08.05.17 – Nogmaals Céline

| Geen reacties

De weduwe van Louis-Ferdinand Céline leeft nog steeds in hun huis in Meudon, ook al is ze inmiddels de honderd al ruim gepasseerd. Ik heb me wel eens afgevraagd hoe je de wereld bekijkt wanneer je zo’n leeftijd bereikt. Maar daar kun je maar op antwoorden wanneer je zelf zo ver bent, en ik hoop begot dat het zo ver niet zal komen. Nou, de kans is klein, dus ik zal me er maar geen zorgen over maken.

Veronique Robert-Chovin heeft in het verleden al een boekje met gesprekken met Lucette Destouches uitgegeven, en een tweede is dit jaar gevolgd: Lucette Destouches, épouse Céline (Editions Grasset, Paris, 2017). Deze keer geen gesprekken, maar een dagboekje waarin de schrijfster haar bijna dagelijkse bezoeken aan het grote huis in Meudon en de bewoonster ervan vastlegt, en dat van juli 2012 tot januari 2016.

Veel leren we daar niet uit. Het spreekt immers vanzelf dat een persoon die de honderd voorbij is, enkel nog in het verleden leeft. Of in het heden een beetje, met de gang der seizoenen dan, die een belangrijke rol spelen. Maatschappelijk leef je eigenlijk al niet meer op die leeftijd. Maar toch: Lucette is blijkbaar tot op die hoge leeftijd alert gebleven en vol bewustzijn over wat er rond haar, in de kleine wereld van haar huis en rond de weinigen die er uit de buitenwereld nog op bezoek komen, gebeurt. Behalve enkele vriendinnen zoals de schrijfster zijn dat vooral verzorgsters van de sociale dienst.

Het boekje leest snel, vlot en aangenaam.

°°°

Hetzelfde mag gezegd worden van een ander boek, deze keer samengesteld en ingeleid door dezelfde Veronique Robert-Chovin: Devenir Céline. Lettres inédites de Louis Destouches et de quelques autres, 1912-1919 (Editions Gallimard, Paris, 2009). Dit moet ongeveer de laatste van de vele correspondenties van Céline zijn om te verschijnen. Het is alleszins interessanter dan het vorige, omdat je inderdaad aan deze brieven kunt aflezen hoe Louis Destouches uiteindelijk Louis-Ferdinand Céline geworden is.

De eerste reeks brieven, vanuit het opleidingskamp en het begin van de mobilisatie, lijken me nog eerder verplichte oefeningen; het valt trouwens op dat in deze periode meer brieven van anderen zijn opgenomen dan van Céline zelf. Met name van zijn oversten en van collega’s soldaten; die berichten allen over hem aan de vader van Céline, die zijn zoon blijkbaar zeer in het oog hield en van al zijn doen en laten op de hoogte wilde zijn. Wantrouwen? Ouderlijke bezorgdheid? Wie zal het zeggen. Er blijkt wel uit dat Céline het in de kazerne op bepaalde vlakken moeilijk had, bv. wegens zijn angst voor paarden.

Tijdens de oorlog werd hij snel gewond, dat is geweten, en dat betekende ook het einde van zijn militaire inzet. Na de nodige operaties verbleef hij eerst kort in Londen en dan in Afrika. Op dat ogenblik beginnen de brieven langzaamaan een ander karakter aan te nemen. Dat merk je al aan het feit dat ze gewoon langer worden. Maar vooral: er wordt uitgebreid en soms smeuïg verteld over zijn belevenissen. De stijl nadert dan al die van sommige passages van Voyage au bout de la nuit; éen voorbeeld slechts:

“Alors, je me laisse aller tout doucement à des réflexions mélancoliques sur mon état vagabond…mais j’évoque aussitôt le plat tableau du confort européen, de la vie mièvre, ordonnée, mesurée, pesée, compassée, commentée des gens de là-bas, tracassiers, prétentieux, mesquins, et mon ennui disparaît, je me sens libéré de l’angoisse, protégé de tout cela par ma grande solitude.” (pp. 120-121)

Zelfs de beroemde drie puntjes zijn er al een eerste keer.

Belangrijk lijkt me volgende passage uit een brief aan zijn vader van oktober 1916, geschreven vanuit Afrika:

“Même au feu, je n’avais éprouvé cette sensation si pénible au début, de se sentir seul, absolument seul et de savoir et de se rendre parfaitement compte que quoi qu’il arrive, on ne devra compter exclusivement qu’avec et que sur soi-même.” (p. 139)

Het wijst op een gevoel van grote eenzaamheid, wat natuurlijk zeer bevorderlijk is voor een schrijverscarrière. Het wijst ook op een zeer groot wantrouwen ten opzichte van de medemens, een wantrouwen dat zo groot kan worden dat je in bepaalde omstandigheden quasi automatisch zondebokken gaat zoeken. En wie dat in de jaren dertig en veertig zouden worden is welbekend.

