27.01.17 – Van Speijk

| Geen reacties

Van Speijk?

Weinigen zullen nog weten wie die man geweest is en wat hij betekend heeft. In België al zeker niet, want hij behoorde tot de ‘vijand’; maar ook in Nederland waarschijnlijk enkel nog hier en daar een hoogleraar in de geschiedenis met focus op de negentiende eeuw. Bij de Nederlandse marine is er nog altijd een schip dat de naam Van Speijk draagt – wettelijk voorgeschreven sinds de eerste helft van de negentiende eeuw – maar zelfs de matrozen daarop zullen het waarschijnlijk amper weten.

Toch werd hij in zijn tijd op dezelfde hoogte gesteld als Tromp (nee, niet Trump) en de Ruyter. Een eeuw lang werd hij bewierookt, bijna aanbeden soms, aan generaties schoolkinderen ten voorbeeld gesteld om na te volgen. Enkel na de jaren dertig verdween hij uit het gezicht – toen waren er andere, veel ergere katten dan ‘het muitziek rot der Belgen’ te geselen.

Waar en wanneer ikzelf de naam ben tegengekomen zou ik niet meer weten. Waarschijnlijk wel via de poëzie. Ik heb nl. al lang de gewoonte ook 19de-eeuwse (en nog vroegere trouwens) dichters te lezen, en waarschijnlijk kom je dan vroeg of laat onvermijdelijk onze van Speijk tegen.

Ronald Prud’homme van Reine is gespecialiseerd in de geschiedenis van de 17de eeuw, en met name de maritieme geschiedenis. Op zijn naam staan biografieën van Tromp, Piet Hein, en een boek over de moord op de gebroeders de Witt (de moord op Fortuin was niet de eerste politieke moord in de Nederlandse geschiedenis). En sinds verleden jaar ligt voor van hem: Liever niet de lucht in; de omstreden zelfmoordaanslag van Jan Carel van Speijk (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 2016). Vooral de ondertitel duidt al aan waarom van Speijk niet meer dat voorbeeld kan zijn dat hij zo lang was: nu zijn het immers onze vijanden die dat wapen gebruiken. Dus is het maar best te vergeten dat wij dergelijke daden ook eens de hemel in geprezen hebben.

Na een inleiding over methode en voorgangers behandelt Reine in een eerste hoofdstuk het leven van van Speijk, het korte leven, zelfs voor die tijd: van 1802 tot 1831. Hij kwam uit armoedige omstandigheden, zo zeer zelfs dat hij naar een Amsterdams weeshuis werd gebracht. Daar kreeg hij wel de kans om een beetje te studeren voor de marine, waar hij – zoals de meeste van zijn generatiegenoten – op zeer jonge leeftijd begon, om zich op te werken tot baas van een kanonneerboot. Van Reine heeft dat leven minutieus weten te schetsen, aan de hand van alle authentieke bronnen, en dat zijn er ongebruikelijk veel; zo zijn bv. bijna alle brieven bewaard die van Speijk aan de weinige overgebleven familieleden schreef, zowel vanuit de Oost, waar hij eerst verbleef, als uit België waar zijn leven ‘roemvol’ eindigde op 5 februari 1831. Uit die brieven komt blijkbaar een man naar voren die vaak aan zware depressies leed. En in de Oost handelde hij soms op het roekeloze af, hetgeen ook in verband kan staan met depressiviteit.

Het derde hoofdstuk gaat iets dieper in op de opdracht die van Speijk – en met hem anderen, op andere schepen – kreeg om naar Antwerpen te trekken naar aanleiding van de Belgische opstand van 1830. En het vierde hoofdstuk behandelt dan het feit waarmee van Speijk beroemd geworden is in de annalen van de Nederlandse geschiedenis: het feit dat hij voor de kade van Antwerpen zijn schip doelbewust liet ontploffen, met allen die er nog op waren, en, zoals blijkt, zonder aan die mensen enige toestemming te vragen. Het was dus eigenlijk een zelfmoordaanslag zoals vandaag, met zoveel mogelijk slachtoffers, en een maximum aan materiële en menselijke schade.

Het tweede hoofdstuk gaat niet over van Speijk zelf, maar over de rechtstreekse baas van van Speijk, een zekere Jan Coenraad Koopman. Dat is uiteraard geen toeval, want deze Koopman was de eerste verantwoordelijke voor het ontstaan van de mythe over van Speijk. Niet enkel had deze Koopman zelf iets te verbergen (zijn vader was eveneens bij de marine geweest, maar had zich als een lafaard gedragen; de zoon deed er alles aan om dat feit in de doofpot te houden, en zichzelf beter te maken dan zijn vader en dan hijzelf in feite was; laf was hij weliswaar niet, maar psychologische compensatiewensen beheersten hem wel grondig, zo blijkt), maar daarenboven had hij zeer snel door dat mogelijke roem van van Speijk en zijn tot ‘heldendaad’ opgeschroefde aanslag ook op hem zou afstralen en alleen maar gunstig voor hem zou kunnen uitdraaien.

