23.01.2017 – Kaaiman Koen Meulenaere

| Geen reacties

Er komen hier wel nog kranten in huis maar die lezen doe ik zelden of nooit. Enkel Diana doet dat; zo besteedt zij quasi de hele zaterdag aan het lezen van kranten (die dag zijn ze natuurlijk dikker), en daarbij hoort soms ook De Tijd, het blad van de Vlaamse kapitalisten.

Zodoende kreeg zij ook het door die krant uitgegeven boekje van Koen Meulenaere, Het jaar van de Kaaiman 2016 in handen, waarin een aantal cursiefjes van Meulenaere uit dat afgelopen jaar verzameld werden.

Dat boekje heb ik wel gelezen.

Die columns verschillen zeer van die van Boon, Carmiggelt, Alain, waar ik het gisteren even over had. En dat verschil ligt volledig in de onderwerpen én in de stijl.

Meulenaere’s stukjes gaan quasi alleen over politiek en politieke, of beter gezegd: publieke figuren, al dan niet met naam en toenaam genoemd, maar vaker niet, zo is mijn indruk; hij lijkt me liever toch wel erg doorzichtige omschrijvingen, parafrases enzovoort te gebruiken, en steeds op een satirische manier: of wat te denken van ‘de kreeft van Oostende’ voor de inderdaad nogal rood aangelopen Tommelein.

Dat heeft zijn voordelen en zijn nadelen. Het grootste nadeel is het gebonden zijn aan de aktualiteit. Elk boontje werd gevolgd door verklarende notities, maar dat zijn er niet veel, en zelfs die weinige lijken me vaak eerder overbodig. Op de eerste plaats natuurlijk omdat ikzelf het jaar 1970 geleefd heb, en omdat ik een tamelijk goed geheugen heb, en me altijd voor alles en nog wat heb geïnteresseerd. De cursiefjes van Meulenaere behoeven nu uiteraard nog geen aantekeningen. Alhoewel, zou iedereen zich nog herinneren wat er in januari van vorig jaar gebeurd is? Ik zou het betwijfelen. De protagonisten zelf natuurlijk zijn er nog altijd: Peeters en Beek(e), en vader en zoon Tobback (steevast Pa Back en Baby Back genoemd – naar Papa Doc en Baby Dock, zo veronderstel ik), en Betteke (dat is Homans). En diegene natuurlijk die systematisch ‘de leider’ genoemd wordt.

Dat is uiteraard ironie.

Ironie is de ene stijlfiguur die Meulenaere voortdurend in bijna al zijn stukjes hanteert, en eerlijk gezegd doet hij dat helemaal niet slecht. Slechts heel af en toe wordt hij iets scherper en neigt hij naar sarcasme. Dan doet hij denken aan Brasillach in Je suis partout. Alleen was die laatste altijd sarcastisch en dus altijd veel scherper.

Ironie dus, en wel van de oppervlakkigste (gewoon het tegendeel zeggen van wat je bedoelt) tot de subtielste vorm van ironie; tot die laatste vorm behoort mijns inziens het spreken over ‘de leider’. Die vorm van ironie komt erop neer dat je een bewering doet waar je tezelfdertijd voor honderd procent achter staat, én voor honderd procent niét achter staat.

Hoe kan dat nou?, zal men wellicht vragen. Dat is toch onmogelijk, je kunt toch niet iets tezelfdertijd menen en niet menen.

Toch wel, dat kan zelfs heel goed. maar dat is dan een proces dat zich voor minstens een zeer groot deel op onderbewust niveau afspeelt, en het duidt een innerlijke verscheurdheid aan waar, in dit geval de schrijver nog geen oplossing voor ziet. Degene die denkt dat ik leuter raad ik aan eens het volgende erg instructieve boekje te lezen van Frank Stringfellow Jr.: The meaning of irony, a psychoanalytic investigation (State University of New York Press, Albany, 1994 – of het nog te krijgen is, weet ik niet). “At the unconscious level, the ironist is trying to have it both ways.” (p. 19), zo stelt Stringfellow het onder andere. Dat betekent overigens helemaal niet dat Meulenaere noodzakelijkerwijze psychische problemen zou hebben – ik hoop voor hem alleszins van niet -, het betekent enkel dat hijzelf niet goed weet waarschijnlijk welke standpunten hij in politicis moet innemen. En dat pleit eigenlijk wel voor de auteur.

Maar dat betekent evenmin dat er geen politieke richting, of denkwijze te bespeuren valt in deze columns. En die lijkt me duidelijk rechts en liberaal te zijn. Voor Meulenaere is Bart de Wever, die soms ook met zijn naam genoemd wordt, inderdaad de Leider. Laten we niet vergeten dat toen hij na zijn verkiezingsoverwinning op het balkon van het Antwerpse stadhuis ging verschijnen, in de coulissen iemand inderdaad ‘de leider’ aankondigde. Iedereen is dat blijkbaar vergeten. Maar dat mag natuurlijk niet; de reminiscentie aan de historische Leider van het VNV, Staf de Clercq, is immers veel te groot. Wanneer je dus Bart de Wever wel degelijk als Leider beschouwt, maar tezelfdertijd beseft dat verwijzingen naar het VNV uit den boze zijn, dàn, op dat eigenste ogenblik treedt die subtiele vorm van ironie op.

Ironie is overigens nooit ofte nimmer onschuldig. Het is geen toeval dat de giftigste pijlen naar de sossen afgeschoten worden, ik gaf hiervoor reeds een voorbeeld over vader en zoon Tobback; maar het hele boekje staat er vol van, en vaak valt de ironie trouwens gewoon weg in die stukjes, en wordt de auteur ernstig. Zo is er bv. een stukje waarvan bijna elke paragraaf begint met ‘de cumulerende burgemeester van…’. Alsof liberalen en zwarten niet zouden cumuleren. Behalve Homans, die wordt aangepakt wegens haar geval van openbare dronkenschap, valt het trouwens op dat enkel sossen en in mindere mate christen-democraten (Peeters met name) ervan langs krijgen, liberalen en zwarten zijn grotendeels immuun voor de al dan niet ironische aanvallen van Meulenaere. Zijn boekje wordt natuurlijk niet voor niets uitgegeven met steun van Katoen Natie (lees: Fernand Huts).

Trouwens, Homans wordt vergeleken met Demir (Stalina in het Russisch), en die laatste komt er veel beter uit dan de eerste – die inderdaad niet de snuggerste van de klas lijkt. En Demir is veel hardvochtiger, harder, genadelozer etc. waarschijnlijk dan vele andere zwarten. Die keuze is dus zonder enige ironie wel duidelijk. Er schuilt wellicht een extreem conservatief katholiek ventje in Meulenaere, wie weet.

Nee, ondanks het feit dat zijn columns vlot leesbaar zijn, onschuldig zijn ze alles behalve.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


18 − elf =