14.05.17 – Democratie

| Geen reacties

Wie mij een beetje kent zal het wel weten natuurlijk : ik ben geen democraat, totaal niet. De reden daarvoor ligt wel voor de hand : het begrip ‘democratie’ is een van de leugenachtigste begrippen die vandaag de dag in de politiek gehanteerd worden.

Democratie bestaat immers niet, nergens. En diegenen die zich het meest op het begrip beroepen – de Amerikanen en hun handlangers – zijn de grootste leugenaars en bedriegers, want zij weten perfect dat het systeem dat zij verdedigen helemaal geen uitstaans heeft met enige vorm van democratie. Hoe je het dan wel noemt of noemen moet of wil, laat me koud ; feit is dat in onze zichzelf ‘democratische’ noemende maatschappijen de échte macht in handen is van een heel kleine groep mensen, die voortdurend in het donker blijft.

Wat mag dan wel ‘democratie’ zijn ? Gewoon wat het woord zegt : ‘demos’ is volk en ’kratein’ is regeren. Dat betekent op z’n minst dat er geregeerd wordt met de belangen van dat volk voor ogen, en met de nodige inspraak wanneer die belangen met de voeten worden getreden. In een representatieve ‘democratie’ zoals de onze is dat niet mogelijk. En waarom dat zo is werd nog het best uitgedrukt door de burgemeester van België toen die koudweg verkondigde dat het ‘volk’ (demos) mocht kiezen en dat de politiekers dan konden doen wat ze willen. ‘Elections, piège à cons !’ noemde Sartre dat in de jaren zeventig zeer terecht. De echte machthebbers zitten immers in de raden van bestuur van de grote financiële instellingen en andere grote ondernemingen, en het politicaille vormt enkel de zetbazen van die échte machthebbers; : het politicaille zie je in het volle licht paraderen om hun eigen narcisme te strelen, terwijl de anderen grotendeels in het duister blijven om in hun vuistje te lachen.

Een ‘democratie’ waarin de politici grotendeels maatregelen nemen die enkel de financiële toplaag van maximum tien procent bevoordelen is ipso facto géén ‘democratie’.

Gedichten over het begrip ‘democratie’ worden vandaag de dag niet meer geschreven, vrees ik. Tenzij onrechtstreeks, zoals in de meesterlijke bundel Idyllen van Ilja Leonard Pfeijffer. Waarschijnlijk is het zich-wijs-maken dat we in een ‘democratie’ zouden leven zo diep doorgedrongen dat niemand het begrip nog in vraag stelt of durft stellen. Het zij zo.

Vroeger was dat soms toch wel anders. Zo opent de Poésies lyriques van Theodore Weustenraad met een gedicht uit 1845 dat gewoon ‘La démocratie’ heet.

Weustenraad was uit Maastricht afkomstig en schreef ook in het Maastrichtse dialect ; zijn gedicht De percessie van Sjerpenheuvel is bekend en werd in de afgelopen jaren nog heruitgegeven. Maar officieel schreef hij in het Frans. Bij de scheiding tussen het Noorden en het Zuiden koos hij voor België en dat zal wel te maken hebben met de taal die hij uiteindelijk koos voor zijn poëzie: het jonge België wilde immers een Franstalige staat zijn. Oud is Weustenraad niet geworden : amper 44 jaar. Zijn Franstalige gedichten werden samengebracht in voornoemde in 1848 uitgegeven verzamelbundel, dat is dus in het jaar voor zijn dood.

Zijn poëzie is typisch voor die tijd : zowel natuurbeelden als hymnes aan de industrie, oproepen tot liefdadigheid, maar ook een lang gedicht voor ‘le prolétaire’ waarin Saint Simon gehuldigd wordt én wat we nu zouden noemen ‘the rule of law’ ofte de ‘rechtsstaat’.

Een gedicht over de democratie past daar wel bij zou ik zo denken, ook al weten we niet wat de dichter ermee bedoelt. Waarbij we in het oog moeten houden dat ook het begrip ‘democratie’ aan verandering onderhevig is. Met name in de politiek zijn er aanzetten tot democratie (die daarentegen in het economische en sociale vlak toen en nu totaal afwezig zijn) ; maar die waren er in 1848 nog helemaal niet. Er heerste cijnskiesrecht : ongeveer tien procent van de bevolking had dus stemrecht, en laat dat nou net die tien procent zijn die ook vandaag nog alles voor het zeggen heeft ; alleen gebeurt dat nu bedekt, toen openlijk.

