11.10.16 – Paustovski: Goudzand

| Geen reacties

Het moet in de jaren tachtig van de vorige eeuw geweest zijn dat ik de zes (zeven eigenlijk) delen van de memoires van Konstantin Paustovski, zoals verschenen in de reeks ‘Privé-domein’, gekocht en gelezen heb.

Wat me vooral bijgebleven is, zijn de stukken over de Russische revolutie; daarover had ik natuurlijk het meesterwerk van Pasternak al gelezen, maar ook een driedelige roman van Tolstoj (Aleksej natuurlijk, de meest gezagsgetrouwe van die ik hier noem; of moet ik zeggen: de meest gewiekste?) en rond diezelfde tijd waarschijnlijk Babel.

Eén zaak zal me toen al opgevallen zijn: van schrijvers leer je veel meer over de werkelijkheid van zulke gebeurtenissen dan uit politieke traktaten of uit dikke historische, al dan niet wetenschappelijke werken. Wat Paustovski schreef was echter geen roman, maar waren dus memoires.

paustovskiIn zekere zin kun je het nu verschenen boek Goudzand, Verhalen, dagboeken en brieven (Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2016) als een variant daarop beschouwen, in die zin namelijk dat het eveneens ego-documenten zijn: de brieven en de dagboeken zijn dat uiteraard, maar ook de enkele verhalen en het journalistiek werk uit de verschillende periodes van zijn leven, sluiten daar sterk bij aan. Door die verschillende genres te mengen is het een boek vol afwisseling geworden, dat geen enkel ogenblik verveelt, zelfs niet in de dagboekpassages, die helemaal in telegramstijl geschreven zijn (dat zijn natuurlijk eerder notaboekjes, die als werkschriftjes dienden om uit te putten voor het echte werk), een stijl waar ik duidelijk niet van hou. Maar af en toe worden ze wel gevolgd door dezelfde onderwerpen in briefvorm of in de vorm van een journalistieke reportage, en dan wordt het wel interessant om de werkwijze van de auteur na te gaan natuurlijk.

Het overgrote gedeelte bestaat wel degelijk uit brieven, meestal brieven aan zijn vrouwen, kinderen of nabije vrienden. Officiële brieven, dwz aan politieke personen of aan politiek-literaire instellingen komen veel minder voor, en dan vooral helemaal op ’t einde: enkele brieven aan Brezjnev, o.a. om te protesteren tegen de zgn. herinvoering van de personencultus rond Stalin.

Het valt overigens op hoe weinig Stalin voorkomt in dit boek, net zoals andere vooraanstaande politieke figuren trouwens. Paustovski was duidelijk geen politiek schrijver; hij hield wel van zijn land, heeft zich ook nooit tegen het socialistische systeem gekeerd en was dus zeker géén dissident, maar dat belet niet dat hij wel kritisch was. Dat moge bv. blijken uit de volgende passage uit 1929:

“De voorzitter van de zuiveringscommissie zei dat ‘een lid van de intelligentsia en van de Partij al zijn vrije tijd hoort te besteden aan het bestuderen van de werken van Lenin en niet aan zoiets onzinnigs als het schrijven van romans’. Over het schrijverschap van Nagi werd gesproken alsof het over de vuilste misdaad ging. De hele sfeer op zo’n zuivering is weerzinwekkend, alles is gebaseerd op klikken, vragen met een dubbele bodem, vernederingen, lafheid en geflikflooi.” (p.249)

Paustovski is dan ook nooit lid geweest van de partij; misschien heeft hij er ooit aan gedacht, maar na dit soort ervaringen zal zijn lust daartoe alras onder het vriespunt gekoeld zijn. Dat soort ervaringen zijn overigens – in tegenstelling tot wat velen denken – helemaal niet typisch voor een communistische partij; je komt het overal tegen, ook hier in onze zgn. democratieën. Het is gewoon des mensen.

