21.09.16 – Vakantielectuur

| Geen reacties

In de loop der jaren heb ik geleerd genoeg boeken mee op vakantie te nemen om niet zonder te vallen; maar ook niet zo veel dat er ettelijke ongelezen blijven. Ik probeer het zo te doseren dat ik de laatste dag van mijn verlof aan het laatste boek bezig ben. En vaak lukt dat ook nog.

Tijdens de afgelopen vakantie waren het er een stuk of zes, waarvan ik het laatste nog niet uit heb. De andere dus wel, en die liepen van interessant over aangenaam tot verwarrend en tweeslachtig. Ontspanningsliteratuur was er niet bij, die is er bij mij zelden bij. Ik lees bijna principieel om iets op te steken, dat is op zichzelf al ontspannend genoeg.

hans-sachsHet eerste was een Franse vertaling van een geschrift van Hans Sachs, gekocht tijdens een vorige vakantie, in het Musée du Compagnonnage in Tours: Le Livre des Métiers (Das Ständebuch) (Editions Plein Chant, Bassac, 2016), met de bekende houtsneden van Jost Amman.

Interessant en soms ook wel bizar terzelfdertijd. Het genre is natuurlijk het didactische: het zijn leerdichtjes die de beschreven onderwerpen aan de lezer moeten kenbaar maken. En daar valt al iets op: het Franse ‘métier’ en het Duitse ‘Stand’ duiden eigenlijk heel iets anders aan. Het Franse woord duidt enkel aan wat wij ‘ambachten’ noemen, en dat komt ook bijna volledig overeen met de inhoud van het boek; het Duitse woord betekent dat weliswaar ook, maar dan toch in bijkomende orde: het duidt eerder de maatschappelijke standen als ‘adel’, ‘bourgeoisie’ etc. aan. Maar bon, dat is een taalkundig detail.

Het valt uiteraard onmiddellijk op dat dit geschrift uit een heel andere tijd dateert (de 16de eeuw), toen een heel groot deel van het maatschappelijk leven inderdaad nog rond de ambachten en hun ‘gilden’ draaide. Vele van de ambachten waaraan een stukje gewijd wordt, bestaan gewoonweg niet meer, althans hier toch niet.

Maar sommige ervan zijn noch ambachten noch standen, maar gewoon functies in de (toenmalige en huidige) maatschappij: paus, kardinaal, bisschop en priesters bv. Die worden in die volgorde opgevoerd, helemaal aan het begin, en dan pas volgen de keizer, de koning en de prins. Dat is niet zonder betekenis natuurlijk. Op sommigen wordt ook al kritiek uitgeoefend, zo wordt van de monniken bv. gezegd: “Il y a tant d’ordres, de groupes et de sectes/Qu’il n’y reste plus beaucoup d’esprit.’ (p.19); of over de ‘Procurator’ (homme de loi), eigenlijk de advocaat: “Le malheur finit toujours par arriver/Et mon client finit par perdre – mais moi/J’ai déjà rempli ma bourse et ma gueule.” (p.24)

Er zit ook vaak een degelijke en opvallende structuur in de volgorde van de stukjes; zo volgt op de dokter de apotheker; maar soms zijn het veel meer aan elkaar verwante ambachten die elkaar tekstueel opvolgen: vooral met betrekking tot de kleding zijn er niet minder dan elf achtereenvolgende stukjes die daarmee in verband staan, van de wevers over de kleermakers, degenen die de huiden bewerken, de riemsnijders enz. tot de nestelmakers.

Vaak wordt op het einde van een stukje verwezen naar een figuur uit de klassieke oudheid die aan de basis zou liggen van het betreffende ambacht (Minerva bij de oliemakers, Arachnè bij de wevers enz.), maar soms klopt dat niet.

Het einde van het boekje is nogal bizar: vlak voor het einde komt ‘de jood’ aan bod, die uiteraard met geldlenen en woekerwinsten in verband wordt gebracht: ‘J’ai de nombreux frères semblable à moi”, zo eindigt dat stukje (p. 120) en daarop volgen dan vier soorten narren, waarvan de eerste ‘Geltnarr’ (‘avare’) heet, en de volgende ‘vreetzak’, ‘idioot’ en ‘bouffon’ (hier wellicht te vertalen als ‘opgeblazen kikker’).

Aangenaam om lezen, ook al omdat de teksten kort en eenvoudig zijn, en de houtsneden niet te druk en meestal goed passend bij de tekst (maar niet steeds, soms zijn er blijkbaar verwisselingen gebeurd).

