08.05.17 – Vakantielectuur 4: Narren, nitwits en narcisten

| Geen reacties

Neem het volgende zeer kleine lijstje; de namen zijn alfabetisch gerangschikt:

  • Eva Brems
  • Christine van Broekhoven
  • Paul de Grauwe
  • Rik Torfs

Wat hebben ze gemeen? Op de eerste plaats dat ze academici zijn natuurlijk, hoogleraren, en niet van de minsten: meesters in hun respectievelijk vakgebied.

Maar ze hebben nog iets gemeen. Alle vier hebben ze in het Belgische federale parlement gezeten, voor respectievelijk de groenen, de sossen, de blauwen en de japneuzen. En alle vier hebben ze het daar niet erg lang uitgehouden, de ene al iets langer dan de ander, maar toch. En alle vier hebben ze zeer doorzichtige smoezen uitgevonden om hun vertrek uit het parlement met wollen leugens te omzwachtelen. Waarom ze dat doen? Waarschijnlijk omdat ze enerzijds geloven in het huidige systeem, ondanks hun torenhoge intelligentie. En omdat ze dat systeem dus niet willen ondermijnen. Het zijn brave burgers kortom en vriendelijke, beleefde mensen, die ‘de anti-politiek geen voedsel willen geven’.

Maar de werkelijke reden om uit dat halfrond zo vlug mogelijk weg te vluchten is van een andere orde, of ze het zichzelf nou willen toegeven of niet: ze hebben gewoon heel snel ingezien dat ze daar helemaal, maar dan ook helemaal niks kunnen doen of bewerkstelligen, dat heel die instelling jammer genoeg inderdaad is wat een verwerpelijke politieke stroming ze ooit genoemd heeft: een praatbarak. Zeiken en zeveren kunnen ze daar dat het niet netjes meer is. En daar begint het mee en daar houdt het ook mee op.

De échte macht ligt elders. Nee, ook niet bij de regeringen, die zijn enkel de stadhouders van die échte machthebbers, die te vinden zijn in de raden van bestuur van de grote financiële instellingen en van de grote bedrijven. Nergens anders.

En de vier hierboven genoemden kun je eigenlijk alleen maar lafheid verwijten: ze hebben de feitelijke verhoudingen snel ingezien, maar zijn te ‘hoffelijk’ of hoe je het ook noemen wilt, om man en paard te noemen.

Wat blijft er dan over in die parlementen?

Narren, nitwits en narcisten.

Zo ziet volgens mij de bevolking eruit van de politiek, de parlementen en de regeringen.

Het spreekt dan ook vanzelf dat een boek daarover in zekere zin gefundenes Fressen voor mij was. Het boek in kwestie is: Hans-Jürgen Wirth: Narzissmus und Macht. Zur Psychoanalyse seelischer Störungen in der Politik (Psychosozial-Verlag, Giessen, 2002 – mijn exemplaar is de vijfde druk, uit 2015).

Het was een ontgoocheling in bijna alle opzichten.

Het begint met een ruime inleiding van theoretische aard, waarin macht en narcisme als Siamese tweelingen worden voorgesteld. Of dat zo is, vraag ik me nog steeds af. De auteur geeft wel een doenbare inleiding in het fenomeen ‘narcisme’ – dat is zijn vakgebied – maar over machtsuitoefening, sociologie en politicologie weet hij duidelijk minder, en mijns inziens slaagt hij er niet echt in een geloofwaardige band tussen beide te leggen. Dat is op zich niet eens zo erg, want wellicht kunnen we in de volgende vier delen, waarin telkens een concreet geval behandeld wordt, wel meer afleiden daarover.

Niet dus.

Die vier gevallen zijn achtereenvolgens Uwe Barschel, Duits politicus uit Schleswig-Hollstein, die uiteindelijk in een hotelkamer in Genève zelfmoord gepleegd zou hebben (daar gaat Wirth vanuit, maar echt bewezen is het niet), Helmut Kohl, die bekend genoeg is, Joschka Fischer die de Duitse groenen ‘salonfähig’ heeft gemaakt en minister van buitenlandse zaken was onder Schröder, en tenslotte Slobodan Milosevic als enige niet-Duitser.

Dat laatste hoofdstuk is een gruwelijk hoofdstuk in al zijn vooringenomenheid en soms aan fascistoïde methoden herinnerende werkwijze. Het lijkt eerder op een propagandistisch pamflet van de ergste en vaak ranzigste soort dan op een ‘wetenschappelijk’ opstel. Uit een moeilijke jeugd van Milosevic met heel wat zelfmoorden in de familie (bv. van zijn ouders) wordt afgeleid dat hij een oorlogsstoker zou zijn die op zijn eentje verantwoordelijk zou zijn voor de Joegoslavische secessieoorlogen. Dat hij enkel Joegoslavië bij elkaar wou houden, wat overigens een zeer legitieme doelstelling was, komt in de kop van Wirth niet op. Milosevic had volgens hem de voorstellen van Rambouillet moeten aanvaarden. Maar blijkbaar weet de man niet dat die door de VS met opzet zó werden opgesteld dat Milosevic ze niet kon aanvaarden en dat wisten Albright c.s. ook;  hun enige doelstelling was natuurlijk ervoor te zorgen dat de NAVO Servië zou bombarderen.

