07.06.17 – Hanny Michaelis

| Geen reacties

Hanny Michaelis kende ik enkel als dichteres van een klein maar fijn oeuvre; een minor poet, waarbij je in gedachten moet houden dat die kwalificatie nooit een kwalitatieve appreciatie inhoudt.

Proza van haar was me niet bekend.

Maar dat is er nu wel: Lenteloos voorjaar, oorlogsdagboek 1940-1941 (Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2016). Het is het eerste deel van een uitgebreid dagboek, waarvan het tweede deel (dat ik nog niet las) dit jaar verscheen onder de titel De wereld waar ik buiten sta, oorlogsdagboek 1942-1945 (Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2017).

Dat het een sensatie zou zijn, klopt natuurlijk niet, dat is reclamepraat van de uitgever. Maar een verrassing is het wel degelijk, vooreerst omdat het een min of meer realistisch beeld schetst van het dagelijkse leven in die eerste oorlogsjaren, en dan geschreven door iemand van joodse afkomst; voor haar was dat blijkbaar geen enkel probleem, omdat ze niet gelovig (meer?) was, maar voor de moffen was dat natuurlijk iets anders.

Die moffen zijn natuurlijk in het dagboek aanwezig, maar voor een boek van bijna duizend bladzijden toch opvallend weinig, vind ik. De maatregelen tegen de joden worden wel vermeld natuurlijk, en soms maakt ze zich daar behoorlijk boos over, maar het lijkt meestal toch dat het haar amper raakt, alsof ze ernaast leeft, of erboven staat. Nochtans zijn die eerste maatregelen niet min: op de eerste plaats worden de joodse leraren van de scholen verwijderd; in haar geval treft dat de bekende historicus Jacques Presser, een van haar beste leraren aan het Vossius Gymnasium. En vooral het verbod om bibliotheken (en andere openbare inrichtingen zoals zwembaden e.d.m.) te bezoeken moeten voor iemand die veel en graag las zwaar zijn aangekomen. Maar zij had ‘Arische’ kennissen die ze voor haar gingen uitlenen; klachten daarover zijn er dus (?) amper.

Dit eerste deel omspant slechts de eerste twee jaren van de oorlog, en valt samen met haar laatste twee jaren aan het Vossius, waar ze nog in 1941 eindexamen doet; en slaagt natuurlijk. Het is dus het dagboek van een meisje van 17/18 jaar; enkel op het einde, in de maand december van 1941 wordt ze 19.

Het kan niet anders of je merkt dat natuurlijk. Het overgrote deel gaat over haar verliefdheden, vooral op haar klasgenoot Eldert, en op haar leraar Nederlands, de dichter Binnendijk. Het is hij ook die boeken voor haar leent in de bibliotheek wanneer ze dat zelf niet meer mag. Op dat ogenblik is ze al afgestudeerd, maar ze houdt nog contact met twee of drie van haar leraren; Binnendijk en Presser zijn daarvan de belangrijkste. De eerste werd na de oorlog hoofd van de dienst kunstzaken van de stad Amsterdam en zal als zodanig wel een goed woordje voor haar hebben gedaan, want ook zij ging daar na oorlog en onderduik werken.

Je zou denken dat zo’n omvangrijk dagboek dat vooral over verliefdheden en andere jongemeisjeszaken handelt langdradig en vervelend moet zijn. Maar dat heb ik alleszins geenszins ervaren; en dat heeft waarschijnlijk te maken met de vlotte verteltrant van Michaelis. Haar stijl is nu eens onderhoudend, dan weer scherp van observatie, zeer adequaat voor de verschillende onderwerpen, en over het algemeen veel beter en afwisselender dan je van iemand van die leeftijd zou verwachten. Dat maakt de lectuur ervan aangenaam.

Maar eveneens de afwisseling, die er duidelijk ook wel is, zorgt daarvoor. Naast de weergave van gesprekken met ‘harts’vriendin Greetje en anderen valt de grote belezenheid van Michaelis op, en het feit dat zij probeerde de contemporaine literatuur werkelijk op de voet te volgen, o.a. in Forum en De Vrije Bladen. Maar nog opmerkelijker zijn haar opmerkingen en kritieken op wat ze leest: die getuigen van een kritische ingesteldheid die je evenmin van die leeftijd verwacht. En die opmerkingen zijn daarenboven zo raak en juist geformuleerd, dat ze eigenlijk al had kunnen recenseren in de een of andere krant. Als critica had ze natuurlijk een goed voorbeeld: de scherpe kritieken van du Perron behoren tot de boeken die ze het liefst en het vaakst las.

Opvallend daarbij: ze wist zeer goed te detecteren dat Achterberg van die hele generatie die in de jaren dertig debuteerde, de belangrijkste zou worden. Haar eigen leraar, Binnendijk, vond ze bijv. niet zo goed.

Opvallend is ook dat ze niet minder dan vier talen las (en dan hou ik geen rekening met Latijn en Grieks); het onderwijs moet in die tijd toch wel enorm goed zijn geweest, als je alleen maar ziet wat ze moesten vertalen uit de klassieke talen. Je kunt het natuurlijk niet echt gedetailleerd meer nagaan, maar als ik deze verslagen over schooldagen, over lessen en leraren en de daarbij horende lectuur lees, dan vrees ik toch dat er inderdaad sprake is van verloedering van het onderwijssysteem, zowel in Nederland als in België. Veel ervaring daarin heb ik niet, maar het feit dat ik dat ene jaar dat ik Duits gaf aan een atheneum van de inspectie géén grammatica mocht geven (in de twee hoogste jaren), spreekt toch wel boekdelen, denk ik.

