22.08.16 – Walschap

| 2 reacties

Als ik goed gekeken heb, zijn op dit ogenblik nog twee boeken van Gerard Walschap in de reguliere boekhandel: een niet al te beste roman uit de nalatenschap, en een soort omnibus. In een taalgemeenschap waar langs beide zijden cultuurbarbaren het voor het zeggen hebben, verwondert dat uiteraard niet. Walschap is trouwens de enige niet: van sommige van zijn tijdgenoten is geen enkele titel meer leverbaar. En in geen enkel geval heeft dat iets te maken met de al dan niet aanwezige kwaliteit van het werk in kwestie, enkel en alleen met de barbarencultuurpolitiek.

walschapDaarom alleen al zijn sommige initiatieven zeer prijzenswaardig, zoals de pas verschenen Walschapreader: Kris Humbeek, Valerie Rousseau, Maksim Marissen, Maxime van Steen (Eds.): De mens, ge kunt gij daar niet aan uit; Gerard Walschap, een becommentarieerde bloemlezing (Uitgeverij Acco, Leuven, 2016). Het boek is expliciet bedoeld voor leerlingen en studenten. Het feit dat het bij Acco uitgegeven is, wijst daar al op. Maar dat roept bij mij ook al onmiddellijk een vraag op: Acco geeft normalerwijze enkel uit op kosten van de auteur, waren er dan geen reguliere uitgevers bereid om dit, of een ander boek van of rond Walschap uit te geven?

Hoe dat ook zij, in vijf hoofdstukken weten de auteurs

(de auteurs? ik heb de sterke indruk dat de verbindende tekst enkel door Kris Humbeek geschreven werd; de aanwezigheid van treinen doorheen de tekst wijst daar onweerlegbaar op; Humbeek heeft iets met treinen, en ik verwacht eigenlijk nog wel eens een boek van hem over de trein in de Nederlandse letteren)

aan de hand van goed gekozen fragmenten het gehele werk van Walschap grondig te schetsen, met sterke nadruk op zowel de evolutie binnen dat werk als op datgene wat op een steeds houterige manier daarin hetzelfde gebleven is, op het eind op een echt verkrampte manier.

Iedereen die zich ooit met zijn werk heeft bezig gehouden weet dat de jonge tiener die Walschap was, pastoor wou worden, missionaris met name om het goede woord te verspreiden bij iedereen in de derde wereld (zo zou men dat pas veel later gaan noemen) die daar nog geen kennis van had. Priester-missionaris is hij uiteindelijk niet geworden, maar profetisch verspreider van de Waarheid wel degelijk, tot op het einde zelfs. Dat aspect vooral weten de auteurs zeer sterk naar voren te brengen. Het is wellicht ook een van de belangrijkste aspecten van de persoon Walschap en van zijn werk en, zo vermoed ik, een van de redenen waarom zijn werk nu eigenlijk niet meer echt zal aanslaan. Ik vrees dat de goed bedoelde poging van Humbeek c.s. daar niets aan zal veranderen.

Wat mij eigenlijk verbaast, is hoe lang Walschap nog officieel katholiek is gebleven; in mijn herinnering was het daarmee afgelopen na Adelaïde, maar dat klopt dus langs geen kanten: tot aan de oorlog zeker, en misschien zelfs nog iets later. De vrijzinnige Walschap treedt in elke geval pas op na die oorlog, met name in het socialistische Nieuw Vlaams Tijdschrift, dat dan begint te verschijnen. Je kunt dus stellen dat Walschap twintig jaar lang een katholiek schrijver geweest is.

Veel heeft het hem niet opgebracht, want vanaf dat zonet genoemde boek, kreeg hij hoe langer hoe meer tegenwind van katholieke zijde; ofschoon de werken uit de jaren dertig eigenlijk zeer goed te vergelijken vallen met die Greene in Engeland of, meer nog, François Mauriac in Frankrijk – ook twee uitgesproken katholieke schrijvers. Terloops wijzen de auteurs wel naar buitenlandse tijdgenoten, maar mijns inziens doen ze dat niet voldoende. Maar misschien hadden ze dan expliciet moeten toegeven dat Walschap meestal de mindere was van zijn buitenlandse confraters? Maar dat gold voor quasi alle Vlaamse schrijvers – op hier en daar een uitzondering (eigenlijk enkel Van Ostaijen, ook als prozaïst) na.

