A pas aveugles de par le monde – Leïb Rochmann

| Geen reacties

Na 1945, na de ergste genocide in de geschiedenis van de mensheid tot dan toe, na de judeocide van de nazi’s dus, werden daarover heel veel gedichten geschreven, hoe zou het anders kunnen!? En n’en déplaise Adorno, die dat enigszins verboden had.

Er bestaat een schitterende bloemlezing uit die poëzie, voor zover ze geschreven werd in het Duits: Heinz Seydel (Hg.): Welch Wort in die Kälte gerufen, Die Judenverfolgung des Dritten Reiches im deutschen Gedicht (Im Verlag der Nation, Berlin, 1968). Het is een kanjer van meer dan vijfhonderd bladzijden en het is duidelijk dat de samensteller ook, zoal niet op de eerste plaats, naar kwaliteit gekeken heeft. Die samensteller werd overigens door de uitgeverij verscheidene jaren vrijgesteld om de wereld af te reizen op zoek naar gedichten. Zodoende heeft hij als eerste bepaalde dichters ontdekt en in het Duits taalgebied bekend gemaakt.

Alhoewel, ‘het Duitse taalgebied’ is niet helemaal juist. De bloemlezing verscheen in de DDR en werd in de BRD gewoon doodgezwegen, tot op de dag van vandaag toe. Antiquarisch is het boek wel nog te vinden.

De zo bekende ‘Todesfuge’ van Paul Celan was dus allesbehalve het eerste of enige gedicht rond deze problematiek.

Ook wat het proza betreft zijn er vele, vele boeken rond de Jodenvervolging geschreven en uitgegeven. Denken we in het Nederlands maar aan Marga Minco, Jona Oberski, G.L. Durlacher en vele anderen, ook bv. het beklemmende De ondergang van de familie Boslowits van Van het Reve, toen die nog schrijven kon. Laat me van de buitenlandse schrijvers slechts één enkele noemen, tevens een van de beste en alleszins een van de vroegste: Riders in the Chariot van de latere Australische Nobelprijswinnaar Patrick White.

Ik heb uiteraard niet alle romans of verhalen over het onderwerp gelezen, anders zou ik er wel enkele jaren zoet mee zijn geweest, en ik varieer nu eenmaal zeer graag, ook in mijn lectuur. Maar de door mij gelezen boeken hebben één ding gemeen: het zijn grotendeels klassieke verhalen, het een al beter verteld of geschreven dan het andere, waarbij steeds het verhaal van éen of enkele gevallen uitgewerkt wordt, dat dan exemplarisch is voor alle andere slachtoffers. Want hoe moet je een collectieve moordpartij, die een genocide toch is, anders weergeven, vertellen of suggereren?!

En toch kan dat blijkbaar. En dat gebeurt in de roman van Leïb Rochman: A pas aveugles de par le monde (Editions Denoel, Paris, 2012 = folio 5679). De roman werd oorspronkelijk in het Jiddisch geschreven en gepubliceerd (Mit blinde trit iber der erd). Voor zover ik kon nagaan werd hij tot nog toe enkel in het Frans vertaald, er is zelfs geen vertaling in het Engels te vinden. Jiddisch is natuurlijk een kleine taal, die waarschijnlijk zelfs door de meeste joden niet meer gesproken of gelezen wordt. Alhoewel, denk ik terwijl ik dit schrijf, een van de meest terechte Nobelprijswinnaars, Isaac Bashevis Singer, schreef bij mijn weten ook nog in het Jiddisch. Hoe dit ook zij, A pas aveugles de par le monde verscheen al in 1968, in hetzelfde jaar dus als voornoemde poëziebloemlezing, zodat ook die eerste Franse vertaling al behoorlijk laat komt.

Zeker wanneer je er rekening mee houdt dat dit boek literair gezien enig is in zijn soort en als een heus meesterwerk beschouwd kan worden, dat wat mijn strikt persoonlijke mening betreft, als negende mag prijken op het lijstje waar ik het in een van de vorige bijdragen over had. En dat is gemeend. Ook al besef ik dat ook hier vermoedelijk geen consensus over zal kunnen worden bereikt, waarschijnlijk opnieuw wegens niet ter zake doende politieke redenen. Soit. Over naar het boek.

Het boek telt negen hoofdstukken van heel ongelijke lengte, die in zes gevallen genoemd zijn naar een Europese stad waar het ‘verhaal’ of een gedeelte ervan zich afspeelt. Het eerste hoofdstuk, dat als een introductie beschouwd kan worden, speelt zich af op een niet nader genoemde plaats, een soort spookstad met daarin zowel een kerkhof als een woning waarin de protagonist vroeger, vóór de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden waarover het boek zal gaan, blijkbaar gewoond heeft. Bij zijn terugkeer blijkt het huis door anderen bewoond te zijn. In hoeverre dit autobiografisch is, weet ik niet, want ik ken het leven van de auteur niet. Wel weet ik dat hij levend uit de kampen terug gekomen is, en dat veel van die teruggekeerden met dergelijke en aanverwante feiten geconfronteerd werden. Stelen en roven, en van elke gelegenheid misbruik maken om zich andermans goed toe te eigenen is nu eenmaal des mensen.

Dat eerste hoofdstuk heet ‘Le revenant’, vandaar dat ik ‘terugkeer’ daarnet vet zette. Letterlijk duidt dat Franse woord natuurlijk op iemand die terugkeert, maar zoals enkele films of TV-series recent hebben aangetoond, heeft het een veel specifiekere betekenis: het duidt een ziel van een dode aan, een geest die terugkeert, al dan niet in een nieuw vleselijk omhulsel. En zo komt dit eerste hoofdstuk ook over: als een vermenging van werkelijkheid en droom, waarbij je amper kunt uitmaken wat echt is en wat niet. Maar dat heeft eigenlijk ook weinig belang; de kern van wat zich afspeelt wordt later in het boek door de schrijver zelf aangeduid:

“Ils entendirent que le vieillard était un vieillard depuis toujours. Sa vieillesse avait précédé les Plaines. Il habite des villes qui n’existent plus, entouré d’habitants dont la trace ne se trouve qu’en lui. Il a traversé les Plaines et rejoint le lointain commencement. Telle une roue, il tourne dans les rues, lentement, les yeux au sol, sans voir les hommes d’aujourd’hui. Il sait qu’ils vont et viennent dans ce qui est sa mémoire.” (p. 656)

Dat zal trouwens het hele boek door gebeuren: werkelijkheid en droom (en die droom is niet zo maar een droom: in het merendeel van de gevallen zijn het zware nachtmerries) lopen voortdurend door elkaar heen; dat gebeurt tot en met het laatste hoofdstuk, maar wel heeft een ontwikkeling plaats doorheen het boek in die zin dat de werkelijkheid langzaamaan opnieuw de overhand neemt, het realiteitsprincipe zou je ook kunnen stellen. Je weet dus ook niet echt of het begrip van de ‘revenant’ letterlijk genomen moet worden of figuurlijk. Waarschijnlijk allebei, maar op de eerste plaats figuurlijk: het is een metafoor voor een mens die lichamelijk nog bestaat, maar wiens ziel vermoord werd; maar ook voor de velen die lichamelijk niet meer bestaan, maar die geen laatste rustplaats gevonden hebben, geen graf. In het judaïsme is zo’n rustplaats uiterst belangrijk, want anders krijgt de afgestorvene geen rust en zal zijn ziel blijven ronddwalen. Dat is ook wat het hele boek door gesuggereerd wordt: de sterke symbiose tussen de overlevenden en de gestorvenen; waarbij deze laatsten als het ware bezit nemen van de eersten om zich toch om hen te bekommeren.

De auteur moet een religieus man zijn, dat blijkt niet enkel uit het hele boek en meer bepaald uit bepaalde passages en gegevens (zie later) maar ook uit het feit dat hij soms letterlijk joodse rituele teksten citeert (vb. pp. 233,528, 677, 781 e.v.). De auteur was afkomstig uit een religieus chassidisch gezin, en zelf heeft hij als jongeman ook talmoedlessen gevolgd. Hij was dus goed op de hoogte van het judaïsme, zoals trouwens zo veel van zijn landgenoten: hij was afkomstig uit een kleine stad ten oosten van Warschau, en dus ook vlakbij Lodz, waar in die vooroorlogse tijd meer joden dan anderen woonden. De traditie waarin hij dus geplaatst moet worden is die van het zgn. oostjodendom, net zoals Bashevis Singer overigens, in wiens boeken die traditie tot in het detail bestudeerd kan worden.

