24.03.17 – Franstalige schrijvers in Vlaanderen

| Geen reacties

Ze zijn inderdaad niet heel talrijk. Ofschoon er nog altijd zijn: Henri-Floris Jespers uit Antwerpen schrijft deels in het Frans, en Nicole Verschoore uit Gent zo goed als helemaal . Daarmee zijn ook de twee centra gegeven waar die schrijvers zich grotendeels situeerden en situeren. Het is maar één van de nadelen (om niet meer te zeggen) van wat men de Vlaamse emancipatie noemt, dat dit zo goed als afgelopen is, d.w.z. dat er quasi geen jonge Vlaamse schrijvers in het Frans meer zijn (de twee voornoemden zijn rond de zeventig, als ik me niet vergis, en dus niet meer echt jong te noemen). Als ik mij totaal vergis, laat het mij dan maar weten.

In de 19de en het begin van de 20ste eeuw hoorden sommige Vlaamse schrijvers die in het Frans schreven tot de bekendste auteurs van Europa, en één ervan heeft zelfs als enige Belg ooit de Nobelprijs gekregen.

Vijf van die schrijvers, die gemeen hebben dat ze aan de Schelde geboren werden, worden behandeld in een boekje van Benno Barnard: Escaut ! Escaut! Franstalige Vlaamse schrijvers rond 1900, naglans van een dode wereld (Uitgeverij Polis, Antwerpen, 2016). Het werd uitgegeven n.a.v. een tentoonstelling in het Letterenhuis en een radioprogramma (ik wist niet dat wat vroeger BRT-3 heette soms nog echte culturele, literaire programma’s uitzendt).

Vreemd misschien, maar de enige van de vijf die ik niet goed ken is die Nobelprijswinnaar, Maurice Maeterlinck. Veel meer dan een pocket in de reeks ‘poésie’ van Gallimard met amper een honderd bladzijden poëzie en verder zijn allereerste toneelstuk, zal ik van hem niet gelezen hebben. Wanneer dat was weet ik niet meer.

Dat geldt trouwens ook voor de anderen, die ik alle vier quasi volledig in huis heb. Max Elskamp ken ik waarschijnlijk het langst, want die zijn verzameld werk verscheen in één dundrukdeel rond het jaar dat ik mijn studies aan de ULB begon; ook nog in een Brussels antiquariaat heb ik de eerste boeken van Georges Eekhoud gekocht; de twee andere (Georges Rodenbach en Emile Verhaeren) heb ik voor en na gekocht, naargelang ik ze in antiquariaten of in nieuwe uitgaven (dat geldt dan voor Verhaeren) gevonden heb.

De essays van Barnard graven niet erg diep (dat doen ze nooit bij hem), maar daar staat tegenover dat ze vlot geschreven zijn, soms een beetje in de vorm van een reportage, afgewisseld met opmerkingen over het werk zelf en het leven van de betrokkenen. En het geheel soms gelardeerd met een fijne ironie (mitsgaders de nodeloze opmerkingen over zijn conservatisme). Bij mij hebben ze er alleszins voor gezorgd dat ik de werken van die heren nog eens tevoorschijn heb gehaald (bij Elskamp had ik wat moeite om het boek terug te vinden) en er een beetje in gelezen heb. Die lectuur heeft wat mij betreft aangetoond dat Barnard de kern van het werk van die auteurs wel degelijk weet te vatten. Dat is me vooral bij Elskamp opgevallen, die ik al heel lang niet meer gelezen had. Die eenvoud van taal. Maar misschien is dat toch maar schijn?! Zoals in het Duits bij de laatste gedichten van Krolow, of zoals bij Prévert, die binnenkort in de Pléiade zal verschijnen?

Van alle dichters is Rodenbach degene die me het minst aanspreekt, nu toch. Maar vergeleken met zijn Vlaamse neef, schreef hij bijna meesterwerken. Eekhoud heeft weliswaar ook drie dichtbundels gepubliceerd, maar is vooral schrijver van romans en verhalen, die inderdaad uitmunten door een zeer rijke taal die, zoals bij Verhaeren en Elskamp, inderdaad soms onfrans aandoet. Wat uiteraard niet klopt. Het Duits van de schrijvers uit Praag was vaak ook heel anders dan dat van de Duitsers zelf. Waarschijnlijk heeft dat met sociologische zaken te maken, het feit nl. dat deze auteurs in een anderstalige omgeving verblijven en groot worden. Dat heeft uiteraard repercussies op het taalgebruik. Dat zie je nog bij een recente Franstalige Antwerpenaar als Guy Vaes.

Maurice Maeterlinck, Max Elskamp, Georges Eekhoud, Georges Rodenbach en Emile Verhaeren

Verhaeren is van de vijf de bekendste, en mijns inziens had hij veel eerder die Nobelprijs verdiend dan Maeterlinck. Op de middelbare school heb ik al kennis gemaakt met hem, want het gedicht waar de titel van dit boek uit komt hebben we toen uit het hoofd moeten leren (in z’n geheel of slechts een deel?, dat weet ik niet meer). Dat bestond toen nog. Ook het onvermijdelijke Le Lac heb ik zo uit het hoofd geleerd, en het begin van de Roman de la Rose. In tegenstelling met Barnard heb ik naar dat of naar enig ander verleden geen enkel heimwee; nostalgie onderdruk ik zo veel mogelijk.

Maar ik kan er wel inkomen, dat wel. Zeker wanneer het toch boeiend gebracht wordt als in dit boekje. Waarbij ik me afvraag: waarom geen twee delen Pléiade gemaakt met deze dichters (en nog enkele andere die er zeker ook bijhoren, van Lerberghe bv.)? Ze zijn het zeer zeker waard. Maar dat is wishful thinking uiteraard.

Je zou dan maar hopen dat een dergelijke tentoonstelling, boek en radiouitzending er toch voor zouden zorgen dat deze schrijvers opnieuw ontdekt en gelezen zouden worden. Maar ook die kans is ontzettend klein geworden. Dank zij de Vlaamse nationalisten is de kennis van het Frans zeer sterk achteruit gegaan, ook bij universitairen. Daar komt nog bij dat van al die schrijvers nog amper vertalingen te krijgen zijn, en zelfs Franse uitgaven van hen zijn amper nog te vinden.

Het is dus ook hier hopeloos iets positiefs te verwachten.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


dertien + tien =