21.01.17 – Etienne trekt ten strijde!

| Geen reacties

Over God van Etienne Vermeersch (Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2016) lijkt me een vrij bizar boek. Vermeersch trekt daarin immers ten strijde tegen iets of iemand waarin hij op geen enkele manier gelooft.

“Waarom doe je dat dan, begot?”, is de eerste vraag die zich dan aan mij opdringt.

Want zij die op welke manier dan ook in een God geloven, zullen dat blijven doen, en de anderen zijn al overtuigd. Dat de rationalist Vermeersch zichzelf zou willen overtuigen, geloof ik niet. Ook al is het natuurlijk zo, dat zulke overtuigingsprocessen zich grotendeels op een on- en onderbewust niveau afspelen (categorieën overigens waar Vermeersch waarschijnlijk evenmin in gelooft – hij is niet voor niets lid van de Vlaamse club van sceptici).

Wanneer je een boek schrijft over God, waarover schrijf je dan een boek? Die vraag lijkt me crucialer dan andere vragen, en waarschijnlijk ziet ook de auteur zelf dat in, want na enkele inleidende beschouwingen over zijn eigen levensweg en over cognitieve dissonantie, zegt hij heel duidelijk en expliciet wat hij onder ‘God’ verstaat en waartegen hij dus ten strijde trekt. Vermeersch weet hoe hij een probleem moet aanpakken, analyseren, argumenteren en tot aan de conclusie ontwikkelen.

Eigenlijk is het erg jammer dat Vermeersch van psychoanalyse e.d.m. waarschijnlijk helemaal niets moet hebben. Want zijn tweede hoofdstuk, over die cognitieve dissonantie dus, stelt wel pertinente zaken vast, maar weet ze niet te verklaren. Dat kun je enkel wanneer je ervan uitgaat dat het geloof zoals dat in de drie monotheïstische godsdiensten voorkomt, een vorm van geestesziekte is. Freud zelf ging er nog van uit dat het collectieve neuroses waren. Zelf ben ik er vast van overtuigd dat het om collectieve psychosen gaat, met alle potentiële én werkelijke gevolgen vandien. Je kunt dat al detecteren uit de basis zelf van de drie godsdiensten: ze steunen allemaal op het gedrag van een krankzinnige (hij hoort stemmen, die hem zeggen dat hij zijn zoon moet vermoorden, dan stemmen die hem zeggen dat niet te doen – vergelijk met wat in het hoofd van een Kim de Gelder alhier gebeurde) die Abraham of Ibrahim genoemd wordt.

Daarvan had Vermeersch moeten vertrekken.

In plaats daarvan vertrekt hij van een kinderachtige definitie van wat hij onder de christelijke God verstaat: alwijs, alwetend, almachtig, algoed…enzoverder enzovoort. M.a.w.: het sprookje waarmee iedereen hier (van mijn leeftijd toch) opgegroeid is, dat iedereen quasi met de paplepel heeft binnengekregen.

Waarschijnlijk zul je zelfs in de universitaire faculteiten in de katholieke en protestantse theologie hard moeten zoeken om nog iemand te vinden die daarin gelooft. De ouwe theodicee-koeien die Vermeersch daarbij uit de gracht haalt, zullen hem niets helpen, want het taaie vlees daarvan is al eeuwen lang zo doorgekauwd en nog eens doorgekauwd, dat er echt niets meer uit te halen valt dat al niet eerder gezegd is. Dat geldt overigens ook voor de rest van de ‘argumenten’ die Vermeersch aandraagt.

Hoe komt dat dan?

De enige oorzaak die ik zie is het feit dat het woord ‘God’ een totaal leeg woord is, meer nog zo dan de abstracta (voorbeelden: alle woorden die op -isme eindigen, vrijheid, verantwoordelijkheid et tutti quanti), waarvan de betekenis sterk kan variëren, maar toch altijd binnen bepaalde grenzen. Het woord God kent geen grenzen, omdat het geen enkele vaste betekenis heeft. Het is inderdaad een leeg woord, betekenis-loos.