Overigens is de auteur zelf een overlevende; hoe dat gebeurde vertelt hij in een ander van zijn drie boeken: Journal 1943-1944 (Editions Calmann-Lévy, Paris, 2017), waarin hij zijn onderduikperiode bij Poolse boeren bijhoudt. Aan de grote concentratiekampen is hij dus ontsnapt, maar die persoonlijk meegemaakt te hebben is uiteraard niet nodig om erover te kunnen schrijven. Het zal de lezer opgevallen zijn dat in vorig citaat sprake is van ‘les Plaines’ – steeds met een hoofdletter. Dat gebeurt het hele boek door, en het spreekt vanzelf dat daarmee de hele moordmachinerie van de nazi’s bedoeld wordt. In het boek zelf worden twee kampen vermeld, maar bijkomstig: Bergen-Belsen en Auschwitz. Ook de gebruikelijke woorden voor de judeocide worden door de auteur niet gebruikt: hij heeft het over ‘l’Anéantissement’ – eveneens met een hoofdletter. Daarmee wordt die vernietiging en wat ermee samenhangt toch nog in een mythisch-religieuze context geplaatst, maar zonder dat er sprake is van enig offer of zoenoffer – waar het gebruikelijke woord op doelt.

Het tweede hoofdstuk heet ‘Lodz’. Was in het eerste hoofdstuk een verteller aan het woord, die weliswaar veel empathie vertoonde maar toch op de achtergrond bleef, hier is vanaf het begin sprake van een ‘ik’ en een ‘wij’; wie die ‘wij’ is, is zonder meer duidelijk: de slachtoffers als geheel, dood of levend; de ‘ik’ is moeilijker te plaatsen. Het eerste hoofdstuk introduceerde een zekere ‘S.’, die je als hoofdpersoon zou kunnen beschouwen, als een dergelijke term in een dergelijk boek enige betekenis zou hebben. Maar feit is dat die S. het hele boek door terugkomt, en omdat later blijkt dat hij ook de schrijver is van het boek, mag je er misschien vanuit gaan dat hij gewoon afwisselt tussen het klassiek vertelde verhaal – in de hij-vorm dus – en het ik-verhaal. Waarschijnlijk heeft het met betrokkenheid en afstand te maken en met de afwisseling van beide.

In dat tweede hoofdstuk treden ook twee nieuwe figuren op, die eveneens tot op het einde van het boek zullen blijven: Leibl en zijn vriendin Estherkè. De naam ‘Leibl’ is meestal een familienaam, maar komt ook als voornaam voor; dat is hier blijkbaar het geval. Of de voornaam van de auteur daarmee verwant is, is mogelijk, maar met zekerheid heb ik daaromtrent niets kunnen vinden. Er is in elk geval een klankverwantschap. En wat meer is: in de loop van het boek krijg je meermaals de indruk dat Leibl en S. inwisselbaar zijn, dat zij in zekere zin samenvallen. Door hun gemeenschappelijk lot is dat natuurlijk ook zo – zoals alle slachtoffers samenvallen in het Slachtoffer.

Meer nog dan de ongenoemde stad uit het eerste hoofdstuk hebben we hier met een spookstad te doen, waarin nu eens massa’s spoken verdwaasd ronddolen, dan weer enkele individuele zombie-achtigen meer op de voorgrond worden geplaatst. De algemene sfeer blijft er een van totale verdwazing en vervreemding, zoals waarschijnlijk niet anders kan na een ramp van die omvang, waaraan de protagonisten blijkbaar ontsnapt zijn. Duisternis en angst overheersen, en vaak ook een oorverdovende stilte, die door merg en been dringt. Totaal beklemmend is de atmosfeer; ik kan mij geen boek voor de geest halen waar iets dergelijks op zo’n beklijvende manier wordt opgeroepen. En het mogen dan wel nachtmerrieachtige scènes zijn, de schrijver weet ze zo concreet te maken dat je ze ‘ziet’.

Overigens is Lodz als eerste hoofdstuk over een concrete stad uiteraard geen toeval. Lodz of Litzmannstadt zoals de moffen het noemden had na Warschau het grootste ghetto van Europa, dat het langst bestond; de joden werden er ‘tewerk’gesteld en uitgebuit tot op het bot, waarna ze verkast werden naar een van de plaatsen met de welbekende sonore namen. Het hoofdstuk zit natuurlijk vol reminiscenties aan dat alles, te veel om hier gedetailleerd na te gaan.

Lodz 1946

Het volgende, korte hoofdstuk heet ‘Lausanne’ en speelt zich dus in Zwitserland af (zoals later het zesde hoofdstuk). Het is natuurlijk opvallend dat niet minder dan twee van de ‘steden’hoofdstukken in Zwitserland spelen. Een verklaring daarvoor wordt niet echt gegeven, en ook zuiver politiek wordt niets gezegd. Concrete politieke zaken vermijdt de auteur, ook al is zijn roman natuurlijk ook een door en door politieke roman. De rol van Zwitserland in de tweede wereldoorlog was, laten we eufemistisch blijven, niet echt fraai. Joden werd de toegang grotendeels geweigerd (tenzij ze poen hadden natuurlijk, wat voor de meesten van hen niet het geval was), maar dat was ook in België en misschien meer nog in het hardvochtige Nederland van Colijn het geval.

Het hoofdstuk begint weer als een ik-verhaal, maar in de loop van de tekst wordt die ik nu eens een ‘wij’, dan weer de gewone verteller; in dat laatste geval treedt S. weer expliciet op. In het begin weet je niet wie aan het woord is, of wat er gebeurd is sinds we (de lezers) Lodz verlaten hebben; we maken een avondje mee in Lausanne, dat een beetje doet denken aan een avond bij The Great Gatsby: een volledig mondain gebeuren dus, bij een familie die al lang uitgeweken was uit de oostjoodse gebieden.

Dit hoofdstuk toont ook de tamelijk losse structuur aan van het boek als geheel, hetgeen tot uiting komt in het losse verband tussen de hoofdstukken. Een echte plot is niet voorhanden en, zoals gezegd, ook S. en Leibl zijn inwisselbaar, niet alleen onderling maar ook met anderen. Hoe het verband toch gelegd wordt zie je op de eerste bladzijde van het hoofdstuk, wanneer de oude heer de ik een vraag stelt:

“- Ah oui, vous dites qu’ils les ont exterminés, tous les juifs de notre ville – il devait bien y avoir une raison pour cela?…” (p. 247)

Die vraag verwijst ten eerste naar wat duidelijk het hoofdthema van het boek is – de vernietiging van de joden en de gevolgen daarvan, de uitwerking daarvan op de betroffenen en betrokkenen – maar wijst ook al vooruit naar het volgende, eerder metafysische hoofdstuk (zie later). Maar daarna dus de gezellige mondaine avond. Tot een van de familieleden – de echtgenoot van Annette, kennis van de ik, een vrouw die verder in het boek amper nog voorkomt – sterft waar het ‘verhaal’ zich afspeelt en de ik de begrafenis bijwoont. Op dat ogenblik treden de visioenen weer op, die voor angst en beklemming zorgen: het is alsof hele massa’s van overlevenden zich bij de begrafenisstoet aansluiten, de meesten eveneens uit Lodz afkomstig. De ik gaat ervan uit dat zij de lokale bevolking bedriegen door te doen alsof zij geen joden zijn; de ik heeft duidelijk angst om als jood herkend te worden; wellicht dat de evocatie van de massa daaruit voortkomt. De feitelijke begrafenis vloeit samen met zware herinneringen en nachtmerries zoals in de vorige hoofdstukken voortdurend gebeurde:

“Je fermai aussitôt les yeux pour ne pas voir. Au-dessus de la tombe, le corps de la plus jeune de mes soeurs flottait dans son apesanteur. Elle n’avait pas vingt ans. Sa nudité frissonnante me déchirait. Elle est partie dans sa pureté, sans connaître la main d’un homme sur elle. Elle avait roulé dans l’abîme intacte. Un cri me nouait la gorge, un cri pour toutes nos soeurs disparues sans avoir connu la caresse d’une main, sans avoir connu l’amour.