Laten we dus eens kijken wat Weustenraad te zeggen heeft over het begrip in kwestie. Over de vorm zal ik het weinig hebben : toentertijd schreven de meeste dichters in dezelfde vanouds voorgeschreven vormen, en enkel in de beeldspraak veroorloofden sommigen zich wel eens iets nieuws of verrassends.

Boven het gedicht staat een kort motto dat aan niemand toegeschreven wordt, maar dat wel bekend is. Het was nl. de strijdkreet van de deelnemers aan de eerste kruistocht, ‘Dieu le veut !’

Dat brengt al onmiddellijk een zekere dubbelzinnigheid in het gedicht, die nieuwsgierig maakt. Want wat bedoelt de dichter, waarom stelt hij dat citaat vooraan ? Wil hij oproepen tot een soort kruistocht voor de democratie ? Alsof God de democratie zou willen ? Of is eerder het tegendeel het geval ? Drukt hij een zekere sterke of lichte angst voor de democratie uit ? Die dan op de een of andere manier bestreden moet worden, zoals vroeger de Saracenen door de legers der kruistochten ?

Laten we het gedicht gewoonweg in detail, strofe per strofe bekijken en analyseren.

Dieu le veut !

Place, place au torrent ! il grossit, il s’avance !
Pour arrêter sa marche et dompter sa puissance,
En vain les rois du monde ont uni leurs efforts ;
Encore un jour, une heure, et le lit séculaire,
Le lit étroit, obscur, où gronde sa colère,
Il va l’abandonner pour engloutir ses bords.

Je zou denken dat dit oftewel in 1848 zelf, of vlak daarna geschreven werd. Maar nee, drie jaren ervoor. Waarschijnlijk hingen de opstanden van dat revolutionaire jaar al in de lucht, zeker in Frankrijk, waar het sinds 1789 eigenlijk nooit meer echt rustig geweest was. Daar komt bij dat schrijvers vaak seismografen zijn (was het Boon die dit woord gebruikte ?), die op de een of andere manier voorvoelen wat er op het punt staat te gebeuren. De dag en het uur waarvan sprake in het vierde vers moeten we daarbij uiteraard niet letterlijk nemen : het betekent gewoon dat wat te gebeuren staat, onvermijdelijk te gebeuren staat, elk ogenblik kan beginnen, maar dat het ook nog wel een tijdje duren kan (een maand, een jaar…).

De koningen van de wereld staan voor de toenmalige politieke machthebbers : degenen die de wetten (deels) maakten of uitvoerden, en die veel duidelijker en openlijker dan vandaag in Europa het geval is (de VS zijn wat dat betreft van een ander kaliber : het grootste bakkes als het over ‘democratie’ gaat, maar ondertussen heerst daar de meest openlijke oligarchische graaicultuur die je je maar kunt indenken) op z’n engst verbonden waren, ja zelfs samenvielen met de economische machthebbers, inderdaad grotendeels zoals dat vandaag in de VS het geval is.

Wat mij onmiddellijk opviel was de letterlijke overeenkomst van het beeld van de stormvloed met hetzelfde in een gedicht van Brecht, dat geen honderd jaar later geschreven werd (maar vandaag de dag zou het beeld zonder enig probleem opnieuw gebruikt kunnen worden) :

‘Über die Gewalt

Der reissende Strom wird gewalttätig genannt
Aber das Flussbett, das ihn einengt
Nennt keiner gewalttätig.

Der Sturm, der die Birken biegt
Gilt für gewalttätig
Aber wie ist es mit dem Sturm
Der die Rücken der Strassenarbeiter biegt ?’

(Bertolt Brecht : Die Gedichte, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 2000, p. 854)

Ik denk niet dat Brecht Weustenraad gekend heeft ; Brecht las weliswaar Frans, maar kleine, toen al vergeten Belgische dichters zal hij niet gekend hebben ; er zijn in elk geval nergens sporen van terug te vinden. Het is gewoon een beeld dat voor de hand ligt in àlle tijden waarin opstand en omwentelingen dreigen.