000

fethi-benslamaVan een heel andere orde is een essay van de psychoanalist Fethi Benslama: Un furieux désir de sacrifice, le surmusulman (Editions du Seuil, Paris, 2016).

Zoals de titel al suggereert en het beroep van hoogleraar in de klinische psychopathologie van de auteur bevestigt, hebben we hier te doen met een psychoanalytische benadering van de ‘terrorist’ die zich op de islam beroept. Het is op z’n minst een originele benadering, én een die nodig is wanneer je ervan uitgaat dat bij dergelijke ‘terroristen’ altijd een mix speelt van externe factoren, culturele invloeden en interne factoren van psychische aard: niet elke moslim die het Westen verwerpt en de politiek van het Westen hypocriet en moordend vindt, ontwikkelt zich tot een zelfmoordkamikaze. Daar moeten ook individuele oorzaken aanwezig zijn.

Ik ben van oordeel dat Benslama ons hierbij toch een beetje in de steek laat, dat hij niet diep genoeg graaft; wellicht is dat te wijten aan het feit dat hij grotendeels theoretisch blijft, en weinig of geen voorbeelden uit de praktijk geeft, zoals dat in psychoanalytische werken toch meestal gebeurt (al vanaf Freud himself). Maar het is natuurlijk wel extreem moeilijk: degenen waarvan de aanslagen geslaagd zijn, bestaan uiteraard niet meer, en de anderen zitten in de gevangenis en zijn waarschijnlijk niet bereid om zich psychisch te laten onderzoeken, zo dat al zou kunnen wanneer een enquête nog in de onderzoeksfase zit.

Het zal duidelijk zijn dat het begrip ‘surmusulman’ direct geënt is op het Freudiaanse Über-Ich, waarin zowel het geweten van een individu als zijn ‘ideale ik’ aanwezig zijn. Dat ‘ideale ik’ is minstens deels cultureel bepaald.

Het eerste deel van het essay gaat over wat vandaag de dag ‘radicalisering’ genoemd wordt – waarschijnlijk enkel bij gebrek aan beter. Etymologisch kan dat begrip nog wel dienen, maar of het politiek iets betekent – behalve de onmacht van Westerse beleidsmakers om greep te krijgen op een fenomeen dat ze niet begrijpen – betwijfel ik. Inderdaad, naargelang de definitie kun je welhaast iedereen ‘radicaal’ noemen. Daar komt dan ook nog bij dat Benslama – zoals wellicht alle psychoanalysten, behalve degenen die rechtstreeks voor het State Department e.d.m. werken – zeer terughoudend zijn wanneer het erom gaat om politieke gebeurtenissen vanuit de psychoanalyse te benaderen. Zoiets kan immers al te gemakkelijk misbruikt worden door machthebbers. Misschien herinnert iemand zich nog dat in de jaren zeventig hier in België sommigen de ‘geradicaliseerde’ Kris Merckx onder psychiatrisch toezicht wilden stellen – wegens zijn politieke praktijk en uitgangspunten. Net zoals in de voormalige Sovjet-Unie dus. Geen haar verschil.

Een belangrijk gegeven is dat er geen prototype bestaat van de jongere die zich zal gaan zelfmoorden; je kunt dat aan het gedrag amper zien. Wel valt het op, zo Benslama, dat het overgrote deel van de daders piepjong zijn, tussen 15 en 25 jaar grosso modo. Dat is natuurlijk de leeftijd waarop bepaalde aspecten van het ‘Über-Ich’ sterk naar voren treden: men zoekt een weg, men zoekt leidraden, men zoekt bewonderde voorbeelden enz. En daar komt dan het culturele element een rol spelen: de moslimjongeren zullen zich eerder tot figuren uit de eigen cultuur richten, waarvan ze de meningen, handelingen enz. dan gaan interioriseren.

