10.02.17 – Oek de Jong

| Geen reacties

Oek de Jong is op de eerste plaats de auteur van vier schitterende romans, die evenzeer negentiende-eeuws klassiek als hedendaags zijn. Ze doen me denken aan de romans van Flaubert, vandaar die verwijzing naar de negentiende eeuw. De auteur is er grotendeels in afwezig, d.w.z. dat hij niet direct optreedt, en de problematiek heeft meer te maken met persoonlijke zaken van de protagonisten dan met gangbare natuurwetenschappelijke theorieën (zoals bij Zola) of met de evocatie van maatschappelijke problemen (Balzac). En ze zijn schitterend geschreven en vormgegeven, eveneens net zoals bij Flaubert. Maar ik verkies ze boven die van Flaubert, omdat ze toch nog inleving mogelijk maken, en toen ik Flaubert las had ik de indruk dat dit aspect grotendeels afwezig was, dat hij zijn figuren veel meer nog van buiten uit bekeek, zoals een entomoloog zijn insecten.

Vier romans is uiteraard weinig voor een auteur die al publiceert sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Maar dat heeft te maken met de ambachtelijke ingesteldheid van de auteur (die ook de ingesteldheid van Flaubert was), die zijn boeken schrijft en herschrijft en herschrijft…tot ze een definitieve vorm gevonden hebben, die echter ook niet perfect is, het Werk is immers nooit af.

Daarover schrijft de Jong o.a. in het eerste opstel, ‘De weg van de schrijver’, uit zijn nieuwste bundeling: Het visioen aan de binnenbaai (Uitgeverij Augustus/Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2016). Hij noemt het een bundeling van ‘autobiografische verhalen en essays’, maar dat klopt niet: verhalen bevatten fictie, en voor zover ik kan beoordelen komt in geen enkel van de hier verzamelde teksten fictie aan bod. Essays en beschouwingen zijn het, maar niet van academische aard, niet overladen dus met voetnoten e.d.m., en zeker niet geschreven met de afstandelijke focus van de academicus.

Integendeel, eerder betrokken en altijd persoonlijk; het zijn creatieve essays, die naadloos aansluiten bij de rest van de Jongs oeuvre, zowel bij zijn romans, als bij zijn echte verhalen en andere essays. Want behalve die vier romans, die de kern van zijn werk uitmaken, heeft de Jong nog veel meer gepubliceerd en geschreven. En ook dat is telkens van een hoge kwaliteit geweest, net zoals dit nieuwe boek trouwens, waarin de auteur het niet enkel over het ontstaan van zijn eerste roman heeft (in het reeds vermelde eerste opstel), maar ook over het werk en het leven van collegae schrijvers, die hij al dan niet persoonlijk van nabij gekend heeft.

Dat laatste is het geval met Frans Kellendonk, waaraan het laatste opstel van de bundel, ‘Twee eenlingen, over mijn vriendschap met Frans Kellendonk’ gewijd is. Het is een stuk dat me typisch lijkt voor de Jong: doorheen de anekdotiek van een vriendschap graaft hij dieper, legt hij verbanden met het werk van Kellendonk, en hoe zijn ziekte (aids, waaraan hij ook stierf) in zijn werk terecht is gekomen, hoe dat werk geworteld is in het rooms katholicisme uit Kellendonks jeugd – zaken dus die al bekend waren, maar hier op een persoonlijke, soms intimistische wijze opnieuw te berde worden gebracht. Ik heb het werk van Kellendonk enkele decennia geleden wel gelezen, maar de lectuur van dit stuk heeft mij ertoe gebracht dat nog eens tevoorschijn te halen en er een beetje in te lezen. En wellicht ook de veel later uitgegeven brieven van Kellendonk eens te gaan lezen (egodocumenten lees ik nog steeds het liefst).

Een ander lang stuk is gewijd aan Maria Dermoût – waarvan ik nooit een letter gelezen heb. Haar oeuvre is niet zo groot, één boekdeel. Ook hier is de Jong erin geslaagd mij ertoe te bewegen dat oeuvre toch eens te gaan lezen. Of het er ook effectief van gaat komen, weet ik niet; er is zoveel dat ik nog lezen moet (en herlezen). Maar dat de Jong erin slaagt de lust en nieuwsgierigheid te wekken, bewijst mijns inziens dat hij inderdaad gedreven en overtuigend schrijft.

Toch is dat niet altijd het geval. Zo schrijft hij ook een lang opstel over een andere vriend, Arie Visser, ook al lang overleden ondertussen. Die schreef blijkbaar vooral poëzie, maar ik heb er nooit iets van gelezen (tenzij wellicht in bloemlezingen, en dan is hij me niet opgevallen); de Jong citeert veel uit zijn gedichten, maar hier overtuigt hij me niet. Was de vriendschap sterker dan het kritisch vermogen?

De andere stukken zijn meestal veel korter dan deze drie grotere stukken; de onderwerpen ervan zijn literair, soms over één enkel gedicht, bv. over ‘Zeezicht’ van Jellema, ook over stijl, bv. een stuk over seks in proza. Ik ben eveneens van oordeel dat je een goeie schrijver kunt herkennen aan expliciete sekspassages; de meesten vallen daarbij door de mand, volgens mij ook Reve. Maar de Jong gaat het eerder over de ontwikkelingen terzake, van helemaal omfloerst naar totaal expliciet. Dat laatste vereist een stilistisch kunnen dat je echt maar heel zelden tegenkomt.

Er zijn ook nog stukken over fotografie, schilderkunst, mystiek en nog wel wat. Vervelen doe je je zeker niet met dit boek; naast de schrijfkunst van de auteur staat ook de afwisseling in de onderwerpen daar garant voor. Zoals dat al eerder het geval was in vroegere gelijkaardige publicaties van de Jong, vooral misschien Brief aan een jonge Atlas van alweer vijf jaren geleden.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


11 − tien =