10.06.17 – Lijstjes

| Geen reacties

Een ‘canon’ zoals die na ampele beraadslaging en veel discussie een tijd geleden werd opgesteld voor de Nederlandse letteren is eigenlijk niet veel meer dan een officieel leeslijstje.

Iedere verstokte lezer heeft wellicht ooit wel zo’n lijstje of lijstjes voor zichzelf opgesteld en, als het een ‘nog-te-lezen’-lijstje betrof zich er niet aan gehouden. Ik neem aan dat ik dat zelf ook gedaan heb, maar ik herinner me er niets meer van. Het belang van dergelijke lijstjes is dan ook zo goed als nihil.

Dat geldt eveneens voor het belang van het laatste dergelijke lijstje dat ik een hele tijd geleden al heb opgesteld – in mijn hoofd, zonder het ooit op papier te zetten.

Een lijstje was dat met alle romans die ik als de allerbelangrijkste van de twintigste eeuw beschouw.

Ik kwam niet eens aan tien titels, wat toch wel heel weinig is. Met sommige van die titels zullen de meesten het wel eens zijn: die hoort erbij, zonder verdere discussie en zonder commentaar. Maar van andere is dat helemaal niet zo zeker. Ik zal ze eens opsommen.

  1. A la recherche du temps perdu. Eigenlijk spreekt het vanzelf dat dit het eerste moet zijn (chronologisch), het is één van die waarover iedereen het eens is. Het munt uit door de stijl (de lange, meanderende zinnen), het trage ritme en de psychologische diepgang.
  2. Twee boeken van Joyce natuurlijk (de enige die er twee op het lijstje heeft staan): Ulysses en Finnegans Wake. Hier zijn vooral structuur en taal in het oog springend.
  3. Robert Musil en zijn Der Mann ohne Eigenschaften is de vierde. Ook hier weer speelt de stijl een belangrijke rol, de volgehouden ironie namelijk. Maar ook het maatschappelijke aspect speelt een belangrijke rol.
  4. Dat is ook het geval in de vijfde: Der Tod des Vergil van Hermann Broch.
  5. De zesde roman van mijn lijstje zal waarschijnlijk door iedereen geweigerd worden: het is nl. Les deux étendards van Lucien Rebatet. Wegens de figuur van de schrijver uiteraard, maar wellicht ook omdat het formeel een door en door klassieke, bijna 19de-eeuwse roman is. Maar nooit en nergens werden de destructiviteit en de haat die zo eigen zijn aan het fascisme zo sterk weergegeven.
  6. Rond dezelfde tijd verscheen (het eerste deel van) Boons De Kapellekensbaan/Zomer te Ter-Muren. Ook hier valt de sterke osmose op tussen een totaal nieuwe vorm en een sterke maatschappelijke betrokkenheid. Het cruciale (voor de twintigste eeuw) probleem van het nihilisme is hier expliciet aanwezig (veel implicieter ook bij Broch en Rebatet).
  7. Tenslotte zou ik er nog de Danziger Trilogie (Die Blechtrommel/Katz und Maus/Hundejahre) van Günter Grass opzetten (maar van Grass zou je er bijna het hele romanwerk op kunnen zetten, bv. ook het even meesterlijke Ein weites Feld). Ook hier weer: de manier van vertellen naast de maatschappelijke betrokkenheid.

Klik voor een vergroting

Wat hebben die acht boeken nou gemeen? Waarom plaats ik die op de lijst en geen andere?

Op het eerste zicht hebben ze enkel de grote omvang gemeen, die in bijna alle gevallen naar de duizend bladzijden loopt, of die overschrijdt. Maar dat is op zich natuurlijk helemaal geen criterium. Maar het wijst wel ergens op: deze schrijvers zijn niet over één nacht ijs gegaan, ze hebben er decennialang, vaak een leven lang (en in het geval van Musil zonder het te kunnen beëindigen) aan gewerkt, geschaafd, gevijld enz. Nog op formeel vlak leidt dat er wel toe dat de lectuur van al deze boeken enkel een langzame, bedachtzame lectuur kan zijn; het ritme van de boeken is bijna altijd traag (enkel bij Grass is dat iets minder het geval, ook al dwingt zijn zeer eigen stijl je ook wel om zeker in het begin langzamer te lezen): de auteur wenst a.h.w. dat de lezer grondig kennis neemt van wat hij te zeggen heeft, dat hij erbij nadenkt, dat hij het niet tot zich neemt als het zoveelste commerciële massaproduct.

Wat de boeken ook allemaal gemeen hebben: ze kennen amper een plot. Uiteraard is er een verhaaltje, maar dat is meestal zo summier en zo nietszeggend dat het bijna niet eens de kapstok kan zijn, of het geraamte waar dan kleren c.q. vlees aan gehangen moet worden. Rebatet: drie adolescenten in een soort vage driehoeksverhouding; Boon: een groep mensen die samenkomen om over een roman en over de wereld te praten; Joyce 2: een dronkaard die opgebaard ligt, maar nog blijkt te leven en dronkenmansnachtmerries heeft. En voor de overige geldt dat evenzeer. Die kleine en op zichzelf onbetekenende plot zou vaak trouwens goed vervangen kunnen worden door een andere, die dan even onbetekenend zou zijn.