Ik heb het daarnet al even gezegd, en ook Benslama (die hierin een leerling is van Lacan, zoveel lijkt me wel duidelijk) legt de nadruk op ‘radix’, ‘wortel’ (p. 37). Die jongeren zijn in zekere zin ‘ontworteld’, zelfs als ze hier geboren zijn (de cultuur die ze van thuis uit meekrijgen botst immers vaak met de cultuur van buiten, van de maatschappelijke omgeving) en gaan dan op zoek naar een ‘ré-enracinement’, zoals de auteur het noemt. Nogmaals: je kunt een dergelijk proces niet voorspellen in het een of andere individu, je kunt het alleen naderhand vaststellen (wanneer het te laat is vaak). Het komt ook neer op het zoeken naar een (radicale) identiteit; zoals de auteur zelf het zegt:

“Les idéaux comportent donc une radicalité potentielle et explosive, dont les manifestations dépendent des variations individuelles et du contexte sociohistorique.” (p. 43)

Mijns inziens houdt dat ipso facto in dat je aan deze zgn. ‘radicalisering’ weinig of niets kunt doen, zeker niet wanneer het ook nog eens een symptoom is van algemene pubertaire evoluties. Het feit dat ongeveer 40 % van de geradicaliseerden (in Frankrijk) bekeerlingen zijn, sluit daar goed bij aan: men verliest de ene zingeving (het verdwijnen van de katholieke, of algemeen christelijke achtergrond in vele West-Europese landen) en vindt een nieuwe; en nieuwelingen willen het altijd beter doen dan het origineel (op dezelfde manier zijn sommige NVA’ers van vreemde afkomst Vlaamser dan de paus (daarmee zijn dan de Wever en Bourgeois et tutti quanti bedoeld)).

Benslama wijst ook op andere etymologieën: het begrip ouma, als verzamelnaam voor alle islamitische gelovigen is wel bekend; dat is etymologisch verwant met het begrip ‘oum’ dat ‘moeder’ betekent; het opgaan in de moeder is in de psychoanalyse welbekend, enerzijds als oceanisch gevoel van deelname aan het ‘al’ (in de mystiek bv.), waarvoor in de literatuur het beeld van de ‘zee’ vaak onbewust gebruikt wordt; maar anderzijds ook als regressie, als doodsverlangen, als verlangen om definitief te verdwijnen: het is het aspect dat Freud tegenover de libido stelde. Twee elkaar uitsluitende driftaspecten die toch een symbiotische eenheid vormen. Ook Benslama lijkt het zo te zien: “La mort est en quelque sorte une mère qui va enfanter le candidat pour une vie parfaite.” (p.60) Of:

“Ce qui me frappe en écoutant le discours des jeunes qui veulent mourir dans le jihad, c’est qu’il est prononcé comme si la mort allait leur permettre de se réveiller de la vie. Celle-ci serait une illusion, un mensonge, un semblant qui les sépare de la vraie vie. Le jihad leur permet donc de rêver de la mort comme source d’une vie plus vraie,” (p.61)

Bij dat soort ‘denken’ treden altijd in de geschiedenis millenaristische en apocalyptische verschijnselen en denkbeelden op die, en daar ben ik het helemaal eens met de auteur, gewoon wijzen op iets heel simpels als wanhoop – die waarschijnlijk niet als zodanig erkend wordt door de betrokkenen, dus niet benoemd kan worden, en dus ook niet beheerst kan worden. Dan blijft enkel nog de overgang naar de actie: “Ce délire du ciel ne peut exister sans un désespoir de la terre et des hommes. Il y a lieu de parler aujourd’hui d’un désespoir musulman.” (p. 63)

Dan gaat de auteur over naar zijn tweede deel, ‘Le surmusulman et son dépassement’. Hij geeft een beetje een inleiding tot het ontstaan van het fundamentalisme binnen de islam, maar diep gaat hij daar niet op in. Wel stelt hij dat dit een antwoord is op het modernisme, zoals dat door het Westen in de islamitische maatschappijen werd binnengebracht. Wat me ook juist lijkt. Evenals sommige aspecten die tot de kern zelf van de islam behoren (maar ook van andere monotheïstische godsdiensten), zoals bv. de rol van de vrouw. De conclusie van de auteur over dat fundamentalisme:

“Les déshérités ne sont pas uniquement les pauvres matériellement, mais tous les musulmans auxquels on vole l’héritage religieux et qui sont désespérés d’en avoir perdu le sens. Ce discours propose donc une solution ultra-religieuse au désespoir musulman, contre toute forme d’autonomie du politique.” (P. 90-91)

Of, met andere woorden, het opgaan in een groter geheel, het verliezen van zichzelf, met als uiterste consequentie het opblazen van zichzelf. Het heeft te maken met schuld en angst, aldus Benslama. Soms heeft hij daar mooie beelden voor: “Se voir emporter inexorablement  vers l’exil occidental sans Dieu est une crainte récurrente qui s’exprime dans les discours et dans les actes visant à planter partout des minarets comme des clous pour empêcher le sol de s’en aller.” (p. 95)