In de tweede strofe richt de dichter zich rechtstreeks tot diegenen die blijkbaar het meest bevreesd zijn voor de komende vloed ; én de dichter geeft raad over hoe dat toch nog af te wenden. Door een vorm van ‘democratie’ in te voeren ? Integendeel, lees maar :

Riches trop indolents qui craignez ses ravages,
Au lieu de l’insulter du haut de ses rivages,
Creusez-lui donc un lit plus large et plus profond,
Où puissent librement à travers nos vallées
Rouler au grand soleil ses vagues nivelées,
Sans ébranler la digue ou menacer le pont.

Opvallend is het bijvoeglijk naamwoord in het eerste vers: de luiheid en de lankmoedigheid die in ‘indolent’ verscholen zitten, kunnen wijzen op een vorm van decadentie, van maatschappelijke en culturele moeheid, die ervoor zorgt dat de betrokkenen niet meer handelen kunnen. Maar dat was een aspect van de literatuur en de cultuur die slechts veel later, op het einde van de eeuw in volle kracht – als je ‘t zo mag stellen – naar buiten zal treden. In 1845 is België nog een nieuw land met een optimistische bourgeoisie en een industrie die tot de eerste van Europa behoren. Maar waar er actie is, is ook reactie, en waar rijken zijn, daar zijn ook armen. Volgens de toen voor het eerst naar voren tredende marxisten komt de rijkdom van de enen trouwens gewoon voort uit de arbeid van de anderen, van de grote massa.

Het verschil tussen rijk en arm is nu nog steeds even manifest aanwezig als toen, en de kloof is zelfs nog veel groter geworden, zowel in absolute termen als in relatieve termen. En ook nu worden de stemmen die van oordeel zijn dat ook de rijken hun steentje mogen bijdragen tot het welzijn van de maatschappij hoe langer hoe luider en duidelijker. Maar ook nu zijn er maar weinigen die de verhouding zelf tussen stroom en bedding in vraag willen stellen, met andere woorden die de bedding en de dijken zelf stuk willen om zodoende de stroom de kans te geven om totaal nieuwe, zelfgekozen wegen in te slaan.

Ook Weustenraad wil dat duidelijk niet ; wat hij uitdrukt is de angst van de rijken die hij toespreekt : zorg ervoor dat stoom afgelaten kan worden, dat een bredere bedding de opgehoopte kracht van de stroom afzwakt en kanaliseert op een ongevaarlijke manier.

Dat is wat men vandaag nog altijd ‘democratie’ noemt.

In de volgende twee strofen wordt dit gegeven dan verder uitgewerkt.

Nouveaux rois de la glèbe, encor surpris de l’être,
Vous tremblez en songeant qu’il vous faudra peut-être,
Pour lui frayer sa route au milieu des guérets,
Faire abattre un vieux mur gardien de vos domaines,
Ravir au soc jaloux un sillon de vos plaines,
Ou porter la cognée au cœur de vos forêts.

Mais songez donc aussi qu’au jour de la tempête,
S’il vous trouvait jamais à vos banquets de fête,
Chantant, la coupe en main, les douceurs du repos,
Avant que la nuit vînt disperser votre troupe,
Avant que votre lèvre eût pu vider la coupe,
Vous-mêmes vous seriez emportés par ses flots.

De rijken die hier bedoeld worden zijn duidelijk niet de nieuwe bourgeois van de opkomende industrie, maar wel landeigenaren. Waarom die nieuw zijn, of verwonderd het geworden te zijn, wordt niet duidelijk gemaakt, maar waarschijnlijk heeft het te maken met de nieuwe staat, waarin weliswaar dezelfde klassen de macht bezitten, maar wel andere, Belgische leden van die klassen.

Wat zij moeten opgeven (een stuk ouwe muur, een onbetekenend stukje aarde, enkele bomen…) stelt eigenlijk niets voor en zal hun rijkdom amper verminderen, maar wel een uitweg laten aan de stroom, die zich gewoon dood zal vloeien…zoals alle machthebbers hopen dat gebeuren zal met alle opstanden en omwentelingen.

Wat opvalt : wie die muur neerhaalt, wie dat veld, dat land bewerkt, wie houthakt in die bossen, dat wordt nooit gezegd ; we krijgen dus de indruk alsof het de landeigenaren zelf zouden zijn die achter de ploeg lopen.

