09-07-17 – Een biografie van Gudrun Ensslin

| Geen reacties

Op bladzijde 174 van haar biografie van Gudrun Ensslin (Poesie und Gewalt; das Leben der Gudrun Ensslin, Klett-Cotta, Stuttgart, 2017) schrijft Ingeborg Gleichauf:

“Auch an die Ideale der Demokratie habe sie zunächst geglaubt, dann aber seien ihr durch die Erfahrung der Spiegel-Affäre, der Wiederaufrüstung, der Notstandsgesetze und des Umgangs mit dem Nationalsozialismus deutliche Zweifel gekommen. Sie sei gegen Mauern gerannt mit ihrem Wunsch, innerhalb demokratischer Regeln sich einzusetzen für mehr Gerechtigkeit. In Wirklichkeit gehe es, so habe sie erkannt, letzlich immer nur um das Recht  des Stärkeren.”

De ‘erlebte Rede’ wijst erop dat de schrijfster zelf hier niet aan het woord is; ze parafraseert de woorden van Bernward Vesper op het zgn. Kaufhausbrandprozess. Maar het feit dat ze dat zo uitgebreid doet (meer dan ik hierboven citeer) betekent mijns inziens dat ze wel achter deze woorden staat.

Ingeborg Gleichauf

Het zijn woorden die mij uit het hart genomen zijn, omdat ik ze iets scherper verwoord voor mijzelf lang en vaak herhaald heb; ooit ben ik begonnen aan studies in de rechten (na mijn germaanse) en in de tweede kandi ben ik daarmee gestopt, omdat ik inzag dat er helemaal geen recht was (over rechtvaardigheid wil ik het niet eens hebben, dat is een puur en letterlijk hersenspinsel), maar dat elk recht in laatste analyse enkel en alleen maar het recht van de sterkste was. En dat het dus nooit om recht ging, maar enkel om macht. Toen – ik was nog jong, even de twintig voorbij – was dat voor mij een verbijsterende vaststelling. Maar een die volkomen juist is, daar ben ik tot op de dag van vandaag van overtuigd.

Wat kun je na dat inzicht nog doen? Dat moet ook een van de vragen geweest zijn die Gudrun Ensslin (en met haar vele anderen toen, in Duitsland en elders) zich gesteld heeft.

Je kunt in de politiek gaan om macht te verwerven. Dat deden bv. de politieprovocateurs Joschka Fischer en Daniel Cohn-Bendit. Iets veranderd hebben ze niet, het zijn enkel de meest cynische politgangsters geworden die je je kunt indenken. Dan liever nog de wanhoop die aan de basis ligt van wat ‘terrorisme’ genoemd werd en wordt (maar het in het geval van bv. de RAF helemaal niet is), en die meer nog dan bij Ensslin bij Ulrike Meinhof zo goed detecteerbaar was: het volstond haar columns in Konkret te volgen. Een derde mogelijkheid is zich uit de politiek en de wereld terugtrekken, zich enkel nog bezighouden met de ‘poëzie’ uit de titel van Gleichaufs boek. Een combinatie is ook mogelijk; daarbij hou je je met literatuur, filosofie, kunst etc. bezig, maar volg je de politiek nog (eigenlijk met totale walg, verachting en tegenzin, maar je kunt blijkbaar niet zonder, ‘abschalten’ blijkt niet mogelijk) en schrijf je er ook nog over, zoals hier.

Ensslin heeft duidelijk voor het ‘geweld’ gekozen. Alhoewel, ‘gekozen’?

De schrijfster laat dat eigenlijk in het midden; ze stelt wel vast dat Ensslin op verscheidene tijdstippen van haar leven voor een keuze geplaatst werd, maar ze weet dat niet echt hard te maken. Volgens mij kan ze dat ook niet, omdat van enige ‘keuze’ eigenlijk weinig sprake is. Je rolt erin. En dat andere, veel gevaarlijkere terrorisme, het staatsterrorisme, speelt daarin een cruciale rol. De escalatie toen, in Duitsland, is op de eerste plaats van de staat gekomen.