J’aurais voulu déchiqueter mon propre corps. Elles parties, je ne suis qu’un squelette sans chair, pour toujours.” (p. 279)

En vlak daarop neemt de verteller het weer over om in de derde persoon over S. verder te vertellen. Het lijkt er dus sterk op dat S. eigenlijk de verteller is, maar die soms afstand neemt soms direct in de eerste persoon (enkelvoud of meervoud: elk slachtoffer is immers zowel een individu als deel van een groep) spreekt; het verschil heeft waarschijnlijk (ook) met de mate van emotionaliteit te maken, ook al proberen zowel de ik als de verteller zich in te houden; de overwegende stijl is die van de detectie, de vaststelling. Op de lezer heeft dat waarschijnlijk de sterkste emotionele uitwerking.

Je zou dit kunnen beschouwen als een overgangshoofdstuk; hierna komen drie lange hoofdstukken, wellicht de fundamenteelste van de hele roman; waarna er opnieuw een overgangshoofdstuk of scharnierhoofdstuk komt om dan uiteindelijk af te sluiten. Overigens komen er in het derde boek van Rochman, de verhalenbundel Le Déluge (Editions Buchet-Chastel, Paris, 2017) verhalen voor die respectievelijk de titel ‘L’enterrement’ en ‘La peur’ dragen. Het thema hield hem dus wel bezig, waarbij de begrafenis natuurlijk eerder anekdotisch is (maar toch: de dood is erbij betrokken), terwijl de angst een grondtoon, een basso continuo van het hele boek uitmaakt.

Het eerste van die drie belangrijkste hoofdstukken speelt zich af in Amsterdam: ‘Le proces d’Amsterdam’ heet het, en diegenen die een beetje thuis zijn in de wereld van het jodendom en met name in de filosofische kant daarvan, zullen wellicht denken aan het proces, gevolgd door de banvloek waarmee hij uit de joodse gemeenschap gestoten werd, van Baruch de Spinoza. Vandaar ook dat het proces plaatsvindt in de oude Portugese synagoge van Amsterdam. Explicieter is de verwijzing aan het begin van dit hoofdstuk naar de wandelende jood: “C’était la première fois que je me trouvais ici, mais je me savais condamné à errer de pays en pays.” (p. 283) Dat is de tweede rechtstreekse verwijzing naar die mythe, en een derde treedt later op, expliciet deze keer: “Ce vieillard était le Juif éternel, celui qui contenait le monde entier, celui dont les membres se détachaient tout en le laissant indemne. Il poursuit son chemin.” (p. 676) Ook in ogenschijnlijk onbelangrijke details komt dat terug, bv. in de laatste constituent van het lange citaat hierboven (‘pour toujours’); dergelijke constituenten die op de eeuwigheid van een bepaald lot wijzen komen het hele boek door voor, maar steeds onopvallend.

Ahasverus – Hans Schwaiger

Dat is misschien een beetje vreemd. Immers, die mythe is duidelijk christelijk van oorsprong, en zeker niet joods. Ahasverus (niet bij naam genoemd door Rochman) wordt door Christus gestraft om ten eeuwigen dage rond te dolen; als zodanig is hij voor de christenen slechts een metafoor voor de joden als geheel, want zij zijn immers schuldig aan de dood van Christus. Ik kan me moeilijk voorstellen dat een religieus geïnspireerde joodse schrijver als Rochman de kern van dit verhaal zou aanvaarden. Maar als we verder zien dat in de tweede helft van de roman de joden als gemeenschap op een opvallende wijze worden gesteld tegenover wat ‘les Nations’ genoemd wordt (te vertalen als ‘de volkeren’, in aansluiting bij Genesis waar de joden uitverkoren worden onder de volkeren), dan begrijpen we dat de auteur die christelijke mythe op een andere, typisch joodse manier lijkt te duiden. Ik kom daar nog op terug.

Hoe dat ook zij, het begin van het hoofdstuk duidt aan waarover het gaat, zeker wanneer Spinoza letterlijk als afvallige beschouwd wordt, die dus zelf de banden met het jodendom zou hebben doorgesneden. Dat klopt historisch natuurlijk slechts heel ten dele. Maar de auteur wil de nadruk leggen enerzijds op de eenheid van de geloofsgemeenschap, die niet verbroken mag worden, en anderzijds op de aard van die gemeenschap. Ook het belang dat het hele boek door gehecht wordt aan (fysieke) liefde, en het voortzetten van het geslacht, aan kinderen, duidt op de relevantie daarvan.

Maar het proces zelf sluit dus aan bij het proces rond Spinoza in die zin dat het enerzijds een proces is dat naar de schuld en de onschuld vraagt (zoals al voorzien in het begincitaat uit het vorige hoofdstuk), en anderzijds en vooral naar de aard van het jodendom, vandaar ook: “Les membres du Tribunal siègent éternellement sur la tribune. Eternels sont leurs squelettes. Seuls les visages changent.” (pp. 327-328) Het is dus ook geen echt tribunaal, maar wel een metafysisch tribunaal en proces waarin, naar aanleiding van de gebeurtenissen op de Vlakten, gezocht wordt naar een waarom, de vraag wordt gesteld of en zo ja in hoeverre de slachtoffers zelf schuld zouden kunnen hebben, waaruit die schuld dan bestaat (bv. waarom hebben ze zich niet verzet?), en of er wellicht wraak genomen moet worden, en zo ja op welke wijze. Zoals het bij een metafysisch tribunaal voor de hand ligt komen er geen vaststaande antwoorden, noch van de ondervraagde getuigen en/of slachtoffers, noch van het tribunaal zelf uiteraard.

Staalgravure van J.H. Rennefeld (1832–77), naar een verdwenen schilderij (ca. 1865) van Maurits Leon (1838–65), getiteld ‘Spinoza voor zijne regters’

Stilistisch sluit dit hoofdstuk soms aan bij de vorige, maar vaker wijkt het ervan af in die zin dat er inderdaad een vraag-en-antwoord-spel optreedt zoals bij een echt tribunaal. Ook dat werkt nogal beklemmend, temeer daar het mij sterk doet denken aan een opvoering van Die Ermittlung van Peter Weiss. Of mijn herinnering me bedriegt of niet zou ik niet kunnen zeggen, maar mij staat alleszins voor dat dat stuk werd opgevoerd in halve duisternis, en dat de protagonisten vaak onherkenbaar waren, geen gezicht toonden; ook daar ging het uiteraard over schuld en onschuld, maar niet op de eerste plaats in metafysische zin (dat ook), maar eerder letterlijk. En de opbouw is natuurlijk totaal anders.

Een andere stilistische eigenaardigheid in dit hoofdstuk is het filmische karakter ervan, zodat het soms zelfs aan een draaiboek doet denken, zeker wanneer ook een ‘metteur en scène’ letterlijk optreedt en de zaak in handen neemt. Het is de enige plaats in het boek (pp. 365-376) waarin dit filmische aspect expliciet naar voren komt; maar, zoals reeds gezegd, de auteur schrijft ook elders vaak zeer concreet en in elk geval beschrijvend, een beetje zoals een camera, die de zaken van buitenaf ziet. Maar dat is uiteraard niet altijd het geval, ook het innerlijke van de personages wordt geëvoceerd, direct of indirect.

Het vijfde hoofdstuk speelt zich in Offenbach af en heet ook zo. Ook hier vindt een proces plaats, maar nog vreemder dan in het vorige hoofdstuk, een surrealistisch proces zou je bijna kunnen zeggen. En aan de andere kant is het een hoofdstuk dat aan het mystieke grenst.

Vermits de auteur Rochman uit een chassidisch milieu afkomstig is, staat het vast dat hij op de hoogte zal geweest zijn van de joodse mystiek, die immers vooral in die kringen leefde. Meer bepaald in de kabbalah hebben de letters (het aleph-beth, in het boek afgedrukt trouwens, in dit hoofdstuk, op pagina 451) een meer dan gewone betekenis, ze hangen nauw samen met de schepping en met God zelf; immers, zo kunnen we leren uit de geschriften van Gershom Scholem daarover: elk woord valt samen met de naam God in de joodse mystieke taaltheorie. En woorden bestaan uit letters, en woorden worden samengebracht in boeken.

