06.05.17 – Vakantielectuur: Tchoudinova

| Geen reacties

Als ze er al kennis van hebben, dan krijgen de leden van de politiek correcte roedels bij die naam het reetschurft, jeuk over heel hun lijf, hun haren rijzen letterlijk ten berge en ze verzinken in afwisselend spasmen en stupor.

Elena Tchoudinova: La Mosquée Notre-Dame de Paris année 2048 (Editions Tatamis, s.l., 2009); zo heet het eerste boek dat ik tijdens mijn afgelopen vakantie las, en de titel zegt al alles. Het boek is zeer moeilijk nog te krijgen, enkel tweedehands, en ik vermoed dat het inmiddels in Frankrijk verboden is wegens inbreuken op allerlei idiote en krankzinnige wetten op racisme, haat zaaien, belediging van volksgroepen enzoverder enzovoort.

En het is helemaal geen slecht boek, gezien vanuit een zuiver literair standpunt. Het is opgebouwd met een zekere spanning, een beetje zoals een detective, het is vlot geschreven (of vertaald, want ik ken geen Russisch), en er is veel afwisseling in de figuren en hun optreden. Waarbij enkele figuren het hele boek door terugkomen en dus de hoofdpersonen zijn: een vrouw van Russische afkomst, een katholieke priester, enkele jonge mensen en een vreemd kind.

De roman behoort tot het genre van de zgn. dystopie en heeft een zeer duidelijk en expliciet uitgangspunt: in Frankrijk heeft de islam, en met name een van de ergste strekkingen ervan, het Wahabisme (bekend van de ‘prille democratie’ Saoedi-Arabië) een staatsgreep gepleegd en haar krankzinnige vorm van sharia ingevoerd: in het wijnland Frankrijk is alcohol uiteraard verboden, in het culturele land Frankrijk zijn de musea gesloten en de kunstwerken vernietigd want afbeeldingen zijn haram, en degenen die zich niet wensten te bekeren, de kafirs dus, leven voortaan in getto’s, waar ze enkel met speciale toelatingen en op bepaalde uren uit mogen. Uiteraard bestaat er ook een verzet, een ‘résistance’ ofte ‘maquis’ en twee maal wordt in het boek verwezen naar de bezetting door ‘les boches’. De hoofdpersonen behoren quasi allemaal tot dat verzet, dat o.a. gebruik maakt van het ondergrondse Parijs (gesloten metrolijnen, catacomben, rioleringen). De wahabitische machthebbers beslissen de getto’s leeg te maken door degenen die er leven te doden en zodoende het verzet droog te leggen. Dat reageert door enerzijds de bewoners van de getto’s te verzamelen met het oog op evacuatie, en anderzijds door de Notre-Dame, inmiddels hoofdmoskee van Parijs, in te nemen, opnieuw te wijden om er een laatste mis te laten opdragen en dan te vernietigen liever dan ze in handen van de moslims te laten. Dat is in het kort het gegeven, of de samenvatting als men wil.

De schrijfster is volledig islamofoob, en dat is het aspect dat door de politiek correcte roedels uitgekotst zal worden. Wat mijzelf betreft kan ik enkel maar zeggen dat ik even islamofoob ben als de schrijfster; maar in tegenstelling tot haar, ben ik ook judeofoob en christianofoob, met dien verstande dat ik goed kan uitmaken welke van de drie op een bepaald ogenblik gevaarlijk is en welke minder of niet.

Islamofobie is een positieve zaak, waar elk progressief denkend mens alleen maar achter kan staan.

De schrijfster noemt haar boek een ‘roman-mission‘ (vet van mij) in de ondertitel, wat nog een categorie sterker is dan ‘roman à thèse’, een genre dat meestal nogal negatief bekeken wordt. De missie in kwestie is natuurlijk de strijd tegen de islam, die heel het boek door breed uitgesmeerd wordt en soms in termen die niet echt vleiend en zelfs regelrecht beledigend zijn. ‘Belediging’ is voor mij helemaal geen strafrechtelijke categorie, ook hier niet, waar het duidelijk zeer bewust gebeurt, waar de schrijfster bewust wil denigreren en dus beledigen. Ze hebben misbruik gemaakt van hun petroleum, de roep van de muezzin lijkt op de schreeuw van een reusachtig varken, de moslims worden systematisch ‘sarrasins’ genoemd, een woord dat vandaag erg negatief klinkt, het zijn halsafsnijders (“Ils en éprouvent une grande jouissance. Savez-vous qu’il leur arrive souvent d’éjaculer en égorgeant leur victime?” (p. 109) – wie een beetje psychoanalyse kent, weet dat dit niet overdreven is), en de meest denigrerende term is waarschijnlijk die van het kind Valérie: ‘les derrières’ ofte de achtersten. Iedereen zal wel weten wat bedoeld wordt.