Het komt er dus op aan dat woord een betekenis te geven, het lege vat te vullen. En daarbij heb je een quasi absolute vrijheid. Je kunt het inderdaad invullen zoals Vermeersch doet, maar op die manier maak je het wel heel gemakkelijk voor jezelf. Immers: het beeld van God zoals Vermeersch dat schetst is wel het beeld dat het gemakkelijkst te weerleggen valt. Feuerbach heeft dat enkele eeuwen geleden al gedaan in zijn nog steeds leesbare Das Wesen des Christentums. Er zijn wel beelden die moeilijker te weerleggen zijn, Vermeersch weet dat natuurlijk ook. Maar het komt wel steeds op hetzelfde neer: welke invulling je ook geeft aan het woord ‘God’, het is en blijft een arbitraire invulling, waar steeds een andere, nieuwe invulling tegenover gesteld kan worden. En er is geen enkel criterium om te bepalen of, en zo ja welke invulling de juiste, of de meest juiste zou zijn.

Elk spreken over iets als ‘God’ is totaal zinloos, zoals elke poging om het bestaan ervan te bewijzen, zeker de mathematische ‘bewijzen’. Want je weet nooit wat je wil bewijzen (hoe iemand als Gödel zo veel tijd heeft benut om mathematische godsbewijzen te formuleren, begrijp ik dus helemaal niet; het moet van dezelfde orde zijn als Vermeersch: ze kunnen zich niet van het jeugdige Vaderbeeld (de geïncarneerde almacht voor het kleine kind) losmaken.

Het ‘afsluitend nawoord’ van het boek is wat mij betreft wel interessanter: daarin overloopt de auteur een reeks auteurs die zich van ver of van nabij met het ‘probleem’ hebben beziggehouden. Velen ervan kende ik niet, of toch niet als mensen die zich ook hiermee bezighielden. En deze slotbeschouwing eindigt met een stukje over de islam en de koran. Vermeersch zou beter een min of meer wetenschappelijk boek daarover geschreven hebben. Want daar is inderdaad wel nood aan. En dan niet op de manier van van Rooy vader en zoon. Vermeersch is bij mijn weten de enige die het levenswerk van Deschner vermeldt, het tiendelige Kriminalgeschichte des Christentums. Voor zijn leven heeft Deschner daarbij nooit moeten vrezen. Maar stel u eens een moslim voor die een tiendelige Kriminalgeschichte des islam gaat schrijven en publiceren, en dat hoeft dan niet eens in een islamitische land te gebeuren, laat hij of zij dat hier doen, in een min of meer gelaïciseerd Europa. Hoe lang zou die in leven blijven, denkt u?! Inderdaad.

In zijn slotbeschouwing tenslotte stelt de auteur dat het vooral de combinatie van het geloof in één God plus het geloof in een hiernamaals is, dat het succes verklaart van de drie godsdiensten. Vermoedelijk klopt dat wel. Maar dat betekent waarschijnlijk ook dat het zinloos is om ertegen te strijden, dat de Dawkinsen en Vermeerschen van deze wereld hun tijd verdoen door a.h.w. met een vliegenmepper God te willen doodslaan. Het zal nooit volledig lukken. De geschiedenis van het Westen, van Europa dan, bewijst dat er maar één optie is om God grotendeels te doen verdwijnen: steeds toenemende materiële welvaart en zekerheid voor het grootst aantal mensen (rekening houdend natuurlijk met de natuurlijke grenzen aan die groei), dan houden ze zich vanzelf niet meer bezig met zoiets. En de weinige psychotici die het wel nog doen, moeten dan maar opgesloten worden als ze gevaarlijk worden.

Want godsdienst moet eindelijk en eigenlijk erkend worden als wat het is: een geestesziekte.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


tien + 13 =