05.07.07 – Enquist over Kouwenaar

| Geen reacties

Anna Enquist en Gerrit Kouwenaar zijn beiden goede dichters, die echter tegengestelde en misschien zou je zelfs kunnen zeggen elkaar uitsluitende poëtica’s hanteren. Ofschoon hij dat uiteraard niet is, gaat Kouwenaar in Nederland door als grondlegger van de poëtica die het gedicht ziet als een ‘ding van taal’, zonder band met welke werkelijkheid dan ook. Anna Enquist daarentegen schrijft poëzie die je soms zou kunnen betitelen als betere belijdenislyriek, soms als realistische poëzie (een beetje in de aard van wat hier enkele decennia geleden de ‘nieuw-realisten’ genoemd werd), maar hoe dan ook even eigen als die van Kouwenaar.

Die totaal tegengestelde poëtica’s (de een laat de werkelijkheid vrijelijk toe, de ander probeert ze zoveel mogelijk te bannen) heeft een vriendschapsrelatie tussen beiden niet in de weg gestaan, gelukkig maar.

Van die relatie heeft Anna Enquist nu een soort verslag gepubliceerd: Een tuin in de winter, herinneringen aan Gerrit Kouwenaar (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 2017=Privé-domein 294). Het is een bedachtzaam, mooi, gevoelvol, soms aangrijpend portret geworden van een ouder wordend dichter.

Van iemand die een poëtica hanteert als die van Kouwenaar weet je: in zijn poëzie zal weinig of niets aanwezig zijn uit het persoonlijke leven van de dichter, het abstractieniveau is zo hoog dat quasi alle anekdotiek weggesneden wordt en inderdaad enkel nog pure taalkunst overblijft. Blijkbaar was Kouwenaar bang voor emoties, niet enkel in poëzie. Dat blijkt uit verschillende treffende details, zo bv. uit zijn reactie als Anna bij zijn ziekbed is net op de dag dat enkele jaren eerder haar eigen dochter verongelukte. Ook naar begrafenissen e.d.m. ging hij liever niet, omdat hij zich geen houding wist te geven. Zelfs bij de dood van zijn eigen vrouw Paula was dat zo, hetgeen ertoe leidde dat sommige vrienden effenaf boos op hem werden; anderen begrepen het wel.

De herinneringen zijn min of meer chronologisch gerangschikt, ook al twijfelt de schrijfster soms aan de chronologie. Maar hoe dan ook, de kennismaking en de vriendschap beginnen op Poetry International, waar enkele decennia geleden beiden aanwezig waren; de vriendschap duurt voort tot aan Kouwenaars dood, en wordt intenser zelfs, ook al treft Enquist zelf een zeer zware slag (zo-even vermeld). Beiden reageren min of meer op dezelfde wijze: door te schrijven, en Anna zelf ook door muziek. Kouwenaar wist blijkbaar niet zo veel van muziek, evenmin trouwens van andere, veel praktischer zaken: hij kon niet autorijden (zo zijn er overigens wel meer) en wou niet aan moderne machinerie als gsm’s of computers; en zelfs als er iets stuk was, werd dat op de meest primitieve wijze hersteld, met plakband bv.

Het beeld dat we krijgen is dat van een onhandige, wereldvreemde, een beetje angstige man, die eigenlijk in heel veel afhankelijk is van anderen, zeker na de dood van zijn vrouw, die aan snelle Alzheimer leed. Hijzelf was erg bang voor veranderingen; zelfs als ze naar hun huis in Frankrijk reden, gebeurde dat telkens via dezelfde routes en dezelfde tussenstops. En ook na de dood van Paula, als Enquist hem naar zijn huis in Frankrijk bracht, eiste hij dat.

Enquist is van beroep psychoanalytica, en dat merk je wel. Niet in die zin dat ze het gedrag van haar vriend gaat analyseren, integendeel. Vooral doordat ze vragen stelt, veel vragen, doordat ze ook haar eigen twijfels en onzekerheden over bepaalde zaken open uitspreekt. En in de eerste plaats door de bedachtzaamheid waarmee ze schrijft; dat blijkt al uit het feit dat het boek bestaat uit hoofdstukjes van maximaal een drietal bladzijden.