En zo is het dan ook gegaan.

Ontploffing van het schip bij Antwerpen, 5 februari 1831

Heel het boek van van Reine kun je als een deconstructie van de mythe van Speijk beschouwen en ook als meer en belangrijker dan dat: als een ontmaskering tout court, op de eerste plaats natuurlijk van dit éne geval van ‘heldenmoed’, maar daardoor ook van alle andere dergelijke gevallen. Daar is al op de eerste plaats de depressieve aard van van Speijk; iets dergelijks kom je op de een of andere manier (meestal onder de vorm van een vaak extreem laag zelfbeeld) ook bij hedendaagse zelfmoordaanslagplegers tegen. In de officiële rapporten uit die tijd kwam dat aspect uiteraard niet aan bod. Maar dat kon ook moeilijk anders: Freud moest nog geboren worden.

Misschien nog belangrijker dan dat zijn de gewone leugens: de Nederlandse vlag op het schip zou bedreigd geweest zijn door een grote groep ‘oproerlingen’, en om die vlag te beschermen en te redden zou van Speijk zichzelf, zijn schip en zijn maats de lucht in hebben geblazen. Aan de hand van minutieus bij elkaar gezochte documenten uit die tijd, weet van Reine aan te tonen dat daar reuzegrote vraagtekens bij geplaatst kunnen worden, en dat er niet veel meer dan een vijftal Belgen op het schip aanwezig waren, die daarenboven nog vredelievende bedoelingen hadden. In veel van de naar aanleiding van die gebeurtenissen geschreven ‘poëzie’ komen trouwens verwijzingen naar die vlag voor.

Behalve de suïcidale aard en neigingen van van Speijk zelf, was er dus geen enkele reden om dat schip te laten ontploffen. Zoals eveneens het geval was met het germanwingstoestel dat in 2015 door een depressieve piloot gecrasht werd.

Gedenkplaat van Van Speijk bij de vuurtoren van Egmond aan Zee

In een volgend hoofdstuk gaat van Reine nog in op het verdere leven van de initiator van de mythe, Koopman, maar vooral op de manier waarop in België en Nederland gereageerd werd op de zelfmoordaanslag van van Speijk. In België eerder onderkoeld, maar in Nederland werden alle boeien losgeslagen en raakte iedereen op drift, tot het koninklijk huis toe. De resten van van Speijk – een tors waarvan enkele tekeningen opgenomen zijn in het boek – werden naar Nederland overgebracht en officieel bijgezet in de Nieuwe Kerk in Amsterdam; daar kan de grafsteen tot op vandaag bekeken worden. Er werden ook her en daar gedenktekens neergezet, maar de dood van van Speijk gaf vooral aanleiding tot een bijna niet opdrogende stroom van literaire ‘uitboezemingen’, het ene nog pathetischer dan het andere. Het volstaat om er slechts enkele te lezen, en daarna het deelhoofdstuk dat van Reine eraan wijdt, om zich af te vragen van waar dat vooroordeel toch komt dat Nederlanders nuchtere en bezadigde mensen zouden zijn! Hier blijkt in elk geval het bijna absolute tegendeel. In het Letterkundig Woordenboek van Ter Laan komt overigens een begrip voor, “citadelpoëzie”, waarvan later of voorheen waarschijnlijk niemand meer gehoord heeft. Die naam komt van de ‘citadel’ van Antwerpen, die toen, in 1831 nog bezet werd door Nederlandse troepen o.l.v. generaal Chassé, die overigens niet veel later vandaar verjaagd werd. Ook van Speijk zelf komt in dat woordenboek nog voor (het dateert, dacht ik, van vlak na de tweede wereldoorlog).

Het achtste en laatste hoofdstuk gaat in op het voortleven van van Speijk. Van Reine stelt dan wel dat dit snel verminderde, maar enerzijds kan dat niet anders na de bijna ziekelijk te noemen euforie in het jaar na van Speijks aanslag, en anderzijds is het toch zo dat er tot in de dertiger jaren van de twintigste eeuw herdenkingen bleven plaatsvinden, en dat tot voor kort het in Nederlandse maritieme kringen eigenlijk ‘not done’ was om vraagtekens te zetten bij het beeld van van Speijk. Ik volg de nogal gespecialiseerde literatuur over dat alles uiteraard niet, maar ik krijg wel de indruk dat dit boek het eerste is dat echt en grondig komaf maakt met de mythe van Speijk. En, zoals gezegd, er is in die marine een schip dat van Speijk heet, en dat zal zo wel blijven zolang die marine bestaat.