Erger nog is het feit dat vanuit Milosevic een ‘völkerpsychologische’ lijn getrokken wordt naar de Serviërs als geheel; zelfs tot systematische kinderverkrachters en incestplegers worden ze afgewaardeerd – als groep. Het staat er niet letterlijk zo, uiteraard, daarvoor is Wirth wellicht te gewiekst. Het komt er door de duidelijke suggesties echter wel op neer! Het is niet alleen te belachelijk voor woorden, het is gewoon walgelijk. Ook al voegt de auteur af en toe een zinnetje tussen om kritiek, zoals die van mij, al op voorhand te counteren. Wat alleen maar betekent dat hij weet verkeerd bezig te zijn.

Wanneer je dat hoofdstuk gelezen hebt, vraag je je onmiddellijk af hoe het dan met de drie andere, aan Duitse politici gewijde delen staat?! Het controleerbare feitenmateriaal klopt daar wel (bij Milosevic eveneens overigens, alleen was de hoeveelheid controleerbaar feitenmateriaal daar veel, veel kleiner), maar als de interpretaties even stompzinnig zijn als in het geval Milosevic… Maar over de Duitsers als groep, als volk, over hùn psychologie: géén woord.

Het valt trouwens op: wat de auteur beschrijft aan de hand van zijn vier cases is het gedrag van politici in het algemeen, en niet zozeer van narcisten onder die politici. Ik neem aan dat er onder politici meer daarvan zijn, maar dat kan hij niet hard maken. De smerige spelletjes, het over lijken gaan als het moet, de dubbele olifantenhuid, het handelen vanuit duidelijke gevoelens van rancune en ressentiment enz., het zijn kenmerken van alle politici, en niet noodzakelijkerwijze van politici met een bepaald psychisch ziektebeeld. Ik vraag mij trouwens af waarom hij het gedrag van toppolitici niet eerder in verband brengt met dat van bepaalde psychopaten (en dan denk ik niet zozeer aan de seriemoordenaars).

Zijn hoofdstuk over Joschka Fischer is duidelijk veel zachter dan die over Barschel en Kohl, terwijl er wat ressentimenten en over lijken gaan geen enkel verschil is. Laten we niet vergeten dat Fischer de eerste was om de Duitse ‘belangen’ in het buitenland weer op de kaart te zetten, op de eerste plaats in Joegoslavië, waar Duitsland een grote smerige rol speelde in het uit elkaar vallen van dat land. Met alle middelen heeft Fischer dat proces aangewakkerd, wat dat betreft had Milosevic gelijk. Blijkbaar is Wirths boek ook voor een deel een apologie van een bepaald soort Duitse politiek. En wie het meeste doden op zijn geweten heeft, Milosevic die zijn land verdedigde, of Fischer die tot de aanvallende partij behoorde, zullen we maar in het midden laten.

Overigens, op een bepaald ogenblik stelt hij de vraag of Fischer als minister zijn integriteit bewaard heeft of niet. Maar de belangrijkere vraag of die man ooit integer geweest is, stelt hij niet. Fischer behoorde in Frankfurt tot de politieke bohème, de marge van het lumpenproletariaat. En die zijn te koop, voor de meest biedende. Voor wie Fischer toen werkelijk als straatvechter werkte? Wie zal het zeggen…

Ook gebruikt Wirth termen door elkaar die duidelijk van elkaar onderscheiden moeten worden. Zo wordt bij Milosevic borderline gedetecteerd. Maar ging het boek niet over narcisme? En wat met de politieke standpunten van de vier behandelde politici? Die worden op geen enkel ogenblik in aanmerking genomen, wat toch op z’n minst merkwaardig is, want een persoonlijkheidsstoornis heeft niet enkel gevolgen voor wat betreft het gedrag van een politicus, maar ook op zijn standpunten. En is Kohl (die ik op geen enkele manier wil verdedigen) schuldig aan de zelfmoord van zijn vrouw, zoals Wirth minstens suggereert? Mij lijkt het eerder een laat gevolg van het feit dat zij op 12-jarige leeftijd slachtoffer werd van een groepsverkrachting, die ze amper overleefde  en dat zij dat blijkbaar nooit ergens fatsoenlijk heeft kwijt gekund. Een beetje psycholoog moet dat gewoonweg weten.

Het boek eindigt met nog twee bijkomende theoretische concluderende hoofdstukken, waarvan ‘Psychoanalyse und Politik’ het gevaarlijkste is. Iedereen weet nog hoe de psychiatrie in de Sovjet-Unie misbruikt werd tegen ‘dissidenten’ (wat men verder ook over die ‘dissidenten’ moge denken); en niet alleen daar: in het begin van de jaren zeventig werd ook hier in België geroepen om Kris Merckx aan een psychiatrisch onderzoek te onderwerpen wegens zijn politieke opvattingen en acties. Eigenlijk, en ook al doet hij uitschijnen dat het niet zo is, pleit Wirth voor iets dergelijks. En wat mij betreft is dat verwerpelijk.

Je zou eerder manieren moeten vinden om ervoor te zorgen dat geesteszieken niet op belangrijke politieke posten terecht komen. Maar hoe ga je dat doen? Je zult dan heel het zgn. ‘democratische’ politieke systeem moeten gaan herdenken en heruitvinden. Om te beginnen.

Eigenlijk is dit boek in alle opzichten grotendeels waardeloos.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vier × drie =