In Offenbach zou een groot gebouw van IG-Farben staan, en daarin zouden de gestolen joodse boeken zijn ondergebracht. Dat is het gegeven van dit hoofdstuk. Historisch gezien zou je dan eerder aan Frankfurt-am-Main moeten denken, waar de hoofdzetel van IG-Farben was in een reusachtig gebouw, dat nu gebruikt wordt door de Goethe-universiteit aldaar. Maar een roman is natuurlijk geen geschiedenis. De keuze van Offenbach mag voor mij een beetje duister blijven, de firma die met name genoemd wordt is welbekend: ze waren niet enkel de producenten van Zyklon B, ze hadden ook afdelingen in kampen, met name in Auschwitz, waar ze vrolijk gebruik maakten van de door de politieke overheid aangeleverde slaven. O.a. de bekende Italiaanse schrijver Primo Levi, die chemicus van opleiding was, werkte aldaar in de Buna-Werke, die een onderafdeling van IG-Farben was. Na de oorlog is er een IG-Farben-proces geweest, waar enkelen tot zeer lichte straffen veroordeeld werden (maximum 8 jaar), waarvan ze maar een zeer klein deel moesten uitzitten, daarna keerden ze gewoon terug naar hun raden van bestuur.

Joodse slavenarbeid in de Auschwitz-Monowitz Buna-Werke

De boeken waarover sprake worden bewaard in “des caisses pareilles à des cerceuils” (p. 389) en worden door de auteur volkomen gepersonifieerd. In een cultuur zoals de joodse, waarin ook buiten de mystiek om het boek een zeer grote rol speelt, is het boek, zeker het religieuze boek, inderdaad bijna een levend iets, met een eigen persoonlijkheid, een eigen geest. Boekenliefhebbers, zelfs van atheïstische huize kunnen daar uiteraard goed inkomen. Het judaïsme is trouwens het eerste en oudste van de ‘religies van het boek’. Dat werd nog belangrijker voor hen door hun verbanning na de vernietiging van de tweede tempel in het jaar 70 door Vespanianus en zijn zoon Titus; heel de eigenheid van het judaïsme hing vanaf dan niet meer af van een plaats – die was er immers niet meer – maar van de mensen en het Boek (waaronder niet enkel de Thora valt, maar ook de afgeleiden: Mishna, Talmoed…), waar die zich ook mochten bevinden.

Vermits de boeken levende wezens zijn, hebben zij ook dezelfde gevoelens als hun bekende of onbekende auteurs en kan men ook hen tot de orde roepen, voor een tribunaal dagen zelfs:

“On allait convoquer les oeuvres qui avaient prédit les Plaines. On ne savait par qui commencer. Toutes attendaient, clouées à leur place. Même les ouvrages scientifiques dans les caves dressaient l’oreille. Dans les livres fermés, les feuilles tremblaient de peur.” (p. 444)

Een oplossing biedt dat niet, dat kan ook niet, al was het maar omdat we met een symbolisch proces te maken hebben, net zoals in het vorige hoofdstuk. Ook hier is de diepere bedoeling het zoeken naar zin en betekenis: “Depuis des heures, plongés en eux-mêmes, ils n’ont pas encore trouvé le Sens. Seule la culpabilité plane, de plus en plus lourde.” (p. 394) Dat geldt zowel voor oudere boeken als voor modernere en hedendaagse boeken, zelfs voor een boek dat zichzelf zo veel mogelijk wil verbergen en wegkruipen om toch maar niet opgemerkt te worden; het gaat dan over “les livres en yiddish sur les Exterminations. Mon opuscule se dissimule au plus profond pour ne pas être remarqué.” (p.394) Het is duidelijk dat de auteur het hier op een licht ironische wijze over zijn eigen boek heeft, dat immers ook in het Jiddisch geschreven werd en ook over de uitroeiingen handelt. Later, in een volgend hoofdstuk zal hij dat nog explicieter en duidelijker doen.

Hier plaatst hij zijn eigen boek vooral in een historische context, in een traditie van boeken over hetzelfde onderwerp; hij doet dat via de figuur van Dr. Scheter, die in het IG-Farbengebouw bewaker en/of bibliothecaris is; hij somt een hele reeks werken op, en daarbij ook “mon livre en yiddish, et d’autres encore sur notre anéantissement à partir de 1942” (p. 403) De schrijver Rochman heeft lang aan deze roman gewerkt, en het kan niet anders dan dat hem af en toe de moed in de schoenen gezakt zal zijn, niet enkel door het onderwerp en de herinneringen en voorstellingen die daarbij naar boven kwamen, maar ook door de inspanning van het schrijven zelf van een boek dat ondanks zijn lengte nog zeer geconcentreerd is, waarin details vaak naar het hoofdonderwerp moeten wijzen en waarin, ondanks de schijn van het tegendeel, toch alles met alles samenhangt, en er zelfs een chronologische lijn aanwezig is. Uit volgende passage kunnen we ook een beetje wanhoop aflezen met betrekking tot het boek:

“Mon livre à moi sentait aussi la douleur le paralyser. Il était sur le point de s’effondrer. Ses forces déclinantes le tiraient vers la terre. Comme tous les livres en yiddish, il ne ferait plus partie du compte. Il lui fallait boire ce fiel jusqu’à la dernière goutte.

Les livres en yiddish gisaient maintenant les ailes pendantes, comme un vol d’oiseaux abattus. De temps en temps, ils souhaitaient se mêler aux autres, mais n’y parvenaient pas. Leurs ailes ne se soulevaient pas. Etendus sur le sol, ils frissonnaient. Leurs propres paroles se brouillaient devant leurs yeux. Ils ne parvenaient pas à garder les paupières ouvertes. Ils sentaient que le poison en eux ne se dissoudrait jamais, qu’il ruisellerait et fermenterait en eux pour toujours.” (p. 443)

Belangrijk lijkt me de suggestie van een angsttrauma, dat bij alle overlevenden aanwezig moet zijn geweest. In de korte passage hierboven wordt het overgebracht op een boek, maar elders, later in het boek, wordt het niet meer overgedragen op iets of iemand, maar direct uitgesproken:

“Il aspirait à rester au fond de l’éternité. C’était à elle qu’il appartenait. Sa tête n’avait émergé que pour un bref instant, quand sa mère lui avait donné le jour. Il n’était resté dans ce monde qu’un moment, comme nous tous, nous tous qui essayons de nous enfouir dans les couches les plus profondes de la terre. Disparaître. Retourner au sein de l’éternité. Il savait bien que le non-être antérieur et le non-être ultérieur étaient notre éternité. Notre tête n’émergeait que pour pousser le cri du monde. Nous ouvrions grandes nos bouches pour pousser ce cri assourdissant. (pp.597-598)

En even verder:

“Plus tard, l’éternité continuera sur la terre sans lui. Nous allons disparaître, pour l’éternité, comme l’animal et la volaille que nous dévorons.” (p.839)

Freud zou hier, nogal eenzijdig, een uiting in kunnen zien van een doodswens, van het thanatos-principe dus; dat kan, want ook het tegendeel, de libido als wens om zichzelf voort te zetten, komt in het boek regelmatig, maar niet zo genoemd en ook zonder verwijzing naar Freud, terug. Beide hangen natuurlijk samen, vormen een symbiotische eenheid; maar in het boek valt dit aspect direct op, waarschijnlijk omdat het veel minder vaak voorkomt en uitdrukkelijker verwoord wordt. Gelet op het hoofdonderwerp van het boek lijkt me dat de wens om te verdwijnen minstens begrijpelijk is. Ook de angst in verband met zijn boek is in die context te zien: het boek geeft het leven verder, maar ook dat dreigt te verdwijnen.

Ook al is die in strijd met het religieuze uitgangspunt van de verteller/auteur, want het judaïsme verwerpt zelfmoord – zoals de twee andere monotheïsmen overigens. Filosofisch gezien lijken de twee laatstvermelde passages uitingen te zijn van een zeker nihilisme, dat trouwens ook in de poëzie van Paul Celan regelmatig terugkomt (‘ein Nichts waren wir/sind wir/werden wir bleiben’). Men kan zich afvragen waarom de auteur voor het Jiddisch heeft gekozen om zijn boek te schrijven, temeer daar hij in Jeruzalem leefde, waar het Jiddisch ook al een minderheidstaal was, die langzaamaan helemaal dreigde vervangen te worden door het Ivriet. Maar niet alleen zal het de moedertaal van de auteur geweest zijn, het is ook wellicht de beste manier om loyaal te blijven aan afkomst, verdwenen vrienden en verwanten, en om in de vorm van een roman een kaddish te spreken. Want dat is deze roman ook natuurlijk.

