02.03.17 Charlotte als kameleon

| 1 reactie

Volgens de achterflap van haar beide dichtbundels tot nog toe, is Charlotte Van den Broeck (ook) een podiumdichteres. Blijkbaar is dat iets speciaals (geworden). En of er veel meer mee bedoeld wordt dan dichters die hun verzen voorlezen op een podium voor een al dan niet talrijk publiek, weet ik niet.

Het moet ettelijke decennia geleden zijn dat ik dergelijke poëtische evenementen nog heb meegemaakt; een keer in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel, meen ik me te herinneren en een keer in Vorst Nationaal. Dat is dus bijna een halve eeuw geleden. Quasi alle dichters lazen gewoon hun gedichten voor, zoals die later dan zouden verschijnen in hun bundels (of al verschenen waren).

De enige die gedichten schreef enkel met het oog op voordracht (en wat voor een voordracht!) is toen waarschijnlijk Johnny the Selfkicker geweest.

Ik kan me niet voorstellen dat iets dergelijks vandaag nog gebeurt. Ook Charlotte Van den Broeck zal haar gedichten wel gewoon voorlezen, zoals alle anderen; waarbij de ene al wat begenadigder is daarin dan de ander. Ook dat was niet anders voordat het begrip podiumdichter werd uitgevonden.

De lengte van de gedichten is een ander criterium. In haar tweede bundel, Nachtroer (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 2017) komen inderdaad heel wat gedichten voor die beduidend langer zijn dan normaal voor lyriek; in haar eerste bundel, Kameleon (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 2015) kwamen zo’n lange gedichten niet voor. Maar wat voor mij wezenlijk lijkt: de lange en de korte gedichten verschillen voor de rest niet van elkaar, tenzij wellicht in die zin dat de kortere een gebaldere zegging vertonen en meer dan in de andere anakoloeten (bv. in het goede ‘Wrijfklank’, waarin de dichter lijkt te stotteren) bevatten.

De werkwijze van Van den Broeck kan zoals bij andere dichters het best worden geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld. Nemen we de volgende twee strofen uit Nachtroer:

“Moeder knakt twee rozen met bruine rand middendoor
het zijn mijn broer en ik die ene keer
toen hij me geblinddoekt de tuin liet oversteken, met opzet
stuurde hij me af op de schans

Moeder geeft de stokrozen water, sopt
mijn knieën in gedachten in de iso-Betadine
jaren later nog wil ze littekens uit de tuin knippen” (p. 75)

Dit is niet enkel geen gewone vergelijking of zelfs maar een gewone metafoor (zelfs geen absolute metafoor), maar hier worden verschillende disparate elementen op een veel indringender manier samengebracht om zo een sterke symbiose te gaan vormen. Hier zijn dat drie elementen, de rozen, de kinderen en de moeder, maar in andere gedichten kunnen het er ook veel meer zijn. Omdat verschillende elementen met elkaar verwisseld worden, en attributen of daden of elementen van het ene naar het andere worden gelinkt, zou je kunnen spreken van een uitgebreide en ingenieuze vorm van hypallage. Hetzelfde gebeurt wanneer zij het over ‘jammerende muren’ heeft in de mooie cyclus ‘Roofbouw’ of over een huis dat ‘verlangt naar terugkeer’; deze cyclus eindigt dan weer met een duidelijke paradox: de ik is helemaal in het eigen lichaam verdwenen ‘tot je beter werd en je beterschap de plek/waar je wist: hier moet het lichaam worden afgelegd’ (p.65). het zijn natuurlijk enkel dode lichamen die worden afgelegd.

Een ander duidelijk voorbeeld van verwisselingen (maar mét eveneens een klassieke vergelijking erin nu) komt eveneens uit de tweede bundel:

“Wij worden los geboren
groeien langs de stok in onze rug sluimerend omhoog
als klimplanten rond de ruggengraat het hoofd in soms
wijken we af in een ander, in een zachtere winter
dat hoop ik tenminste met de rug aan een stok gebonden
hoop ik op nevenschikking…” (p. 44)

De kameleon die de dichteres naar eigen zeggen in het hoofd heeft, valt nog mee: hij blijft steeds herkenbaar, en het aantal schutkleuren dat hij kan aannemen is uiteraard beperkt; een ‘lelijke neiging /naar wisselende dingen’ zou ik het dan ook niet noemen, want een dergelijke neiging kan leven in de brouwerij brengen, en is natuurlijk sowieso een garantie voor afwisseling, voldoende afwisseling in elk geval, want, zoals gezegd: zoals er tussen de langere en de kortere gedichten weinig verschil te merken valt, zo ook tussen beide bundels van Van den Broeck; zij beheerst het vak, dat is zeker. Misschien is, zeker in de langere gedichten uit de tweede bundel, de retorica een beetje te oppermachtig ten nadele van andere elementen; maar er staan zeker evenveel kortere gedichten in, waar er een goed evenwicht te zien valt tussen de aangewende middelen en de gevoelsinhoud.

