25.06.17 -Volker Braun

| Geen reacties

Samen met Peter Hacks en Heiner Müller kun je Volker Braun beschouwen als een opvolger van Bertolt Brecht. Zoals de twee anderen heeft hij vooral voor het theater gewerkt, en zoals de twee anderen is hij links en progressief gebleven. Dat geldt natuurlijk voor de een al wat meer dan voor de ander, maar grosso modo klopt het wel. Alle drie komen ze bv. uit de DDR, en ze hebben dat nooit verloochend en hebben nooit meegedaan met de DDR-bashing in de Nazinachfolgestaat BRD. En toch waren ze alle drie ook in de DDR zelf al lastposten, die het regelmatig aan de stok kregen met het regime.

Dat spreekt allemaal voor hen. Vanzelfsprekend.

Alle drie waren c.q. zijn ze ook dichters, ook al is hun lyrisch oeuvre het smalste deel binnen hun werk. Maar wellicht wel het belangrijkste ook. Van Peter Hacks, die al vele jaren overleden is, verschenen al lang geleden Die Gedichte. En ook van Heiner Müller zijn enkele jaren geleden al verzamelde gedichten verschenen in een wetenschappelijke editie. Ook hij is al ettelijke jaren dood, nog in het vorige millennium zelfs.

Volker Braun leeft nog; hij is ongeveer tien jaar jonger dan zijn beide kompanen. En hij publiceert nog, ook gedichten, alhoewel dat er niet veel zijn. Zijn recentste bundel is Handbibliothek der Unbehausten, neue Gedichte (Suhrkamp Verlag, Berlin, 2016); de vorige bundel ligt alweer tien jaar achter ons.

De bundel bevat vier (of vijf) afdelingen, waarin het persoonlijke weliswaar niet afwezig is, maar toch weinig naar voren komt in vergelijking met de actualiteit. De oorzaak daarvan is wellicht al af te lezen aan het eerste korte gedicht, dat ‘Bestimmung’ heet:

“Ja, mein Sehnen geht ins Ferne
Wo ich heitre Dinge treibe.
Doch bestimmen mich die Sterne
Dass ich fest am Boden bleibe.
Und so gern ich mich erhebe
Zieht mich eine Last nach unten
Eingenäht in mein Gewebe
Hat sie ihren Ort gefunden.” (p.7)

Het is de aloude kloof tussen ideaal en werkelijkheid die hier als het ware opgeroepen wordt. Bij Schiller komt die al expliciet voor, en waarschijnlijk ook al voor hem. Bij Braun slaat de tegenstelling vooral op het politieke, zo dunkt me. Dat blijkt bv. uit twee nogal dubbelzinnige Chinagedichten. De dichter kwam meerdere malen in China naar aanleiding van literaire symposia e.d.m. Maar hij zal ook de politieke situatie aldaar en de discussies omtrent de aard van het regime wel volgen. Het eerste gedicht eindigt aldus:

“Im Teehaus sitz ich, blickend in die Menge.
Der Zugang kurvenreich: und das Gedränge!
Der Wahre Weg, ihr geht ihn, Söhne Maos;
Die grosse Ordnung und das grosse Chaos.” (p. 14)

Het dubbelzinnige zit vooreerst in de hoofdletter aan ‘Wahre’. Die wijst nl. op een zekere ironie, om niet te zeggen sarcasme. Daar komt dan nog het laatste vers bij, waarin twee elkaar normaal gezien uitsluitende begrippen bij elkaar worden gezet. Ik moest daarbij denken aan een boek over hogere wiskunde dat ik recent even zag en dat heette: From Calculus to Chaos: An Introduction to Dynamics. Natuurlijk is dat puur toeval, de kans dat Braun dat boek in gedachten had is zo goed als nihil.  Maar het wijst er wel op dat de combinatie van orde en chaos helemaal zo vreemd niet is. Ook in een geordende economie treedt nu en dan chaos op, het is enkel wanneer de orde, de planning zo strikt en stringent en allesoverheersend wordt, dat er echte chaos kan ontstaan zoals bij het verdwijnen van de Sovjet-Unie. Beide begrippen vormen een dialectische eenheid in klassiek marxistisch-hegeliaanse zin.