De ‘surmusulman’ heeft daarbij twee vijanden, enerzijds wat Benslama ‘L’occidental’ noemt, de vijand buiten, en anderzijds de ‘Occidenté’, dat is de vijand binnenin. Die twee verscheuren hem niet alleen, maar beletten hem op te gaan in de godsdienst, die is ‘une puissance sans mesure, parce qu’elle puise son élan dans l’illimité et l’océanique, où tout humain eut un séjour infantile, quand la démarcation entre lui et le monde n’était pas établie.” (p. 99)

Hier had wellicht een passage gepast over Freuds opvattingen over religie. Zoals men weet beschouwde Freud godsdienst als een vorm van collectieve neurose. Ik denk dat Freud het zo stelde omdat hij, gegeven de christelijke context waarin hij toch nog moest werken, niet verder durfde gaan. Volgens mij is godsdienst gewoonweg een vorm van collectieve psychose. Godsdienst bestaat immers voor een heel groot deel uit pure waandenkbeelden zonder enige rationele grond in de werkelijkheid. En laat dat nou net de klassieke definitie van psychose zijn. Overigens kan men met een psychose best leven, ze uit zich niet altijd, kan heel lang aanwezig blijven zonder veel uiterlijke symptomen (bv. in een algemeen aanvaarde context als religie), maar kan onder bepaalde omstandigheden ook snel zeer actief worden en aanleiding geven tot ‘geradicaliseerd’, ‘extremistisch’ of anderszins te omschrijven gedrag.

Een volgend stuk van dit tweede deel gaat over seksualiteit. Daar hoeft geen tekening bij. Alle monotheïstische godsdiensten zijn hier in hetzelfde bedje ziek, én zwaar ziek. Mijns inziens is hun houding tegenover seksualiteit zelfs een symptoom van hun psychose. Achter die houding verbergt zich een afgronddiepe angst, vooral van mannen voor vrouwelijke seksualiteit. Ook hier waarschijnlijk weer die verscheurdheid: zich willen verliezen in dat oceanische, en terzelfdertijd zich niet durven verliezen. Dat is ook de enige context waarbinnen men ‘discussies’ over hoofddoeken, burkini’s en andere dergelijke zaken moet zien.

Een dergelijk essay kan onmogelijk een oplossing voor maatschappelijke problemen voorstellen of bieden. Dat kan de psychoanalyse trouwens nooit, vrees ik. Misschien op individueel vlak, maar dan nog. Enkel verklaringen kunnen hier gegeven worden. Maar de verklaringen van de psychoanalyse hebben voor mij dit gemeen, dat ze enkel maar pessimistisch stemmen. Al die processen spelen zich immers op een onbewust niveau af, en het is niet doenbaar dat in elk individu naar boven te halen. Je blijft dus zitten met éen zekerheid: dat er waarschijnlijk niets aan te doen is, dat het zich moet uitzieken. Met alle mogelijke gevolgen vandien.

000

zizekOok Slavoj Zizek blijkt het niet echt (meer) te weten. Zoals ik meen te kunnen afleiden uit zijn recentste publicatie: La nouvelle lutte des classes. Les vraies causes des réfugiés et du terrorisme. (Editions Fayard, Paris, 2016), waarvan inmiddels in de meeste Europese talen al vertalingen aangekondigd zijn.

Zizek schrijft veel, en vaak sluiten zijn essais direct aan bij de actualiteit; dat betekent dat ze vaak snel geschreven zijn, en weinig structuur en orde vertonen, een beetje alsof ze totaal à l’improviste geschreven zijn. Dat lijkt me ook hier het geval.

Maar dat betekent niet dat hij niets te zeggen zou hebben, integendeel; plus: hij weet vaak verrassende associaties te leggen. Zo begint hij dit boekje met een verwijzing naar de bekende vijf fasen in een stervensproces zoals beschreven door Kübler-Ross; om de houding van (de politici in) het Westen tegenover recente gebeurtenissen te kenmerken. Dat is niet enkel goed gevonden, Zizek duidt er ook een dieper verband mee aan, vooral als het gaat over de fase van de ontkenning.

