09.04.17 – Johannes Grützke

| Geen reacties

Boos was ik.

Op teevee had ik heel even tijdens het zappen een item gezien over een schilder die ik zeer aansprekend vond.

Ik vertelde het verder en binnen de kortste keren was er in Deventer al een hotelkamer geboekt en waren er treinkaartjes gekocht. Wat helemaal niet in mijn bedoeling lag, want ik heb geen zin om voortdurend op reis te gaan.

Het dorpje Gorssel ligt juist in het midden tussen Deventer en Zutphen, op zeven kilometer van elk. Vanuit beide steden is het gemakkelijk te bereiken met de bus, die bijna voor het museum More stopt.

Daar liep (en loopt nog) een overzichtstentoonstelling van de Duitse kunstenaar Johannes Grützke, waar ik nog nooit van gehoord had (zo zijn er wel meer, denk ik, in beide betekenissen).

Voor zover iets op mijn gezegende leeftijd nog een openbaring kon zijn, was het dat wel. Intrigerend, vaak dubbelzinnig, helemaal in het teken van het groteske, zelfs in die schilderijen die ogenschijnlijk enkel maar realistisch zijn (maar het nooit werkelijk helemaal zijn). Neem nou dit eenvoudige portret van drie heren, die je vriendelijk uitnodigen om hen te vervoegen. Ik zou er begot niet aan denken. Misschien zijn ze echt vriendelijk en totaal onschuldig, dat kan, dat ligt zelfs wellicht voor de hand. Maar toch, maar toch: ze zien er wat mij betreft een beetje te vriendelijk en te uitnodigend uit, alsof ze iets in het schild voeren.

Johannes Grützke, Komm, setz dich zu uns, 1970

Ik weet niet of anderen het misschien ook zo zien; mij intrigeert vooral de hier nog een beetje ingehouden groteske vormgeving van de gezichten. Daaruit komt volgens mij de dubbelzinnigheid voort die dit schilderij en andere alleszins bij mij oproept. Die dubbelzinnigheid is wel heel vaak aanwezig, en leidt ook tot politieke satirische dubbelzinnigheid. Neem bv. het prachtige ‘De verschijning van Europa’.

Johannes Grützke, Europa erscheint, 1981

De mooie en jonge koningsdochter is hier een poetsvrouw geworden die er toch een beetje debiel uitziet. Maar dat kun je van de ‘heren’ op de voorgrond al evenzeer zeggen. Het enige waar ze aan denken is vreten en zuipen en een zo groot mogelijk stuk van het laken naar zich toe trekken. Graaicultuur noemt men dat nu (met dank aan Peter Mertens). Maar waar staat de poetsvrouw dan voor? Duidelijk is het niet, en dat maakt mede de kracht uit van dit schilderij: je kunt het op meerdere manieren interpreteren. Maar éen zaak is wel zeker: Grützke is een meester in de satire, die vaak sarcastisch en af en toe zelfs cynisch wordt. Bv. in ‘Das Gebäude des deutschen Geistes’, dat uit een aantal naakte kerels bestaat die een soort vierkante boog vormen met in hun midden een vrouw. Ook ‘Grazien’ is helemaal cynisch, omdat je met de gratiën meestal aangenaam uitziende vrouwen associeert, terwijl je hier eigenlijk het tegendeel krijgt: wanstaltig vervormde figuren, geschilderd met een kleurenpalet dat evenmin uitnodigend werkt.

Johannes Grützke, Grazien, 1994

Dat kleurenpalet doet vaak denken aan Lucian Freud, zeker waar het gaat om de weergave van vleespartijen. Maar er is een duidelijk verschil: bij mijn weten is Lucian Freud zelden of nooit satirisch, maar is er bij hem op de achtergrond eerder medelijden met de kreatuur die mens heet aanwezig. Freud lacht niet, Grützke lacht altijd, maar het is een eerder wanhopige lach, een lach ondanks alles. Grützke werd ook wel vergeleken met Schiele, maar dat zie ik niet; eerder met Georg Grosz, zou ik zeggen, zeker wat het satirische element erin betreft.

Natuurlijk gaat elke schilder af op wat voor hem of haar geschilderd werd (hetzelfde geldt trouwens voor woordkunstenaars en componisten…); er zijn wel reminiscenties aan vroegere, klassieke schilders in dit werk, zo die drie Gratïen, terwijl ik in een ander ook een beetje Caravaggio meen te herkennen, en volgende twee spreken mijns inziens voor zichzelf: het beeld van Grützke is een hedendaagse vervorming van een bekend schilderij van Rembrandt. Terwijl een schilderij als ‘Die Tankstelle’ van ver een karikatuur lijkt van sommige werken van Hopper. Of overdrijf ik?

Rembrandt van Rijn, Geslachte os, 1655

Johannes Grützke, Simson Angekettet, 1982

Die vervormingen, vooral van de lichamen worden in de loop der tijd uitdrukkelijker en opvallender, vooral wanneer het naakte lichamen betreft; zowel de hoofden als de andere lichaamsdelen worden op een werkelijk groteske manier ver- en vooral misvormd. Laat mij nog één voorbeeld geven: ‘Die Brüder’:

Johannes Grützke, Ohne Titel (Die Brüder), 1998

Door dat gebruik van de schilderkunstige techniek van het groteske (dat ook in de literatuur bestaat: Van Ostaijen bij ons is er een meester in, in Duitsland moet je denken aan een Scheerbart of een Mynona), waardoor ernst en lachwekkendheid vermengd worden, schrijft Grützke zich in een lange traditie in: die van de barok en het maniërisme. Vooral naar de barok wordt in zijn geval blijkbaar nogal verwezen. Volkomen terecht volgens mij.

Het is dus een ontdekking; de tentoonstelling in Gorssel loopt nog tot 11 juni. Allen daarheen, zou ik zeggen.

°°°

Temeer daar deze overzichtstentoonstelling enkel de zalen van de verdieping vult; op het gelijkvloers blijft de vaste collectie deels zichtbaar. MORE heet het museum en dat staat gewoon voor: Modern Realisme. Het is blijkbaar een privé-initiatief van een rijke verzamelaar. En een met smaak, die zich wist te houden aan één thema en één tijdperk. Er hangen schilderijen van Willink, Pyke Koch, Charley Toorop, Wim Schuhmacher en andere. Allemaal schilders die min of meer samen horen, zowel door hun stijl als door de tijd waarin ze schilderden. Waarbij mij opviel hoe goed je er de overgang kunt bestuderen die gaat van realisme naar surrealisme. Heel wat beter dus dan bij die andere rijkaard, onze Huts met zijn kluts. De ene rijkaard had blijkbaar wel smaak, de andere blijkt eigenlijk enkel een nationalistische parvenu te zijn.

De aanvankelijke boosheid was dus snel over. Het was een welbesteed weekend.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


2 × vijf =