Daar komt nog bij dat wanneer je het gedicht voorleest, je ook het volgende kunt horen: ‘der Ware Weg’. Hetgeen dan mogelijk kritiek inhoudt op de gevolgde ‘ware weg’. En hier moet ik dan even aan Stalin denken, die in het begin van de jaren vijftig een boekje publiceerde over de economische problemen van de USSR, en met name over de waardewet i.v.m. productie van waren in die socialistische economie. Daarover werd (en wordt) in communistische milieus erg gediscussieerd. Het is goed mogelijk dat we hier een echo .van opvangen, temeer daar in het volgend, lange gedicht, dat niet zonder reden ‘Chimerika’ (pp. 15-17) heet, die ‘ware’ weg toch wel iets duidelijker op de korrel wordt genomen – voor zover dat in een gedicht mogelijk is natuurlijk. Zo zijn daar bv. de ‘Sonderwirtschaftszonen’, waarin ‘Die Dialektik fickt die Logik, ungezügelt’.

Zo is dat, zou je kunnen zeggen.

Maar wellicht zijn er ook andere mogelijkheden.

De tweede afdeling begint met een mooi prozagedicht, dat ‘Steinbrech’ heet:

“Wovon nährt sich dieses demütige Kraut. Welches karge Mehl aus Tau malmt es beharrlich. Aus beinahe nichts sintert es sein festes Grün. Es kost den Felsen und überwächst ihn mit hartem Fleisch. Stetig, strotzend dürftig kämpft es ums Leben und darbt wie Hoffnung, und dorrt. Und öffnet den Stein.” (p. 31)

Het ontbreken van vraagtekens na de eerste twee zinnen wijst erop dat het eerder uitroepen van verwondering zijn dan wel echte vragen. En het ongebruikelijke werkwoord ‘sintern’, dat eigenlijk niet past bij een natuurlijk gebeuren, omdat het enkel gebruikt wordt i.v.m. het bakken van disparate en eigenlijk niet versmeltbare elementen, die door die verwarming toch gaan samenklitten, duidt op een vreemd procedé. O.a. porselein wordt op die manier gemaakt. Maar het hele, korte gedichtje is natuurlijk een ‘objective correlativ’ in de zin van Eliot; m.a.w.: eigenlijk gaat het helemaal niet om dat plantje, maar om een maatschappelijk proces, dat soms ‘revolutie’ genoemd wordt, en daarmee is dan een langdurig proces bedoeld, dat uiteindelijk uitmondt in fundamentele maatschappelijke veranderingen (in tegenstelling met een ‘revolte’ bv. die eerder een kortdurend proces is, een plotselinge eruptie die even snel weer in elkaar zakt als de spreekwoordelijke soufflé).

De idee achter dit korte gedichtje komt volledig overeen met een van de ideeën uit een van de bekendste en mooiste gedichten van Brecht zelf, nl. de „Legende von der Entstehung des Buches Tao Te King auf dem Weg des Laotse in die Emigration“, alleen gaat het daar over water (het cursief is van mij):

 4
“Doch am vierten Tag im Felsgesteine
Hat ein Zöllner ihm den Weg verwehrt:
„Kostbarkeiten zu verzollen?“ – „Keine.“
Und der Knabe, der den Ochsen führte, sprach: “Er hat gelehrt.“
Und so war auch das erklärt.

5
Doch der Mann in einer heitren Regung
Fragte noch: „Hat er was rausgekriegt?“
Sprach der Knabe: „Daß das weiche Wasser in Bewegung
Mit der Zeit den harten Stein besiegt.
Du verstehst, das Harte unterliegt.“

6
Daß er nicht das letzte Tageslicht verlöre
Trieb der Knabe nun den Ochsen an
Und die drei verschwanden schon um eine schwarze Föhre
Da kam plötzlich Fahrt in unsern Mann
Und er schrie: „He, du! Halt an!

7
Was ist das mit diesem Wasser, Alter?“
Hielt der Alte: „Interessiert es dich?“
Sprach der Mann: „Ich bin nur Zollverwalter
Doch wer wen besiegt, das interessiert auch mich.
Wenn du’s weißt, dann sprich!”