Een andere goeie is de verwijzing naar Malmström, de Europese commissaris verantwoordelijk voor handel, en dus voor TTIP (ja, in de ogen van Zizek heeft ook dat wel degelijk te maken met vluchtelingenstromen, want hij plaatst alles in het kader van een globaal kapitalisme); hij legt – kan het anders – een link tussen die naam en het inderdaad totaal verwante begrip ‘maalstroom’; ook dat is niet alleen goed gevonden, maar duidt via de naam van de commissaris een belangrijk aspect aan van dat kapitalisme, dat alles dreigt mee te sleuren in een onbeheersbaar wordende maalstroom.

De klassenstrijd waar de titel naar verwijst speelt zich op wereldniveau af, vandaar dat de auteur meent gerechtigd te zijn er maar alles bij te sleuren. Natuurlijk mag hij dat, maar het leidt in een boekje als dit wel tot een totaal gebrek aan structuur, en dat zorgt ervoor dat je uiteindelijk amper nog weet wat je gelezen hebt. Temeer daar Zizek, zoals andere filosofen, soms erg abstract wordt; maar in tegenstelling tot vele andere filosofen sluit hij wel veel concrete voorbeelden in; enkele ervan heb ik al aangehaald. Maar ook de volgende omschrijving van hoe wij in het Westen tegen de zaken aankijken mag er zijn:

“Ainsi, les attaques terroristes à Paris aussi bien que l’afflux désormais constant de réfugiés en Europe sont des rappels transitoires du monde violent qui se trouve à l’extérieur de notre serre: un monde qui, pour nous qui sommes à l’intérieur, se manifeste principalement à la télévision et dans les reportages traitant de conflits lointains, et non comme un élément de notre réalité quotidienne.” (p.13)

Het scherpst is hij daarbij voor een bepaald soort ‘links’; hij gebruikt een hele afdeling van zijn boekje om wat hij ‘les tabous de la gauche’ noemt af te kraken (pp. 24-38); en dat zijn er niet weinig, te beginnen met de hypocriete roep om open grenzen, waarvan iedereen inderdaad weet dat zoiets onmogelijk is. Ook is hij van mening dat wat Europese waarden genoemd wordt, niet zomaar kan worden afgeschreven als een vorm van (neo)-kolonialisme en racisme; net zomin als het willen behouden van een bepaalde manier van leven en denken hier ipso facto racistisch zou wezen; net zoals het verbod om de islam te bekritiseren en in vraag te stellen. Waarbij hij overigens ook de uitgangspunten van de jodenstaat niet vergeet: het judaïsme zoals dat op een vaak genocidaire manier voorkomt in het Oude Testament is in zijn ogen al even ziekelijk als de islam.

Vandaar ook de volgende afdeling: ‘l’obscène face cachée des religions’ (pp.38-55), die begint met een waarheid als een koe:

“Toute analyse critique du sombre potentiel de l’islam devrait incontestablement inclure aussi le judaïsme et le christianisme.” (p. 38)

Wat hij niet zegt: hoe moet je met godsdiensten omgaan, zeker nu die opnieuw overal op de voorgrond treden? Ik heb daar wel een idee over: de grondwettelijke tekst over de godsdienstvrijheid dient te worden aangepast in deze zin:

  • Godsdienstvrijheid moet altijd ondergeschikt zijn aan andere burgerlijke vrijheden en kan nooit tegen die andere vrijheden worden ingeroepen voor een rechtbank; godsdienstvrijheid komt op de laatste plaats;
  • Regels van een godsdienst zijn altijd en in alle omstandigheden, zonder enige uitzondering, ondergeschikt aan civielrechtelijke regels; wanneer men daartegen handelt, vormt dat een strafbaar feit;
  • De verhouding tussen godsdienst en staat wordt gedetailleerd geregeld in een speciale wet.

In die wet kan dan verder alles geregeld worden, van een hoofddoekverbod indien nodig, tot een verbod op gescheiden zwemmen enzovoort. Daarover kan met vertegenwoordigers van godsdiensten vooraf gediscussieerd worden. Het belangrijkste is dat de godsdiensten – ongeacht hoeveel mensen ze vertegenwoordigen, ze blijven in mijn ogen vormen van collectieve psychose – hun plaats kennen, en daar blijven.