Het hele boek door wordt ook systematisch de absolute tegenstelling ‘zij/wij’ gebruikt; zij, de moslims zijn de vijand, en wij, de Fransen (‘de souche’) zijn de goeden. Zoals in een echte oorlogssituatie, zoals die in dit boek geschetst wordt, verdwijnt elk individueel onderscheid om enkel nog groepen over te houden volgens het adagium: wie niet voor mij is, is tegen mij.

Waarschijnlijk is de schrijfster, waar ik verder niets over weet (behalve natuurlijk dat ze een Russische is) zelf nogal religieus, maar of ze orthodox of katholiek is zou ik niet kunnen zeggen. Hoe dat ook zij, een van de hoofdpersonen is, zoals al gezegd een priester, een katholieke priester, en wel van de strekking van monseigneur Lefebvre – of all persons! In enkele gesprekken wordt overigens duidelijk gemaakt dat deze van oordeel is dat met Vaticanum II de decadentie van de katholieke kerk begonnen is. Blijkbaar beseft de schrijfster niet dat er geen wezenlijk onderscheid is tussen de klassieke katholieke kerk en de sekte van Lefebvre; maatschappelijk gezien betekenen beide in het westen, in Europa laten we zeggen, quasi niets meer, in die zin dat ze hun politieke macht definitief kwijt zijn, én dat dat goed is. Misschien beseft de schrijfster dat zelf ook wel, want rond de priester cirkelen andere verzetsmensen die gewoon ongelovig zijn, of half gelovig of hoe dat ook heten mag. Maar haar sympathie ligt toch eerder bij de letterlijk reactionaire priester – even reactionair als de islam waar hij tegen strijdt. Dat wordt trouwens ook bewezen door enkele andere verwijzingen, nl. die naar de Vendée en naar Charlotte Corday, telkens in positieve zin.

Het lijkt er dus op dat Tchoudinova terug wil naar een soort Ancien Régime.

Wat rabiate onmogelijke onzin is.

Maar we hebben wel nog altijd met een roman te doen natuurlijk. Maar die zich inschrijft in bepaalde apocalyptische strekkingen die vandaag nogal sterk naar voren komen; het is dan ook geen toeval dat de verteller zelf – maar in hoeverre kunnen we die vereenzelvigen met de schrijfster? – op een bepaald ogenblik stelt: “Car, dans un certain sens, le Jugement Dernier avait déjà commencé.” (p. 407) In die zin is het boek ook een uiting van wat sinds Huntington de ‘clash of civilisations’ genoemd wordt, hier dus tussen christendom en islam. De uitdrukking ‘le conflit des civilisations’ wordt zelfs één keer letterlijk gebruikt (p.306) Ook andere verwijzingen, met name naar een niet zo ver in het verleden liggend politiek verleden passen in die context: verwijzingen naar de Joegoslavische secessieoorlogen, en met name naar Servië (een van de hoofdpersonen, die toevallig of niet Slobodan heet en die bij de wahabieten geïnfiltreerd is, is trouwens een Serviër), naar de gebeurtenissen in Beslan, waar door islamitische Tsjetsjeense terroristen o.a. bijna tweehonderd kinderen vermoord werden, naar gebeurtenissen in Polen, etc. Dat soort verwijzingen komt wel vaker, maar niet overdreven vaak voor. Hetzelfde moet trouwens gezegd worden van andere verwijzingen; de schrijfster weet echt goed te doseren, op alle vlakken.

Wat ik ook erg origineel vind is het optreden van een kind dat Valérie heet. Eén van de hoofdstukken is trouwens naar haar genoemd. Toch is haar optreden eerder marginaal en sporadisch. Zij heeft het denigrerende ‘les derrières’ uitgevonden, zij cirkelt voortdurend rond de Notre-Dame… Een soort mascotte van het verzet zou je kunnen zeggen, maar ik denk dat er meer aan de hand is, dat de schrijfster via deze figuur een in haar geest nodige reiniging voor-ziet; in die zin lijkt zij meer trekken van een engel te bezitten dan van iets anders. Het lijkt me een symbolische figuur, maar zoals dat zo vaak het geval is met symbolen valt moeilijk exact vast te stellen waar ze voor staat.