Zeker in de eerste twee hoofdstukken publiceren de auteurs wel wat teksten die niet zo gemakkelijk meer toegankelijk zijn, met name uit tijdschriften. Zowel uit die teksten zelf als uit de commentaar erbij komt een beeld naar voren van een Vlaanderen waar de enige en ware moederkerk inderdaad nog in het midden stond. Eigenlijk heeft dat geduurd tot in de jaren zestig en ik heb dat Vlaanderen nog even meegemaakt. Ik betreur dat niet, maar verlang er evenmin op enige manier naar terug. Die Vergangenheit ist klar vorbei.

Om daar in de jaren dertig al uit weg te breken moest je een grote mate van koppigheid hebben en vooral, vrees ik, de zekerheid in het bezit te zijn van de, of minstens toch van een grote Waarheid. Die waarheid werd hoe langer hoe meer een sciëntistisch rationalisme, dat mijns inziens wel een beetje een late Vlaamse navolging is van het positivisme van Comte. Positief was het werk van Walschap trouwens ook in de dagdagelijkse betekenis van dat woord: Walschap kende geen pessimisme, de mensheid was op weg naar een stralende toekomst, en om daar te geraken moesten enkel nog een paar kleine weerstanden opgeruimd worden; dat alles was enkel een kwestie van gezond verstand.

Maar daar zijn we al aangeland bij de late Walschap, die van de jaren zestig en zeventig.

Voordien was er nog een oorlog geweest, waar Walschap dan uiteindelijk wel ongehavend uit gekomen is, maar die hem toch de roep van een collaborateur heeft gebracht, voor korte tijd en zonder veel praktische gevolgen (hij had tenslotte toch al een breed netwerk in allerlei milieus). Ik denk dat de auteurs gelijk hebben wanneer ze stellen dat Walschap niet echt een collaborateur was, ook al werd hij tot inspecteur van de bibliotheken benoemd tijdens de bezetting, en ook al werkte hij mee aan collaborerende ‘culturele’ bladen. De auteurs hadden misschien op het reuzegrote verschil moeten wijzen tussen de Militärverwaltung in België en Noord-Frankrijk, en de veel en veel ergere Zivilverwaltung in bezet Nederland.

Bron: Letterenhuis, Antwerpen

Bron: Letterenhuis, Antwerpen

Hoe dat ook zij, de auteurs maken wel regelmatig een vergelijking tussen het werk van Walschap en dat van Filip de Pillecijn. Deze laatste wordt systematisch een ‘nationaal-socialist’ genoemd, wat mijns inziens evenmin juist is. Ook in die bewering herkennen we duidelijk standpunten van Kris Humbeek. Ik denk niet dat de collaboratie van de Pillecijn heel veel verder ging dan die van Walschap. Misschien zou je kunnen stellen dat Walschap pas na de oorlog een echte collaborateur geworden is, met name in de hem door verzetskringen en andere progressieven niet in dank afgenomen roman Wit en Zwart, waarin hij de échte collaboratie, met name die aan het oostfront, gewoon vergoelijkt. Maar hoeven we zo lang te wachten? In 1938 verscheen de roman Houtekiet – unaniem beschouwd als Walschaps belangrijkste roman, een meesterwerk – en op geen enkel ogenblik trekken Humbeek c.s. de voor de hand liggende (en in 1938 door alle critici opgemerkte) vergelijking met Knut Hamsuns Hoe het groeide, al verschenen in 1917 en drie jaar later bekroond met de Nobelprijs. Hamsun ontpopte zich als de belangrijkste Noorse collaborateur met de nazi’s, en de ideologische basis daarvoor was in die Nobelprijsroman al te vinden; diezelfde tendens was identiek aanwezig in de roman van Walschap.

Maar deze laatste zal vast en zeker wel wat voorzichtiger geweest zijn. En inderdaad rationalistischer ingesteld dan Hamsun en dan zijn eigen hoofdpersoon (waar trouwens inderdaad een rationelere Nard Baert tegenover staat). In dit verband vind ik het wel onheus Walschap te verwijten dat hij nooit geschreven heeft over de judeocide. Is dat een verplichting? En door wie opgelegd? Wat mij betreft kiest een schrijver nog altijd vrij zijn onderwerpen.