Het boek is chronologisch gerangschikt en biedt zodoende ook een overzicht van de geschiedenis van Rusland en de Sovjet-Unie van het begin van de vorige eeuw tot 1968, het jaar van Paustovski’s dood. Het is natuurlijk geen historisch traktaat, maar op de achtergrond is de geschiedenis toch aanwezig, vooral in het begin natuurlijk, wanneer de auteur tijdens de eerste wereldoorlog aan het front zit; of tijdens de evacuaties bij het begin van de Duitse inval in 1941.

Echte standpuntbepalingen kom je daarbij niet tegen, ook niet tijdens de periode vóór de revolutie. De vraag kan dus gesteld worden of het inderdaad zo is dat die afwezigheid verklaard moet worden door angst voor het regime. Er is trouwens een duidelijke tegenstelling tussen wat een van de kinderen van Paustovski (die voor de nawoorden gezorgd hebben) stelt, nl. dat hij zogezegd niet of amper kon uitgeven tijdens het Sovjet-regime, en wat in de tijdslijn te lezen staat: dat hij nl. quasi al zijn manuscripten heeft kunnen uitgeven. Soms zijn er inderdaad moeilijkheden geweest, maar blijkbaar werden die altijd opgelost en werden de betreffende boeken toch uitgegeven, zij het met een beetje vertraging.

Echte verhalen, fictie dus, komt in het boek amper voor; op en al een stuk of vier, meestal korte verhalen, waarvan het mooiste wel ‘Sneeuw’ is. Journalistieke bijdragen zijn er beduidend meer. Hoe het in de Sovjet-Unie zat met journalistiek weet ik niet, maar opvallend is dat de hier gekozen bijdragen meestal betrekking hebben op reizen van de auteur, eerst en vooral door de Sovjet-Unie zelf natuurlijk; daarin alleen al kon je met reizen wel een leven vullen. Maar soms ook over andere schrijvers, zo bv. over Babel.

Opvallend is ook dat hij blijkbaar enkel na de dood van Stalin (een beetje) last heeft gekregen met het regime, of beter gezegd misschien met de ‘cultuur’bonzen binnen het regime. Dat kan natuurlijk daaraan liggen dat na die dood vrijer gesproken en geschreven kon worden in de Sovjet-Unie, dat de schrijvers meer ruimte kregen voor kritiek. Zo hield Paustovski in 1956 een redevoering (pp. 448 e.v.) naar aanleiding van een discussie over een roman van Doedintsev. Die redevoering was een regelrechte en onverbloemde aanval op de bureaucraten van de ‘nomenklatoera’. Die toespraak werd gehouden in oktober, dus ettelijke maanden na het roemruchte 20ste partijcongres, en daar zal zeker een causaal verband aanwezig zijn.

Maar het belangrijkste van het hele boek is toch de evocatie van het persoonlijke leven van de auteur, zijn verhoudingen tot vrouwen en vrienden, zijn vele reizen. De stijl van de brieven is minder gestileerd dan die van de verhalen (en van zijn autobiografie natuurlijk) maar lijkt me toch nog altijd meestal zeer verzorgd; en in elk geval draagt hij bij tot een erg vlotte lectuur. Hetgeen natuurlijk ook de verdienste is van Wim Hartog, de vertaler.

Het boek wordt, zoals gezegd, gevolgd door drie nawoorden, van drie kinderen van Paustovski. Vooral het eerste nawoord, van de oudste zoon is daarbij van belang; hij was immers een van de samenstellers van deze bundeling uit de nalatenschap. Hij weet de teksten goed in de tijd van ontstaan te plaatsen. Nuttig daarbij zijn uiteraard ook de aantekeningen achteraan; daarzonder kan het boek ook wel gelezen worden, maar soms mist de lezer dan toch iets.

Een mooi boek van een goede schrijver in een prachtige uitgave.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


tien + vier =