Gevoel. Poëzie wordt daar steeds mee in verband gebracht, terecht en ten onrechte. Charlotte Van den Broeck is volgens mij ook een goede dichteres omdat er in beide bundels geen directe gevoelsuitingen voorkomen. Telkens wanneer emoties aan bod komen (zoals in de cyclus ‘Roofbouw’ of in het gedicht ‘Wrijfklank’), gebeurt dat onrechtstreeks, en je voelt bijna dat de dichteres er moeite mee heeft. Het is immers vooral dan dat anakoloeten optreden (cfr. het einde van het laatstgenoemde gedicht: “je moet nog zoveel mensen voor me zijn/je moet nog” (p. 57)), of andere retorische trucs (dat is niet pejoratief bedoeld) die al te veel directheid moeten milderen.

Ik weet niet meer wie het gezegd heeft (was het Claus wellicht?) dat een vijftal gedichten in een omvangrijk dichterlijk werk voldoende zijn om een dichter de onsterfelijkheid te gunnen (nou ja, de onsterfelijkheid!, iets minder kan ook natuurlijk). In deze twee bundels heb ik er één aangestreept dat Van den Broeck alvast een plaats mag bezorgen in alle toekomstige anthologieën. Ik heb er ‘schitterend’ naast geschreven, en men mag mij geloven: ik doe dat maar zelden. Het gedicht gaat over de moeder/dochter-verhouding en -band, en toch heet het heel tegendraads ‘Stierenkop’:

“Sinds ik geboren ben, woedt er in de onderbuik van mijn moeder
een enorme stierenkop. Hij raast door haar verlaten lijf

en maakt littekens in de braakliggende moeder, soms
weet ze niet zo goed wie ik ben, dat is verontrustend

want ooit paste ik helemaal in haar, gelukkig
ben ik volgens de astronomische constellatie van de Kreeft

genotzuchtig, betrouwbaar en creatief. Hierin vindt ze houvast,
een godsbewijs tussen vruchtwater en heelal.

Als we witlof met hesp in de over aten, kreeg ik het kaaskorstje.
Helemaal. Omdat ik het wilde.

Liefde is iets wat ik ken uit een kookpot,
altijd twee extra scheppen op een vol bord

een tweede koekje in de gele pudding verstopt.
Dat is een veelvoorkomende vorm van moederlijk gedrag:

‘De opvulling van het jong’.
Door de holte die ik in haar naliet, wilde ze mij vol en rond.

Op een ochtend kondigde ik haar dan de komst van de kleine borsten aan.
Ze was daar dagenlang kapot van.

Uiteindelijk kreeg ik een bh,
één met Hello Kitty erop.

Vanuit haar buik bonkte de briesende stierenkop.
Een holte is pas een leegte als er niets meer in past.

Langzaam fossiliseerden we in twee aparte wezens.
Het is niet zeker

wie van ons het insect en wie
de barnsteen werd.” (Kameleon pp. 54-55)

De stierenkop is natuurlijk een symbool (elke lezer moet maar voor zichzelf uitmaken wat erdoor gesymboliseerd wordt, symbolen zijn bijna altijd binnen een bepaalde marge vrij interpreteerbaar), maar tezelfdertijd is het een surrealistisch beeld; je hoeft maar even je ogen te sluiten om een passend schilderij te ontdekken of in je geest te maken, (het zal er eentje van Max Ernst zijn waarschijnlijk). Maar het overgrote deel van het gedicht is in een lichte parlandostijl geschreven, die soms inderdaad erg direct klinkt (het witlof bv.), maar waar toch voortdurend een lichtere of sterkere ironische ondertoon in meeklinkt.

Dat is natuurlijk heel wat om het simpele uiteengroeien van moeder en dochter op te roepen. Symbolisme, ironie, surrealisme, parlando…Van een kameleon gesproken.

Ik ben benieuwd hoe Charlotte Van den Broeck zich verder zal ontwikkelen.

Delen:
Share

Eén reactie

  1. ‘Reeds lang ben ik de mening toegedaan : dat een dichter volledig tegenwoordigheid verkrijgt in een “aantal” van zijn verzen, het mogen er twintig of honderd zijn. Mettertijd worden we zonder uitzondering, en in het beste geval, anthologie-dichters.’ (Maurice Gilliams, ‘De kunst van de fuga’, p.18.

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


achttien + twintig =