Gleichauf begint met een inleiding waarin ze allerlei vroegere werken over de RAF bespreekt, en met name de fouten daarin; die komen er steeds op neer dat zaken geponeerd worden, die niet hard gemaakt kunnen worden aan de hand van documenten of getuigenissen. Die zijn er inderdaad zeer weinig wat het leven van Ensslin betreft, en dat begint al met haar jeugd.

Meestal worden de oorzaken van houdingen zoals de hare in de jeugd gezocht, maar in dit geval was weinig of niets te vinden, en dus vonden eerdere schrijvers maar gewoon wat uit. Dat doet Gleichauf niet, en dat is inderdaad een pluspunt van haar biografie; ze stelt inderdaad vast dat Ensslin in een idyllische omgeving opgroeide, maar stelt ook duidelijk dat die idylle een landschappelijke idylle is, en dat over de opvoeding in het ouderlijk huis weinig of niets geweten is. Dat belet niet dat je kunt vaststellen dat ook andere kinderen uit het gezin op de een of andere manier problemen hadden (over de na Gudrun geborenen weet ik niets); vermoedelijk moet er in het ouderlijk huis toch iets mis zijn geweest. Daar is natuurlijk op de eerste plaats de afwezigheid van de vader (hij deed legerdienst in de Wehrmacht tijdens de eerste oorlogsjaren) gedurende haar eerste levensjaren; en de moeder lijkt eerder nogal gevoelskoud geweest te zijn; en daar komt dan nog de algemene politieke context bij: nazibewind en oorlog. Plus daarbij het feit dat vader dominee Ensslin géén nazivriend was, integendeel.

Gleichauf weet ondanks het gebrek aan materiaal de sfeer in het landelijke Baden-Württemberg toch goed weer te geven. En dat geldt eveneens voor de schooljaren van Gudrun (een uitstekende leerlinge) en haar eerste studiejaren in Tübingen, waar ze Germaanse studeerde. Tübingen moet toen nog veel meer dan nu een klein stadje geweest zijn, een dorp bijna, iets zoals Leuven hier. Zoals dat met zovele studenten het geval is, werd zij hier zelfstandig en volwassen. Alhoewel dat zelfstandige er al eerder was, want net zoals een latere RAF-kompaan, Johannes Thimme, heeft zij een jaar in de USA verbleven in een uitwisselingsprogramma. Blijkbaar is ook daar weinig van geweten, want de schrijfster gaat er niet echt op in. Het lijkt echter wel zo dat haar ervaringen aldaar positiever waren dan die van Thimme zovele jaren later.

Maar Tübingen speelde ook op een andere manier een sleutelrol in haar leven: ze leerde er haar eerste grote liefde kennen, waar ze trouwens een zoon mee zou hebben: Bernward Vesper. Er is heel veel gespeculeerd over Ensslins verhouding tot haar twee mannen, maar uiteraard weet niemand er het fijne van, ook Gleichauf niet, maar die geeft het ten minste toe, en laat de ranzige speculaties van sommige anderen gelukkig achterwege. Feit is gewoon dat ze een blijkbaar goed koppel vormden, die zelfs een eigen uitgeverij startten, maar die slechts een publicatie of twee had (voor zover ik het kan overzien toch): Gegen den Tod, waarin teksten werden samengebracht van de belangrijkste Duitse auteurs, tegen de atoombewapening, is daarvan wel de bekendste. Toen, in de jaren zestig van de vorige eeuw was dat een hot item, niet enkel maar toch op de eerste plaats in Duitsland. Nu lijkt iedereen zich daarbij neer te leggen.

Iets later engageerde ze zich ook daadwerkelijk, in het verkiezingsteam van Willy Brandt, in de sociaal-democratie dus. Verwonderlijk? Ik ben eerder geneigd om ook hier gewoon naïviteit te zien, en niets dan dat. Ze had trouwens blijkbaar al snel door dat ze voornamelijk als secretaresse misbruikt werd, en dat ze in die kringen eigenlijk niets te zoeken had.

