08.04.17 – Max Frisch

| Geen reacties

Max Frisch is een auteur uit mijn studententijd of vlak daarna. Sindsdien heb ik nooit meer iets van hem gelezen of herlezen (je kunt nu eenmaal niet alles lezen, jammer genoeg). Van die lectuur herinner ik me overigens zo goed als niets meer, enkel nog dat ik het goed of boeiend vond. Hetgeen ook al weinig zegt natuurlijk.

En nu heb ik, recent, een nieuw boek van hem gelezen: Aus dem Berliner Journal (Suhrkamp Verlag, Berlin, 2014). Ook alweer enkele jaren oud inmiddels; toevallig gezien in een boekhandel, en misschien omdat er ergens in de diepte goede herinneringen sluimerden heb ik het boek maar gekocht.

Spijt heb ik er niet van; dat heb ik zelden of nooit van een aankoop. Maar ik had er toch meer of wellicht iets anders van verwacht. Het is geweten dat Frisch niet enkel beroemd geworden is met zijn romans en toneelstukken, maar minstens evenzeer met zijn dagboeken, waarvan er tot nog toe twee verschenen waren, dacht ik. Het huidige is dus het derde. Waarschijnlijk zal het wel bij de overige twee aansluiten, maar zeker ben ik daar niet van, want ik heb die vorige niet meer bekeken. De in dit boek uitgegeven fragmenten dateren uit de jaren 1973 en 1974, op het ogenblik dat Frisch met zijn tweede vrouw in Berlijn woonde.

Wel is het zo dat Frisch doorgaat als een van de uitvinders van het dagboek als literair genre. In de Nederlandse literatuur werd dat bij mijn weten vooral door Paul de Wispelaere en Willy Roggeman voorgestaan én beoefend. Maar deze nieuwe Frisch past daar volgens mij helemaal niet bij. Veel meer dan losse optekeningen, die zelden of nooit (eerder nooit) uitgewerkt worden kan ik er niet in zien.

Fragmenten, schreef ik. En dat zijn het inderdaad. Het oorspronkelijke dagboek liep tot 1980, maar in deze uitgave zijn slechts fragmenten uit de eerste twee cahiers opgenomen, al de overige zijn weggelaten. En ook in die cahiers is zeer veel weggelaten, in het apparaat achteraan worden het aantal geschrapte bladzijden en waar ze thuishoren minutieus opgesomd.

Ik ben van oordeel dat je in zo’n geval beter geen dagboek uitgeeft. Frisch zelf heeft de publicatie verboden voor de eerste twintig jaren na zijn dood (hij stierf in 1991), en de uitgevers en de naar hem genoemde Stiftung hebben zich daaraan gehouden. Maar als die termijn dan verlopen is, kun je twee dingen doen: het hele dagboek inderdaad publiceren ofwel de termijn verlengen tot mogelijke bezwaren weggevallen zijn. Het fragmentaire zou volgens de samenstellers en uitgevers enkel en alleen te maken hebben met het feit dat persoonlijkheidsrechten van derden in het gedrang zouden komen. Verdere uitleg wordt daarbij niet gegeven. En je kunt natuurlijk niets erover zeggen, want je hebt de weggelaten stukken uiteraard niet gelezen.

Wat er dan wel staat is soms wel interessant, vooral de stukken over de DDR, waar hij regelmatig op bezoek ging bij collegae schrijvers, met name bv. bij Wolf Biermann, die iets later verbod zou krijgen om nog naar de DDR terug te keren. Frisch was bij mijn weten geen communist, maar evenmin anti. Zijn beeld van de DDR kan dus wellicht adequaat zijn. Weinig repressie, zo dunkt me, in elk geval veel minder dan hier nu en nog gezegd wordt. Natuurlijk was er censuur en zo, maar blijkbaar wisten de schrijvers daar wel mee om te gaan, ook degenen die niet echt gezagsgetrouw waren.

Maar het is natuurlijk een erg summier beeld, een impressionistische indruk zou ik eerder zeggen; temeer daar Frisch zelf natuurlijk in het westen van de stad woonde, in de nabijheid van collegae als Grass en Johnson; met de laatste vooral was hij bevriend. Maar we vernemen ontzettend weinig over de personen waar hij mee omging, vrienden of niet.

Ik zou zeggen dat deze uitgave een mislukking is, en dat het gewoon wachten is tot het hele dagboek van Frisch verschijnen zal.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vijftien + twee =