07.05.17 – Vakantielectuur 2: Germaine de Staël

| Geen reacties

Decennia geleden heb ik haar bekendste – of toch één van de bekendste – werk gelezen: De l’Allemagne. Ik weet er niets meer van, het is gewoon te lang geleden.

Hoe ik op dit boekje van amper zestig bladzijden gekomen ben, weet ik evenmin nog, ook al is die ‘ontdekking’ zeer recent. Het betreft: Réflexions sur le suicide, in een fotomechanische herdruk van de editie van 1813, die was uitgegeven in Berlijn. Ze was immers door Napoleon uit Frankrijk verbannen.

Het boekje wordt in geen van de belangrijke werken over literatuur en zelfmoord vernoemd, ook door Jeroen Brouwers niet. Nochtans is Germaine de Staël niet de eerste de beste. Maar in vergelijking met haar overige werk zal dit boekje wellicht toch van mindere kwaliteit zijn. Het is in elk geval géén apologie van de zelfmoord, zelfs geen begripvolle benadering zoals die van John Donne heel wat eerder.

Uit de opdracht leer ik dat er mogelijk persoonlijke oorzaken geweest zijn om dit boekje te schrijven, maar dat wordt enkel gesuggereerd. Maar even verder wordt in een voetnoot wel gesteld dat de schrijfster eerder wel op positieve wijze over zelfmoord geschreven heeft, met name in haar Sur l’influence des passions sur le bonheur des individus et des passions. Dat heb ik niet gelezen en in hoeverre dat inderdaad een apologie van de zelfmoord bevatte, weet ik dus niet.

Onderhavig boekje lijkt dus ook een zelfkritiek te zijn.

Het bestaat uit drie delen en een aanhangsel, die allemaal in het teken van het christendom staan. Dat is al genoeg natuurlijk om te weten dat zelfmoord hier wordt afgekeurd. Toch gebeurt dat op een eerder zachte wijze, zonder vervloekingen of dreigingen met hel en duivels.

Het eerste deel vraagt zich af ‘Quelle est l’influence de la souffrance sur l’âme humaine?’ Ze heeft wel begrip voor de verschillende vormen van lijden, maar is van oordeel dat het nooit erg genoeg kan zijn om tot zelfmoord over te gaan. Over het algemeen staat ze zelfs positief tegenover de verschillende vormen van lijden, omdat ze het karakter zouden sterken; achtereenvolgens heeft ze het over de liefde, en het verlies van geld en van eer. We zijn in de achttiende eeuw natuurlijk.

Hierna begint het tweede deel, dat expliciet de wetten van de christelijke religie t.o.v. zelfmoord behandelt, met een expliciete verwijzing naar – kan het anders?! – Job, hét voorbeeld van christelijke lijdzaamheid in de bijbel. Van daaruit wordt dan de eeuwigheid tegenover de tijdelijkheid gesteld: en de christenen dienen natuurlijk eerder aan hun zielenheil in het hiernamaals te denken en te werken dan zich met de ongelukkige toestand hier beneden bezig te houden.

Het derde deel behandelt dan ‘la dignité morale de l’homme’. De eerste bladzijden analyseren wat zij noemt ‘le dévouement’, en dat kan alles betekenen, omdat de mens zich nu eenmaal in alles kan inleven, en zijn leven aan alles kan wijden. Eveneens typisch voor de achttiende eeuw: tegenover die toewijding wordt het gedrag gesteld van wat zij ‘les sauvages’ noemt, waarin ze bepaalde gebruiken die toen waarschijnlijk pas bekend werden hekelt, zo het afstoten en in de zelfmoord drijven van ouderen die geen nut meer hebben voor de maatschappij (iets dat men nu trouwens nog steeds doet, alleen op een door en door hypocriete manier – door de zorg af te breken en het sociaal weefsel te vernietigen).

Tenslotte gaat ze dieper in op enkele gebeurtenissen in Berlijn, met name één gebeurtenis vooral: de dubbelzelfmoord van een jonge dichter, genoemd ‘de K…’, die na een goede maaltijd eerst zijn vriendin doodt en dan zichzelf. Uiteraard wordt hier naar Kleist verwezen, die toen voor de Staël waarschijnlijk nog een illustere onbekende was in plaats van de grote schrijver die hij nu is. Ook trekt ze enkele summiere vergelijkingen met Engeland en andere landen. Het is best mogelijk dat deze summiere verwijzing – in een voetnoot dan nog – naar Kleist en diens dubbelzelfmoord de allereerste ooit geweest is. Die vond plaats in november 1811, dus op een ogenblik dat zij wellicht al aan dit boekje werkte. Niet veel later zou dat natuurlijk een van de schokkendste en bekendste gebeurtenissen uit de Duitse en Europese literatuur worden.

Uiteindelijk sluit ze haar boekje af met uittreksels uit de brieven van Lady Jane Grey aan haar arts. Op zestienjarige leeftijd werd zij voor negen dagen koningin van Engeland en dan onthoofd, zogezegd wegens hoogverraad. De brieven tonen iemand die haar angst probeert te overwinnen, die een gemakkelijke zelfgekozen uitweg weigert, en steun en troost zoekt en vindt in haar godsdienst.

Germaine de Staël ziet in haar duidelijk een na te volgen voorbeeld.

Wij, vandaag de dag, helemaal niet meer. En ook dat is goed.

°°°

Madame de Staël – François Gérard (1810)

Naast dit boekje, dat eigenlijk enkel interessant is voor mentaliteitshistorici, verscheen zowat een maand geleden ook een aan de Staël gewijd Pléiade-deel. Het bevat drie van haar belangrijkste werken: twee werken van fictie en het zeer bekende De la littérature considérée dans ses rapports avec les institutions sociales. Ik heb het nooit gelezen, maar uit mijn studententijd, toen ik me een tijdje intens met wat toen literatuursociologie heette, heb beziggehouden, herinner ik me nog wel dat dit een van de belangrijkste voorlopers van die discipline was.

In dit laatste werk analyseert ze niet enkel de betrekkingen met de sociale instellingen, zoals ze het noemt, maar ze stelt de verschillende Europese literaturen ook in een nationaal daglicht. Wat dat betreft is ze zeker te vergelijken met iemand als Herder in Duitsland. De Ico Maly’s van deze wereld, wier nek vele, vele malen dikker is dan hun verstand, kunnen haar dus onmiddellijk gaan beschouwen als nog eens een voorloopster van de nazi’s – of van Le Pen, wat voor hen natuurlijk hetzelfde is.

Zelf beperk ik mij tot de vaststelling dat beiden eigenlijk voorlopers zijn van wat bijna een eeuw later ‘Völkerpsychologie’ (Wundt) genoemd zal worden, een discipline die inderdaad heel gemakkelijk misbruikt kan worden, en dat dus ook werd. Op zichzelf is die discipline niet te verwerpen, maar het komt er wel op aan het kaf heel grondig van het koren te scheiden, heel voorzichtig te zijn, en het scheermes van Ockham steeds bij de hand te houden. Maar dat moet je natuurlijk bij elke deeldiscipline van de psychologie doen. En wellicht bij elke niet-exacte wetenschap.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


2 + drie =