Quod non natuurlijk, dat blijkt wel uit de volgende strofe, waarin het werkelijke leven van de heersende klassen even geschetst wordt : plezier maken, eten en drinken aan rijkelijke banketten, dat is het leven van de rijken. En is het nu anders ?

Het laatste vers kan een reminiscentie zijn aan tijden die toen nog niet zo ver terug lagen. De auteur zelf heeft natuurlijk de Franse revolutie niet meegemaakt, daarvoor is hij te jong, maar de omwentelingen van het jaar 1830 ondervond hij wel degelijk persoonlijk. In België en Nederland ging dat natuurlijk niet zo ver als in Frankrijk zelf, maar toch : de geest van de Revolutie bleek nog levendig te zijn. En ouderen zullen zich la Terreur nog wel herinnerd hebben, toen inderdaad een hele clerus en een hele aristocratie door de stormvloed weggespoeld werden, zonder pardon.

Dat is het, zo lijkt me, wat de dichter zou willen verhinderen en voorkomen. Wat hij nog eens expliciet zegt in de volgende strofe, waarin hij zich opnieuw rechtstreeks tot de rijken richt :

Riches, faites mentir ce sinistre présage !
Grâce aux lâches terreurs des hommes d’un autre âge,
Le ruisseau d’autrefois est torrent de nos jours.
Instruits par leurs revers, montrez plus de prudence.
Que l’hostile torrent, trompé dans sa vengeance,
Passe, se change en fleuve, et poursuive son cours.

Wat de thematiek en een deel van de woordenschat betreft, lijkt het soms wel een hedendaags gedicht. Het tweede vers van bovenstaande strofe verwijst volgens mij direct naar de Franse revolutie, en met name naar die periode daarin die de periode van ‘la terreur’ genoemd wordt. Of die inderdaad zo laf was, hangt natuurlijk volledig af van de appreciatie van Weustenraad. Hoe dan ook roept hij duidelijk op om voorzichtiger te zijn dan toen.

Over de oorzaken van die Franse revolutie zegt hij niet veel ; wellicht is een gedicht daar ook niet het beste medium voor. Maar met rijkdom heeft het natuurlijk wel te maken. In het Ancien Régime bestond er zoiets als ‘cahiers de doléances’, en de verschillende klassen konden die opnieuw opstellen en indienen bij het begin van de Etats généraux, bijeen geroepen voor 1789 en eigenlijk gewoon het begin van de Franse revolutie.

Waar gingen die ‘cahiers’ over ? Er is voldoende onderzoek naar gedaan om zelfs historici die het tot burgemeester van België gebracht hebben iets duidelijk te maken. Over belastingen gingen die namelijk voor meer dan 90%, en dan meer bepaald over het feit dat blijkbaar enkel de lagere klassen belastingen betaalden. Moet er nog zand zijn ?

Maar eenmaal begonnen, nemen de gebeurtenissen natuurlijk een eigen en autonome loop, die met de initiële problemen soms niets meer te maken heeft, en waarin vooral de toenemende radicalisering opvalt. Dat geldt voor alle revoluties.

En dat geldt het dus te vermijden. Om wat te bereiken ? Dat wordt duidelijk in de volgende strofe :

Alors s’abaissera la fierté de ses ondes,
Pour livrer un chemin aux vaisseaux des deux mondes,
Pour inonder nos ports de trésors ignorés ;
Alors se pareront de moissons toujours mûres
Ses bords, qui maintenant n’étalent pour parures
Que des halliers épais et des rocs déchirés.

Ook nu weer wordt (de drie laatste verzen) eerder naar de landbouw, naar de oogsten dus verwezen dan naar de industrie, waar Weustenraadt elders toch de zanger van blijkt te zijn. Maar zoals gezegd : in het midden van de 19de eeuw is het nog grotendeels de landbouw die de economie bepaalt, en de industrie staat nog in haar kinderschoenen. Pas tien jaar voor het schrijven van dit gedicht was in België de eerste korte spoorlijn geopend, en ook op het ogenblik van het schrijven was van een echt net nog geen sprake.

De eerste drie verzen verwijzen naar iets heel anders, denk ik, nl. naar het begin van wat je een wereldeconomie kan noemen, waarmee ik bedoel : het begin van het imperialisme, van de rooftochten naar grondstoffen in de derde wereld. Ook dat was natuurlijk niet nieuw, men denke maar aan de VOC in Nederland.