In dat boek – Gegen den Tod dus – kwam ook een kort gedicht voor van een bekende nazidichter, Hans Baumann (vlak na een tekst van Anna Seghers – je houdt het niet voor mogelijk!), en daarover kwam heel wat kritiek. Misschien had dat eerder iets te doen met Vesper, die immers de enige zoon was van die andere nazidichter Will Vesper. De zoon heeft samen met Ensslin trouwens nog het plan gekoesterd om een verzameld werk van vader Will Vesper uit te geven. Hoe ondoorgrondelijk naïef kun je in godsnaam zijn. Want die oude Vesper had niets ingezien en niets (bij)geleerd, tot het einde van zijn dagen was hij politiek dezelfde gebleven. Ik ben in het bezit van een typoscript van hem uit de jaren vijftig, dat dat bewijst.

Naïviteit van Ensslin? Of toch een al te sterke gebondenheid aan de jonge Vesper? Wie zal het zeggen. Feit is enkel dat zij het niet gemakkelijk zal gehad hebben met hem, die nooit van zijn vader los is kunnen komen, wiens vader als een doem over hem is blijven hangen, wat zeer zeker ook een rol gespeeld zal hebben in zijn latere zelfmoord.

Maar toen was Gudrun al lang in Berlijn en waren ze, in vriendschap overigens, uit elkaar gegaan. Gudrun had in Berlijn een nieuwe grote liefde gevonden, die naar de naam Andreas Baader luisterde, en die een absolute anarchist was wat zijn persoonlijkheid en zijn handelwijze betrof. En wellicht ook een macho tegenover vrouwen. Ook speelde ze daar in een kortfilm, waarvan vele onnozelaars later beweerden dat het een pornofilm was. Totale onzin, want ik heb die film gezien: het gaat gewoon over een jonge vrouw die in bed ligt terwijl in de gang steeds meer poststukken door de brievenbus komen. Voor zover ik me herinner loopt die jonge vrouw inderdaad soms naakt door het beeld, en eindigt het als ze aan tafel zit te eten. Het is extreem lang geleden dat ik de film zag (en ik herinner me niet meer waar), dus wat sommige zaken betreft kan ik me vergissen. Hoe dat ook zij, met porno had hij absoluut niks te maken, dat is fantasie van rechtse rakkers en rukkers.

Naar Berlijn was ze gegaan om aan een doctoraat over de schrijver Hans Henny Jahnn te werken; in Berlijn had ze nl. een ‘Doktorvater’, zoals dat toen heette gevonden. Maar Berlijn is natuurlijk Tübingen niet. De radicalisering van de studentenbeweging ging daar veel sneller en veel grondiger, zeker na de moord op Benno Ohnesorg. Maar ook hier weet Gleichauf een door iedereen overgenomen mythe te ontkrachten, nl. dat Gudrun in een openlijke meeting toen al tot de gewapende strijd zou hebben opgeroepen. Waarschijnlijk was ze daar niet eens aanwezig.

Soit, feit is dat ze effectief actief meedeed aan wat de ‘Kaufhausbrand’ is gaan heten; het woord zelf zegt al waarover het gaat. Maar toen was er inderdaad nog een keuze: twee van de vier aangeklaagden (Thorwald Proll en Horst Söhnlein) zijn wel actief gebleven, maar hebben de stap naar de RAF niet gezet. Waarom Ensslin dat wel deed, is eigenlijk evenmin duidelijk. Gleichauf laat doorschemeren dat Baader er voor iets tussen zat, maar dat is niet bewezen. Het valt mij op dat zij de mannen rond Ensslin eigenlijk eerder negatief benadert. Bewust of niet? Hoe dan ook, na hun proces ging het langzamerhand in de richting RAF, maar welke elementen daar allemaal een rol in speelden is niet duidelijk, nog steeds niet. Wel dat de bevrijding van Baader (die was aangehouden en in een instellingsbibliotheek mocht gaan ‘studeren’) een uiteindelijke trigger was; daarna moesten ze onderduiken, omdat een beambte zwaar gekwetst was door een revolverschot. Bewust afgevuurd door de ‘normale’ krimineel die ze hadden meegenomen omdat ze zich zelf niet goed vertrouwden, of niet?