In de meeste van die hoofdstukjes komt een gedicht voor, meestal van Kouwenaar zelf, soms ook van haarzelf of anderen. Opvallend is dat ze sommige van Kouwenaars gedichten toch kan terugbrengen tot werkelijke gebeurtenissen. Dat is heel interessant, omdat zodoende op een onrechtstreekse manier de werkwijze van Kouwenaar in kaart wordt gebracht, hoe – om met zijn kompaan Lucebert te spreken – ‘het weinige van de werkelijkheid minder en minder wordt’, hoe de aanleiding tot het gedicht uiteindelijk amper nog zichtbaar is in het gedicht, en dan enkel voor degene die het weten kan, omdat zij of hij erbij was.

Om daar zekere uitspraken over te kunnen doen zou je natuurlijk de handschriften moeten kunnen inzien en de verschillende versies van een gedicht naast elkaar kunnen leggen. Blijkbaar is de literaire nalatenschap van Kouwenaar nog steeds niet toegankelijk, want nog steeds grotendeels ongeordend aanwezig in zijn huis in Amsterdam. Dat is inderdaad jammer, want zo is het onmogelijk het werk grondig te bestuderen of, inderdaad, een biografie te schrijven. En naar eigen zeggen heeft Enquist haar herinneringen opgetekend met het oog daarop. Haar boek is dan ook deel van het materiaal dat ooit gebruikt zal moeten worden voor een biografie.

Blijkbaar was hij de laatste jaren grotendeels van de kaart; de post stapelde zich op, naar voorleesavonden ging hij niet meer, en hij kwam zelfs zijn huis amper nog uit. Uiteindelijk brak hij een heup in zijn badkamer en werd slechts enkele dagen erna gevonden. Toen kon hij rust- en ziekenhuizen niet meer verlaten. De euthanasie, waarover hij een afspraak had gemaakt, vond uiteindelijk niet plaats; hij was er te onrustig en – weer – te bang voor. Niet iedereen is zo moedig en karaktervast als Hugo Claus natuurlijk, en dat is géén verwijt.

Op het ogenblik zijn nog enkele publicaties van Kouwenaar in de reguliere boekhandel verkrijgbaar, zo bv. een nieuwe, door Anna Enquist samengestelde bloemlezing, onder de zo Kouwenariaanse titel Van woorden gemaakt (uitgeverij Querido, Amsterdam, 2017). Maar ook zijn laatste bundel is nog verkrijgbaar, het was zijn meest succesvolle met vele herdrukken – om redenen waar hijzelf niets van moest hebben, want dat een gedicht dienen zou om troost te schenken, dat deed hem blijkbaar rillen.

Ondanks de verschillende poëtica’s meen ik echter toch een zekere invloed van Kouwenaar op Enquist te ontwaren; ofschoon dat woord misschien te sterk is, verwantschap ware wellicht beter. En dat uit zich dan enkel in de volgorde, de plaatsing van de constituenten; daar blijkt mijns inziens een zekere verwantschap. Ook al is het moeilijk daarover iets zekers te zeggen; Enquist gebruikt immers slechts enkele gedichten van zichzelf als illustratie bij een hoofdstukje.

Anna Enquist heeft een beklijvend boekje geschreven, dat doet nadenken, en dat vooral de lezer doet teruggrijpen naar het werk van Kouwenaar, die in de Nederlandse poëzie inderdaad een van de grootsten is. En: de uitgeverij heeft het boek als vanouds laten drukken in katernen. Hopelijk zal ze helemaal en definitief afstappen van de commerciële neiging om de delen van privé-domein in geplakte vorm uit te brengen (losse blaadjes dus, die in de rug geplakt zijn), zoals ze dat een tijdje geleden met enkele delen geprobeerd heeft.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vier × twee =