Wat hij bedoelt met ‘vaisseaux de deux mondes’ begrijp ik niet goed. Van een ‘derde wereld’ was toen uiteraard nog lang geen sprake, en de constituent heeft naar alle waarschijnlijkheid ook geen politieke betekenis, maar enkel een zuiver geografische ; er worden inderdaad die streken op de wereldbol mee aangeduid waar de opkomende industrie in Europa het grootste gedeelte van haar grondstoffen zal gaan halen, om die hier te verwerken en om hier een zeer beperkte vorm van democratie te organiseren.

De laatste strofe trekt een soort besluit (‘donc’ in het eerste vers):

Debout donc, ô Faucheurs, qui, couchés sur vos gerbes,
Répondez à sa voix par des rires superbes.
Place, place au torrent qui s’avance en courroux !
Trop faibles désormais pour garder ses barrières,
Laissez-lui dévorer quelques stériles terres,
Pour conserver les champs fertilisés par vous.

De maaiers uit het eerste vers moeten hier, denk ik, zuiver metaforisch opgevat worden, ook al verwijzen ze natuurlijk ook direct terug naar al die passages in de voorgaande strofen, waarin sprake was, op de een of andere manier, van landbouw. De hoofdletter wijst eveneens op het metaforische karakter. Maar het is wellicht een min of meer valse metafoor, want de maaiers zijn natuurlijk niet degenen die de opbrengst krijgen, maar degenen die het werk doen. Binnen de ideologie echter van de opkomende liberale bourgeoisie van die tijd kwam dat op hetzelfde neer. Weustenraad was niet enkel een verdienstelijk dichter, maar ook een liberaal journalist. Voor de toenmalige bourgeoisie bestond alleen zij en haar belangen. De heersende ideologie is immers altijd de ideologie van de heersenden.

De laatste twee verzen passen in dat kader, met ze zijn wel van een zeer scherp, maar waarschijnlijk totaal ongewild cynisme : geef het volk enkele kruimels van uw tafel, net voldoende om ze niet in opstand te laten komen, en hou de rest voor uzelf.

Enerzijds zou het niet helpen, want drie jaren later (1848) waren er democratische opstanden in heel Europa, in 1870 werd in Parijs voor het allereerst een grondslag gelegd voor een echte democratie, en in 1917 vond de Russische revolutie plaats.

Maar anderzijds is wat Weustenraad vooropstelt ook inderdaad gebeurd : er werden kruimels aan ‘la populace’ overgelaten, soms zelfs wel meer. Maar zowel Weustenraad als de meeste anderen vergeten daarbij één belangrijke zaak : dat gebeurde door strijd, het werd afgedwongen van de heersende klassen, ze gaven die kruimels niet uit eigen beweging, dat deden ze nooit, doen ze niet en zullen ze ook nooit doen. Nu we langzaam terugkeren naar de negentiende eeuw, nu alle ‘verworvenheden’ van de gewone werkende mensen langzaamaan worden afgebroken en alle sociale weefsels vernietigd, zien we wat deze ‘democratie’ werkelijk voorstelt : bedrog en leugen op een reusachtige schaal.

Ja maar, zal men zeggen, wat zet je dan in de plaats ?! Een echte democratie zou ik zeggen, maar dat uitwerken, al is het dan maar op papier, daar heb ik hier noch de tijd voor noch zin in. Wel zie ik volgende uitgangspunten : het land moet verdeeld in zo veel kiesdistricten als er afgevaardigden zijn, en binnen zo’n district kan eenieder zich kandidaat stellen. Op volksvergaderingen worden de kandidaten, nadat ze hun programma hebben voorgesteld en verdedigd, aangeduid. Partijen zijn daarbij uiteraard onnodig en zelfs schadelijk. Wie uiteindelijk verkozen wordt, vertegenwoordigt niet de natie of een ander dergelijk onbestaand gewrocht, maar wel haar of zijn kiezers. Die volgens vast te stellen regels dat mandaat ook ten allen tijde kunnen afnemen. Met internet is dat alles niet eens zo moeilijk te organiseren.

Maar vooraleer we zo ver zijn, zal niet enkel nog ontzettend veel water door de Maas moeten vloeien, we zullen eerst nog door oorlogen, opstanden, omwentelingen, rampen…heen moeten.

En of er dan nog iets overblijft om een werkelijke democratie mee uit te bouwen ?

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


elf − een =