schrieb.

13/02/2017
door Peter
Geen reacties

10.02.17 – Oek de Jong

Oek de Jong is op de eerste plaats de auteur van vier schitterende romans, die evenzeer negentiende-eeuws klassiek als hedendaags zijn. Ze doen me denken aan de romans van Flaubert, vandaar die verwijzing naar de negentiende eeuw. De auteur is er grotendeels in afwezig, d.w.z. dat hij niet direct optreedt, en de problematiek heeft meer te maken met persoonlijke zaken van de protagonisten dan met gangbare natuurwetenschappelijke theorieën (zoals bij Zola) of met de evocatie van maatschappelijke problemen (Balzac). En ze zijn schitterend geschreven en vormgegeven, eveneens net zoals bij Flaubert. Maar ik verkies ze boven die van Flaubert, omdat ze toch nog inleving mogelijk maken, en toen ik Flaubert las had ik de indruk dat dit aspect grotendeels afwezig was, dat hij zijn figuren veel meer nog van buiten uit bekeek, zoals een entomoloog zijn insecten.

Vier romans is uiteraard weinig voor een auteur die al publiceert sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Maar dat heeft te maken met de ambachtelijke ingesteldheid van de auteur (die ook de ingesteldheid van Flaubert was), die zijn boeken schrijft en herschrijft en herschrijft…tot ze een definitieve vorm gevonden hebben, die echter ook niet perfect is, het Werk is immers nooit af.

Daarover schrijft de Jong o.a. in het eerste opstel, ‘De weg van de schrijver’, uit zijn nieuwste bundeling: Het visioen aan de binnenbaai (Uitgeverij Augustus/Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2016). Hij noemt het een bundeling van ‘autobiografische verhalen en essays’, maar dat klopt niet: verhalen bevatten fictie, en voor zover ik kan beoordelen komt in geen enkel van de hier verzamelde teksten fictie aan bod. Essays en beschouwingen zijn het, maar niet van academische aard, niet overladen dus met voetnoten e.d.m., en zeker niet geschreven met de afstandelijke focus van de academicus.

Integendeel, eerder betrokken en altijd persoonlijk; het zijn creatieve essays, die naadloos aansluiten bij de rest van de Jongs oeuvre, zowel bij zijn romans, als bij zijn echte verhalen en andere essays. Want behalve die vier romans, die de kern van zijn werk uitmaken, heeft de Jong nog veel meer gepubliceerd en geschreven. En ook dat is telkens van een hoge kwaliteit geweest, net zoals dit nieuwe boek trouwens, waarin de auteur het niet enkel over het ontstaan van zijn eerste roman heeft (in het reeds vermelde eerste opstel), maar ook over het werk en het leven van collegae schrijvers, die hij al dan niet persoonlijk van nabij gekend heeft.

Dat laatste is het geval met Frans Kellendonk, waaraan het laatste opstel van de bundel, ‘Twee eenlingen, over mijn vriendschap met Frans Kellendonk’ gewijd is. Het is een stuk dat me typisch lijkt voor de Jong: doorheen de anekdotiek van een vriendschap graaft hij dieper, legt hij verbanden met het werk van Kellendonk, en hoe zijn ziekte (aids, waaraan hij ook stierf) in zijn werk terecht is gekomen, hoe dat werk geworteld is in het rooms katholicisme uit Kellendonks jeugd – zaken dus die al bekend waren, maar hier op een persoonlijke, soms intimistische wijze opnieuw te berde worden gebracht. Ik heb het werk van Kellendonk enkele decennia geleden wel gelezen, maar de lectuur van dit stuk heeft mij ertoe gebracht dat nog eens tevoorschijn te halen en er een beetje in te lezen. En wellicht ook de veel later uitgegeven brieven van Kellendonk eens te gaan lezen (egodocumenten lees ik nog steeds het liefst).

Een ander lang stuk is gewijd aan Maria Dermoût – waarvan ik nooit een letter gelezen heb. Haar oeuvre is niet zo groot, één boekdeel. Ook hier is de Jong erin geslaagd mij ertoe te bewegen dat oeuvre toch eens te gaan lezen. Of het er ook effectief van gaat komen, weet ik niet; er is zoveel dat ik nog lezen moet (en herlezen). Maar dat de Jong erin slaagt de lust en nieuwsgierigheid te wekken, bewijst mijns inziens dat hij inderdaad gedreven en overtuigend schrijft.

Toch is dat niet altijd het geval. Zo schrijft hij ook een lang opstel over een andere vriend, Arie Visser, ook al lang overleden ondertussen. Die schreef blijkbaar vooral poëzie, maar ik heb er nooit iets van gelezen (tenzij wellicht in bloemlezingen, en dan is hij me niet opgevallen); de Jong citeert veel uit zijn gedichten, maar hier overtuigt hij me niet. Was de vriendschap sterker dan het kritisch vermogen?

De andere stukken zijn meestal veel korter dan deze drie grotere stukken; de onderwerpen ervan zijn literair, soms over één enkel gedicht, bv. over ‘Zeezicht’ van Jellema, ook over stijl, bv. een stuk over seks in proza. Ik ben eveneens van oordeel dat je een goeie schrijver kunt herkennen aan expliciete sekspassages; de meesten vallen daarbij door de mand, volgens mij ook Reve. Maar de Jong gaat het eerder over de ontwikkelingen terzake, van helemaal omfloerst naar totaal expliciet. Dat laatste vereist een stilistisch kunnen dat je echt maar heel zelden tegenkomt.

Er zijn ook nog stukken over fotografie, schilderkunst, mystiek en nog wel wat. Vervelen doe je je zeker niet met dit boek; naast de schrijfkunst van de auteur staat ook de afwisseling in de onderwerpen daar garant voor. Zoals dat al eerder het geval was in vroegere gelijkaardige publicaties van de Jong, vooral misschien Brief aan een jonge Atlas van alweer vijf jaren geleden.