11.05.17 – Den 30ste mei

| 1 reactie

Zou het?

Wanneer je de auteurs van twee onlangs gelezen wetenschappelijke werken mag geloven, wel degelijk. En goedgelovig als ik ben wanneer ik geconfronteerd wordt met zeer geleerde heren en dames, ben ik geneigd hen inderdaad te geloven. Maar dat deed ik eigenlijk al voor ik deze boeken las. Die mijn mening alleen maar bevestigen dus, maar die vooral de nodige achtergrondinformatie leveren om die mening, eerder dat aanvoelen, ook te staven, te funderen.

Het eerste is van Pablo Servigne en Raphaël Stevens: Comment tout peut s’effondrer. Petit manuel de collapsologie à l’usage des générations présentes. (Editions du Seuil, Paris, 2015). In drie delen wordt het probleem grondig en nuchter uit de doeken gedaan, zonder overdreven pessimisme, zonder overdreven optimisme. De schrijvers zijn wetenschappers, en geen Amerikaanse doemdenkers van de een of andere sekte.

In het eerste en belangrijkste deel wordt het begin geschetst, de eerste tekenen die we vandaag kunnen zien van een mogelijke ineenstorting van onze maatschappelijke systemen. De auteurs vertrekken vanuit een aantal curven, waarin de exponentiële versnellingen van alle belangrijke economische en sociale data worden voorgesteld:


Tijdens mijn lectuur van andere boeken en/of artikelen was ik wel al eens de ene of de andere van deze curven tegengekomen, maar ze allemaal zo op een rijtje zien staan is toch nog wat anders. Het is zelfs verbijsterend, en je hoeft uiteraard geen statisticus of wiskundige te zijn om op de eerste oogopslag te zien dat dit niet duren kan, dat daar een einde aan moet komen. The sky is not the limit.

Daarna werken ze dat verder uit door de nadruk te leggen op een drietal aspecten, die wellicht het bekendst zijn, maar ook het belangrijkst. Daar is natuurlijk vooreerst de opwarming van de aarde, waar behalve Trump en zijn horrorkabinet wellicht weinigen nog aan twijfelen. Het grote voordeel van o.a. dit boek is dat voortdurend verwezen wordt naar literatuur terzake, zodat je niet enkel kunt controleren wat de auteurs zeggen, maar  je ook gaat beseffen dat het nog erger is dan je dacht. Op de mainstreampers moet je niet hopen om over dit soort zaken ook maar iets te vernemen (daarin heerst grotendeels een idyllische virtuele realiteit), daarvoor moet je al echt naar gespecialiseerde wetenschappelijke tijdschriften en boeken gaan. En hoevelen doen dat? Laten we aannemen dat een boek als dit op enkele duizenden exemplaren gedrukt wordt. Wat betekent dat? Inderdaad, de druppel op de gloeiende plaat.

Een tweede belangrijke zaak is het financiële systeem. Dat is in 2008 al eens bijna totaal ingestort, maar het is duidelijk dat dit geen beleidsmatige gevolgen heeft gehad, dat de bankiers lustig verder doen alsof nooit iets gebeurd is, en dat het dus enkel wachten is op een volgende crash. Die onvermijdelijk zal komen.

Komt daar op de derde plaats de zeer sterke complexiteit van onze maatschappelijke systemen bij, waarin alles overal met alles samenhangt, zodat een scheurtje hier al snel tot een breuk daar kan leiden en vice versa. Temeer daar die systemen vastgeroest zijn in dergelijke mate dat het onmogelijk is om ze van binnenuit soepel te maken, aan te passen, te verbeteren of wat dan ook. In een deelhoofdstukje vragen ze zich af ‘Quelle sera l’étincelle?’, zonder dat ze daarop een antwoord kunnen geven natuurlijk. Of ze bij die vraagstelling aan Mao gedacht hebben (‘Une étincelle peut mettre la plaine en feu.’) zeggen ze – wijselijk? – niet.