Waardoor munten ze dan wel uit?

Door de bredere inhoud op de eerste plaats. Daarmee bedoel ik dat ze allemaal verschillende zaken met elkaar in verband brengen, verbanden leggen tussen verschillende denkcategorieën, verschillende disciplines ook, dat ze kortom veel, veel dieper graven dan zelfs de beste andere romans, die dan ofwel tot politieke (of: geëngageerde) romans bestempeld worden, of tot psychologische, of tot sociologische…; of ze beperken zich tot een verhaal, boeiend verteld wellicht, maar toch. De bovenstaande romans zijn dat allemaal tezamen en meestal nog in verhevigde mate. De discussies in Boon gaan werkelijk tot op het bot, het socialisme en alle waarden van de burgerij worden zozeer met de scalpel (of met het scheermes van Ockham) bewerkt tot er niets meer overblijft dan een maatschappelijk failliet dat enkel nog in een nihilistische oorlog kan uitmonden. Rebatet neemt de metafysica en de christelijke godsdienst op de korrel met een dergelijke allesomvattende vernietigingsdrang dat je er koud en bang van wordt. Broch laat zijn Vergilius bijna zijn hoofdwerk, de Aeneïs verbranden, en hoewel impliciet, de overeenkomsten tussen de tijd van Augustus en de nazitijd liggen voor de hand; en wat heeft literatuur dan nog te betekenen? Niets toch.

Klik voor een vergroting

Daarbij komt nog dat de schrijvers alle aspecten van het mens-zijn in hun werk betrekken, en dat de figuren die ze scheppen tot een zeer breed spectrum behoren, waardoor ze inderdaad die aspecten kunnen weergeven; bij Boon blijkt dat al uit de persoonlijkheden van de protagonisten die samen komen, en die niet énkel afsplitsingen zijn van de auteur. De protagonisten van Musil zijn dan weer figuren die helemaal door een bad van ironie zijn gegaan, en vaak zichzelf niet eens meer au sérieux nemen. Terwijl hij anderzijds in de figuur van Moosbrugger al de uitvoerders van de politiek van de nazi’s voorgetekend heeft. En wellicht heeft niemand vorige eeuw al de kamers van het ik zo diep en grondig en tot in de kleinste hoekjes onderzocht als Marcel Proust. En wat Joyce met de taal deed – een van de belangrijkste kenmerken van de mens is zijn taal en taalgebruik – hoef ik niet meer te zeggen.

De diepe band tussen de maatschappij van de schrijver en het werk dat hij voortbrengt is misschien wel het belangrijkste. Enkel bij Proust komt dat veel minder voor, en dan eerder onrechtstreeks, wat wellicht te wijten is aan het feit dat hij nog met één been in de 19de eeuw stond. Maar op psychologisch vlak gaat hij even ver en even diep als de anderen; je zou kunnen zeggen dat de wereld, de maatschappij, de politiek hem nog niet echt heeft aangeraakt, in elk geval niet zo als bij degenen die na hem komen (ook Joyce beschouw ik als een schrijver in wiens werk de politiek een grote rol speelt, ook al lijkt dat niet zo; politiek definieer ik hier als: betrokkenheid vertonend bij de polis, d.i. de gemeenschap).

En last but not least, ik heb het al aangegeven: de stijl, de structuur, de opbouw. Rebatet is de enige die als vorm gekozen heeft voor die van een klassieke bildungsroman, bij alle anderen vind je het hele gamma van het stilistische modernisme terug, bij de ene al iets uitdrukkelijker dan bij de ander natuurlijk. Het opvallendst hier is natuurlijk Finnegans Wake, omdat hier de taal zelf ontwricht wordt; maar zelfs dit verregaandste literair-stilistische experiment is volkomen in overeenstemming met de inhoud: de dromen van een stomdronken persoon; en het sluit daarenboven aan bij de maatschappelijke werkelijkheid die, toen Joyce z’n boek schreef, eveneens hoe langer hoe erger ontwricht werd (iets dat we mutatis mutandis nu weer meemaken).

Opvallend: behalve Grass heeft geen enkele van de genoemde auteurs de Nobelprijs voor literatuur gekregen.

Acht titels heb ik dus op mijn lijstje staan. Die vormen wat mij betreft de absolute literaire top van de twintigste eeuw. Het is natuurlijk mijn lijstje, maar ik denk toch dat van die acht er een vijftal ook op andere zouden moeten voorkomen, of op de canon tout court.

Maar aan tien ben ik dus toen niet gekomen. En ook nu nog niet. D.w.z. tot voor kort.

 

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


veertien − 3 =