Het zesde hoofdstuk is het langste van het hele boek. Het speelt zich weer in Zwitserland af, en heet ‘Leysin – Le mont des Prodiges’. Leysin was tot in de jaren vijftig een kuuroord in Zwitserland, waar mensen verpleegd werden die aan TBC leden. De titel wijst enerzijds op de bergen natuurlijk, en anderzijds op de helende werking van de omgeving en de zuivere lucht. Men zal zich herinneren dat in Zwitserland vele van die kuuroorden aanwezig waren; een van de bekendste is Davos, en dan doel ik niet op jaarlijkse bijeenkomsten aldaar van economische en politieke maffia’s, maar op het feit dat Thomas Manns roman Der Zauberberg zich daar in een sanatorium afspeelt. Ofschoon Rochman daar niet uitdrukkelijk naar verwijst, lijkt het me voor de hand te liggen dat de lezer daaraan denkt: de basisgegevens lopen immers volkomen parallel: een reeks zieken komen daarheen om te herstellen, en zij praten met elkaar over allerlei zaken. Meer ‘plot’ is er dus eigenlijk niet, noch bij Mann noch bij Rochman. De kern ligt elders.

Leysin. Sanatorium neuchâtelois “Beau Site”.

In het herstel met name, dat al zeer snel wordt aangekondigd wanneer de twee terugkerende figuren uit het boek, S. en Leibl ontdaan worden van hun ‘carapace de plâtre’. Van Leibl hadden we eerder al vernomen dat hij daarin gewikkeld was, van S. werd dat voorheen niet expliciet gezegd. Ook dit wijst er weer op dat beide figuren – hoofdfiguren kun je moeilijk zeggen, vermits er geen verhaal is waarin ze als zodanig optreden; het enige is dat ze het hele boek door voorkomen – onderling inwisselbaar zijn. Maar ook weer niet. Net zoals de ik die hier ook regelmatig overneemt. Ook hij droeg zo’n lichaamsplaaster: “Il ne sait pas qu’en ce jour où il essaie de s’élever, je me trouve déjà dans la grande salle, dans un lit contre le mur. Moi aussi, on m’a emmené ici. On me portait d’hôpital en hôpital dans ma coque de plâtre.” (p. 703)

Misschien (mede) vanwege de lengte heeft in dit hoofdstuk de meeste afwisseling plaats. De auteur springt niet van de hak op de tak, maar wel van de ene persoon naar de andere, en volgt de mate waarin en de manier waarop ze zich van het ervaren leed herstellen. S. en Leibl komen daarbij regelmatig terug, zij zijn als het ware de vaste personen, maar daarnaast treden een hele rist andere personen op, die voorheen soms al voorkwamen – al was het maar in éen zin of paragraaf – maar die hier dus verder gevolgd worden in hun lotgevallen, in hun herstel. Waarbij steeds weer minstens gesuggereerd wordt hoe in de overlevenden ook de overledenen verder bestaan. Dat lijkt me de kern te zijn, niet enkel van dit hoofdstuk maar van het hele boek; het is de diepe samenhang ervan en de ideële structuur. In deze passage bv. komt dat wel tot uiting:

“Mais son inquiétude ne portait pas tant sur la partie manquante que sur celle qui était venue se greffer pendant les années passées dans les Plaines (het gaat over lichaamsdelen – PB). Le vide prenait en eux un sens nouveau, invisible, un sens qu’aucun autre être ne possède. Il le désigna comme le ‘sens de la comparaison et de l’association’. Chaque nouvelle personne rencontrée évoque quelqu’un d’autre qui existait avant elle, qui avait sa voix, sa démarche, sa mimique. Les malades veulent donner à cet inconnu le nom du prédécesseur qu’ils lui attribuent. Ils considèrent cette personne comme condamnée au destin de ce prédécesseur; selon eux, on ne peut rien faire pour lui épargner ce sort. Tout est prédestiné. Ils se tiennent tous au milieu, entre les vivants et les morts.” (p.663)

In zekere zin lijkt het wel een passage uit Calvijn! Maar het is wel een passage die door andere gedeeltelijk wordt tegengesproken; ik heb het al gezegd: zeker vanaf dit hoofdstuk treedt een ander, belangrijk motief op: kinderen en latere generaties, d.i. het voortzetten niet zozeer van de soort, maar van het joodse deel van de soort. Voorheen was daar amper sprake van. En dat heeft te maken met de specifieke rol van de joden in de wereldgeschiedenis, rol die zelden echt expliciet uitgesproken wordt, maar die wel duidelijk wordt bv. wanneer S. nadenkt over de verhouding tussen de joden en ‘les Nations’. Het is een dubbelzinnige relatie, die soms een ware symbiose is; je kunt er de eenheid van tegendelen van Heraclitos in zien, maar evenzeer de coincidentia oppositorum uit de (godsdienst)filosofie. Vooral dit laatste doet de relatie ook aansluiten bij de algemene mystiek, waar de joodse uiteraard maar een onderdeel van is. Op de bladzijden 632-633 wordt daar dieper op ingegaan; eigenlijk zou ik ze helemaal moeten citeren, maar ik beperk me tot enkele passages:

“Il comprenait désormais pourquoi les Nations ne voulaient pas accepter les Juifs parmi elles. Les Juifs leur ôtaient tout repos. Ils leur rappelaient que l’homme devait se surveiller sans trêve pour ne pas trébucher. Au contact des Juifs, on comprenait que la Bible n’était pas un livre parmi d’autres, mais un joug quotidien. Tant qu’il y a des Juifs, Dieu n’est pas momifié entre les vieilles pages. Il est le gardien de l’homme.

(…)

Il se demanda s’il ne devrait pas essayer d’écrire l’histoire des Juifs : les Juifs qui allèrent parmi les Nations, comme témoins de l’existence de Dieu sur terre. Ils ne veulent plus de ces témoins. C’est pourquoi ils cherchent à les anéantir.

Mais aussitôt, il se dit que le témoin devait demeurer pour l’éternité. Sans témoin, la Création perdait son futur. En nous exterminant, ils s’exterminent eux-mêmes. Le miracle de notre survie est aussi leur miracle à eux.

(…)

La différence entre les Juifs et les Nations est peut-être encore plus grande : tandis que les Nations vivent toujours dans le présent, au jour le jour, coupées de leur passé et de leur futur, nous, nous vivons avec Dieu, chaque jour dans le temps de l’Histoire. Les événements de chaque instant sont pour nous les maillons d’une chaîne qui commence dans un passé immémorial, et se terminera le Jour des Jours. Les Juifs sont le peuple du monde. Un peuple qui trace son chemin dans l’Histoire. Les secousses de l’Histoire résonnent dans chaque battement de notre coeur, de notre enfance à notre disparition, du moment où nous confions notre maillon de la chaîne à la génération suivante, à nos enfants.” (Cursief is van mij)

Volgens mij is dit alles de werkelijke kern van het boek, en die is duidelijk op de eerste plaats van religieuze aard, daar wijzen sommige kleine details al op: of ‘geschiedenis’ met een hoofdletter geschreven wordt (gebeurt heel vaak, zie ook pp. 573, 775, 826 en partim) of niet. Het is maar één van de vele aspecten van deze roman, die breder bestudeerd kunnen worden. Temeer daar ook het schrijven zelf daarmee samenhangt. Zoals in het vorige wordt nl. ook in dit hoofdstuk het eigen werk, i.c. onderhavige roman zelf gethematiseerd.

Dat is uiteraard een procedé dat in het modernisme heel veel voorkomt, soms op een erg plezierige manier (zoals in Niebla van Miguel de Unamuno, waarin de hoofdpersoon twijfelt of hij nou zelfmoord zal plegen of niet, en ten einde raad maar bij de schrijver gaat aankloppen voor raad); soms op een zeer ernstige manier (bv. in het hoofdwerk van Louis-Paul Boon, waar die vraagstelling bijna existentiële vormen aanneemt). Zo vind je ook andere vormen van modernistische romanschriftuur terug in A pas aveugles de par le monde, maar het valt op dat geen enkele techniek systematisch gebruikt wordt: de schrijver varieert zeer sterk, wat bij een roman zonder plot wel een beetje aangewezen is, lijkt me. Anders kan de verveling alras toeslaan. Wat mij betreft gebeurt dat in dit boek nooit. Maar ik ben allicht geen doorsneelezer.