Toch valt het ook op dat in deze vroegste brieven geen politieke uitspraken voorkomen, niet in algemene zin en niet met betrekking op de actualiteit (wanneer je de patriottische oprispingen van de jonge soldaat weglaat), op één belangrijke uitzondering na: op een bepaald ogenblik stelt hij dat het misschien wenselijk zou zijn om bepaalde mannen en vrouwen ‘sous une douce tutelle’ te stellen, en daarbij verwijst hij expliciet en in positieve zin naar de slavernij. Maar hij voegt er wel zelf bij: ‘aussi rétrograde que paraisse mon idée’ (pp.144-145).

De teksten zelf worden gevolgd door een uitleiding van de samenstelster – die deze map met brieven en documenten overhandigd kreeg door Lucette Destouches – en door twee reeksen aantekeningen betreffende personen en plaatsen.

Het boek brengt inderdaad iets bij: we zien wat er blijkbaar al in nuce aanwezig was in de persoonlijkheid van Céline en hoe dat begonnen is zich te ontwikkelen om uiteindelijk anderhalf decennium later te culmineren in de werken die we allemaal kennen.

°°°

Een boek over Céline dat weinig of niets bijbrengt ondanks zijn meer dan duizend dichtbedrukte pagina’s is: Annick Duraffour en Pierre-André Taguieff: Céline, la race, le Juif; Légende littéraire et vérité historique (Librairie Arthème Fayard, Paris, 2017). Faut le faire!, zeggen ze in het Frans; zo’n kanjer schrijven en toch niets nieuws brengen, toch niet wat de feiten betreft. Maar eigenlijk evenmin wat de appreciaties betreft. Misschien is deze publicatie een reactie op de heruitgave in Canada (daar vallen literaire werken vijftig jaar na de dood van de schrijver in het publieke domein, in Europa is dat zeventig jaar, hetgeen dom en jammer is) van de Ecrits Polémiques (uitgegeven  en van aantekeningen en inleidingen voorzien door Régis Tettamanzi, Editions8, Québec) in 2012, waaronder ook de drie beruchte antisemitische pamfletten, die na de tweede wereldoorlog nooit heruitgegeven werden, omdat de auteur en nadien zijn rechthebbenden zich daar expliciet tegen verzetten. Die heruitgave was een monumentaal voorbeeld van nagestreefde objectiviteit en wetenschappelijke accuratesse.

Dat kun je van het boek van Duraffour en Taguieff onmogelijk zeggen. Dat is eerder een pamflet, zowel nog maar eens tegen Céline zelf, maar toch vooral, onrechtstreeks meestal, tegen de Célinianen (waaronder ik mezelf niet reken, ook al heb ik hem altijd zeer graag gelezen). Dat is natuurlijk hun recht, maar om dan maar onmiddellijk van ‘historische waarheid’ te gaan spreken is op z’n zachtst gezegd overdreven.

Natuurlijk was Céline een antisemiet, zelfs de hardste hard-boiled Céliniaan zal dat toegeven. Zoals mede door het grondige werk van Tettamanzi geweten is waar Céline zijn antisemitische mosterd haalde (voordien hadden anderen dat al gedeeltelijk nagespeurd, maar nooit zo grondig), in obscure idiote publicaties van complotdenkers meestal, en in de geschriften van sociaal-darwinisten, die in die tijd nog voor een groot deel doorgingen als zijnde wetenschappelijk.

Nochtans hebben zij ook hun best gedaan, want voor 778 bladzijden tekst volgen meer dan driehonderd bladzijden voetnoten en bibliografie. En dat is eigenlijk de enige verdienste van dit reuzenwerk: alles wat betrekking heeft op het antisemitisme van Céline wordt in één volume samengebracht, en via de bibliografie kan de lezer zelf verder zoeken. Dat kon en kan hij natuurlijk ook, en zelfs veel beter via het werk van Tettamanzi, maar ik vrees dat dat wegens de tevoren genoemde reden in Frankrijk niet verdeeld mag worden. Ofschoon hij in hun bibliografie niet voorkomt, verwijzen beiden wel enkele keren naar zijn werk.

In vier delen wordt het antisemitische werk van Céline behandeld; in een eerste deel wordt de context van de jaren dertig geschetst voor wat dit antisemitisme betreft (andere belangrijke elementen van die context komen niet of minder aan bod) en dan wordt dus dat werk zelf behandeld. En het wordt aus sérieux genomen begot, en hoe! Ik begrijp dat nog altijd niet. Ik ga hier niet herhalen wat ik ervan vind, iedereen kan dat hier op deze blog terugvinden.

Overigens kloppen sommige zaken die de auteurs beweren niet, zo bv. dat Céline bepaalde personen rechtstreeks en persoonlijk zou hebben aangegeven bij de Duitsers, tijdens de bezetting. Dat wordt al heel lang beweerd, maar het werd nooit bewezen, ook hier niet. Nochtans stellen de auteurs het voor als vaststaande feiten. Vandaar wellicht ook hun subjectieve en vaak zeer denigrerende stijl ten opzichte van hun onderwerp.

Blijkbaar is ook in Frankrijk de tweede wereldoorlog nog altijd niet voorbij.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


1 × vijf =