Het boek eindigt uiteraard met voetnoten en vooral een uitgebreide bibliografie, waaruit blijkt dat van Reine zijn werk zeer grondig gedaan heeft – zoals je van een historicus overigens mag verwachten. Daarenboven schrijft hij ook nog vlot, zodat zijn boek het tegendeel is van droge gort, die je bij specialisten op allerlei gebied te vaak aantreft.

Ik eindig dit stukje met twee gedichten over van Speijk. Het ene is van een volbloedromanticus (meer nog zo dan Bilderdijk, denk ik), nl. Adriaan van der Hoop Jr.  Het andere is van Adam Simons, in die tijd eveneens een bekende dichtersfiguur. Ze verschillen in weinig of niets van het overgrote deel van de andere gedichten die aan de ‘held’ gewijd werden, op twee na wellicht: er is enerzijds een langer gedicht van Jacob van Lennep, waarin de muzen en andere goden op de Olympos optreden en de ‘zaak’ bediscussiëren. En anderzijds publiceerde dezelfde van der Hoop ettelijke jaren later nog een lang episch-lyrisch gedicht over het geval, een heus boekwerk dat Winterfantazy heet, en waarvan ik het bestaan niet kende. Misschien dat ik het daar later nog eens over zal hebben. Eén zaak vind ik wel spijtig: dat er blijkbaar nooit een bloemlezing verscheen met van Speijk-gedichten; of, meer uitgebreid, over de Belgische opstand; in die laatste bloemlezing zou trouwens ook het merendeel van de gedichten uit het Noorden passen, want Belgische gedichten daarover zijn mij in het Nederlands niet bekend.

Maar nu dus twee van de kortere gedichten. Eerst dat van Adam Simons, uit zijn boek Over ’t kasteel van Antwerpen (te Utrecht, bij J. Altheer, MDCCCXXXI):

Bij de uitvaart
van
J.C.J VAN SPEIJK,
Scheepsbevelhebber,
voor
Antwerpen.
den 5den Febr. 1831.

Nog brult de leeuw, schoon overmand,
Nog scheurt zijn ijz’ren klaauw en tand,
Wat stout hem durft genaken!
Nog houdt hij onvermoeid de wacht,
En toont, wie met hem spot, zijn kracht,
Dat dien de ribben kraken!

Geketend en rondom benard,
Rigt hij zich op, te lang gesard!
Hij springt, – zijn kluisters breken;
Zijn wrevel schoont geen’ euvelmoed,
En ’t oog, waarin de gramschap woedt,
Dreigt, schrikklijk zich te wreken.

Laat af, laat af! – – neen, ’t is te laat!
Geen jammerklagt, of rouwkreet baat,
Zie ’t bloed zijn manen verwen;
De bliksem uit zijne oogen schiet,
De donder zijner stem gebiedt,
Dat ze allen met hem sterven!

Daar scheurt en sleurt hij ongetemd,
Wat, onder klaauw en tand geklemd,
Den doodsnik geeft en spartelt;
De schedel, die in splinters spat,
En arm en been, zoo rood beklad,
Getuigen, hoe hij martelt!

Al stort hij ook bij de and’ren neêr,
Die wraak verheft zijn moed en eer;
Heel ’t woud wil daarvan wagen!
Zijn romp vervaart nog, waar hij ligt,
Een vreeslijk beeld van ’t strengst gerigt,
Wat ooit onze oogen zagen!

Zoo staat gij voor ons, ed’le Speijk!
Wie is, in Neêrland, u gelijk!
Geen grootkruis mag u loonen,
Geen eermetaal, geen klatergoud;
Gij hadt uw lot aan Hem vertrouwd,
Die u alleen kan kroonen.

Gansch Nederland, in trouw vermaard,
Bewondert uwe hemelvaart,
Daar gij ’t aan God gaat klagen:
Wat onregt doet en hoog verraad,
Der Vorsten vreeze en eigenbaat,
Die voor ’t gerigt hen dagen!

Ach! waarom niet voorheen geslecht
De gruwelstad, in de asch gelegd,
Eer ze u, ô held der helden!
het leven kostte en veler bloed?
Wij wreken u, zoo ’t zwaard weêr woedt,
Al zou ’t ons allen gelden!

Zoo ooit, aan dat verwenschte strand,
Weêr Hollands vlag wordt aangerand,
Dan stuwe uw schim de baren!
Het hoog getij verzwelg’ den grond,
En doe dan, in dien jongsten stond,
De stad ten afgrond varen!