In deze zelfreflecterende bladzijden zegt de auteur ook expliciet waarom hij bepaalde keuzes heeft gemaakt, bv. over het Jiddisch als schrijftaal:

“Il saisit le sens de son écriture dans la langue yiddish abolie. Il fixe ainsi leur existence disparue en même temps que leur dernier cri. Il ne leur donne pas des mots pour découvrir leurs mystères, ce sont les linceuls dans lesquels il ensevelit leurs vie qui n’ont pas encore reçu de sépulture selon le rite d’Israël.” (p. 673)

Een prachtig beeld, vind ik, dit laatste. (Overigens het gebruik van het woord ‘Israël’ in deze passage duidt niet de staat van die naam aan, maar wel de geloofsgemeenschap van de joden – een beetje zoals de Oemma in de islam – zoals dat vóór 1948, toen die staat ontstond, altijd het geval was.) Nou valt het met dat Jiddisch nog wel mee: hier in Antwerpen wordt het nog dagelijks gesproken, en elders in de wereld evenzeer. Ook literatuur in die taal zal nog wel bestaan (op Singer heb ik al gewezen) en ik geloof zelfs dat er aan bepaalde Duitse universiteiten opnieuw leergangen Jiddisch worden georganiseerd (maar die bestaan natuurlijk al veel langer voor Latijn en Grieks). Verder over de taal en de mensen:

“Il dialoguait avec la langue. Il la prenait avec amour, n’en faisant qu’une avec les assassinés des Plaines. Il entendait en lui leurs halètements, sentait sur sa peau leur haleine, puis il mourait parfois avec eux. Leur mélodie l’éveillait de nouveau. Ils l’acceuillaient dans leur corps, dans ses recoins les plus cachés. Ils se faisaient femme et se donnaient à lui.

(…)

Si tout venait à s’effondrer, à se fissurer, que les générations futures trouvent ces pages, les dernières.” (pp.673-675)

Tenslotte komt in dit hoofdstuk nog een laatste belangrijk thema voor, dat later even terug wordt opgenomen, dan weer in direct verband met het boek. Het thema sluit aan bij sommige vorige hoofdstukken, met name met die twee waarin sprake is van een proces, waarin gezocht wordt naar de zin van de gebeurtenissen (een eufemisme dat ook door de auteur zelf gebruikt wordt, ook ‘les Plaines’ waar die gebeurtenissen zich hebben afgespeeld kan als een eufemisme beschouwd worden – én als een metafoor uiteraard). Persoonlijk vind ik de consequenties van deze passages eigenlijk vreselijk, omdat ze die gebeurtenissen aanvaarden en aanvaardbaar maken. Maar wellicht kan het niet anders. Een eerste voorbeeld:

“Et soudain, il éprouva un sentiment de gratitude et de grâce d’avoir assisté à tout cela. C’était un privilège incommensurable d’être né avant, de connaître cette ère inouïe, de regarder Dieu dans ses actes insensés. Plus tard, il aurait été trop tard. Il n’aurait pas connu la quitessence divine.” (p.699)

En:

“S. joignait sa voix aux autres; il acceptait le joug, comme tous, le joug du règne de Son Nom, le joug du Dieu juif.” (p.824)

Of dit, een soort variant op het Stockholm-syndroom zou je kunnen zeggen, het definitieve antwoord is blijft in het midden. Iedereen weet ondertussen wel dat een schrijver nooit samenvalt met een of meerdere van zijn personages, ja dat zelfs onderscheid gemaakt moet worden tussen een schrijver en de burger die hij ook is, los van zijn gebeurlijke personages. Die uitspraken kunnen dus niet op het konto van de schrijver geplaatst worden, zelfs niet op dat van het personage S., want daarvan wordt verderop in het boek expliciet gezegd dat hij twijfelt, dat hij uiteindelijk iets anders als resultaat krijgt dan hij wou: “S. se rendit compte qu’au lieu d’écrire un livre d’Histoire sur son peuple, il était en train d’écrire un livre sur lui-même. Il est détourné par sa propre douleur et les doutes qui se sont abattus sur lui.” (p.840 – cursief van mij) Vandaar ook dat hij letterlijk en figuurlijk amper nog iets kan doen buiten ijsberen: “Il se leva brusquement. Il faisait les cent pas, il marchait entre la nuit et le jour.” (p.841)

Die laatste constituent duidt ook al een beetje aan waar het boek uiteindelijk mee zal eindigen. Dit zesde hoofdstuk kan beschouwd worden als een langzame opgang naar een onzeker licht, maar de overlevende blijft heen en weer geslingerd tussen de duisternis waarin hij terechtkwam en het schaarse licht waarnaar hij op zoek is. Op het einde van het boek zal er nog een ander (mogelijk of zeker?) antwoord geformuleerd worden, maar ook dat zal in een eerder religieuze context geplaatst worden (of: politiek-religieuze context, weer zoals in de islam).

Maar eerst komt er nog een hoofdstuk zeven, dat ditmaal niet naar een bestaande stad genoemd is, maar ‘La ville des délires’ heet. Het is terzelfdertijd het kortste hoofdstuk van het hele boek, op het allerlaatste na. Het is weer een overgangshoofdstukje, zoals voorheen het derde, dat in Lausanne speelde.

Ook hier weer is het verband met de rest van het boek onduidelijk, zeker aan de oppervlakte: we hebben te maken met een man die bloemen bestelt en erop staat dat het meisje ze persoonlijk zal brengen. Enkel een zinnetje aan het begin van het hoofdstuk legt een direct verband: “Combien de temps c’est écoulé depuis que nous avons été exterminés? “(p. 735) Het klinkt bijna alsof die uitroeiing een feit is en degene die aan het woord is, een ‘revenant’ is, een dolende verdwaalde ziel op zoek naar rust. De ik kan ook inderdaad zo beschouwd worden: “De petits vers rampent sur moi et piquent mon corps nu sous l’armure d’acier, comme jadis dans ma coque de plâtre.” (p. 738). Daarna volgen enkele bladzijden die duidelijk in een veel poëtischer stijl geschreven zijn; de paragrafen zijn zeer kort, niet meer dan een zin vaak, en het geheel is zeer poëtisch, op een bijbelse manier, meer bepaald doen ze denken aan de klaagzangen van Jeremias. Maar ze drukken meer uit dan enkel klachten: ook de angst is er weer (‘il me faut m’enfuir’), en hij is soms een bewaker soms een bewaakte, en hij bevindt zich in een strijdwagen. Het geheel bestaat dus weer uit een mengeling van werkelijkheid en nachtmerrieachtige dromen. Zo brengt ook het bloemenmeisje de bloemen en speelt piano, wat een eerder idyllische indruk maakt, maar haar vader blijkt dan zijn bewaker geweest te zijn.

Zo is ook hier het verband dus wel duidelijk, maar zoals eerder is het een thematisch verband, niet een op het gebied van de plot (die er niet is) of het verhaal. Op het einde van het hoofdstuk vertrekt hij met de strijdwagen.

Die onherroepelijk doet denken aan Rome en de Romeinse tijd. En het voorlaatste hoofdstuk speelt zich dan ook af in Rome, en heet ook zo. Dat kan vreemd lijken in dezelfde zin als het gebruik van het christelijke motief van de wandelende jood. Rome wordt immers vooral zo al niet uitsluitend geassocieerd met het christendom in zijn katholieke versie. Maar datzelfde christendom is natuurlijk wel rechtstreeks uit het jodendom voortgekomen (zie de discussies over besnijdenis in de brieven van Paulus en in Handelingen); en de catacomben bv. worden als een van de kenmerkendste christelijke verschijnselen in Rome gezien. Maar er waren ook joodse catacomben die, als ik me niet vergis, eveneens bezocht kunnen worden.