In het tweede deel vragen ze zich af voor wanneer die ineenstorting geprogrammeerd staat. Gaven ze in het eerste deel vooral om niet te zeggen uitsluitend feitenmateriaal, dan zijn ze, zoals het echte wetenschappers betaamt, hier heel voorzichtig en wijzen elke vorm van futurologie af. Terecht denk ik. Wat niet belet dat er wel tekenen (kunnen) zijn en waargenomen worden die erop wijzen. Dat leiden ze af uit twee modellen die ze behandelen, en waarvan het tweede -World3 – al decennia oud is, want het werd ontworpen met het oog op het eerste rapport van de zgn. Club van Rome uit 1972. Ik herinner mij dat nog, er werd toen zeer veel over gediscussieerd; en ik heb dat rapport toen ook gelezen, maar herinner mij er niets meer van. De conclusie van toen luidde als volgt:

“si l’on part du principe qu’il y a des limites physiques à notre monde (c’est une hypothèse de base) alors un effondrement généralisé de notre civilisation thermo-industrielle aura très probablement lieu durant la première moitié du XXIième siècle.” (p.168)

Die rapporten werden regelmatig bijgewerkt aan de hand van recentere gegevens, maar geen enkel beleid heeft er ooit rekening mee gehouden of houdt er enige rekening mee.

Het derde deel werkt dan verder uit wat de auteurs ‘collapsologie’ noemen (er is ook een website daarover: http://www.collapsologie.fr), een nieuwe vorm van wetenschap die vooral steunt op demografie, sociologie, psychologie en politicologie. Vreemd dat economie daar niet bij staat, want dat lijkt me toch de kern. Ook gaan ze te rade bij gelijkaardige gebeurtenissen uit het verleden, waarbij uiteraard op de eerste, maar toch niet de enige plaats het Romeinse rijk optreedt. Naast de Sovjet-Unie. Dat heeft wel te maken met het feit dat een Rus, (ook die heeft een interessante blog: http://cluborlov.blogspot.be) dit in enkele publicaties grondig heeft uitgewerkt, waarbij hij vijf fases van ineenstorting onderscheidt (pp. 188-191). Maar als de belangrijkste oorzaak wordt gezien:

“que le seul facteur commun à tous les effondrements est bien le cinquième, celui d’ordre sociopolitique : les dysfonctionnements institutionnels, les aveuglements idéologiques, les niveaux des inégalités, et surtout l’incapacité de la société – et particulièrement des elites – à réagir de manière appropriée à des événements potentiellement catastrophiques.” (pp.183-184)

Er staat natuurlijk nog veel meer in dit boek; wat me daarbij opvalt is dat de auteurs eigenlijk nog positief eindigen, ervan uitgaand dat er nog iets aan te doen is als dit en als dat. Maar zoals we weten: as is verbrand hout.

°°°

De auteur van een ander boek doet dat duidelijk niet, positief eindigen bedoel ik: Paul Jorion: Le dernier qui s’en va éteint la lumière; essai sur l’extinction de l’humanité (Librairie Arthème Fayard/Pluriel, Paris, 2017) reageert op het einde van zijn boek zelfs expliciet op dat van zijn voorgangers, meer bepaald op hun zeer voorzichtig optimisme:

Comment tout peut s’effondrer, de Servigne et Stevens, est l’épitaphe sobre d’une espèce qui a su que sa fin était proche, mais n’en a pas moins continué à danser comme si la musique ne devait jamais s’arrêter.” (p. 268)

Dat lijkt me in elk geval veel realistischer als uitgangspunt, en het doet me zelfs een beetje denken aan dat poëtische einde van het eerste grote werk van Foucault, Les mots et les choses, dat eindigt met: “…comme, à la limite de la mer, un visage de sable”; ook hij voorzag al, veel eerder, het einde van de mensheid, op totaal andere gronden, en het werd hem niet in dank afgenomen.

Jorion is antropoloog en socioloog van vorming, de twee vorige waren landbouwingenieurs en biologen. Ik ga nou niet zeggen dat academici geen onzin kunnen vertellen, en ik ben de eerste om de universiteit te relativeren, maar toch.

Jorion behandelt zijn zaak in vijf hoofdstukken, waarvan het tweede alleen al bijna de helft van zijn boek vult. Hij gebruikt deels hetzelfde feitenmateriaal als Servigne en Stevens, deels gaat hij ook in op andere zaken; en hij legt andere accenten. Dat blijkt al uit zijn korte eerste hoofdstuk, waarin hij de dreiging van het uitsterven in rechtstreeks verband brengt met de ‘onzichtbare hand’ van Adam Smith, en dus met het extremistische neoliberalisme dat al enkele decennia huishoudt in de wereld.