Zelfs in de eerste afdeling kan Brecht heel in de verte aanwezig zijn geweest; hij ging er immers vanuit dat het de tweede keer, in China, beter zou lukken dan de eerste keer, in de Sovjet-Unie. Misschien heeft hij wel gelijk gehad.

Ook verder in de bundel is Brecht trouwens manifest aanwezig, zeker in de laatste afdeling, ‘Anhang: Zeitgeist 2’, waarin sommige gedichten door hun titel alleen al direct naar Brecht verwijzen (‘Inbesitznahme der grossen Rolltreppe durch die Medelliner Slumbewohner am 27. Dezember 2011’) zonder een parodie te zijn, enkel een min of meer ironische pastiche; maar in die afdeling is het vooral de stijl die zeer Brechtiaans aandoet, het is de vrij-ritmische stijl die Brecht toepaste in zijn Svendborger Gedichte, met name in de afdeling ‘Chroniken’ daarin.

Eén keer wordt hij ook met name genoemd, samen met een hele reeks anderen overigens in een humoristische scène, die eerst in een grootwarenhuis speelt:

Unbelehrt von Zeit und Züchtigungen
Ich hatte ja den Glauben nicht gefunden
Im Kaufhaus, wo es nichts gab was es nicht gab
Wers glaubt wird selig ! “Ward je einer frei hier
Durch fremde oder eigne Leistung? Nein.”
Nicht bremsten wir, so quasselnd, unsre Schritte
Und lachend kurvten wir durch al die Schatten
Brecht und Eisler, Cremer, Busch
Und Heise, Bloch sowie sein Schüler Teller
Bahro und Biermann (als er jung gewesen)
Und Fühmann, Dresen, die ernst grinsend grüssten.” (pp. 36-37)

Overigens is heel deze tweede afdeling van een sterke maatschappijkritische geest vervuld, ook al wordt dat zoals daarnet nooit op een pamflettaire wijze verwoord, maar steeds afstandelijk en van licht tot scherp spottend (zoals met Biermann daarnet). Er wordt zo verwezen naar ‘Chichen Itza’ (p.40), waar het ‘fukuyamisch’ toegaat, en in een ander gedicht wordt een regengod (oder war es ein Ölgötze) gelijkgesteld met de ‘GROSSEN PINKLER samt seinen kollateralen Bewandtnissen’ (p. 41), waarmee natuurlijk Bush bedoeld wordt.

Een mooi en aansprekend voorbeeld van Brauns maatschappijkritiek is het gedicht ‘Die Leguane’, waarin de twee strofen ogenschijnlijk totaal los van elkaar staan, maar het aan de lezer is om het (toch wel voor de hand liggende) verband te leggen:

“Sie liegen lässig in den grauen Trümmern
Der Tempelreste, welche sie nicht kümmern.
Während nur ab und zu ein Auge klappt!
Steingrau der Leib und kantig wie die Steine
So stemmt sich das auf seine flinken Beine
Zu dem Geschäft, das nach den Mücken schnappt.

Wir Leguane, kommende Geschlechter
Gelagert in den mürben Kassenhallen
Wir sehn die Banken stumm zusammenfallen.
Nicht einmal Zorn, nicht einmal ein Gelächter.
Was ist die Zeit, die Macht? sie ist vermodert
Während des neuen Tages Sonne lodert.” (p. 48)

Of: alleen wij leguanen zullen uiteindelijk overblijven. Of dat als een positief of negatief statement gezien moet worden blijkt niet echt.

De derde afdeling heet ‘La traboule’, en dat zijn in Lyon de gangen en steegjes, die meermaals door de huizen in het centrum van die stad heenlopen, dus niet enkel ertussen. De hele afdeling bevat reisgedichten, impressies over plaatsen waar de dichter geweest is (buiten de plekken die al eerder genoemd werden, al dan niet i.v.m. reizen). Laat me één voorbeeld geven, dat echter niet typisch is voor de hele reeks; ik kies het uit wegens het humoristische aspect dat zo duidelijk zelden voorkomt in Brauns poëzie:

“DER NACKTSTRAND

Glutlasten auf dem Nacken! fettgecremt
Im übrigen naturbelassen
Bräunt sich das samt zu allgemeinen Rassen
Im Landstrich, wo man sich nicht schämt.
Hier herrscht die Gleichheit in Gestalt der Blöse.
Ihr Zeichen Schwanz entweder oder Möse.
Doch nur die Schönheit ist ganz frei lebendig
Mein kleines Ding die reinen Qualen leidet
Denn wie beim Pferd logiert es innewendig.
Im Paradies, gewiss, geht man nicht unbekleidet.”