Joodse Catacomben in Rome

Waarom Rome gekozen werd als laatste stad in de roman zegt de auteur zelf helemaal op het einde ervan. Daarin komt ook een zeer scherpe tegenstelling tot uiting tussen ‘hen’ en ‘wij’: ‘wij’ zijn de joden, ‘zij’ (of ‘hen’) vooreerst de Romeinen maar dan ook de christenen, zeg maar kortom: de gojim, ook al wordt dit woord hier niet gebruikt:

“Il regardait cette masse qui fourmillait dans les rues de la ville et se disait que les Nations, dans leurs Etats, ont le privilège de rester d’éternels enfants, de détruire, d’anéantir et de rester innocentes. Nous, nous portons le joug de la mémoire, nous souvenant de tous nos actes, accomplis et non accomplis. Le sourire d’enfant nous a été ôté. C’était d’ici qu’ils avaient envoyé leurs légions en Judée. Ils nous ont vaincus et, captifs, nous ont amenés ici. Ce n’était pas nous qui étions venus les assiéger dans leur ville. Ce n’était pas nous qui gardions prisonnier leur Messie. C’était eux qui gardaient notre Messie enchaîné depuis deux mille ans ici.” (pp. 845-846)

In het licht van politieke gebeurtenissen van vandaag de dag is dat wel een beetje een verbijsterende uitspraak. Waarvan ik me afvraag in hoeverre die overeenkomt met de mening van Rochman zelf. Het blijft natuurlijk een roman, en dus valt een figuur daarin nooit samen met de auteur van het boek, zelfs niet als deze laatste dat zou beweren. Het wij-zij-denken dat ook in deze passage voorkomt, wordt vandaag de dag langs alle kanten aangevallen. Nochtans is in bepaalde politieke en historische omstandigheden een dergelijk denken vanzelfsprekend en zelfs nodig. Maar vooral de redenering in de laatste zinnetjes is opvallend: het is nl. mutatis mutandis exact die rechtvaardiging die ook vele islamitische zelfmoordenaars en moordenaars hier in het westen voor hun daden geven.

Deze overweging wordt gemaakt nadat S. en een nieuwe figuur, Reizl (naam die evenwel wonderwel trekt op de al bekende Leibl) uit de catacomben ontsnapt zijn (p. 844). Een heel groot deel van dit hoofdstuk speelt zich inderdaad af in de catacomben, en dat moet mijns inziens zowel metaforisch als psychologisch geduid worden, maar zeker niet letterlijk. In het oude Romeinse rijk werd in de catacomben geleefd, gestorven en begraven door mensen die vervolgd werden; en gelet op de gebeurtenissen spreekt het vanzelf dat de joden in Europa zich vervolgd voelen, veel meer nog dan vroeger het geval was. Heel de volksnationalistische beweging die het zionisme is, komt uit dat gevoel van vervolging voort, toentertijd, op het einde van de negentiende eeuw vooral in Rusland met z’n pogroms. Het is moeilijk aan die vervolgingsangst, aan die catacomben in de geest te ontsnappen; ja, het gebeurt zelfs dat sommigen “creusent des tunnels pour retourner dans les Plaines.” (p. 768)

Een tweede opvallende gebeurtenis in Rome – en die eveneens metaforisch geduid moet worden – is het afschieten van duiven op een bepaald ogenblik van het jaar. Maar dat gebeurde ook letterlijk, tot ergens in de jaren vijftig (de sport die ‘kleiduifschieten’ heet is daarvan afgeleid). Het spreekt vanzelf dat de vervolgden zich met die duiven zullen identificeren en nog meer geneigd zullen zijn zich af te zonderen en te verbergen. De vervolging is a.h.w. in Rome begonnen onder Vespasianus en vooral zijn zoon Titus; in Rome is nog steeds de triomfboog van Titus aanwezig, met daarop onder meer scènes uit de  belegering en onderwerping van Jeruzalem, mét de vernietiging van de tempel in 70. Het is een doorn in het oog van de protagonisten van de roman en er wordt zelfs gesuggereerd de zuil op te blazen. Maar ook de andere vervolgers, de hedendaagsen vind je in Rome terug:

“En ces jours, les touristes affluaient à Rome – touristes du Nord, des vallées rhénanes, de Bavière, de Prusse et d’Autriche. Depuis longtemps déjà, les gardiens des Plaines avaient quitté leur uniforme. (…) Lorsqu’on les questionnait sur les Plaines de la mort qu’ils avaient établies pour arracher les âmes des hommes, ils ne répondaient pas. Ils étaient fatigués de leur labeur quotidien. Il n’était plus temps d’y penser. La paix régnait depuis longtemps. Le monde allait de l’avant. Les portes entre les pays d’Europe étaient grandes ouvertes. Les frontières étaient ouvertes. Les peuples avaient rappelé leurs acteurs et avaient exigé des théâtres. On y montra l’homme marchant à pas aveugles de par le monde.” (p. 842 – vet van mij)

Zo is ook de titel nog eens verklaard (een eerste keer gebeurde dat op pagina 441), maar wat vooral opvalt is de directheid waarmee de daders genoemd worden: het zijn Duitsers. En de schrijver gaat verder, sarcastisch deze keer:

“Les poètes de Hesse, de Silésie, de Saxe, entonnaient de nouveaux chants à la mélancolie de leurs routes au crépuscules. La nuit, leur sommeil était léger et paisible. Les Plaines s’éloignaient. Elles ne hantaient même pas leurs rêves.”

Om dan voor het eerst zeer direct te vervolgen:

“Et moi, l’écrivain de ces lignes, je voyais les Académies d’Europe attribuer les prix les plus prestigieux à leurs poètes, leurs penseurs, leurs compositeurs et leurs peintres.” (p.843 – cursief van mij)

Wellicht klinkt hier ook een beetje persoonlijke verbittering in door. Temeer daar die schrijver in dit hoofdstuk ook gewag maakt van wat negationisme is, de verloochening van de judeocide, of de bewering dat het hun eigen schuld is: “Ils disent que les Plaines de la mort sont une invention pure et simple. Ils n’y étaient pas. La preuve, ils sonts vivants.” (p.789) Ook hier kun je aan Paul Celan denken, die waarschijnlijk aan vervolgingsgedachten gestorven is – onrechtstreeks dan, want van gedachten ga je uiteraard niet dood. Maar ze kunnen wel helpen.

In dit hoofdstuk treden ook bij tijd en wijle ‘Eveilleurs’ op – een soort profeten of wachters, waarop verder niet diep wordt ingegaan. Maar het zijn wel zij die de kern van het zionisme uitspreken: de staat die vandaag de dag bestaat onder de naam van een volledige geloofsgemeenschap (en waarvan, dat voeg ik eraan toe, de helft of meer niet bij die staat hoort of wil horen): “Nous allons libérer le pays de nos ancêtres” (p.807), zo heet het. Want daar is blijkbaar de kern van het jodendom te zoeken: “Ils ne savent pas que nous portons en nous l’esprit divin qui nous garde toujours jeune. Notre essence ne change pas. Elle vient du mont Sinaï.” (p. 807 – cursief van mij).

Wat ik zo-even cursiveerde is de kern van elk volksnationalisme, zowel dat van de islamo-nazi Erdogan, als van de ‘democraat’ de Wever, als van het nazisme en het zionisme. Uit dat essentie-denken worden dan in de politiek vaak de meest weerzinwekkende dingen afgeleid.

Maar nogmaals: figuren in een roman zijn niet noodzakelijkerwijze de spreekbuis van hun auteur. En zelfs als het wel zo is, dan zegt dat uiteraard nog helemaal niets over de kwaliteit van die roman. Maar wat in elk geval opvalt, is de directheid waarmee in dit hoofdstuk politieke motieven aangesneden worden. Dat past uiteraard volkomen in het geheel van de roman, die bij uitstek ook een politieke roman is, maar dan eerder in overdrachtelijke zin, als bekommernis om de wereld, de mensheid, de polis kortom. Het zijn de actuele en rechtstreekse politieke uitspraken die opvallen in dit hoofdstuk, omdat ze in de vorige hoofdstukken veel minder, of zelfs helemaal niet voorkwamen.