De warenhuisbrandstichtingen van 2 april 1968 in Frankfurt.

En zo niet, in opdracht van wie handelde die dan? Hier is iets cruciaals aan de hand, waar Gleichauf totaal niet op ingaat. Alle molotovcocktails en alle wapens, ontstekingsmechanismen en ontploffingsmateriaal uit deze vroege periode werden geleverd door ene Peter Urbach, waarvan bewezen is dat hij voor een geheime dienst werkte (met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de BND, want naderhand kon hij met een valse identiteit naar de VS). Vanaf het allereerste begin wisten de geheime diensten dus wat er gebeuren ging, en konden ze alles van dichtbij volgen. Dat ze zelf hun mannetjes hadden in die vroege groep is daarentegen eerder onwaarschijnlijk, dat gebeurde pas vanaf de zgn. tweede generatie.

Het is een lacune van jewelste dat de schrijfster daar helemaal niets over weet te zeggen. Temeer daar vanaf dat ogenblik Gudrun Ensslin als individu amper nog bestaat: zoals de andere is ze gewoon deel van een groep geworden: geen ‘ik’ meer, maar enkel nog ‘wij’. Maar anderzijds is het ook begrijpelijk: hier valt nog minder te bewijzen aan de hand van documenten dan reeds het geval was met de jeugdjaren van Ensslin. De verdere geschiedenis is natuurlijk bekend, de aanhouding, het verblijf in de gevangenissen, Stammheim en de dodennacht aldaar.

Maar ze had het minstens mogen vermelden als mogelijkheid. Zoals ze ook de officiële these betreffende dood van Baader, Ensslin, Raspe niet klakkeloos had moeten overnemen. Ze had minstens moeten verwijzen naar de boeken van Lehmann en Weidenhammer, die ik besproken heb in Stammheim revisited). Ze hoeft de these van de moord niet voor juist te houden, maar ze had ook hier de mogelijkheid moeten vermelden. Temeer daar ze over de dood van Ulrike wél zegt dat er twijfels zijn. Daarom vraag ik me af of ze de boeken van Weidenhammer en Lehmann wel kent; in de BRD zijn die uiteraard totaal doodgezwegen.

Bon, soit. Het hele boek door heeft Gleichauf de nadruk gelegd op de literaire begaafdheid van Gudrun, vanaf haar vroege jeugd eigenlijk al. Ze houdt dat goed vol, overal waar het mogelijk is, d.w.z. waar er documenten aanwezig zijn. Opvallend, en wat ik zeker niet wist: Gudrun Ensslin schreef zelf gedichten. Er is een brief van haar bekend, gericht aan Günter Eich, waarin ze hem gedichten van haar hand toestuurt en hem vraagt wat hij ervan vindt. Jammer genoeg is het antwoord van Eich niet te vinden, evenmin als de betreffende gedichten. Maar het is mogelijk dat Christiane Ensslin nog veel materiaal van haar zuster heeft, en misschien zijn daaronder ook deze (en andere?) gedichten? Als dat zo zou zijn, hoop ik dat ze vooralsnog uitgegeven zouden worden.