(Vitte, Hiddensee) (p.70)

De vierde en laatste (of voorlaatste, naargelang men de ‘Anhang’ meerekent of niet) afdeling is een lang gedicht dat ‘Wilderness’ heet, en dat geschreven werd in de aard van Pound (die er ook met name in genoemd wordt), of wellicht van die andere DDR-dichter Erich Arendt.  Tien afdelingen telt het gedicht en de actualiteit is er weer helemaal in aanwezig, maar deze keer op zeer disparate manier; zoals bij Pound inderdaad worden vele elementen uit de werkelijkheid het gedicht binnengebracht en met elkaar verbonden in wat toch amper een synthese mag heten. De migranten aan de Middellandse zeekusten worden genoemd (‘Kadaver, Kadaver, eingerollt/In die krachende Plane der Brandung.’ – p.78), en in het derde deel wordt iets genoemd dat eigenlijk nu pas in de actualiteit aanwezig is, of beter misschien: sinds Trump president werd van de VS: “…das Getwitter entlädt sich, die Medienwolke/Fakten gefickt Fiktionen abgefackelt/Eine Brandrodung der Zugang zur Wirklichkeit/…” (p. 79); het is in dit deel dat Pound genoemd wordt, én zijn bekende usura-gedicht. Het vierde deel is psychoanalytisch van aard, er wordt zowel naar Freud als naar Gottfried Benn verwezen, maar zonder dat die namen ook effectief vallen. Ook naar Goya wordt meermaals indirect verwezen (de slaap van de rede), en de zesde afdeling draagt als titel ‘Utoya Utopia’, terwijl het gedicht eindigt met een verwijzing naar de ontdekking van het Higgs-deeltje.

Je zou deze vierde afdeling in de traditie van het barokke begrip van de ‘discordia concors’ kunnen plaatsen, en wellicht is dat ook aangewezen (zeker eerder dan in die andere traditie, van de ‘concordia discors’), maar het grote merendeel van de in dit niet voor niets ‘Wilderness’ genoemde gedicht duiden eigenlijk dezelfde negatieve richting aan, van een maatschappij op de rand van het uit elkaar vallen, die zich met haast en spoed naar de afgrond rept. Van veel tegenstellingen is dus geen sprake, maar natuurlijk wel van vele niet noodzakelijkerwijze verwante zaken, die enkel gemeen hebben dat ze tot de actualiteit van het eerste kwart van de 21ste eeuw behoren.

‘Wilderness’ is daarmee zowel inhoudelijk als stilistisch een buitenbeentje. Vooral stilistisch. Het merendeel van de gedichten in deze bundel zijn geschreven in klassieke verzen (jambisch of trocheïsch) en rijmen zelfs. Maar Braun wisselt wel af wat de toon betreft, die nu eens speels, dan weer ernstig, of bitter, of persoonlijk kan zijn. En af en toe gebruikt hij dus ook andere, vrije versvormen (ik heb het al aangeduid) en twee maal komt een prozagedicht voor. Ook wat de lengte betreft varieert de dichter voortdurend: sommige gedichten tellen slechts enkele verzen, andere hebben enkele pagina’s nodig.

Als dichter spreekt Braun mij in elk geval aan, zijn overige werk ken ik niet. Maar dat is ook het geval voor zijn beide dode kompanen (Müller en Hacks), die eveneens goede dichters waren. Ook op het gebied van de literatuur heeft de DDR veel voortreffelijke figuren voortgebracht.

Foto‘s (C)
http://www.peter-hacks -gesellschaft.de/fotogalerie.html
http://www.heinermueller.de/en/leben.php
http://www.weidener-literaturtage.de/autoren/seiten/braun.htm

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


3 − een =