Hanny Michaelis was enig kind van een vader die blijkbaar een beetje een bohémien was en weinig geld in het laatje bracht, en van een moeder die nogal streng was en die uit het dagboek een beetje verbitterd naar voren komt. De beschrijvingen van het leven thuis, met de ouders, zijn erg levendig, betrokken zowel als afstandelijk. Vreemd lijkt me dat ze het vaak over “het ouderpaar” heeft; natuurlijk probeert elk kind afstand te nemen van de ouders, maar ik heb de indruk dat ze het met de vaderfiguur beter kan vinden dan met de moeder. Dat hij ook veel las en daarenboven piano speelde zal ook wel een rol hebben gespeeld. En ook de identificatie met oudere mannen (vaderfiguren) als Binnendijk, Vestdijk, de doden van negentienhonderdveertig wijst daarop. Een verwante vrouwelijke figuur duikt in dit eerste deel niet op.

Hanny Michaelis in 1946

Zelf ziet ze dat blijkbaar niet in, wat verwondert want ze is goed op de hoogte van Freud en probeert diens leer ook een beetje toe te passen in haar eigen omgeving. Ook dat is niet echt typisch voor een meisje van die leeftijd. De zelfanalyses daarentegen wellicht wel. Iedere tiener van die leeftijd is nog op zoek naar zichzelf en probeert zijn of haar plaats te bepalen in de wereld van dichtbij en van verder af. Ook seksualiteit speelt daarbij uiteraard een belangrijke rol; ze is nog maagd, maar droomt wel veel over jongens, mannen en ‘het’. In ’t algemeen valt trouwens op hoe veel ze droomt, en hoe ze die dromen ook probeert te analyseren. Bij ‘seksualiteit’ moet ik even glimlachen, want er komen in het dagboek enkele bladzijden voor over een ‘bezigheid’ waarvoor ze zich schaamt, waar ze zich ook schuldig om voelt, maar waar ze niet aan kan weerstaan. Blijkbaar gebeurt het telkens weer. Ze heeft het over masturbatie uiteraard, maar schrijft er zo omzwachteld over, en zonder ook maar iets direct bij naam te noemen, dat het nu zeer vreemd overkomt. Blijkbaar was dat toen zowat een absoluut taboe.

Het heet dan wel een ‘oorlogsdagboek’, maar ik denk dat die ondertitel van de uitgever afkomstig is. Want het is veel meer het dagboek van een ontwikkeling tot volwassene, van de plaatsbepaling van een uiterst intelligente tiener dan iets anders. Natuurlijk is de oorlog aanwezig (af en toe, het hele dagboek door wordt gewag gemaakt van bombardementen) maar het lijkt bijna alsof die totaal geen invloed heeft op het innerlijke leven van de schrijfster (op het uiterlijke natuurlijk wel, en dat zal in het tweede deel nog wel sterker worden). Die innerlijke ontwikkeling overheerst overgroot de invloed van de buitenwereld. Misschien wordt die gewoon buitengesloten, maar dat wordt dan niet expliciet gezegd, zodat het dan een onbewust proces zal zijn.

Tenslotte heeft ze ook zelf literaire plannen: ze schrijft gedichten, die ze ook aan anderen laat lezen, bv. aan Binnendijk. Kritiek en commentaar neemt ze wel ter harte, maar houdt er enkel rekening mee als ze het er grondig mee eens is. Uit gesprekken met Binnendijk blijkt bv. dat ze nog schrijft vanuit het ‘gevoel’ en Binnendijk brengt haar bij dat poëzie niet met gevoelens maar met woorden gemaakt wordt. Zoiets blijft haar bij en als ze het begrepen heeft, zal ze er ook rekening mee houden. Enkele gedichten uit deze tijd zijn nog in haar debuutbundel terecht gekomen, maar hoeveel dat er zijn weet ik niet.

De kritische zin over haar lectuur geldt evenzeer haar eigen beginnend werk, én trouwens haar persoonlijkheid. Wat dat laatste betreft valt het onmiddellijk op hoe scherp en ongenadig ze voor zichzelf kan zijn; ze veracht in zekere zin haar eigen dweepzucht maar geeft er toch telkens weer aan toe. Dat geldt ook voor andere zaken; je zou bijna van een zekere verscheurdheid kunnen spreken, ware het niet dat me dat normaal lijkt voor adolescenten die boven de middelmaat uitsteken.

Als lezer is er niets beklemmends aan dit dagboek zelf, d.w.z. aan de blote tekst. Op de achtergrond is weliswaar een oorlog bezig, maar de protagoniste lijkt zich dat dus amper aan te trekken, en iedereen lijkt het vooroorlogse leven gewoon verder te zetten, als vanouds en alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Zelfs de razzia’s tegen joden in andere delen van Amsterdam, of de beroemde februaristaking worden wel genoemd, maar alsof het zich in een verre, een andere wereld afspeelt. Er worden zang- en muziekavonden georganiseerd, er wordt gezwommen, gediscussieerd, gestudeerd enz. Alles lijkt doodgewoon verder te gaan op enkele ongemakken na, die na de oorlog wel weer zouden verdwijnen.

Het écht beklemmende ligt in één feit: wij weten hoe het verder is gegaan, de schrijfster en haar omgeving wisten dat niet.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


8 + negen =