In het tweede en dus langste hoofdstuk vraagt hij zich af waarom wij, de mensheid dus, niet reageren, dus niets doen om dat mogelijke uitsterven te beletten. Meer dan de twee vorige auteurs gaat hij hierin naar de kern, naar de wortel van de zaak, die te zoeken is in de economische aard van ons sociopolitieke systeem. In het kapitalisme dus en alles wat daarmee samenhangt. De motor van dat systeem heet accumulatie, en vreemd genoeg noemt hij dat woord niet. Misschien kun je daaruit afleiden dat hij nooit marxistisch gevormd werd, ook al sluiten sommige aspecten van zijn analyses nauw bij het marxisme aan. Andere dan weer helemaal niet.

Die accumulatie zorgt ervoor dat ons economische systeem een veelvraat is die altijd meer, altijd groter, altijd verder wil. ‘Groei’ noemt men dat dan. En het is dat wat ons naar de verdoemenis zal helpen, omdat er geen enkele mogelijkheid is om die alles vernietigende motor te stoppen. Hier en daar zijn er wel naïevelingen die denken dat dat wel nog mogelijk is, maar volgens mij vergissen ze zich. Die motor zal pas van zichzelf gaan stoppen als hij gewoon niet meer verder kan, als hij alles opgevreten en vernietigd heeft. Dat is ook wat Fukoyama – onbedoeld wellicht – het ‘einde van de geschiedenis’ noemt.

Daarbij spelen natuurlijk ook andere elementen een belangrijke rol: op de eerste plaats de verloedering, op alle mogelijke manieren, van het milieu en de opwarming van de aarde. Die waarschijnlijk op het einde van deze eeuw niet beperkt zal blijven tot twee graden, maar eerder het dubbele zal bereiken. En dan is er natuurlijk de toenemende complexiteit van al onze systemen.

Jorion legt ook nogal de nadruk op de economie als wetenschap. Volgens hem was datgene wat tot ongeveer het midden van de vorige eeuw ‘politieke economie’ genoemd werd en dat volgens de auteur inderdaad een tak van de wetenschap was, onvolmaakt zoals alle menswetenschappen. Keynes zou de laatste geweest zijn die daartoe behoorde. Sindsdien wordt dat gewoonweg ‘economie’ genoemd en is het amper nog wetenschap te noemen, maar eerder ideologie. De grondleggers van die ideologie zijn bekend: het zijn de grondleggers van het extremistische liberalisme, dat sinds decennia als een tornado en een tsunami tegelijk huishoudt in de wereld.

Daar legt de auteur de schuld, en wat mij betreft heeft hij honderd procent gelijk. Dat betekent overigens ook dat we al lang niet meer in een ‘democratie’ leven – voor zover we daar ooit in geleefd zouden hebben, voeg ik er maar bij – maar wel in een oligarchie. Zoals hij het zelf poneert:

“Défendre avec détermination la démocratie relève de l’essentiel, et non de l’accessoire: l’histoire nous a prouvé – et la chute de l’empire romain tout spécialement – que, dans un context semblable, l’indifférence, ou tout au moins l’absence de réaction d’une ampleur suffisante, peut déboucher sur la tragédie. Aucun sursaut de l’espèce ne sera possible sans le rétablissement préalable de la démocratie dans ses droits.” (p. 131)

Persoonlijk zou ik zeggen: sans l’établissement préalable. Maar dan nog. Verderop in het boek stelt hij al even terecht dat de heersende klassen maar om één ding bezorgd zijn: ‘se maintenir au pouvoir’ (p.231) Daarvan uitgaand trekt hij dan de conclusie dat we nog twee à drie generaties hebben vooraleer het zover is. Hoe realistisch dat is, kan ik uiteraard niet inschatten.

Eén zaak vermeldt hij daarbij amper: enkel op de bladzijden 42/43 gaat hij even in op de rol van oorlog, maar hij diept dat in de verdere loop van zijn boek niet uit. Nochtans springt voor elke objectieve toeschouwer in het oog met welke razernij de volgende wereldoorlog voorbereid wordt. Het is enkel nog een kwestie van tijd (en van het vinden van een zender Gleiwitz waarschijnlijk). Die oorlog zal dit hele proces natuurlijk nog in een stroomversnelling van jewelste brengen. En de kans dat het géén atoomoorlog zal zijn is miniem, uiterst miniem.