Sommigen beweren dat het verdwijnen van godsdienst uit het publieke leven een leegte zou scheppen, die dan door andere zaken ingevuld (kunnen) worden: van politieke doctrines tot andere godsdiensten of geloofsovertuigingen. Wellicht klopt dat (voor een deel). Zizek zelf gaat enkele bladzijden lang in op de rellen die enkele jaren geleden in de Franse voorsteden plaatshadden, en hij stelt (samen met anderen overigens) vast dat ‘l’élément le plus frappant était l’absence totale de perspective utopique positive chez les émeutiers.’, en: ‘Le fait qu’il n’y ait aucun programme derrière ces émeutes est donc un détail intéressant qui en dit long sur l’impasse idéologico-politique dans laquelle nous nous trouvons.’ (pp. 50-51).

Dat is natuurlijk volkomen juist, maar hoe het zover gekomen is, zegt Zizek niet; waarschijnlijk weet hij het ook niet. Ik weet het overigens al evenmin. Vandaar dat hij er niet verder op ingaat, maar overgaat naar de vluchtelingenstromen; de schuld daarvan legt hij – mijns inziens volkomen terecht – bij de militaire inmengingen van het Westen in het Midden-Oosten, vooral inmengingen van de VS en Frankrijk, maar altijd met hulp van Groot-Britannië. In dit verband een detail uit de pers, van na het verschijnen van Zizeks boekje: op een vraag om vluchtelingen op te nemen, antwoordde Saoudi-Arabië vlakaf ‘njet’, maar ze waren wel bereid om vele miljoenen op tafel te leggen om in Duitsland 200 moskeeën te bouwen. Een hoax?

Ofschoon hij het boek of de naam van Huntington niet vernoemt, lijkt het er soms op alsof hij minstens een beetje van diens uitgangspunt over de ‘strijd tussen culturen’ overneemt. Zo stelt hij expliciet: ‘Cependant, et c’est là un autre tabou à briser, combien d’entre eux désirent réellement être intégrés? Et si l’obstacle à l’intégration n’était pas seulement le racisme occidental?’ (p. 71) Hij is zeer genuanceerd wat dit betreft (en zeer zeker veel genuanceerder dan Huntington, die een zuivere politieke ideoloog was), maar gewoon de vraag stellen, zegt al genoeg. Ook hier geen oplossing uit zijn pen, enkel een vage en voor mij lege verwijzing naar Sanders – die zich inmiddels achter Clinton, en dus achter de VS-oorlogen en achter Wall Street heeft geschaard – zoals te verwachten was van een sociaal-democraat. In een volgend stukje stelt hij zeer terecht de vraag naar ‘les limites du prochain’ (pp. 93-104); het is een van de meer abstracte delen van het boek.

Het voorlaatste stukje gaat over ‘les milles salopards de Cologne’ en dus over seks en vrouwbeelden (soms vraag ik me af: waarom wordt er nooit over manbeelden gesproken en geschreven?). Ook hier stelt hij (onoverbrugbare?) tegenstellingen vast.

En in aansluiting op de bekende titel van Lenin, heet het laatste stukje ‘Que faire?’ Wie denkt hier antwoorden te krijgen is eraan voor de moeite. De ‘attitude humanitaire prédominante de la gauche bien-pensante’ wordt nog eens verworpen (terecht, vind ik), maar wat hijzelf in de plaats stelt, komt doodgewoon op hetzelfde neer: Europa moet ervoor zorgen dat de vluchtelingen kunnen ‘survivre dignement’, en men moet op wereldvlak ‘réactiver la lutte des classes, ce qui n’est possible qu’en insistant sur la solidarité mondiale des peuples exploités et des opprimés.’ (p.138)

Wat kun je daar anders over zeggen dan ‘words, words, words’ ? Zowel hier als elders wijst alles op een tegengestelde evolutie, op het verdwijnen van solidariteit; en het woord ‘klassenstrijd’ (ook al vind die effectief nog steeds overal plaats) doet echt zo oubollig aan, dat je met een geschrift als dit niemand zult kunnen overtuigen. Jammer misschien, maar helaas.

Maar de laatste paragraaf van zijn boekje bewijst mijns inziens een beetje à contrario dat hij dat zelf ook wel inziet:

“Peut-être une telle solidarité globale est-elle une utopie. Mais si nous ne la tentons pas, alors nous serons réellement perdus. Et nous mériterons notre sort.” (p. 138)

Als uiting van een totale onmacht en van pessimisme kan dat tellen.

000

Daarnaast was er nog andere vakantielectuur, zelfs een roman (in het kader van het herlezen elk jaar van een of twee auteurs), maar daarover zal ik het niet hebben.

En over de twee andere ernstige boeken zal ik het wellicht afzonderlijk hebben.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


19 + 18 =