Een tweede probleem in dit verband is het ‘racisme’ van Walschap; ook hier wordt vergeleken met De Pillecijn, met name met diens roman De soldaat Johan. Volgens de auteurs zou daarin een essentialistische en biologische opvatting aanwezig zijn met betrekking tot de begrippen ‘volk’ en/of ras. En bij Walschap zou dat niet het geval zijn, zo wordt meer dan eens gesteld. Zouden de auteurs dat zelf geloven? Temeer daar het begrip ‘racisme’ toch wel heel wat breder is dan het zuiver biologische (vaak te breed wat mij betreft, maar dat is een andere zaak). Vandaar dat het mij moeite kost in een simpel zinnetje als ‘Walschap is zoals we intussen weten geen racist.’ (vet van mij) géén ironie te zien. Het lijkt me te veel op het bekende ‘Brutus is an honorable man’.

Maar bon, echt belangrijk is dat voor mij niet; maar de puntjes mogen wel op de ‘i’ worden gezet. Eén voorbeeld slechts: in De culturele repressie worden Chinezen systematisch ‘rijstkakkers’ genoemd. Géén racisme?

Het langste hoofdstuk is het laatste, over het late werk van Walschap. Bij bijna alle schrijvers is het late werk het zwakste werk (er zijn uitzonderingen uiteraard, vaak eerder bij dichters dan bij prozaschrijvers) en dat geldt ook voor Walschap. In dat laatste werk is hij inderdaad totaal vastgeroest in zijn vooruitgangsideologie, die daardoor alleen al met de Verlichting niets meer te maken heeft. De auteurs weten op die manier ook zeer goed de (mogelijke?) grenzen aan die Verlichting vast te stellen, en het gebeurt daarbij slechts uiterst zelden dat ze de neiging hebben (meer ook niet) om te vervallen in een cultuurrelativisme, dat alles gelijkschakelt. De Verlichting heeft mijns inziens zaken voortgebracht die op de een of andere manier toegepast universeel (zouden moeten) zijn.

Het boek eindigt met een conclusie die de titel ‘Wat als?’ draagt. Die conclusie bestaat enkel uit vragen, twee grote bladzijden met kleine letter lang. Op zich is dat al schitterend natuurlijk, maar in deze context duidt het op de scherpste wijze aan waar de grenzen liggen van het vooruitgangsdenken van Walschap c.s.; het duidt aan waar dat denken gebonden is aan de tijd waarin het werkte, en hoe sterk de wereld veranderd is sinds Walschaps dood in 1989 (niet eens zo lang geleden, gisteren eigenlijk), en hoe die veranderingen ervoor zorgen dat (dezelfde of andere) problemen anders benaderd moeten worden, duidt eigenlijk vooral aan hoe tijdsgebonden het hele werk van Walschap eigenlijk was. Dat geldt natuurlijk voor alle schrijvers in meerdere of mindere mate.

Maar voor Walschap, zo lijkt het wel, toch in meerdere mate. Maar om daar zeker van te zijn, zou je een vergelijkende studie moeten maken, waar al zijn generatiegenoten mee aan bod komen, op de eerste plaats die in Vlaanderen en Nederland (dit zou op zich al grote verschillen aan het licht brengen), maar ook buitenlandse. Dat zou niet enkel de figuur van Walschap, maar de hele Nederlandse literatuur in een juister daglicht stellen. Denk ik. Of vrees ik?

Delen:
Share

2 reacties

  1. België stond het grootste deel van de bezettingsperiode onder een Militärverwaltung. De Zivilverwaltung is hier pas in de laatste maanden (vanaf juli ’44) ingevoerd. Nederland kreeg vrijwel meteen een Zivilverwaltung. Omgekeerd dus van wat er in het stuk hierboven staat. De twee regimes quoteren volgens hun graad van “strengheid” is hachelijk, maar veel auteurs beschouwen de Militärverwaltung als milder. Ze was in ieder geval minder “politiek”, de macht van de SS was er zwakker.

  2. Geachte Heer Govaerts,

    Hartelijk bedankt voor uw volkomen terechte opmerking. Ik heb de Zivil- en de Militärverwaltung inderdaad gewoon omgedraaid; in België en Noord-Frankrijk was het inderdaad een Militärverwaltung (vandaar dat bv. ook een Boon hier kon publiceren) en in Nederland was het een Zivilverwaltung, mét Kultuurkamer, en vandaar de vele, vele illegale en clandestiene drukken aldaar (zie de bibliografie van de Jong).

    Sorry voor de fout, ik zal ze onmiddellijk rechtzetten.

    met vriendelijke groeten,
    Peter Bormans

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


19 − zestien =