Welnu, het negende en allerlaatste hoofdstuk, weer zeer kort, als een soort coda eigenlijk van het geheel, is nog duidelijker en directer, want dit hoofdstuk is een loflied op de kern van het zionisme (het streven naar een joodse staat) en de verwezenlijking ervan. Maar daartoe wordt even nog terug gegrepen naar het oude Rome: “Judée est tombée./Ils sont encerclés./D’ici, ils ne sortiront plus./Les restes des insurgés ont été amenés à Rome pour être exterminés.” (p. 849). Waarna het lange wachten begint: “Ils attendent./Ils attendent ainsi depuis l’an 73. Et les Romains, dehors, attendent. Nous sommes en l’an 1948. Cela fait 1875 ans qu’ils attendent.” (p. 849-850)

Duidelijker kan het wel niet, want 1948 is natuurlijk het jaar waarin de vermeende Judenstaat van Herzl gesticht werd. De volgende bladzijden zijn dan een evocatie van de zgn. ‘wet op de terugkeer’ die stelt dat elke jood waar ook ter wereld die staat als zijn vaderland mag beschouwen en ernaar terug kan keren. Ook de overledenen.

Wanneer je dit boek (en andere over hetzelfde thema) gelezen hebt, dan begrijp je natuurlijk beter wat de zionisten bezielt, zeker na de laatste wereldoorlog. Maar dat belet mij niet van er afstand van te nemen en te blijven nemen. De lectuur van de grote roman van Rebatet heeft van mij geen fascist gemaakt, maar heeft er wel voor gezorgd dat ik de psyche van zo iemand beter doorgrond; en Boons grote roman heeft net zomin een nihilist van mij gemaakt; waarschijnlijk was ik dat al, alleen wist ik het nog niet.

1948 en de oprichting van de jodenstaat betekent voor mij éen ding: het definitieve en officiële einde van het tijdperk waarin joden (enkel) slachtoffers waren. Voortaan zouden ze ook daders zijn. Waarmee terzelfdertijd het ultieme bewijs geleverd was dat ze in niets, maar dan ook in helemaal niets verschillen van andere mensen – in welke onzin die ook mogen geloven.

En daarmee heb ik ook gezegd dat ik de politieke ultima ratio van dit boek verwerp. Maar dat betekent eigenlijk niets, want dat doe ik met vele, vele boeken. Literariteit heeft geen uitstaans met politiek, of, in het algemeen, met het onderwerp van een stuk literatuur, maar wel met de uitwerking ervan, de manier waarop het verwoord wordt. En wat dat betreft heeft Leïb Rochman gewoon een meesterwerk geschreven.

000

Dit stuk is al veel langer geworden dan de doorsneestukken die ik hier schrijf. En toch heb ik de indruk dat ik amper iets gezegd heb over dit boek, dat ik thema’s en motieven slechts heel even heb kunnen aanraken. En dat is ook zo. Het boek is zo rijk dat je alle aspecten die ik heb vermeld kunt uitdiepen; zoals bij andere meesterwerken uit de romanliteratuur (Musil, Joyce…) vergt dit boek, wanneer je het helemaal wil doorgronden een voortgezette studie. Nemen we alleen maar het joodse karakter, de verwijzingen naar het judaïsme en de joodse geschiedenis: daarover alleen al zou je een artikel kunnen schrijven dat veel langer zou zijn dan dit. Of neem het stilistische aspect, waarover ik eigenlijk zeer weinig heb gezegd. Ik heb de indruk dat de auteur tot op het microniveau weet wat hij schrijft, dat tot en met de kleinste beelden en uitspraken vaak dubbele betekenissen hebben én in verband staan met de basisthematiek. Zoiets vergt natuurlijk een doorgedreven stilistische studie.

Er is nog een reden waarom ik dat niet kan. Nemen we de titel van het laatste hoofdstuk, ‘Le jour du dénombrement’. In dat laatste woord zitten zowel ‘nom’ als ‘nombre’ verborgen, twee van de belangrijkste sleutelbegrippen in de joodse mystiek, met name de kabbalah. Mààr: waren die verwijzingen er ook in de oorspronkelijke versie? Want laten we niet vergeten dat ik een vertaling gelezen heb. En zodoende kan dat doodgewoon toeval zijn, in die zin dat de vertaling dan voor een keer een beetje meer zou zeggen dan het origineel. Ik ken geen Jiddisch, en wanneer bij gedichten bv. de tekst in ons alfabet afgedrukt wordt (waarom men voor een Germaanse taal het Hebreeuwse aleph-beth gebruikt, begrijp ik niet; ik vind het even onzinnig als het gebruik van Arabische schrifttekens voor een indogermaanse taal als het Farsi) mét uiteraard een vertaling erbij, dan kan ik het wel lezen. Maar hele romans is voor mij ondoenbaar.

Dat stelt uiteraard een probleem. De auteur heeft uitdrukkelijk voor het Jiddisch gekozen, dat blijkt uit de tekst (ik heb een betreffende passage geciteerd) en het gaat dus niet op dat te betreuren. Het heeft wel gevolgen natuurlijk: door die taal te kiezen, kies je eigenlijk als lezers een kleine religieuze minderheid uit, waarvan men zich kan afvragen hoevelen zo’n moeilijk en rijk boek effectief zullen lezen. En buiten die kleine kring zullen er niet echt veel mensen zijn die het Jiddisch voldoende beheersen om dit boek goed te kunnen lezen. Toch maar: ik vind dat jammer.

Ook de zeer sterke cohesie van het geheel moet nader onderzocht worden; die is uiteraard vooral thematisch, waarbij de vernietiging van de joden en de gevolgen daarvan het vanzelfsprekende hoofdthema is. Maar daarbinnen komen andere, ondergeschikte thema’s voor, maar die wel nauw samenhangen met het hoofdthema. En het geheel wordt dan geschraagd door een hele rist motieven die binnen die thema’s optreden en het hele boek door terugkomen, soms bijna als leitmotieven. Dat alles is trouwens sterk verweven met de stilistische middelen; zo zou het optreden van verschuivingen en overgangen (van werkelijkheid naar nachtmerrie en terug bv.) bestudeerd kunnen worden.

Kortom: zoals alle boeken die ik in een vorige bijdrage in een lijstje heb opgesomd, kan ook dit aanleiding worden tot grondige, diepgravende studies over alle opgesomde en niet opgesomde vlakken. En er kunnen uiteraard ook vergelijkingen worden gemaakt. Maar één zaak is zeker: A pas aveugles de par le monde behoort tot dat kleine kransje van bijna absolute meesterwerken in de twintigste-eeuwse romanliteratuur, en het wordt wellicht tijd dat iemand dat gaat inzien.

Ook in Nederland bv. dat meestal toch van zo’n enorm schuldgevoel blijkt geeft als het over joden gaat. En terecht wellicht, want nergens werden er procentueel zoveel weggevoerd als daar – behalve in Polen dan, maar dat is vanouds nog katholieker dan de paus. Zou echt geen enkele Nederlandse uitgever het bestaan van dit boek kennen? En opdracht kunnen en/of willen geven om het te vertalen? Dan wordt het verdomme wel tijd. Op één na zijn immers alle in voornoemd lijstje opgesomde boeken al in het Nederlands vertaald.

Werk aan de winkel dus. Hoe schuldig ze zich ook (nog) mogen voelen, een reden om maar vlug Jiddisch te leren is dat niet. Maar uitgevers moeten toch vertalers uit het Jiddisch kennen? Of zou die taal al zo zeer in onbruik zijn geraakt, dat in heel Nederland niemand ze nog beheerst? Lijkt me onwaarschijnlijk.

Maar misschien zou het gemakkelijker zijn te beginnen met een vertaling van Le Déluge, het derde boek van Rochman, zoals gezegd een verhalenbundel. Wellicht is die toegankelijker dan deze grote roman, en kan de vertaling van die bundel als een soort aperitief dienen; de hoofdschotel, zijnde A pas aveugles de par le monde volgt dan naderhand. De verhalenbundel is even goed als de roman, maar uiteraard beknopter en synthetischer. En het werk van Rochman is zo belangrijk dat mijns inziens enkel een grote uitgever in aanmerking kan komen om hem te vertalen en uit te geven. Niet dat ik iets tegen kleine uitgevers (ik denk bv. aan Vassalluci, als die nog bestaat, of aan Amphora) heb, integendeel; maar hier hebben we echt met wereldliteratuur te maken van een niveau dat enkel te vergelijken valt met de namen die ik in de loop van mijn opstel genoemd heb. En dan komen enkel de grote uitgevers in aanmerking.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


een × 4 =