In het derde en vierde deel gaat hij dieper in op de aard van de menselijke soort. Hij gaat ervan uit dat veel van de handelingen van de mens, zo niet alles a.h.w. automatisch gebeuren, en dat wil en intenties zowel als doelstellingen in het leven eigenlijk niet bestaan. Het feit dat we geconfronteerd worden met onze sterfelijkheid en dat we gemiddeld tachtig jaar leven, leidt ertoe dat we alles op korte termijn bekijken; dat heeft zich ook vertaald naar de politiek, waar men niet verder kijkt dan de volgende verkiezingen, en zeker naar de economie waar het er enkel nog over gaat zo snel mogelijk zo veel mogelijk poen binnen te rijven. Après nous le déluge!

Het laatste hoofdstukje heet dan ook terecht: ‘Faire le deuil du genre humain?’ Het is goed dat hij een vraagteken erachter zet, want ook al is hijzelf blijkbaar quasi absoluut zeker, toch bestaat er in deze zaken ook geen absolute zekerheid – zoals de twee anderen duidelijker zeiden. Hierin gaat hij ook even in op de Natuur, en ook dat klopt mijns inziens volkomen:

“La nature ne résout pas les problèmes qui finissent par se poser: elle se débarrasse, dans sa splendide indifférence, de tout ce qui ne marche pas; elle recommensera plus tard, car sa luxuriance sur une planète comme la Terre est une donnée. L’histoire paléontologique nous le révèle: lorsque une de ses tentatives de créer la vie sous de nouvelles formes échoue, elle n’insiste pas; elle s’y reprendra tout simplement à nouveau , des millions d’années plus tard. Le temps et l’espace sont à son entière disposition, en quantité faramineuse.”(p. 238)

En:

“Ce qui apparaît au contraire très clairement à l’examen de l’évolution paléontologique, c’est qu’aucun dessein intelligent n’a présidé à sa manifestation : en dépit de la complexité de certaines structures observables, l’absence de plan préétabli est criante.” (p.239)

Ook dat doet mij terugdenken aan felle discussies over een boek dat in mijn studentenjaren verscheen: Le hasard et la nécessité van Jacques Monod.

De conclusie van deze auteur, Paul Jorion mag duidelijk zijn. Voor hem is het binnen voorzienbare tijd gewoon afgelopen met de mensheid. Persoonlijk denk ik dat hij gelijk kan hebben, ook al stel ik me wel vragen bij het tijdstip waarop. Daar sluit ik me eerder aan bij Servigne en Stevens, die dat in het midden laten.

Maar zelfs als het niet zo’n vaart zou lopen en er delen van de mensheid zouden blijven voortbestaan, dan zal het nooit meer zijn op de manier zoals we die hic et nunc kennen. Vooral in het westen. Waar ik vier jaar na de laatste oorlog geboren werd en waar ik hopelijk zal sterven voor de volgende oorlog begint, of voor het grote afsterven begint – as you like it. Dat alles is toeval, het lot, das Schicksal. Nee, met enige god heeft dat niks te maken, uiteraard, vanzelfsprekend.

Jorion ziet wel intelligent machines het van de mens overnemen. Maar hier gaat hij te ver. Om machines te bouwen die dat zouden kunnen is veel, veel meer tijd nodig dan de twee à drie generaties die hij de menselijke soort nog geeft. Daarin spreekt hij zichzelf dus tegen.

Maar ook daarzonder geloof ik niet in zo’n machinescenario. Het is gewoon te laat. De mensheid zal grotendeels verdwijnen, en misschien is dat ook maar goed zo. Veel goeds is uit haar verblijf op aarde immers niet voortgekomen.

Delen:
Share

Eén reactie

  1. Er is toch wel iets positiefs aan het verdwijnen van de soort mens: dat laatste vers van dat zeer bekende en vaak gezongen lied uit de 19de eeuw zal eindelijk bewaarheid worden: “Le soleil brillera toujours!”

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


3 × 5 =