‘Martelen’ had in die tijd een afwijkende, bredere betekenis dan vandaag; en de stad in de laatste twee strofen is uiteraard Antwerpen.  En nu dat van Adriaan van der Hoop Jr. Het verscheen als een afzonderlijke plaquette:

 

Klinkt overdierbre cijthersnaren;
Ruischt lieflijk in dit Tempelchoor!
Vlam outergloed met heldren gloor!
Omkrans u ’t hoofd met gouden blaren,
ô Neêrlands Maagd! wat roem, wat eer,
Straalt uit een nacht van ramp u tegen!
Hoe praalt de aloude grootheid wêer,
Met dierbaar Hollandsch bloed verkregen;
Wat pronkt er in uw gloriekroon
Op nieuws een parel rein en schoon!

Door oudheids neevlenwaas omtogen;
Door ’t Bardenlied met glans bedeeld,
Blonk lang der vaadren gloriebeeld,
Gelijk een fabelvond in de oogen.
Wel liet bij ’t staren op hun deugd
Het oog een stroom van tranen vloeien;
Wel deed een nooitgekende vreugd
Het Hollandsch hart op ’t zaligst gloeien,
Bij ’t lezen van hun heldendâan;
Maar, ach! die grootheid was vergaan!

Heil u, Van Speyk! uw moedig sneven,
Uw fier vergoten heldenbloed,
Getuigt van Hollands leeuwenmoed,
En heeft onns de adel weergegeven.
Neen, ’t is geen fabel, voorgeslacht!
’t Is onverganklijke, eeuwge waarheid,
’t Verhaal van Nêerlands moed en kracht;
Dat toont uw zoon met middagklaarheid;
Dat toont Van Speyk, zoo rein als groot,
Door ’t sterven van den martlaarsdood!

Geef Nêerlands jonglingschap! uw boezem
In heilge lofgezangen lucht;
Zie, hoe een schoone hemelvrucht,
Ontbloeit uit d’afgestormde bloesem!
Die vrucht heet trouw aan plicht en eed:
Treed met die vrucht Gods zetel nader,
En zweer: wij zijn ter dood gereed,
Voor Holland en voor Hollands Vader:
Bepaal o God! ons stervensuur;
En vaardig vind ons ’t solfervuur.

Waait vrolijk heilge Oranje vanen!
Waai vrolijk Hollands schoone vlag!
Uw grootheid praalt in vollen dag,
En schittert aan de hemelbanen,
Als op het spieglend veld van ’t meir.
Europa! stem nu cijthertoonen;
Buig voor de gloriekrans u neer,
Die ’t hoofd van onzen held zal kroonen;
Breng lof en schatting aan Van Speyk!
Waar vindt ge een held dien held gelijk?

Juich, Amsterdam, gij kroon der steden,
Der helden wieg en bakermat!
Bij d’onwaardeerbren glorieschat,
Geschonken door het grijs Verleden,
Doet wêer een schittrend keurgesteent
Uw roem met nieuwen luister gloren,
Die volgende eeuwen luister leent;
Juich, in uw muur werd hij geboren,
Die Hollands vlag zijn roem hergeeft,
En door zijn sterven eeuwig leeft!

Vliedt, Belgen! Hollands oorlogs standert;
Ducht Hollands onverwinbren leeuw!
Te midden van uw roofgeschreeuw,
Heeft niets zijn fieren aart veranderd:
Vergrijpt u niet aan ’t edel dier,
Dat d’ouden erfgrond blijft bewaken:
Verschriklijk zou het gramschapsvier,
Zijn breedgeschonkte borst doen blaken,
En woeden op de helsche kracht,
Die naar zijn val en schande tracht.

Gelijk de boor aan Scheldes stranden,
Toen Hollands wimpel werd gesmet,
Het Belgisch moordschuim heeft verplet;
Bij ’t dondrend buskruitvuur ontbranden;
Zoo sleurt hij in het uur der nood,
Wen hulp en redding zijn verloren,
Zijn eerbelagers in den dood,
Als offers, die zijn wraak behooren;
En brult, wijl ’t bloed zijn wonde ontvliedt:
De tuinleeuw sneeft; maar buigt zich niet!

Klink loflied, klink met hooger toonen,
En zet alom de ziel in gloed,
Door ’t zingen van den heldenmoed,
Van ’t pronkjuweel van Nêerlands zonen!
Juich land, dat zulke helden teelt!
Al lacht geen Zuiderzon u tegen,
De hemel heeft u rijk bedeeld
Met meer dan aardsche gunst en zegen;
Met glorie die haar glans verspreidt,
Tot aan den grens der Eeuwigheid!

Der Eeuwigheid? – Ja, wen de jaren
Bij ’t nadrend eind van ruimte en tijd,
En ’t woelen van den slopensstrijd,
Als ijdle schimmen henenvaren,
Met al hun schoonheid, al hun glans;
Dan blinkt nog aan de azuren boogen,
Vóór ’t jongste zonlicht rijst ten trans,
Met diamanten schrift in de oogen:
Wat ook de tijd vernietigd heeft,
De heldenroem van Holland leeft!

‘Sic!’, is het enige dat je daarover kan zeggen.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vijftien − negen =