De kern van het hele boek ligt in één zinnetje, dat in het boek zelf vier keren voorkomt, en dat ook op de achterflap in het vet afgedrukt wordt (ik zet het eveneens in vet): Quand on commence à faire des concessions, on ne peut plus s’arrêter. (pp. 57, 278, 279 en 336)

Als men als maatschappij zichzelf en zijn wat men dan noemt ‘waarden en normen’ een beetje au sérieux neemt, dan klopt die stelling volledig. En als je van het boek naar de maatschappij waarin we leven vertrekt, dan merk je dat al veel te veel toegegeven werd en dat het, gesteld dat men dat wil, extreem moeilijk zal zijn om dat terug te schroeven. Wat sowieso toch niet zal gebeuren.

Ondanks sommige bedenkelijke aspecten, waar ik dus duidelijk niet achter sta, vind ik het een goed boek, op de eerste plaats zuiver literair, maar ook in die zin dat het werkelijke belangrijke maatschappelijke problemen aanraakt, verwoordt en onder de aandacht brengt. Dat gebeurt in een opvolging van scènes, die zeer filmisch aandoen, in die zin zelfs dat er van dit boek onmiddellijk een boeiende film gemaakt zou kunnen worden.

Maar degene die daar nog maar aan denkt haalt zich natuurlijk de doodstraf via een fatwa op de hals. Zover hebben de toegevingen inmiddels al geleid.

Net zoals dat het geval was bij het verschijnen van Soumission van Houellebecq zal de goegemeente waarschijnlijk de schouders ophalen en zeggen dat het zo’n vaart helemaal niet zal of zelfs maar kan lopen. Er zijn immers in West-Europa maar 4 à 6 % moslims aanwezig, met grotere percentages in de grote steden. Uiteraard klopt dat. Zoals er op het ogenblik dat Constantijn het christendom toeliet ongeveer evenveel christenen waren; en zelfs op het ogenblik dat Theodosius er de staatsgodsdienst van maakte, op het einde van diezelfde vierde eeuw, waren er volgens schattingen (die natuurlijk nooit volledig adequaat zijn, maar wel voldoende om er conclusies ui te kunnen trekken) ongeveer 10% christenen.

Het boek doet qua thema ook denken aan een eerdere Franse roman, van de extreem-rechtse schrijver Philippe Gautier: La Toussaint blanche. Dat dateert al uit de jaren tachtig van de vorige eeuw en beschrijft een burgeroorlog in Frankrijk tussen patriottische Fransen en Maghrebijnen. Literair gezien is hij minder dan deze roman van Tchoudinova.

°°°

In respectievelijk 1922 en 1925 verschenen de volgende romans: van Hugo Bettauer: Die Stadt ohne Juden, ein Roman von Übermorgen; en van Artur Landsberger: Berlin ohne Juden. De eerste werd in 1924 zelfs verfilmd (film die werd heruitgebracht door Edition der Standard, der Österreichische Film, en het Filmarchiv Austria in 2008 – misschien is hij nog te krijgen). In het licht van wat er slechts enkele jaren later gebeurd is, zijn dat verbijsterende boeken: enkel de wetenschappelijke uitroeiing in kampen als Auschwitz, Majdanek enz. komt er niet in voor (dat kon de fantasie waarschijnlijk onmogelijk vatten), maar al de andere maatregelen wel degelijk.

Dergelijke boeken of films over de uitroeiing van de moslims alhier zijn me niet bekend, ze bestaan waarschijnlijk ook niet. Niet omdat zoiets ondenkbaar zou zijn, alles is denkbaar. Maar omdat het om allerlei voor de hand liggende redenen politiek ondoenbaar is. En gelukkig maar, misschien is dat dan toch een heel, heel klein beetje vooruitgang.

Maar waarom zouden boeken als Soumission en dit La Mosquée Notre-Dame de Paris année 2048, niet op een gelijkaardige manier voorspellend kunnen zijn? Zoals Le camp des saints dat was?

Ik vraag niet liever dan te worden overtuigd van het feit dat dat niet kan.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


17 − tien =