Uit de laatste jaren zijn er natuurlijk – behalve sommige later uitgegeven brieven – wel teksten van haar bekend: die werden verzameld in het door Pieter Bakker-Schut uitgegeven das info. Zelden heb ik zulke bizarre teksten gelezen als in dat tamelijk dikke boek. Het zijn teksten die door de gevangenen uit de RAF via hun advocaten verspreid werden onder de andere gevangen (steeds van de RAF), en dus niet enkel van haar. Ofschoon er heel wat van haar instaan. Als ik mij goed herinner hadden die teksten zo’n reuzegroot abstractiegehalte, dat ze niets meer te maken hadden met welke werkelijkheid dan ook, maar eigenlijk een totale en zelden geziene autonome tekstsoort vormden. Maar misschien vergis ik mij, het is allemaal zo lang geleden.

Behalve de vroegere schrijvers-journalisten die het over haar hadden, en die ze in haar inleiding en sporadisch ook nog in de tekst zelf weerlegt en onderuit haalt, valt het op hoe quasi iedereen positief spreekt over Gudrun, over het kind, de tiener, de studente, de activiste, ja zelfs de gevangene. Er is een vriend uit haar kindertijd die dat eveneens doet, nl. de componist Helmut Lachenmann. In een ‘Musik mit Bildern’ genoemde compositie naar het bekende sprookje van Andersen, en eveneens getiteld Das Mädchen mit den Schwefelhölzern, maakt hij in afdeling 15, ‘Litanei’ genoemd, gebruik van een tekst van Gudrun uit das info, een tekst die inderdaad zoals Gleichauf stelt, erg poëtisch aandoet (waarschijnlijk was hij niet zo bedoeld). Ik laat die litanie hier even volgen:

 

der kriminelle, der wahnsinnige, der selbstmörder – sie verkörpern
diesen widerspruch. sie verrecken in ihm. ihr verrecken verdeutlicht
die ausweglosigkeit/ohnmacht des menschen im system: entweder
du vernichtest dich selbst oder du vernichtest andere, entweder tot
oder egoist. in ihrem verrecken zeigt sich nicht nur die vollendung
des systems: sie sind nicht kriminell genug, sie sind nicht wahnsinnig
genug, sind nicht mörderisch genug, und das bedeutet, ihren schnelleren
tod durch das system im system. in ihrem verrecken zeigt sich
gleichzeitig die verneinung des systems: ihre kriminalität, ihr wahnsinn,
ihr tod ist ausdruck der rebellion der zertrümmerten subjekte
gegen ihre zertrümmerung, nicht ding, sondern mensch.
(schreibt auf unsere haut.)
Gudrun Ensslin, begin 1975

oOo

Ingeborg Gleichauf  heeft een biografie geschreven die veel meer vragen oproept dan ze beantwoordt. Maar ik vrees dat het in dit geval niet anders kan, en dat we gewoon met onze frustratie daarover moeten blijven zitten. Maar het is zonder meer goed natuurlijk dat we eindelijk ook eens iets over Gudrun te lezen krijgen dat positiever is dan het doorsnee hetzerig proza van het journaille dat over de RAF schrijft, en dat haar zodoende door de schrijfster heel wat meer recht wordt gedaan dan in vorig meestal leugenachtig proza. Alleen jammer wat de gezagsgetrouwheid van de schrijfster betreft. Een heel klein beetje Ensslin’sche opstandigheid ware beter geweest.

Op de achterflap van de biografie van Hans Henny Jahnn van Thomas Freeman staat het volgende te lezen (uit welk boek van Jahnn het afkomstig is, weet ik niet) dat wonderwel aansluit bij het citaat waar ik deze tekst mee begon:

“Und während sich das meinem Auge Wunderbare vollzieht, vermehren sich die Raubzüge aller Lebewesen gegen den Schwächeren, der gefressen wird. Auch viele der Frösche werden gefressen. Es ist keine Schuld, der Schwächere zu sein. Es ist Schicksal. Und so dampft der Schmerz in den Duft des Frühlings hinein. Die warmen Ströme der Luft schmecken fade. Es ist, wie es ist. Und es ist fürchterlich.”

Inderdaad, het is vreselijk, maar zo is het. En daar helpt geen lievemoederen aan, en evenmin bommen of aanslagen.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


twee + 18 =